De delen van het boek
Van de paradoxen van het sonnet tot de interpretatiekoppels ontvouwt het essay een coherente en progressieve begripsmatige architectuur over verschillende opeenvolgende delen.
Deel I: Paradoxen
In dit onderzoek, dat dateert uit 1994, trachten wij het beginsel te verhelderen volgens welk, op het niveau van het niet-wetenschappelijke maar duidelijk gewilde denken, een zekere afstand tussen de woorden ertoe leidt hun betekenis niet te verbinden, indien er geen enkele herinnering aan een begrip is. Om dit aan te tonen, nemen wij een gemakkelijk te behandelen geval: dat van de paradoxen van het gedicht „Samenspel“ van Baudelaire. Deze tekst biedt het voordeel een minimale logische vorm te bezitten, met zeer weinig uitdrukkelijke herinneringen aan betekenis. De omstandigheden zijn dus gunstig om op een gegeven punt het effect van de afstand op het vergeten van de voorafgaande woorden waar te nemen. Allereerst zijn in „Samenspel“ de belangrijkste paradoxen gevormd met woorden van geringe afstand. Vervolgens blijven de paradoxen die men zich met verwijderde woorden zou kunnen voorstellen voor iedereen krachteloos. Ten slotte versterken de voor de intuïtie wederzijds verenigbare paradoxen elkaar slechts duidelijk wanneer zij weinig andere woorden tussen zich hebben. Om deze feiten te meten, werken wij een breuk uit met 1 in de teller en een reeks cijfers die de aangegane risico's meten in de noemer. De resultaten zijn de grootheden van de aannemelijkheid van de bestudeerde interpretaties, zoals „dit oordeel is een paradox“ en „deze paradoxen versterken elkaar wederzijds“.
Deel II: Uitbreiding van de metingen van aannemelijkheid
Hier trachten wij de berekeningen van het vorige onderzoek te veralgemenen. De beschrijvingen van de sterkste betekenismoeilijkheden die in „Samenspel“ worden gevonden — de botsingen — geven een rekengrondslag voor de aannemelijkheid van de beschrijvingen van de zwakkere moeilijkheden: de probleem-nivelleringen. Het beginsel van deel I — dat van een empirische wiskunde — wordt teruggevonden in deel II. Indien men bij het dobbelen de kansen zoekt om met twee dobbelstenen bij de eerste worp een dubbele zes te werpen, is er 1 verlangde te realiseren gebeurtenis op 36 mogelijke, wat 1/36 als waarschijnlijkheid geeft. Hier, bij de aannemelijkheid van de interpretaties, in plaats van de waarschijnlijkheid (x/y) te zoeken, dat wil zeggen het aantal (x) gezochte gebeurtenissen onder een aantal (y) alle gelijkelijk mogelijke gebeurtenissen, zoekt men het omgekeerde van de massa van de hindernissen die dreigen te bewerkstelligen dat de gezochte gebeurtenis niet plaatsvindt. In het onderhavige geval is het de massa van de hindernissen die dreigen het oordeel onjuist te maken volgens hetwelk de auteur uitdrukkelijk deze of gene verbinding tussen twee ideeën van de tekst heeft gewild. Men is dus zeer ver verwijderd van de eigenlijke waarschijnlijkheidsrekening. Men geeft er een nabootsing van, met sterk omgewerkte grondbeginselen, die men op empirische wijze vindt: naar de ervaring die men over decennia heeft in de tekstinterpretatie. De kritische drijfveer hierachter is dat men vele gevallen kent waarin uitleggers even dogmatisch als twijfelachtig hebben verzekerd dat een auteur dit of dat zou hebben gedacht. Om hen niet blindelings te volgen, beoordelen wij de kansen van elke interpretatie in een zeer schematisch kader door middel van een numerieke verhouding van het type 1/(1)(1)(1)(1) of 1/(2)(2)(2)(2), of door een tussengelegen grootheid van deze aard, zoals 1/(1)(2)(1)(2). Voor de problemen in het algemeen, dus met enkele geringe onder hen, moet men nog minder vertrouwen hebben, zodat wij van vier elementen in de noemer overgaan op zeven, wat in de gekozen taal 1/(q)(e)(p)(f)(z)(g)(j) oplevert voor het algemene geval van de probleem-nivelleringen behandeld in deel II, in plaats van 1/(t)(s)(m)(w) voor de botsingen, vanaf het begin bestudeerd in deel I. Binnen deze empirische wiskunde stelt elk van de elementen, (q), (e), (p), enzovoort, een hindernis voor. Wanneer de hindernissen aanzienlijk blijken, verkrijgt men in het bijzonder q=2, e=2, p=2, f=2, zodat de interpretatie een geringere waarde van aannemelijkheid zal hebben. Evenzo beoordelen wij in het kader van dezelfde berekening de middelen om elke moeilijke betekenis beter af te bakenen, door middel van de aannemelijkheidsberekening op wat wij de verzachtende nivelleringen noemen. Eveneens zoeken wij een schatting van de opvattingen die voorgeven zich te beperken tot louter vaststellingen: de neutrale nivelleringen. Ten slotte trachten wij te zien welke numerieke grootheden het mogelijk maken de aannemelijkheid van de versterkingen tussen nivelleringen weer te geven. De gevolgde logica is dezelfde als die welke voorheen in deel I werd gebruikt om de kansen te vinden dat twee grote paradoxen elkaar wederzijds versterken.
Deel III: Invloeden
In de poëtica, dat deel van de taalkunde dat zich bezighoudt met de vorming van de verbeeldingsrijke teksten, is het interessant de invloed te onderzoeken van de woorden die buiten de betekenisproblemen staan op de vorming van diezelfde problemen. Wanneer men in „Samenspel“, het gedicht van Charles Baudelaire, een levendige betekenisbotsing vindt, heeft men een verbinding tussen betekenissen die op het niveau van de tekstinterpretatie evenzeer verwarrend als op het niveau van het geestelijk functioneren boeiend is. Het taalkundige of poëtische commentaar dient zich dus te richten op de omstandigheden waaronder zich deze in-contactbrenging van twee beelden voltrekt die op het eerste gezicht niet zouden moeten samengaan. Stellig kan men van een gedicht veel verwachten voor de persoonlijke of collectieve mijmering, maar het is evenzeer geoorloofd het op te vatten als een interessant voorbeeld van combinaties tussen ideeën. Aldus beschouwd, ziet men de gevallen waarin de aanwezigheid van woorden die naast die staan welke de botsing tussen de betekenissen veroorzaken, zich voordoet als een van de drijfveren van de problematische betekenis. De fundamentele visie op de afstand van de woorden blijft hier dezelfde als voorheen, en zo zoekt men of het in Baudelaires uitwerking werkelijk woorden zijn die zeer dicht bij de moeilijkheden staan die er het sterkst op inwerken. Wij vertrekken van de aannemelijkheid van een betekenisbotsing door de mate van haar aannemelijkheid te vermenigvuldigen met die van de invloed die zij ondervindt. Elk van de grootheden heeft de vorm 1/(…), precies volgens het model van die welke in de voorafgaande delen van het essay zijn behandeld. Wij bepalen een positieve invloed, die het ontstaan van een probleem begunstigt, en een negatieve, die zijn vorming verhindert. De rekenwijzen zijn verschillend, aangezien de invloed naargelang het geval in de ene of de tegenovergestelde richting gaat. Wij voeren proeven uit die er grotendeels in bestaan in een nabootsing van „Samenspel“ het woord weg te nemen dat de betekenis draagt die de invloed uitoefent, en telkens dient men te vergelijken wat er met het betrokken probleem gebeurt, met en zonder het woord dat ervan verdacht wordt doorslaggevend te zijn.
Deel IV: Analogieën
Uitgaande van de oude bepaling van de analogie door Aristoteles, vergelijken wij haar met de gelijkheid van breuken 2/3 = 4/6 en werken een meting uit van de interpretaties van de analogische uitspraken. Inderdaad kan de uitlegger voorgeven een analogie als „de ouderdom is de avond van het leven“ goed verborgen te zien in een omslachtig betoog, terwijl de auteur er niet aan heeft gedacht. Het gaat dus steeds erom de mate van vertrouwen te bepalen die men kan stellen in hen die verbeeldingsrijke teksten interpreteren. De afstand tussen de woorden is hier wederom van groot belang, want in het geval dat de woorden van de vermeende analogie ver van elkaar verwijderd zijn, wordt de aannemelijkheid 1/(…) gering. Het lukt ons verschillende soorten analogie te onderscheiden, en wij schrijven ze als volgt, naar het model van het voorbeeld van Empedocles betreffende het leven en de dag: (ouderdom-/leven-/avond-/dag), (ouderdom-/leven-/avond), (ouderdom-/avond), (ouderdom./avond). Ten slotte werken wij voor elk van de aldus onderscheiden verzamelingen een bijzondere vorm van berekening uit om de aannemelijkheid van haar elementen te schatten, en in het bijzonder die van de voorbeelden ervan die in de teksten worden gevonden.
Deel V: Raadsels
Deze literaire analyse, die dezelfde algemene meettechniek bezigt als in de voorgaande delen, met aannemelijkheidsgrootheden van het type 1/(…)(…)(…)…, maakt het mogelijk de stijlfiguren te bestuderen zoals „u bent een Homerus“ of „hoe ik zijn paard liefheb“. Deze talrijke en aan elkaar verwante gebruikelijke wendingen lijken op analogieën of overdrachten die verzacht en tot lichte raadsels vervormd zijn. Wij beschrijven de bijzonderheden van deze wendingen om het te rechtvaardigen ze alle tot één enkele categorie terug te brengen. De bepaling van de mate van vertrouwen die men kan stellen in de uitleggers die voorgeven verborgen betekenissen in niet-wetenschappelijke teksten te raden, is steeds het doel van deze literaire analyse — waarbij het grote aantal van de beproefde aannemelijkheidsmetingen juist voortvloeit uit de veelheid van de zich aandienende gevallen.
Deel VI: Klanknabootsingen
De intrusies van klanknabootsingen en van overdadige tekens in de gewone taal, zoals met de twee aanwezige gevallen in „zij is weg, krak!!!“, vormen het voorwerp van een nieuw onderzoek dat op zijn beurt aannemelijkheidsmetingen oplevert, die wederom tot doel hebben na te gaan of de auteur van een tekst werkelijk dat heeft gehad wat hem als bedoeling wordt toegeschreven. Bij de klanknabootsing en alle naburige intrusietypen ligt het belang in het zich bevinden aan de grens van het materiële en het geestelijke, want enerzijds treedt het binnendringen van een weinig taalkundig geluid in een zin uit de meest erkende academische betekenis, terwijl er anderzijds toch een soort oproeping is. De taalkunde stelt geen uitsluitend belang in het functioneren van de gangbare woorden, gezien de verscheidenheid van de middelen van de taal, zodat onze bijdrage zich uiteindelijk voegt in het algemene kader van het onderzoek van de verbale uitdrukking, schriftelijk of mondeling.
Deel VII: Interpretatie
In dit onderzoek, dat dateert uit 2010, stellen wij ons tegenover het feit dat het hinderlijk is voortdurend om de verzen van het gedicht „Samenspel“ heen te draaien zonder het ooit woord voor woord in zijn geheel ineens te volgen. Aldus vullen wij deze lacune op om te zoeken of ons tot nu toe geen betekenishoeken zouden zijn ontgaan. Tijdens talrijke paragrafen volgen de werkwijzen twee zeer verschillende visies die elkaar afwisselen. Enerzijds gaan wij op zoek naar de zo zuinig mogelijke algemene betekenis, dat wil zeggen de meest letterlijke en minst inventieve, in verhouding tot wat in het gedicht openlijk wordt gezegd. In de vervolging van deze grondbetekenis komen wij, met verdere definities dan in deel I van het essay, terug op de duisterheden van de inhoud, en deze keer door het begrip van een oplossing van minimale betekenis aan elke grote moeilijkheid toe te voegen. Aldus werken wij, uitgaande van de zeer bescheiden werkwijzen van de voorgaande delen, waarin wij ons beperkten tot het verbinden van beelden die uitsluitend in de tekst werden gevonden, thans een uitgevonden betekenis uit, evenwel zo getrouw mogelijk aan het oorspronkelijke voorkomen van de verzen, omdat zij enkel is verzonnen om een crisis te boven te komen, met het minimum aan aannames. Anderzijds, en dit is hier de hierboven aangekondigde tweede visie, geven wij van Baudelaires sonnet twee interpretaties — waarvan geen meer waard is dan de andere. Elk neemt de lezer de gedachte weg dat haar zuster de enig juiste zou kunnen zijn. Elk wordt toegepast van het eerste tot het laatste vers. Elk ontvouwt één enkele gewaagde idee, doch verwijderd van wat onmiddellijk leesbaar is.
Deel VIII: Koppels beeldspraken waarvan de ene de voorbereiding is van de andere
Het achtste deel van „Inhoud en Afstand“ betreft niet meer het duidelijk gewilde denken van een auteur die een werk van willekeurige lengte tot stand brengt, maar zijn dagdroom of zijn zeer snelle denken dat betrekking heeft op een zeer kort werk dat uit zijn denken is voortgekomen. Het grote voordeel dat dit geval biedt ten opzichte van het voorgaand behandelde, is dat de geest van de auteur kan worden beschouwd als een die zonder enige moeilijkheid zijn eigen tekst in alle richtingen doorloopt. Wij trekken uit deze omstandigheid de methodische conclusie dat de aannemelijkheid van een interpretatie van een passage van de tekst, die twee uit hem voortkomende ideeën verbindt, niet meer afhankelijk is van het aantal belangrijke woorden die deze ideeën scheiden. Inderdaad verbindt het mijmerende of uiterst snelle denken de beelden met gemak van het ene einde van een minuscuul werk naar het andere. Aldus blijven, als hindernissen voor de verbindingen van ideeën die de interpretaties van de tekst zijn, slechts de betekenismoeilijkheden over, aangezien die van de afstand zijn uitgewist.
Deel IX: Interpretatiekoppels waarvan de ene de voorbereiding is van de andere
Voorlopig is het negende deel van het essay geplaatst na de index van de acht voorgaande delen. Het beginsel van dit negende hoofdstuk blijft dat van de beschrijving van een dagdroom van de auteur of van een vluchtige gedachte die hem is gekomen, in de loop waarvan hij in aanmerking neemt dat A B voorbereidt. Echter, in tegenstelling tot wat in afdeling VIII het geval was, zijn A en B nu twee interpretaties, waarvan de meest elementaire de andere voorbereidt. Aldus wordt met betrekking tot „groen“, een woord van het eerste terzine van „Samenspel“, de betekenis „van groene kleur“, toegepast op „geuren“ die op „weiden“ lijken, beschouwd als een die de betekenis „wrang voor de ogen“ voorbereidt, in de visie van een samenspel dat verschillende vermogens verenigt: dat van de smaak en dat van het gezicht.
Opmerking: de Nederlandse vertaling van W.H. Martin-van den Berg omvat de eerste acht delen. Het negende deel, hier ter volledigheid gepresenteerd, is beschikbaar in de Franse oorspronkelijke versie van het essay.