Het voorplein is een zeer ruime manier van het naast elkaar stellen van bepaalde zaken om de overeenkomst daartussen vast te stellen, (I-.-II-.-III-.-IV), ongeveer zoals veel stijlfiguren, in het bijzonder de duffels. Het lijkt op (E-/F-/H-/R), het schema van de inning, en kan niettemin bestaan uit elementen die zich herhalen of die meervoudig zijn, zoals in (A-.-E-.-E-.-FH). De beduidenis blijft “I staat tot II zoals III tot IV” maar dan in een heel ruim kader, en met soms enkel stoffelijke of niet nadrukkelijk genoemde bestanddelen. Evenmin kan voor het voorplein de mengeling van niet bij elkaar horende begrippen, die hoort bij de meest aannemelijke duffels, vereist worden. Daardoor wordt (Archimedes-.-genie-.-u-.-talent) mogelijk, dat voortgekomen is uit “u bent een Archimedes”, om op treffende wijze “zo ingenieus als Archimedes was, zo talentvol bent u” te zeggen [333].
Het voorplein laat de continuïteit zien die de duffels en talrijke verschillende zinswendingen met elkaar verbindt, zodat Leibniz eens te meer gesterkt wordt in zijn woorden [499]: «Niets gebeurt opeens…» De geest schijnt te functioneren door uitbreiding van hetgeen hij al weet, en zo een soort metafoor te scheppen om iets nieuws te maken op basis van wat al bekend was [523]. In sommige gevallen beschikken we niet over vervangende woorden, zoals bij “het plankendons” dat we dan bijvoorbeeld verzinnen om de minuscule sprietjes van een net gezaagde plank te omschrijven [308]-[803]. We spreken van een metafoor als we het woord in kwestie door een ander kunnen vervangen, zoals “de top van het flatgebouw” waarmee “het dak van het flatgebouw” bedoeld wordt, hetgeen vereist dat we het verband tussen verschillende voorwerpen zien [36]-[345]-[804].
De onzekerheid waarnaar men in de kunst op zoek is, met name door middel van het dooreenlopen van diverse gevoelens, wordt op andere gebieden beschouwd als de vijand van het verstand, wat Descartes aanzet om met betrekking tot bovennatuurlijke zaken het volgende neer te schrijven [267]: «…degenen die proberen ze te begrijpen door middel van hun verbeelding doen toch eigenlijk alsof ze, om geluiden te horen of geuren te ruiken, hun ogen willen gebruiken…»