Het essay — Deel VI

Opzettelijke intrusies

Legenda van de blokken

Theorie — de begripsmatige uiteenzetting Methode — opmerkingen bij de toepassing Baudelaire — de toepassing op het sonnet Samenspel
§401
· Bult, spinsel en ribstof
Theorie

Aangezien de spil van de N die gebruikt is in «Natuur», in de eerste regel van het gedicht, geen belemmering voor de boring vormt, zijn we het erover eens dat het onmogelijk is enkel het begrip spil te gebruiken, als een stijlfiguur bestaande uit een materiële inmenging in een geheel van betekenissen gekarakteriseerd moet worden. Daarom moeten we verschillende relaties die de gedachte met haar tekens verbinden opnieuw bestuderen. Ten eerste mogen we ervan uitgaan dat er tussen beduidenis en teken een gedeeltelijke solidariteit bestaat. We zijn eveneens van mening dat de elementaire betekenis een beduidenis, voorgesteld door een bepaald woord of symbool, heeft die voor een aanzienlijke periode, in een menselijke samenleving geldt [905]-[906]. Een tekst, en de diverse realiteiten die daar onveranderlijk mee samen gaan, op het stoffelijke of mentale vlak, heet een bult, en door het begrip rail te generaliseren, wordt het domein ervan uitgebreid met de echte of verzonnen bulten. Ieder teken of elke beduidenis, permanent in de bult aanwezig, of het nu een idee, een symbool, een woord, een hulpmiddel of een bloksteen is, wordt een vierkantje genoemd. Het bestaan ervan hangt in geen enkel opzicht van tijdelijke omstandigheden af, terwijl de onwillekeurige grijns van een acteur verdwijnt als deze aan iets anders denkt. Het vierkantje maakt de boring niet of wel mogelijk. We passen de symboliek van de Latijnse hoofdletters A, E, en H… nu ook toe op de vierkantjes. Een kroes ziet eruit als een bult waarvan we, in ieder geval in grote lijnen, de voornaamste betekenis kunnen vaststellen, die we het spinsel noemen. We zouden ons er niet zo’n globaal denkbeeld van kunnen vormen, als we bij het doornemen van hetgeen meegedeeld wordt onophoudelijk bepaalde doorslaggevende, maar onberedeneerde gezegdes zouden aantreffen, die te vergelijken zijn met een lange rij spontaan geuite luide schreeuwen, als gevolg van een hevige pijn waarbij men zich onmogelijk kan bezinnen. Een vulling kan twee dingen, die soms in een kroes aangetroffen worden, zijn: een vierkantje dat de boring schade toebrengt, of een spil. Iedere kroes die een spinsel bezit dat we enkel door middel van blokstenen, termen of spillen aan de weet komen, wordt een wieg genoemd. Het sonnet „Samenspel“ toont ons het voorbeeld van zo’n mededeling waarvan de inhoud enkel door een paar korte zinnen in grote lijnen begrijpelijk is. Indien daarentegen een aantal klanken een reeks zeer intense muzieknoten bevatten die zich bij de vakjes voegen, zou dat niet als hetzelfde type mededeling beschouwd kunnen worden. In een wieg is een ribstof een vulling die de schepper van een boek gewild heeft en die niet voortkomt uit een gewone dichterlijke kunstgreep: klankrijm, versbouw, accent of rijm. De bult zoals hij was voordat de indringing plaatsvond, noemen we zijn grafheuvel, en de conceptie zelf van de ribstof wordt voorgesteld door het symbool (- ¦¦¦¦-).

Methode

Zo kan “we hoorden een boem” weergegeven worden door middel van (boem-¦¦¦¦-explosie) en “ze woonde in een kleine ⌂” door (⌂-¦¦¦¦-hut), maar het segment “hij ¤∆ staat ⌂ toe in minder ☼±√” maakt geen goede ribstof mogelijk.

Toepassing op Baudelaire

De zinnebeelden van de blokstenen vormen pas een dergelijk voorwerp als ze belachelijk vaak herhaald worden. Baudelaire, die zijn uitgever menig briefje met een boodschap deed toekomen, beval hem zijn eisen met betrekking tot de typografie uiterst serieus te nemen, en toch beperkte hij zich tot een normaal gebruik ervan [646]: «Wat de leestekens betreft, denk eraan dat die niet alleen belangrijk zijn voor de beduidenis, maar ook voor "de declamatie".»

§402
· Loods en rolletjes
Theorie

We zijn gedwongen onze toevlucht tot nieuwe kunstgrepen te nemen, om de ribstoffen nauwkeuriger te bepalen. Ten eerste constateren we dat twaalf werkingen mogelijk zijn die we samengebracht in een groep de loods noemen. We nemen de vrijheid om, teneinde sommige dubbelzinnige stijlfiguren te kunnen definiëren, één van hun karakteristieken te onderstrepen. We eisen van de zinswending dat hij een doelstelling op het literaire of mythologische vlak heeft. Vervolgens verwijderen we elk in hoge mate uitgewerkt codeschrift. In de vierde plaats accepteren we geen enkele bijdrage tot kennis. We ontdoen ons van de intellectuele vormen van het pleonasme, evenals van tweeslachtige situaties, tegenstrijdigheden of abstracte ironie. In de zesde plaats leggen we een groot aantal woordspelingen terzijde die niet door vervorming van taalmaterie tot stand zijn gekomen, zoals “Vrouwen spinnen daar de hele dag”. We bevoordelen het mondelinge aspect, wat leidt tot de transcriptie (te lappen-¦¦¦¦-klappen) betreffende “Durf het slaan nog eens te lappen, dan krijg je zelf klappen”. In de achtste plaats wenden we ons tot een beschrijving van de bult die betrekking heeft op een manier van spreken, zoals in “Daris’ droom”. Wat de toelichting aangaat, laten we na om zonder belangrijke reden van het concrete af te dwalen: “dromedaris”. Vervolgens wordt de constatering meer bevoordeeld dan de uitleg. Zodoende legt “Daris’ droom” meer gewicht in de schaal dan “dromedaris”. In de elfde plaats sluiten we het spelen met de plaats van de woorden uit van het domein van bestudeerde onderwerpen, zodra daaromtrent onzekerheid ontstaat. Dat is het geval met “Elske heeft Lotte ontmoet toen ze naar de markt ging”. Tenslotte kennen we de benaming “woord” toe aan alles wat er op het vlak van het taalgebruik in kwestie op lijkt. Het gedeelte “eind” van “eindelijk” wordt dus als een woord beschouwd, omdat “eind” op zichzelf als woord bestaat en onder andere de beduidenis heeft van "afloop" of "slot". De tweede groep middelen, waar men zich voor de analyse van de stijlfiguren van bedient, wordt voorgesteld door twee aanduidingen die een beschrijving inhouden, (F-) en (S-), de rolletjes, die wel of niet tegelijk worden gebruikt. Eerst wat (F-) betreft, waarvan de inhoud “hardnekkige verschijning” of “feit” is. Dan (S-) die als beduidenis “uitleg” of “veronderstelling” krijgt.

Methode

De rolletjes maken moeilijk te vatten zaken begrijpelijk. De stilte in “houdt…wapens gereed” ontvangt de toelichting (F…-¦¦¦¦-S-zeer korte tijdsduur voor de soldaat om zijn geweer aan te leggen).

Toepassing op Baudelaire

Minder zichtbaar blijkt de uitleg te zijn van (F-zege4ende soldaten-¦¦¦¦-S-zegevierende soldaten), betreffende “zege4ende soldaten keerden zingend huiswaarts”. Het zoeken van een ribstof in «…De uitbreiding van oneindige dingen…» gaat vergezeld met een onderzoek van (F-uitbreiding van de oneindige dingen-¦¦¦¦-S-oneindige uitbreiding van de oneindig kleine dingen). Als een vrouwelijke geur de wegen der ziel binnendringt, zal de één daardoor wel, maar de ander niet ontroerd zijn, zoals de dobbelsteen slechts op één kant valt. Volgens Cazotte, maakt de duivel zich over dergelijke overeenkomsten ongerust [179]: «Ja, behalve wanneer we voorzichtig zijn, leren we geluksspelen kennen, die u ten onrechte kansspelen noemt. Er bestaat geen toeval in de wereld; alles is er altijd een opeenvolging geweest en zal dat steeds zijn, van noodzakelijke combinaties die men slechts kan begrijpen door de wetenschap der getallen, waarvan de principes tegelijkertijd zo abstract en zo ondoorgrondelijk zijn, dat we ze niet kunnen vatten als we daarbij niet door een leermeester geleid worden; maar die heeft men moeten kunnen vinden en aan zich binden. Ik kan u die sublieme kennis slechts aan de hand van een beeldspraak uitleggen. De aaneenschakeling van de getallen vormt het ritme van het universum, regelt wat men de toevallige en de zogenaamd geplande gebeurtenissen noemt, door ze met behulp van onzichtbare slingers te dwingen elk op hun beurt plaats te vinden, van belangrijke zaken ver buiten ons bereik tot aan de ellendige ongelukjes toe waardoor u vandaag uw geld hebt verloren.»

§403
· Leen, plafond en aardkluit
Theorie

Met het doel het onderzoek naar de ribstoffen van een bult voort te zetten, laten we ons oog vallen op de lenen ervan, bestaande uit de vierkantjes die daar een rol in spelen. Deze vormen de aardkluit, ofwel het segment van de bult die de zinswending verschaft. Dikwijls wordt hij vóór het symbool (-¦¦¦¦-) van de formule vermeld. Het commentaar dat erop gegeven wordt noemen we het plafond. In “Het is de tuinman niet gelukt: hij miste de voorliefde voor de waarde” vermoeden we de bedoeling (F-voorliefde voor de waarde-¦¦¦¦-S-voorliefde voor de aarde) in de volgorde (aardkluit, plafond) [826]. Soms blijkt het onmogelijk te zijn de aardkluit te verschaffen, deze wordt dan enkel beschreven, zoals in “een gele vlek op het papier op de plaats waar "goud" geschreven staat”. Het plafond bestaat uit drie soorten: het surrogaat, dat de aardkluit moet vervangen in een denkbeeldige rail; de specerij die buiten het verschijnsel blijft om er een beschrijving van te geven; de vezelplaat die beide situaties met elkaar verenigt. Het surrogaat “voorliefde voor de aarde” hebben we al bestudeerd. Volgens de loods is dat het beste plafond. Maar om met betrekking tot “ze werd verrast door iemand die zich vlakbij haar de keel schraapte: HUM, HUm, Hum, hum” begrijpelijk te blijven, worden we ertoe aangezet om in (HUM, HUm, Hum, hum-¦¦¦¦-geleidelijk helder worden van de stem) voor de specerij te kiezen. Bij “een astratische astmonoom” wordt de nuttigheid bewezen van de vezelplaat “inversie sth-st”.

Methode

De volgorde (aardkluit, plafond) is dezelfde als die van de rolletjes, bij het verschaffen van de uitleg (F-jij monastieke-¦¦¦¦-S-gymnastiek) betreffende “j ouw archeologie, jij monastieke onderzoeker, bezorgt me een zere rug”. Als de troop geen enkele opheldering behoeft, beperken we ons tot de aardkluit en het plafond die, zonder rolletje, met elkaar in verband zijn gebracht. Dat is het geval bij de burgerlijke edelman die bezig is de klinkers te leren [540]: «A, E, I, O, I, O. Dat is geweldig!» Daar is het volstrekt niet nodig om het idee (A, E, I, O, I, O-¦¦¦¦-articulatie) nader uit te leggen.

Toepassing op Baudelaire

Een groot schrijver probeert de geschikte klank te vinden, of hij beperkt zich om die uit te buiten. Rabelais schrijft met betrekking tot een klooster dat met talrijke symbolen omgeven is [824]: «Au tour du boys de Theleme estoit un grand corps de maison…» (Rondom het bos van Theleme was een groot huis gebouwd…) We twijfelen tussen het gebruik van een surrogaat, (F-Thélème-¦¦¦¦-S-tel aime) (F- Theleme-/-S-zo heeft graag), of een vezelplaat: (F-Thélème-¦¦¦¦-S-il aime cela) (F-Theleme-/-S-daar houdt hij van) [854]. De lage klanken “o”, “ou”, “oi”, “e”, “è”, “oi”, “un”, “an”, “o”, “e”, “ai” en “on” hebben een bijzondere bekoring, ze doen ons aan een jacht denken. De woordspeling "corps-cor" ("lichaam/gebouw"- hoorn) zou dat idee aannemelijk kunnen maken. Die suggestie herinnert ons aan «…de confuses paroles;
L'homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l'observent…» (…verwarde woorden uit loslaten;/ De mens gaat er wouden van symbolen/Door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.) Baudelaire maakt ook veelvuldig gebruik van de letter “i” en deinst ook niet terug voor een verdubbeling van de “L” zoals ons de opeenvolging van «piliers
Laissent» (pilaren/loslaten) laat zien in «La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir…» (De Natuur is een tempel waar levende pilaren/Soms verwarde woorden uit loslaten…) Dat zou een voorbereiding van de geest kunnen zijn om een intellectuele soepelheid aan den dag te leggen, die uiteindelijk culmineert in een liefde voor het «weids» en het onbeperkte. Het gevoel van ruimte ontstaat zowel door verblinding als door duisternis, omdat vormen en kleuren immers in beide gevallen in eenzelfde geheel verdwijnen «…Weids als de nacht en als de dag…»

§404
· Vlecht
Theorie

De vlechten bestaan uit de acties die ten opzichte van de lenen in de ribstof worden ondernomen. Ze worden voorzien van de symbolen: a-, f-, j-, t-, en r-. De versmalling (a-) brengt de verwijdering tot stand van een concreet element, dat geen band heeft met een ander van dezelfde aard, waarbij het onmogelijk is niet te kunnen vaststellen wat er ontbreekt: “vrijheid, lijkheid, broederschap”. Vervolgens hebben we het afgietsel (f-) dat een onderbreking, selectie of samenvoeging teweegbrengt, maar dat de volgorde samengesteld voor de grafheuvel conserveert: “pijnindelenden”, “hij waszie k”. De acrobatie (j-) is een verwisseling die de aanvankelijke volgorde wijzigt: “verbaasd over de exsipotie”. Verder is er nog de verzakking (t-) die iets toevoegt, het geheel uitbreidt of een nieuwe vondst doet: “hij zakte in elkaar, plof”. Als laatste hebben we de bemoediging (r-): “ze ging te voet, steeds op grote voet levend”.

Toepassing op Baudelaire

Aangenomen dat regel 9 begint met een kreet zoals bijvoorbeeld “e”, dan kunnen we ons het afgietsel “e r” met de twee klanken “e” en “r” die de aanvankelijke volgorde aanhouden, voorstellen.

Methode

In paragraaf 17 hadden we het spelen met de taal tijdelijk opzij gelegd, maar de uitbreiding van de berekening maakt het nu mogelijk aan veel van die grapjes een hoeveelheid aannemelijkheid toe te kennen. We hebben volstrekt niet de pretentie een eerbiedwaardig spraakgebruik dat aan de diverse tropen hun talrijke geleerde namen heeft gegeven, te verwerpen, maar zullen enkel in staat zijn ze in groepen in te delen. Het is zinvol enkele bekende categorieën te vermelden. Calligram: het geeft door middel van drukletters de vorm van een voorwerp weer, bijvoorbeeld die van een fles, voor een tekst waarin men wijn aanprijst [307]. Opvallend leenwoord [351]: “goed zo, je hebt je capsule netjes geswallowd!” Diafora [317]-[570]: «Het hart heeft zijn redenen die de rede helemaal niet kent…» Diafora in dialoog [294]: “-Als overwinnaar, is hij onsterfelijk. -Intussen staat hij op het punt te sterven”. Echodicht [318]: “komt zij, zij?” Reversie [362]: “in het gemeentehuis, hadden we het warm, wat hadden we het warm, in het gemeentehuis”. Alliteratie [291]: “Weense wals der wezels”. Battologie [300]: “hij wil mijn baan, maar hij krijgt mijn baan niet”. Epifoor [327]: “u bent grof jongeman, u overdrijft jongeman”. Verdriedubbeling [374]: “Na, Na, Napoleon”. Veelvuldige herhaling [361]: “in Stetten, was het koud, koud, koud, koud”. Echo [319]: “Ha meisje Hamel, haal melk”. Harmonie [331]: “de ruwe, stenige rots”. Verbigeratie [375]-[376]: “muzieknoot, nooduitgang, gangmaker”. Contra-pleonasme [315]: “het accepteren zijn vakantie als vakantie in ontvangst te nemen”. Anafoor [293]: “net als het zand, net als de sterren”. Anti-epifoor: herhaling van een regel aan het eind van het couplet [295]. Als de woordspeling, op de plaats van het streepje, geen tweeslachtigheid bevat, hebben we te maken met een accentuatie [364]: “dat ze -op iedereen (ja werkelijk)- oogverblindend is overgekomen, vanavond”. Invoeging [323]: “ze heeft er moeite mee, gezien haar grote uitbundigheid, om in haar kamer te blijven”. Tmesis [373]: “denk aan mij wat, en hoe belangrijk, ook je opdracht is”. Bewegings-, oriënteringsverschijnsel [371]: “verbeten, urenlang, de aarde, omspitten, grijs, droog, ja”. Appositie [298]- [569]«Cleopatra’s neus: als die korter was geweest, zou de hele wereld er anders uit hebben gezien». De weglating handelt net omgekeerd [324]-[458]: «Zou hij daar al zijn? Door de trap
Niet gezien». Combinaties treffen we aan in de volgende gevallen: verwarde syntaxis [303]“pas moet in goed je bijzijn op want je van het burgemeester gedragen de”; permutatie [353]: “bezink Kenoegsbörg”. Grappige zinsverandering door omzetting van letters of lettergrepen [314]: “Bij hem komt de waan al door de molken”. Onderlinge vervanging [309]: “een hondeloontje en een mager leven”. Schrapping en toevoeging spelen eveneens een rol in de hierna volgende stijlfiguren. Haplografie [330]: “uw boekhouding als moeder raakt me meer dan ik kan vertellen”. Spelling [325]: “Hallo, met Marie…Nee, met Maria, met een a”. Syllepsis [367]: “iedereen zijn tegen mij”. Substitutie [365]: “de doodkist van de zanger was van binnen niet groter dan 15 dansmeter”. Opzettelijke grammaticale verwarring van twee zinsdelen [292]: “de roman heeft niet zoveel haast als in het theater”. Boustrofedon [301]: “Desiderius sumsarE”. Omkering van de zaak [372]: “…haar verloren portemonnee maakt haar razend”. Opzettelijk solaecisme [363]: “wij warn verbaasd”. Syncope [369]: “’at ’ad ’k j’ to’ ’ezegd”. Crasis [316]: “…dat is voor mneer Gerrit”. Opzettelijke warboel van woorden [302]: “hos ziengt ijn liode vier no”. Plotselinge zinnebeeldige voorstelling [368]: “PI, de grote berekening”. Epenthesis [326]: “diennetengevolge”. Prothesis [359]: “dat is een leu kidee”. Overdreven punctuaties [358]: “ah, dat is dus, leve de vooruitgang!!!???” Kakofonie [305]: “kijk Karel, kaalheid komt nu kijken”. Overdreven verbindingsklanken [342]: “haat er-rrrr-één, vergeet de anderen”. Pictogram [355]: “de z☼n loodrecht aan de hemel staat”. Wat de irradiatie betreft, we constateren dat die te veel plaats of tijd inneemt, want daarbij gaat het namelijk om de geleidelijke invloed van de context op een woord [337]. Stijlfiguren waarbij de tweeslachtigheid niet door een taalspelletje met de aanwezige klanken veroorzaakt wordt, moeten we terzijde leggen [366]: “als klein kereltje een snoepflesje cognac koud maken lijkt een lelijke afloop te zullen krijgen”.

§405
· Vouw
Theorie

De taallagen die zich binnenin de aardkluiten bevinden, noemen we vouwen. Om die verschillende niveaus te bepalen, moeten we de namen van een klank of een letter, zoals “de i”, terzijde leggen. Als die voorzorgsmaatregel is genomen, blijven er drie vouwen over: de lichte (b-), de middelmatige (m-) en de zware (h-). De lichte vouw (b-) betreft datgene wat op het meest elementaire betrekking heeft: spatie, tussenruimte, stilte, zinnebeeld van bloksteen, een geluid dat niet taalkundig van aard is, tekening, onomatopee, onderstreping, vervormde hoedanigheid, accent of klank, weinig conventioneel teken, alleenstaand symbool, medeklinker: zoals de “g” die men uit “inenieur” heeft genomen. De middelmatige vouw (m-) betreft het domein waarvan bijvoorbeeld een overhaaste manier van uitspreken, een agglutinerende schrijfwijze, een klinker of een lettergreep die niet aan het woord vastzit deel uitmaken. De laatste van deze rangschikking, de zware vouw (h-), beslaat de overige aspecten, zelfs met inbegrip van de zinnen.

Methode

“De grootste kunstenaars zijn de hoofdlopers van de algemene smaak” is een voorbeeld van de zware vouw, omdat “hoofd” in de plaats is gekomen van "voor".

Toepassing op Baudelaire

Men heeft vaak over Baudelaire gesproken als zijnde iemand die, in geestelijk opzicht, zijn tijd vooruit was, en toch zou een dergelijke conclusie onderzocht moeten worden. Iedere voorloper is actief in een smal deel van de bevolking waar de zeer kwetsbare verworven kennis uitgewisseld wordt, waaruit dan de werkelijk belangrijke resultaten ontstaan. Dat doet niets af aan de beroemde constatering van Rousseau, die als het moest even goed het vereiste effect van oefening waarop elk politiek systeem zich moet baseren, als het belang van statistische berekeningen inzag [879]: «De menselijke soort wordt gevormd door het volk; wat daar niet deel van uitmaakt is zo gering dat het verwaarloosd kan worden.» Een echte beweging ontstaat pas als de historische vondst is gedaan, omdat die genoeg waarheid bevat om door een zeer groot aantal mensen als iets nieuws geaccepteerd te worden. Degenen die de vage daaraan voorafgaande begrippen hanteren, vormen zelf een groep, en vertonen bovendien een type gedrag dat voortkomt uit de op dat moment heersende moraal. Een schrijver, uit zijn oude club gestoten, vormt een nieuwe groep, die gaat rivaliseren met de eerste, en lijkt zo compleet met zijn entourage te breken. Toch heeft de historicus met honderden uitgeslotenen die bepaalde bewegingen stichten, in soortgelijke leefgemeenschappen, te maken. Als iemand op een bepaald vlak een bijzonder feit waarneemt, weet hij vaak niet dat het ergens anders niets bijzonders is. Wat in bepaalde omstandigheden chaos lijkt te veroorzaken, vormt in een daarop volgende situatie een harmonieus geheel. Waar het ons in het betreffende domein in het begin aan ieder perfect idee ontbreekt, doen vage intuïties, opgedaan in een kleine groep nieuwe ontstaan, en dat gaat net zo lang door totdat de grote ontdekking plaatsvindt. In Europa had, rond de tijd dat de bundel "Bloemen van het kwaad" verscheen, een geleidelijke ontwikkeling van de zeden een klimaat veroorzaakt dat weldra een provocerende maar grandioze sensualiteit voortbracht. Er ontstond onder andere een literaire hartstocht voor Omar Khayam, een Perzisch dichter uit de elfde eeuw, van wie enkele gedichten op die van Baudelaire lijken [428]: «Hij die zowel de aarde als de hemelen maakte,
Wat een pijn stortte hij uit over de ongelukkige harten!
Wat een bruine haardossen, vurige robijnen lippen,
Verborg hij in zijn stoffige borst!»

§406
· Schorsen en composieten
Theorie

Vouw plus vlecht leveren, eenmaal bij elkaar gevoegd, de schors op, die een betere definitie van de ribstoffen mogelijk maakt. Door middel van een aantal soortgelijke stijlfiguren die op nagenoeg dezelfde principes zijn gegrondvest en die elk een even grote aannemelijkheid bezitten, ontstaat een composiet, voorgesteld door het teken (/-¦¦¦¦-/). In sommige gevallen zijn de delen van verschillende schorsen afkomstig, zoals in “ze pakten zichin hun raag” waar men een letter weggenomen en woorden samengevoegd heeft, hetgeen de combinatie van een afgietsel en een versmalling oplevert. De berekening waar het hier omgaat betreft de ribstoffen en de composieten.

Methode

De 5 vlechten, versmalling, afgietsel, acrobatie, verzakking, en bemoediging, voegen zich bij de 3 vouwen, de lichte, middelmatige en zware. Dat levert alles bij elkaar 15 schorsen op, omdat ((5)(3)) immers 15 is. We geven er de volgende benamingen aan: I (a-b-); II (a-m-); III (a-h-); IV (f-b-); V (f-m-); VI (f-h-); VII (j-b-); VIII (j-m-); IX (j-h-); X (t-b-); XI (t-m-); XII (t-h-); XIII (r-b-); XIV (r-m-); XV (r-h-).

Toepassing op Baudelaire

Met gebruikmaking van rolletjes, noteren we (F-au "Lion d'Or"/-¦¦¦¦-/S-au lit on dort) (F-in de "Gouden Leeuw"/-/-/S-in bed slaapt men) aangaande de vermeende woordspeling van l'Abbé Prévost [811]: «J'arrivais de Londres à Calais, avec le marquis de…, mon élève. Nous logeâmes, si je m'en souviens bien, au "Lion d'Or"…» (Ik kwam vanuit Londen in Calais aan, met de markies van…, mijn leerling. We logeerden, als ik het me goed herinner, in de "Gouden Leeuw"…) De slaap tast, net als ziektes, voldoende onze capaciteit tot nadenken aan om ongewild veranderingen in de werkwoorden aan te brengen, die de dichter als hij weer bijgekomen is, in ruime mate stof voor zijn dichtkunst opleveren. Oude ideeën kunnen dan het brein inspireren, zoals het denkbeeld dat van een tempel een woning maakt. De reisgenoten van Odysseus vonden onderdak in het huis van een tovenares [453]: «Laten we beginnen met ons schip op het droge te trekken, onze zeilen en ons touwwerk in de grotten te leggen; en maak je dan allemaal klaar om bij Circe te komen; en kom dan, in haar tempel, onze reisgenoten wie het, wat eten en drinken betreft, aan niets ontbreekt, weer opzoeken.» 179

§407
· Lichte versmalling
Theorie

De schors a-b-, met een lichte versmalling, berooft de tekst, of wat daarbij hoort, van een wel of niet linguïstisch onderdeel, dat een geringere waarde heeft dan lettergrepen of klinkers. We zien dat in “die zieke heeft weer ijn”.

Methode

Met de stem doen we soms het geluid van dieren na, en dat verschijnsel maakt deel uit van de lichte vouw, omdat het slechts om een niet-verbale expressievorm gaat.

Toepassing op Baudelaire

Over zijn poes schrijft de dichter [[1016]] in Index II (Gedichten)">[[1016]]: «Als hij miauwt, hoor je hem bijna niet,

Zo’n teder, zacht geluid is dat;
Maar of zijn stem boos is of kalm,
Hij is altijd zoet en diep.

Die stem, die langzaamaan
Mijn diepste wezen binnengaat,
Maakt mij tot een lang zeer ritmisch vers…» In Parijs zijn de natuurlijke krachten die de mens gadeslaan, niemand anders dan deze vertrouwde wezens ofwel huisdieren [[1020]] in Index II (Gedichten)">[[1020]]:«Hartstochtelijke geliefden en strenge geleerden beminnen
Eenmaal op leeftijd, allen grote, zachte poezen,
Die de trots van het huis zijn,
En deze zijn net als zij kouwelijk en blijven net als zij liever binnen.»

§408
· Middelmatige versmalling
Theorie

De middelmatige versmalling (a-m-) vereist minimaal het schrappen van een lettergreep of klinker, mits deze geen woord kunnen vormen. Een voorbeeld daarvan is “vertrouwde kken”.

Methode

Als we de loods respecteren, kunnen we de vormen (a-b-) en (a-m-) niet gebruiken voor “Hij ging zonder me naar Arika” want “me” moet steeds als een compleet woord beschouwd worden. Die kunstgreep is wat de taalspelletjes betreft niets vreemds, zoals we zien in vele andere kinderlijke raadsels.

Toepassing op Baudelaire

De dichter verhaalt iets heel anders [[1147]] in Index II (Gedichten)">[[1147]]: «Vaak ziet men, in het rode licht van een straatlantaarn
Waarvan de vlam door de wind wordt gegeseld en het glas wordt geplaagd,
In het hart van een oude voorstad, modderig doolhof,
Waar de mensheid krioelt als een hoeveelheid stormachtige giststof,

Een voddenman, struikelend en schuddend met zijn hoofd,
Aankomen, die zich als een dichter aan de muren stoot,
En zonder zich te bekommeren om de politieagenten, zijn onderdanen,
Wijdt hij zich met heel zijn hart aan grote plannen.

Legt hij eden af, schrijft sublieme wetten voor,
Slaat de bozen neer, helpt slachtoffers erdoor,
En drinkt zich, hangend als een baldakijn aan het firmament
Dronken aan de pracht van zijn eigen kwaliteiten.

Ja, die mensen door huwelijksverdriet geteisterd,
Kapot gemaakt door de arbeid en gemarteld door de leeftijd,
De rug gepijnigd door afschuwelijke scherven,
Vuil overgeefsel van het weelderige Parijs,

Zijn teruggekeerd, ruikend naar wijnvaten
Gevolgd door metgezellen, met door de strijd grijs geworden haren,
Wier snorren neerhangen als oude vlaggen;
Voor hen richten zich,

Vaandels, bloemen en triomfbogen op, plechtige magie!
En zij brengen in die oorverdovende, heldere orgie
Van hoorns, geroep, trommelgeluid en zonlicht,
De overwinning aan het volk dat buiten zichzelf van liefde is!

Zo stroomt dwars door de lichtzinnige Mensheid,
De wijn schatrijk, als een Goudmijn…»

§409
· Zware versmalling
Theorie

De zware versmalling (a-h-) vraagt om het weghalen van één of meerdere woorden. Voor de realisering van de ribstof is het op z’n minst nuttig dat men al een zekere kennis van het gezegde bezit. Voor het begrijpen van de opmerking “Ze willen brood? Laten ze hun maar…geven” is het nodig dat men zich het hatelijke gezegde herinnert dat gewoonlijk toegeschreven wordt aan een Franse koningin, en dat bestemd was voor het in opstand gekomen volk dat, volgens sommigen, in de roes van zijn nieuwe macht, mateloos veeleisend was [312]-[873].

Methode

Een andere vorm van een bedekte toespeling doet zich voor op het moment dat we, al pratend, blijven steken aan het begin van een onderbroken woord, met het doel onze gesprekspartners te suggereren dat ze in staat moeten zijn het vervolg zelf te vinden: “de monarchie laat weten dat ze er behoefte aan heeft onmiddellll…beslissingen te nemen.” Saussure laat eveneens zien dat de gelijkenis tussen woorden ertoe aanzet om met de taal te spelen [902]-[903]: «op de rechtbank waar in de tijd van de revolutie de opstandelingen moeten voorkomen, wordt er aan een vrouw gevraagd of ze in het bijzijn van getuigen niet gezegd heeft dat men een koning nodig had; ze antwoordt “dat ze het volstrekt niet gehad heeft over een "koning" (roi) zoals bijvoorbeeld Capet of iemand met een andere naam, maar over een "spinnewiel" (rouet), een toestel om wol te spinnen.”»

Toepassing op Baudelaire

Het traditionele onderwijs behield de herinnering aan de weerzinwekkende aspecten van die tijd waarin de monarchie was afgeschaft, zoals bepaalde opmerkingen van de dichter indirect aantonen [704]: «De apen zijn de republikeinen der kunst, en de huidige situatie van de schilderkunst is het resultaat van een anarchistische vrijheid die het individu, hoe zwak het ook is, bejubelt ten nadele van de associaties, dat wil zeggen de scholen.» De volgende woorden van Tocqueville maken dat idee compleet [959]: «Er zijn mensen die niet bang zijn om te zeggen dat een volk, betreffende de dingen waarin het als enige geïnteresseerd is, de grenzen van hetgeen rechtvaardig en redelijk is niet volledig kan overschrijden, en dat men dus niet bang moet zijn om aan de meerderheid die het vertegenwoordigt de macht over te dragen. Maar dat is slaventaal.» Het bekritiseerde oordeel was voor de filosoof gebaseerd op [958]«…goddeloosheid en afschuw…»

§410
· Lichte afgietsel
Theorie

Het lichte afgietsel (f-b-) ageert op het concrete elementaire vlak, zoals in “we hebben ze verra st”, en brengt geen wijziging in de volgorde van de woorden zoals die in de grafheuvel voorkwam. In het naamdicht, handelt de schors (f-b-) door middel van selectie. De eerste letter van elke regel wordt verbonden met alle andere, en wie het gedicht van begin tot eind doorleest, ziet dat aan de linkerkant verticaal een woord gevormd wordt. Indien er een minimum aan klinkers is gebruikt, maakt de loods het mogelijk hier de schors in kwestie waar te nemen. Als er minder medeklinkers zijn, hebben we met een middelmatige afgietsel te maken.

Methode

Gezien het feit dat we er “dat was” aan kunnen toevoegen, definiëren we de volgende woorden die van Molière afkomstig zijn als een versmalling [482]: «"Maar ik meen, Agnes, als ik het me goed herinner,
Dat ik u verboden had iemand te ontmoeten."
"Ja; maar toen ik hem zag, wist je niet waarom;
En u zou, ongetwijfeld, hetzelfde gedaan hebben als ik."» Doordat de zinnen zo’n ondoorzichtig en ingewikkeld geheel vormen, kunnen we ons gemakkelijk een in bepaalde termen opgestelde code voorstellen, maar elke boodschap die op knappe wijze in elkaar is gezet is van de ribstoffen uitgesloten, omdat het dan om wetenschap zou gaan, en de onderwerpen daarvan kunnen geen deel uitmaken van de huidige test, die aan denkbeeldige werken is gewijd. Een slecht vertolker ziet al gauw een geheim in het gekrioel van de vele bestanddelen van de taal. Saussure, die met zichzelf gesprekken hield, dacht in zijn strijd tegen de neiging die hij had om talrijke verborgen eigennamen te zien in de poëzie uit de Oudheid, tegelijkertijd aan die waarschijnlijkheden als iets dat zijn onderzoeksproces in twijfel trok [940]«"Tegenwerping": Het toeval is in staat alles in drie regels uit te voeren. "Antwoord": Dat is onjuist: en het beste bewijs daarvoor is dat de helft van de anagrammen die wij als echt beschouwen vaak niet in minder dan zes of meer regels verkregen kunnen worden. "Repliek": Dan worden vanaf het moment dat u de drie regels overschrijdt de kansen zo groot dat dan alles mogelijk is.»

Toepassing op Baudelaire

Wij hebben in „Samenspel“ naar een boodschap bestaande uit numerieke aanwijzingen gezocht, terwijl het sonnet vaag blijft over de hoeveelheden van talrijke vermelde zaken: overeenkomsten, pilaren, woorden, wouden, symbolen, blikken, echo’s, geuren, kleuren, geluiden, huidjes, kinderen, hobo’s, weiden, dingen en vervoeringen. Er wordt in bevestigd dat Natuur, tempel, mens, nacht, dag, uitbreiding, amber, muskus, benzoë, wierook en geest een eenheid, letterlijk aangegeven in de zesde regel, vormen. Het woord «geuren» komt tweemaal voor. Wij nemen drie paren waar: duistere en diepe; nacht en dag; geest en zintuigen. Van twee aanduidingen ziet men onmiddellijk dat ze een drievoudig aspect bezitten: geuren, kleuren, geluiden; fris, zacht en groen. De auteur citeert vier geuren: amber, muskus, benzoë en wierook. «Comme» (Als) en «comme» (als, zo…als, zoals) worden bij elkaar zeven keer gebruikt. Bovendien blijven we erover twijfelen of we huidjes, hobo’s en weiden bij elkaar moeten tellen; of huidjes, kinderen, hobo’s en weiden; of geuren, huidjes, kinderen, hobo’s en weiden. We zien moeilijk in hoe we ook maar de minste geloofwaardigheid kunnen hechten aan de numeroloog die zich erop beroemt dat hij begrijpt wat die warwinkel wil zeggen.

§411
· Middelmatige afgietsel
Theorie

Het middelmatige afgietsel (f-m-) houdt zich uitsluitend bezig met samenvoegingen en houdt de volgorde die in de grafheuvel is aangebracht intact, hetgeen we waarnemen in “hij heeft veelverloren”.

Methode

Het blijft een zinloze zaak overal stijlfiguren in te zien, en het is even foutief als het oordelen uit persoonlijke emotie gecombineerd met het algemene vooroordeel. De astrologie had reeds recht gehad op de volgende oproep van La Fontaine [484]: «Charlatans, u die de horoscoop opmaken,
U doet er beter aan de Hoven van de Europese Prinsen te verlaten…»

Toepassing op Baudelaire

Zelfs een tekst die met voorzorg is opgesteld, geeft er aanleiding toe dat de wetenschap er op irrationele wijze mee omgaat, zodat ook het gedicht van Baudelaire, ondanks de klassieke aard ervan, het voorwerp van die tendens is geworden. De regels bestaan uit 12 lettergrepen en, aangezien de scheiding zich in het midden bevindt, vertonen ze de gebruikelijke interne symetrie van 6-6. Met een totale hoeveelheid van 14 regels, bestaat het sonnet uit 4 coupletten, met een structuur van 4, 4, 3, en 3. Vier regels hebben 10 vakjes, drie hebben er 9, twee bezitten er 8, vervolgens twee die er 7 hebben, drie met 6, en de titel bestaat uit één enkel woord. Van deze 116 vakjes, leveren degene die over geen enkele werkelijke lettergreep beschikken een totale waarde van 8 op: “L', l', d', d', l', l', l', l'”. Er worden 56 vakjes gesignaleerd met 1 lettergreep van dichterlijk niveau: “La, est, un, temple, où, de, de, homme, y, passe, à, des, de, Qui, des, de, longs, qui, de, loin, se, Dans, et, la, nuit, et, la, Les, les, et, les, sons, se, Il, est, des, frais, des, chairs, Doux, les, verts, les, Et, et, des, le, musc, le, et, Qui, les, de, et, des, sens”. Er zijn 42 vakjes die een metrische waarde van 2 lettergrepen hebben: “Nature, vivants, piliers, Laissent, parfois, sortir, paroles, travers, forêts, symboles, avec, regards, Comme, échos, confondent, une, profonde, Vaste, comme, comme, clarté, parfums, couleurs, répondent, parfums, comme, enfants, comme, hautbois, comme, prairies, autres, riches, Ayant, choses, Comme, ambre, benjoin, encens, chantent, transports, esprit”. Er zijn 8 vakjes met 3 lettergrepen die van belang zijn voor de uitspraak: “confuses, observent, familiers, ténébreuse, unité, corrompus, triomphants, infinies”. Wat de woorden met 4 lettergrepen die voor de uitspraak belangrijk zijn betreft, daar zijn er 2 van: “Correspondances, expansion”. Zonder de titel komen we op 115 vakjes, bestaande uit (8(0))=0,(56(1))=56, (42(2))=84, (8(3))=24, (1(4))=4 lettergrepen. Bij elkaar worden dat er 0+56+84+24+ 4=168, wat neerkomt op 12 lettergrepen maal 14 regels, dus (12(14))=168. De titel heeft 15 letters en de auteur had de “S” eraf kunnen halen om hem zodoende overeen te doen komen met het aantal regels. Hoe het ook zij, de bijgelovige vertolker zal er een heel eigen interpretatie aan willen geven, en hij zal eveneens alle gebruikte letters bestuderen, in de hoop tussen al die verschillende combinaties een schitterende oplossing te vinden.

§412
· Zware afgietsel
Theorie

Het zware afgietsel (f-h-) opereert op het gebied van de woorden, en zo ontstaat dan de composiet “demerriegeenmelkmeergaf”. Het geheel vormt een aaneensmeding van verschillende woorden, waarvan sommige een min of meer gelijksoortige klank hebben, wat het idee van een intrusie versterkt.

Methode

De loods vervult, eens te meer, zijn rol in “genoeg op die kouwgum gekouwd”. En we hebben hier de zware vouw. In “het honingprotectoraat” wordt het element “raat” als een zelfstandig naamwoord gezien. Aangezien de diverse dialecten elk een verschillende soepelheid bezitten voor het vormen van woorden, staat het niet vast dat wanneer men in de ene taal een lichte troop aanbrengt, men die dan ook terugvindt als men dat betreffende gedeelte naar een andere taal omzet.

Toepassing op Baudelaire

De eerste overeenkomst is weggenomen [105]: «Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich. Ze zeiden tegen elkaar: “Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.” De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. Ze zeiden: “Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.” Maar toen daalde de Heer af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de Heer, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.» Het wordt nodig over de bezwaren heen te stappen om de volken tot het beste geloof te bekeren [152]: «Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.»

§413
· Lichte acrobatie
Theorie

De lichte acrobatie (j-b-) verandert letters of geluiden die geen enkele klinker bezitten van plaats, zoals in “de zware taak de klokken te duilen werd aan die reus overgelaten”.

Methode

“Hij is de traat opgegaan” blijft een versmalling, maar “hij is de gtraat opgegaan omdat hij dorst had” bereikt het niveau van een acrobatie, omdat de “G” de “S” verdrongen heeft.

Toepassing op Baudelaire

Omdat de ribstof voor een groot deel betrekking heeft op taalmaterie, nemen persoonlijke opvattingen of bijgeloof daarbij een belangrijke plaats in. Het is net als met schilderijen, omdat de een immers meent in de jurk van de ¨Mona Lisa¨ een roofvogel te zien en de ander slechts plooien, die dicht bij de linkerarm door de stof gevormd worden [195]. Het is misschien een handige signatuur van de kunstenaar die er zeer op gesteld is dat zijn talent herkend wordt, maar de interpreet moet ervoor oppassen dat hij in plaats van de stijlfiguur daar niet zijn eigen fantasieën projecteert. Voor menige illustratie op het gebied van de poëzie bestaat niet meer garantie tegen het risico van vergissing. Volgens Pierre Marillaud, zou de omschrijving «la dame de pique» (schoppen dame), zoals we die in een gedicht van Baudelaire aantreffen, de beduidenis “la dame d'Aupick” (de dame van Aupick) hebben, een benaming die aan zijn moeder werd gegeven, omdat de stiefvader van de kunstenaar zo heette [521]-[[1121]] in Index II (Gedichten)">[[1121]]. Zoals de schilderkunst nog iets anders vergt dan alleen maar spel, maakt ook de poëzie, die er zo nu en dan wel open voor staat, aanspraak op minder banale verzen [[1005]] in Index II (Gedichten)">[[1005]]: «Wanneer, op bevel van de oppermachten,
De Dichter in deze wereld vol verveling verschijnt steekt,
Zijn verschrikte, vloekende moeder krachtig
Haar samengebalde vuisten uit naar God die medelijden met haar heeft…

Toch bedrinkt het onterfde Kind,
Onder de onzichtbare bescherming van een Engel, zich aan de zonneschijn
En proeft in alles wat het eet en in alles wat het drinkt
Opnieuw de bloedrode nectar en de ambrozijn.

Het speelt met de wind, praat met de wolk,
En raakt al zingend bevangen door de weg naar het kruis,
En de Geest die hem op zijn pelgrimstocht volgt
Als hij hem ziet zo blij als een vogel in het woud, snikt het uit.»

§414
· Middelmatige acrobatie
Theorie

De middelmatige acrobatie (j-m-) heeft betrekking op de klinker of lettergreep die niet aan het woord vastzit, en de volgorde van de grafheuvel wijzigt. Zo vertoont “De lelijke klaatpretsjes die men in café’s hoorde trokken hem aan” het schema (F-aa e-¦¦¦¦-S-e aa).

Methode

Het grapje “waar gaan wijsheid naar toe?” heeft zijn ontstaan te danken aan iets wat afwezig is. De basis kan ook door de schrijfwijze gevormd worden: “hoe ze er ook van droomt een endar te zijn, het omgekeerde doet zich voor” ofwel (F-e a-¦¦¦¦-S-a e). Die methode brengt ons in contact met het muzikale facet van de taal, zonder dat de elementen van de versbouw echter volledig gebruikt worden.

Toepassing op Baudelaire

De grondslagen van de ribstof zijn zo eenvoudig dat men er geen moeite mee heeft gehad deze te vinden, maar het gebruik ervan blijft vaak beperkt tot een vermakelijkheid. Zowel in de literatuur als in de schilderkunst, bestaat het gevaar dat we een technische tekortkoming voor een verbetering aanzien. Daar waarschuwde Baudelaire zijn tijdgenoten al voor [715]: «Wie de Wereldtentoonstelling zou bezoeken met het vooringenomen idee in Italië de kinderen van Leonardo da Vinci, Rafaël en Michelangelo, in Duitsland de geest van Albrecht Dürer, en in Spanje de ziel van Zurbaran en Velasquez aan te treffen, zou zich onnodig verbazen. Ik heb noch de tijd, noch waarschijnlijk voldoende kennis om proberen te begrijpen volgens welke wetten de kunstzinnige vitaliteit verplaatst wordt en waarom God de volken soms voor een bepaalde tijd, soms voor altijd, alles doet verliezen; ik volsta met de constatering dat het een feit is dat zeer veel in de geschiedenis voorkomt. We leven in een eeuw waarin we bepaalde banaliteiten moeten herhalen, in een trotse eeuw die zich verbeeldt boven de tegenspoed die Griekenland en Rome is overkomen te staan.»

§415
· Zware acrobatie
Theorie

De zware acrobatie (j-h-) maakt een nieuwe indeling van de woorden: “Victor Flaubert en Gustave Hugo”, “het heldhaftige kledingstuk van de blauwe soldaat”. Door een scherpe tegenstelling verkrijgen we “in zijn bos, at hij voornamelijk konijnen en √”.

Methode

Talrijke kunstenaars waren bang dat de grap de toegang tot de betekenissen betreffende de belangrijkste zaken van hun tijd zou belemmeren, of dat die daardoor enkel een tweederangs rol zouden spelen.

Toepassing op Baudelaire

In de meeste teksten, zelfs als hij over het milieu van de misdaad schrijft, zoekt de dichter de helende kracht die achter de misdaad schuilgaat [[1092]] in Index II (Gedichten)">[[1092]]: «Woedende boksers, onbeschaamdheid bij de wilde beesten af,
Jìj die schofterige schoonheid tot de jouwe wist te maken,
Groot, door trots opgeblazen hart, debiele gele man,
Puget, melancolieke keizer der galeislaven…» Balzac, die een gesprek verzon, schreef [66]: «We hebben het nageslacht van Kaïn en dat van Abel, zoals u soms zei. Kaïn vertegenwoordigt, in dit grote Menselijke drama, de tegenstander. U stamt door deze lijn waarin de duivel het vuur waarvan het eerste vonkje op Eva was geworpen is blijven aanwakkeren, van Adam af. Onder de demonen van die linie bevinden zich, af en toe, heel afschuwelijke, die heel gespierd en gedreven zijn en alle menselijke krachten in zich verenigen, en die op van die koortsachtige dieren uit de woestijn lijken die daar de enorme ruimte vinden die ze nodig hebben om te overleven.» Napoleon dacht dat zijn naam «woestijnleeuw» beduidde [497]. Baudelaire maakt zich ook bezorgd over het verleden [[988]] in Index II (Gedichten)">[[988]]: «Geslacht van Kaïn, stijg op naar de hemel,
En werp God ter aarde!» Heine generaliseert het observeren van macht, om niet bij de scheiding tussen goed en kwaad te blijven steken [430]: «De kunst van het schermen, zegt een eigentijds auteur, bestaat niet voor jonge reuzen; want ze verwerpen elke parade.» 183

§416
· Lichte verzakking
Theorie

De lichte verzakking (t-b-) voegt iets toe zonder echt iets te vervangen. Het kan gaan om een bepaald zinnebeeld van bloksteen, een geluid, medeklinker, een zeldzaam teken of een eenvoudig geluid. De inhoud lijkt soms enkel een decoratieve rol te hebben: “heeft ze in haar overtbelaste leven ook maar een minuutje tijd voor ons?” Het lijdt evenmin geen enkele twijfel dat het om een troop gaat in “de storm veroorzaakte onophoudelijk * en ontlokte heel veel uitroepen”. In dit domein blijkt het makkelijk te zijn om de onomatopee te gebruiken: “zoef, ze is weer vertrokken”. Dat inzetten van taalmateriaal ontlokt vaak een glimlach, als het vergezeld wordt van een connotatie die we niet direct vatten, zodat deze inspanning het doorzien van de intrusie leuk maakt.

Toepassing op Baudelaire

De gedachtestreep in de elfde regel doet ons veronderstellen dat er een verandering in het gedicht plaatsvindt, een teken dat nog versterkt wordt door het rollen van de stem in «corrompus» (bedorven). We vinden deze omkering van het goede en het kwade, terug in de “Judith” van Bronzino. De kunstenaar laat het frisse gezicht van de heldin, bovenaan, contrasteren met het onderste deel van het schilderij waar het afgehakte hoofd van Holofernes afgebeeld wordt. Het kan zijn dat de kunstliefhebber in elke situatie de voor de handliggende beduidenis wil ontkennen, en Musset heeft daar een voorbeeld van gegeven [141]-[546]: «…Maar wie kan die onechte Judith vergeten,
En in de witte hand van een verraderlijke maîtresse
Het hoofd dat Allori stervend opgehangen heeft?»

Methode

Net zoals in de wetenschap, wordt het belangrijkste van een aantekening voorzien, waardoor de culturele aktiviteiten veel gelijkenis met elkaar vertonen. Desanti drong aan op het verdelen van de verschillende taken, want [264]: «Elk bewust bezig zijn met een onderwerp resulteert in een aaneenrijging van gemotiveerde daden, die de eenheid van het onderwerp in zijn domein in stand houdt…» Daarna is het nodig de beduidenis die men aan de diverse aspecten meende te moeten geven en de mogelijkheid van een globale visie steeds opnieuw te bestuderen [265]: «Op deze manier ontstaat, zo nauw mogelijk verbonden met de betreffende onderwerpen, een tweede redenering…»

§417
· Middelmatige verzakking
Theorie

De middelmatige verzakking (t-m-) voegt in een passage een bepaalde klinker of lettergreep toe die op zich geen woord kan vormen. Dat levert bijvoorbeeld “de dokter is te druik met zijn eigen jichtproblemen om iets aan mijn verkoudheid te doen!”

Methode

De eerste twee vouwen draaien onvermijdelijk in de vorm van een suggestie om het woord, want dat alleen roept een helder beeld op, doordat de codering pas werkelijk begrijpelijk is als een klank aan een voorwerp doet denken.

Toepassing op Baudelaire

De «wouden van symbolen» maken ook deel uit van die duizenden diepere bedoelingen die zich hier en daar verspreid in de nabijheid van geluiden en woorden bevinden, in wat Merleau-Ponty heeft gedefinieerd als [476]: «…dat enorme weefsel waaruit de taal bestaat.» Door de lijkkleden op het kerkhof bij elkaar te leggen, vormen de verwijzingen een keten [[1029]] in Index II (Gedichten)">[[1029]]: «Wanneer wil je, Losbandigheid met je weerzinwekkend vuile armen, me begraven?
O Dood, wanneer kom je, zijn rivaal in aantrekkelijkheid,
Op zijn mirtestruiken je zwarte cypressen enten?» Venus houdt van opofferingen [[1014]] in Index II (Gedichten)">[[1014]]: «O Schoonheid, harde beproeving der zielen! Je wilt het!
Calcineer met je brandende ogen, schitterend als feesten,
De stukken achtergelaten door de beesten!» Het licht roze van de huid wordt dikwijls gehaat om de uitwerking ervan, en met het harde groen van de nieuwe lente is dat net zo [637]: «Ik heb zelfs altijd gedacht dat de florissante, verjongde "Natuur", iets onbeschaamds en droevigs had.»

§418
· Zware verzakking
Theorie

De zware verzakking, aangegeven met (t-h-), voegt een woord of symbool toe dat schijnbaar zinloos is: ”haar zogenaamde beslissing stapje voor stapje te vorderen, 1, 2…13 etc. heeft slechts tot doel dat we zijn nalatigheid over het hoofd zien wat het beoogde doel betreft”.

Methode

Aangaande de ribstof die, zoals veel stijlfiguren, overwegend uit een tegenstelling met het gewone verloop van de zinnen bestaat, moet men zich afvragen of het betreffende contrast betrekking heeft op de inhoud of de taalmaterie van het gepresenteerde onderwerp. In “u hebt gelijk kasteel”, lijkt het eind opzettelijk aangebracht te zijn, waardoor de toevoeging vaststaat. Maar “voor de goddelozen, moeten we alle namen veranderen” laadt al gauw de verdenking op zich van een abstract spelletje, want het gebruikte materiaal heeft twee beduidenissen: “wanneer we tot de goddelozen spreken, moeten we, om niet te worden aangevallen, alle namen veranderen” en “de goddelozen zeggen dat we alle namen moeten veranderen, want de waarheid is gevaarlijk”. Aangezien door elke intrusie de massale verschijning van een concreet element gevormd wordt, dwalen we door de omweg van een tweeslachtigheid zonder fysieke inbraak, aldus verkregen door gewone woorden, ver van de kern af. Om een serie voorwerpen te bepalen, is het nodig dat men zich eerst van het uiterlijk dat ze van elkaar onderscheidt bewust is, zoals Aristoteles dat lukt met behulp van zijn redenering die uit drie etappes bestaat [22¹]. Op dezelfde manier heeft Linné een indeling van levende wezens gemaakt, maar nu volgens de voortplanting, die wat betreft de verschijningen op mineraal gebied onbekend is [910]-[911]-[916].

Toepassing op Baudelaire

Onafhankelijk van hetgeen enerzijds de afstand betreft en anderzijds de classificatie van de intrusies, beschrijven we de ribstoffen enkel, ook al zou dat slechts op vage wijze gebeuren, volgens de door de schrijver gewenste methode, om geen verwarring in de gegeven kwestie aan te brengen. Heine onderstreepte hoe moeilijk het was om de wil van het schone te behandelen [429]: «De grote vergissing ontstaat doordat de criticus altijd vraagt: Wat moet de kunstenaar doen? Het zou veel juister zijn te zeggen: Wat wil de kunstenaar? Of zelfs: aan welke inspiratie voelde hij zich gedwongen toe te geven? Die vraag: Wat moet de kunstenaar doen? is uitgevonden door het soort filosofen der kunst die, zonder dat ze over een eigen poëzie beschikten, voor hun eigen persoonlijk gebruik feiten en herinneringen aan verschillende meesterwerken hebben onttrokken, uitgaande van hetgeen bestond, een regel voor de toekomst hebben opgesteld, categorieën en soorten opnieuw hebben ingedeeld en definities en principes hebben bedacht. Ze wisten niet dat dergelijke abstracties in ieder geval enkel kunnen dienen om over een imitatie te oordelen; maar dat elke oorspronkelijke kunstenaar, elk nieuw genie beoordeeld moet worden volgens zijn eigen esthetica die tegelijk met zijn oeuvre ontstaat.»

§419
· Lichte bemoediging
Theorie

De lichte bemoediging (r-b-) gebruikt een eenvoudige herhaling van een geluid, schrijfwijze of medeklinker, zoals in “het bestaan heeft honderden asspecten”.

Methode

Een composiet met betrekking tot “het leven heeffffft tientallen kanten” is billijk, want het zou immers bespottelijk zijn al die verschillende stijlfiguren te willen onderscheiden met het argument dat elke “F” om een speciale behandeling vraagt. Zo wordt ook de aannemelijkheid van “de krraai krrast” in één keer bepaald.

Toepassing op Baudelaire

Een bijzondere dictie kan een bult een nieuw tintje geven, zo suggereert “De Nattuur is een ttempel…” een militair aspect van getrommel. Bij “bedorrrrven, rrijk en zegevierrend” kunnen we ons heel goed enige dreiging voorstellen. De grote kunst verbiedt allesbehalve de imitatie van de werkelijkheid door een geluid, zoals de ¨Pastorale Symfonie¨ bewijst, vooral met het laten horen van het onweer daarin. Maar we vermijden een groteske vervorming van „Samenspel“ om niet het gevaar te lopen dat we de betreffende verzen duurzaam schade toebrengen. Cabaretiers die de inhoud van grote bekende stukken anders interpreteerden, lieten ongewild zien dat het komische, dat de herinneringen beïnvloedt, ons voor lange tijd belemmert om het beste van moeilijke producties te waarderen.

§420
· Middelmatige bemoediging
Theorie

De middelmatige bemoediging (r-m-) maakt gebruik van een klinker of lettergreep die geen woord kan voorstellen. Zoals in “een bloedige overwiinning”.

Methode

Het voorbeeld “Tuig, rij tuig!” maakt het middelmatige niveau onmogelijk omdat “rij” en “tuig” woorden zijn [226].

Toepassing op Baudelaire

Het vergelijken van literatuur met muziek, wat het spelen met klanken betreft, zet er toe aan om een groot aantal details die deze twee gebieden met elkaar in verband brengen te bestuderen. Doordat ze een moment dicht bij elkaar doorbrengen, vormen verschillende noten die tegelijk gespeeld worden een akkoord of brengen een harmonieus geheel tot stand [880]-[882]. De melodie presenteert het geluid in de vorm van een veranderende serie [883]. Het midden tussen deze twee is het arpeggio, waarin de verandering zich zo plotseling voordoet dat de klanken met elkaar verbonden lijken te zijn [881]. Het woud van klanken kun je ook vergelijken met een weefsel, waarin de lengtedraden en de dwarse draden van de inslag elkaar kruisen. Plato trok ook een parallel met een goed bestuurde stad die één geheel vormt door de interne samenhang, zoals we die ook in een weefsel aantreffen [755]. Bovendien maken de personen die zich overdreven opvallend gedragen de gemeenschap stuk, volgens Aristoteles [35]. Volgens Baudelaire lopen bewegingen op het artistieke vlak of kunstacademies door dezelfde tekortkoming schade op [704]: «Die verheerlijking van het individu heeft de eindeloze verdeling van het gebied der kunst genoodzaakt. De absolute, uiteenlopende vrijheid van elk, de verdeling van de inspanningen en de versnippering van de menselijke wil zijn de oorzaak van die zwakheid, die twijfel en die gering inventie; enkele sublieme, innerlijk lijdende excentriekelingen zijn niet voldoende om die van middelmatigheid overlopende wanorde te verhelpen.» 185

§421
· Zware bemoediging
Theorie

Bij de zware bemoediging (r-h-) wordt meermalen achter elkaar een bepaald woord of gezegde gebruikt. Dat kan vaagheid, maar eveneens belachelijkheid tot gevolg hebben, alnaargelang de context.

Methode

Aeschylus maakt van deze methode gebruik om vrees weer te geven [382]: «Ik ben bang te gehoorzamen,
ik ben bang om rechtuit te zeggen
wat men voor zijn vrienden verborgen houdt.» Volgens Racine, ontketent zo’n bewust gekozen vast stramien een hele rij emotionele reacties [828]: «Ik zag hem, ik kleurde, ik verbleekte in zijn bijzijn…»

Toepassing op Baudelaire

Ook verveling kan door middel van herhaling geuit worden [[1061]] in Index II (Gedichten)">[[1061]]: «Soms zag ik achterin een theater zonder faam,
Door een luid orkest geïnspireerd,
In een helse hemel een fee daar
Een wonderbaarlijk morgenlicht aansteken;
Soms zag ik achterin een theater zonder faam

Een wezen enkel gemaakt van licht, goud en gaas,
De grote Satan neerslaan;
Maar mijn hart dat nooit bezocht wordt door de extase
Is een theater waar men eeuwig
Wacht -eeuwig tevergeefs wacht- op het Wezen met de gazen vleugels!» Het zou goed zijn als we over veel geduld beschikten [[1027]] in Index II (Gedichten)">[[1027]]: «Ik benijd het lot van de meest onaantrekkelijke dieren
Die opeens in een domme slaap kunnen verdwijnen,
Zo langzaam rolt de kluwen des tijds voorbij!»

§422
· Connectoren
Theorie

De connector is een steunpunt dat de belemmering van de afstand volkomen wegneemt. Het eerste type connector bestaat uit een referentie, zoals “in paragraaf 1 en 28 wordt dat al genoemd”. De tweede soort blijkt minder makkelijk te onderscheiden en we noemen die een verharder. Hij beperkt zich tot het verbinden van twee woorden of symbolen en kan geen betrekking op de betreffende context hebben. Een voorbeeld van zo’n situatie is wanneer, zonder dat er echt naar verwezen wordt, twee mededelingen die iets met elkaar gemeen hebben zich op belangrijke plaatsen bevinden, waardoor het publiek deze begrippen met elkaar in verband brengt.

Methode

In „Op zoek naar de verloren tijd“, begint de auteur, Marcel Proust met «Lange tijd, ging ik vroeg naar bed.» Hij beëindigt zijn lange verhaal met «in de Tijd.» Zoals vaak is gezegd, vormt de bijzondere plaats van die twee mededelingen een verbindingslijn, omdat de critici zich niet kunnen voorstellen dat de schepper van het boek, de drieduizend pagina’s die tussen beide liggen ten spijt, niet willens en wetens heeft besloten om deze vertelling af te sluiten zoals hij die is begonnen, namelijk met het noemen van de tijdsduur [812]-[813]-[814]-[815]. Hoewel de auteur die in hart en nieren een estheet was, een chronische aandoening aan de luchtwegen had, kon hij het zich in materieel opzicht gemakkelijk permitteren om veel van zijn zinswendingen, in zijn overvloedige vrije tijd, zorgvuldig uit te werken, daarom moeten we dus erkennen dat een verharder «Lange tijd» en «Tijd» met elkaar verbindt.

Toepassing op Baudelaire

Zodra we die constatering gemaakt hebben, roepen we onze neiging elke ribstof met een grote interne afstand te verwerpen een halt toe, en dat maakt een groot aantal gedichten veel toegankelijker [[1042]] in Index II (Gedichten)">[[1042]]: «Als een levende Fakkel

Lopen ze voor me uit, die lichtende ogen,
Ongetwijfeld magnetisch gemaakt door een zeer knappe Engel;
Die goddelijke broers die mijn broers zijn, ze gaan voort
En klemmen mijn blik vast aan hun lichten van diamant.

Mij behoedend voor elke val en elk groot kwaad,
Op de weg van het Schone nemen ze mij als een gids bij de hand;
Zij zijn mijn dienaars en ik ben hun slaaf;
Aan die levende fakkel is het dat mijn hele wezen gehoorzaamt.

Als een geheimzinnig licht glanzen jullie, bekoorlijke Ogen
Zoals midden op de dag brandende kaarsen; de zon
Kleurt rood, maar hun feeërieke vlam wordt niet door haar gedoofd;

Zij eren de Dood, jullie bezingen het Ontwaken;
Jullie gaan voort en bezingen het ontwaken van mijn ziel,
Sterren wier vlam de zon niet verbleken kan!»

§423
· Obstakels die de waarschijnlijkheid tenietdoen
Theorie

Illusionaire gevallen geven er aanleiding toe dat we ten onrechte een ribstof menen waar te nemen, terwijl de stijlfiguur een in code aangebrachte mededeling, een dichterlijke vondst, een schrijffout, een vergissing of een gewoonte is. Zo hebben ook accenten die tijdens het spreken gebruikt worden, en die ongevraagd lijken binnen te sluipen, meestal niets gemeen met de troop waarnaar we op zoek zijn. Een aantal criteria dat een vergissing moet voorkomen blijkt dus nodig te zijn om de aannemelijkheid van het gezegde in kwestie te bepalen.

Methode

De plotselinge versiering van de beginletter van een lange pagina tekst, lijkt een vorm van indringen te zijn, maar dat gaat niet langer op als het op dat moment een verplichte gewoonte is om een beroemd werk te verluchten.

Toepassing op Baudelaire

De dichter is dol op gezegdes die een verwarring stichtende aantrekkingskracht bezitten, zoals “bloemen van het kwaad”, die door de verwondering die ze teweegbrengen tevens twijfel zaaien, een soort «knallende titels» [645]. Hij doet zelfs enkele neologismen het licht zien [687]-[688]-[689]: «achteruitkijkers», «studeerderig», «artikelschrijvers». Wat de onomatopee betreft, die gebruikt hij graag, als het maar zonder artistieke pretenties is. Onder het bedenken van een nieuw toneelstuk, haalt hij een liedje aan [638]: «Niets is z-zo-aardig,-
Fonfru-Cancru- Lon-La-Lahira-
Niets is z-zo-aardig
Als de Plankenzager.» Baudelaire wil in zijn «drama over het volksleven» het thema van deze cantilene aanbrengen [639]: «Zing, Zeemeermin, zing,
Fanfru-Cancru- Lon-La-Lahira-
Zing, Zeemeermin, Zing,
Je doet er goed aan te zingen,

Want je hebt de zee om te drinken,
Fanfru-Cancru-Lon-La-Lahira-
Want je hebt de zee om te drinken,
En mijn vriendin om te eten!»

§424
· Landgoed
Theorie

De grootte die de aannemelijkheid aangeeft van de mededeling “de schepper van het boek heeft hier een ribstof of composiet gewild” duiden we aan met “landgoed”. Het beschikt over tien giststoffen, die zich in de noemer bevinden: 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å). We noemen ze (õ), ruit; (ñ), kist; (ã), dresseur; (ù), glooiing; (ò), vracht; (ì), reliëf; (â), vernis; (û), uitlaat; (ô), kring; en (å), ravijn. We duiden “õ, ñ en ã” aan als “o, n en a met een tilda”, en “å” spreken we uit als een “ronde a”. Wat de berekening betreft, moeten we het gebruik van het begrip klinken opnieuw uitbreiden, teneinde geen enkele grootte onder de 1/16 mee te tellen.

Methode

Bij de evaluaties wordt historische kennis onmisbaar wanneer we door een misverstand het gevaar lopen een gewoon gebruik voor een troop aan te zien. “Répétitif” (repeterend) bevat er geen, maar “la fête à Neuneu” (het feest in Neuneu) wel, want dat gezegde is afkomstig van “la fête à Neuilly” (het feest in Neuilly) [861]. Het blijkt ook belangrijk te zijn om de doelstellingen die ons voor ogen staan te onderzoeken. Zo geeft “hij vervolgde zijn zeer zeer eentonige lezing voor die mensen” een slaapverwekkende indruk weer, en bevestigt dus het vermoeden dat er opzet in het spel is.

Toepassing op Baudelaire

Helaas zijn de aanwijzingen heel moeilijk te ontwaren, waardoor we, als we de tekst niet goed kennen, al gauw een vergissing begaan. Bovendien riskeert de ene illusie de andere te veroorzaken. Als we menen dat we met “…doux comme les hauts bois…” (…zo zacht als de hoge bossen…), als gevolg van de transformatie van het woord «hautbois» (hobo’s), een ontdekking hebben gedaan, koesteren we daarna al snel de wens om “…verts comme les prés rient…” (…zo groen als de weiden lachen…), als gevolg van de transformatie van het woord «prairies» (weiden), te schrijven. Als een spreker een paar “eh eh’s” gebruikt, vallen ze nauwelijks op en brengen ze de boring volstrekt niet in gevaar, maar dat wordt anders als hij er een spelletje van maakt. De juistheid van een indruk is nog moeilijker te bepalen, zoals die betreffende het aantal “i’s” in deze emotionele beschrijving van Baudelaire [690]: «Le "divin" Marat, un bras pendant hors de la baignoire et retenant mollement sa dernière plume, la poitrine percée de la blessure "sacrilège", vient de rendre le dernier soupir. Sur le pupitre vert placé devant lui sa main tient encore la lettre perfide: “Citoyen, il suffit que je sois bien malheureuse pour avoir droit à votre bienveillance.” L'eau de la baignoire est rougie de sang, le papier est sanglant; à terre gît un grand couteau de cuisine trempé de sang; sur un misérable support de planches qui composait le mobilier de travail de l'infatigable journaliste, on lit: “À Marat, David.” Tous ces détails sont historiques et réels, comme un roman de Balzac; le drame est là, vivant dans toute sa lamentable horreur, et par un tour de force étrange qui fait de cette peinture le chef- d'œuvre de David et une des grandes curiosités de l'art moderne, elle n'a rien de trivial ni d'ignoble.» (De "goddelijke" Marat, wiens éne arm buiten het bad bungelt, terwijl hij daarbij slapjes de pen waarmee hij voor het laatst heeft geschreven vasthoudt en zijn borst de "heiligschennende" wond vertoont, heeft zojuist de laatste adem uitgeblazen. Op de groene lessenaar voor hem houdt zijn hand nog de verraderlijke brief vast: “Burger, pas nu ik doodongelukkig ben heb ik recht op uw goedwillendheid.” Het badwater is roodgekleurd door het bloed, het papier is bloederig, op de grond baadt een groot keukenmes in het bloed; op een paar oude planken die de onvermoeibare journalist als bureau gebruikte, lezen we: “Aan Marat, David.” Al die details zijn historisch en reëel, als een roman van Balzac, en vormen het hele drama, dat zich hier omgeven met ellendige afschuw afspeelt, en door een vreemde krachttoer die van dit schilderij het meesterwerk van David en één van de grootste bezienswaardigheden van de moderne kunst maakt, heeft het niets laags of weerzinwekkends.)

§425
· De giststofruit
Theorie

De ruit õ=1 meet met betrekking tot de aardkluit hoe groot de kans is dat sommige gevaren vermeden kunnen worden. Een bult die van een wieg moet afzien ontvangt een waarde van õ=2. Hetzelfde gebeurt met een zogenaamde ribstof die aan de vijftien schorsen ontsnapt en geen herkenbare composiet verschaft. Wanneer het enkel om een geïsoleerde troop gaat, kennen we eveneens õ=2 toe. Een andere situatie die õ=1 onmogelijk maakt is wanneer twee schrijfstijlen dooreenlopen. Ook is õ=2 onontkoombaar als zeer weinig mensen een idee willen overbrengen en we dit idee kunnen verwarren met een ribstof. Een publiek dat niet bekend is met het onderwerp en moeite zal hebben het gezegde in kwestie te begrijpen is een reden te meer voor õ=2. Indien de context de stijlfiguur in zich opneemt waardoor hij onzichtbaar of onbelangrijk wordt, is õ=2 opnieuw billijk.

Methode

Dat laatste kan zich voordoen met sommige onopvallende onomatopeeën. Tussen de extreme vormen van deze stijlfiguur treffen we een schakering aan van bescheidener soorten, en Saussure schrijft, met betrekking tot de algemene situatie [904]«…ze zijn slechts de approximatieve en bijna gewone imitatie van bepaalde geluiden (vergelijk het Franse "ouaoua" met het Duitse "wauwau").»

Toepassing op Baudelaire

Als het gaat om een auteur die verschillende codes hanteert, wordt het aangeven van hetgeen een indringing in het geheel is, een gok. Een Latijns gedicht in de bundel "Bloemen van het kwaad" onderscheidt zich ten opzichte van de Franse taal, die in datzelfde werk gebruikelijk is. Maar het laat Romeinse woordgebruik geeft op zijn beurt de grondregel van deze korte tekst aan [[1046]] in Index II (Gedichten)">[[1046]]. De stijl is vrij gezocht [[1047]] in Index II (Gedichten)">[[1047]]: «O verrukkelijke vrouwelijkheid
Die ons van alle zonden vrijspreekt!

Zoals ik me aan de weldaad van de Lethe te goed doe,
Zo les ik mijn dorst met jouw kussen…

Verdubbel nu mijn krachten,
O zacht bad
Met zoete geuren geparfumeerd!» Gilson brengt de volgende gezangregels onder onze aandacht [414]: «Jezus, zoete herinnering
Die het hart echte vreugde schenkt:
Maar die alle genot te boven gaat
Zijn heerlijke aanwezigheid.

Niets is fijner te bezingen
Niets is aangenamer te horen
Niets is heerlijker om aan te denken
Als Jezus zoon van God.

Jezus, hoop der boetelingen
Wat bent u genadig voor degenen die tot u bidden,
Wat bent u goed voor degenen die U zoeken,
Maar wat gebeurt er met degenen die U vinden?» We zien dat Baudelaire erkent dat een scheppende bezigheid plezier oplevert [675]: «De vreugde die het oeuvre van enkele beroemde schrijvers ademt en die daarin de boventoon voert is buitengewoon, heeft Champfleury heel schrander met betrekking tot Honoré de Balzac geschreven.»

§426
· Kist
Theorie

Bij een ruit met een waarde van õ=1, verdient de interne eenheid van strekking, die de lenen vertonen of suggereren, een niveau van ñ=1. Ook blijkt, eveneens bij õ=1, de hoeveelheid ñ=1 juist te zijn als de ribstof hulp krijgt van de verharder. Het is raadzaam zo’n steunpunt op te speuren, niet alleen refreinen maar ook alles wat er op lijkt. Als de inhoud geen eenheid vormt of als er geen connector is, moeten we, omdat het gevaar immers bestaat dat de interne afstand van de aardkluit de troop schade toebrengt, het aantal fronten (n) tussen het begin en het einde van het gezegde bestuderen, waarbij de waarde van de kist neerkomt op ñ=2+(1(n/10)). Anderzijds gaan we bij o=2 akkoord met ñ=2 als het om een samenhangend geheel gaat, er van een verwijzing sprake is of we een verharder signaleren. In de overige situaties zonder connector blijkt ñ=2+(1(n/10)) de manier te zijn om de gewenste giststof te verkrijgen. Niets belemmert ons om de composiet te behandelen, aangezien we aan (ñ) dezelfde waarde toekennen als wanneer de lenen er allemaal voor één enkele ribstof zouden zijn.

Methode

De ruit neemt een gedeelte van de kist in beslag, wat een onhandige opzet lijkt te zijn vergeleken bij de eenvoud van heel veel stijlfiguren, maar het gebeurt regelmatig dat we verschijnselen behandelen door middel van dergelijk ingewikkeld kunst- en vliegwerk. Poincaré verweerde zich op de volgende manier tegen degenen die uitvoeren tegen de foutjes die het verstand maakt [801]: «Moeten we, omdat geen enkele schilder een volkomen gelijkend portret heeft kunnen maken, daarom besluiten dat het beste dan maar is om er geen te maken?»

Toepassing op Baudelaire

Gesnik en gelach leveren met hun neiging om een belangrijk element te herhalen, gemakkelijke voorbeelden voor de ribstoffen op. We raken hier het instinctmatige vlak waar spontaneïteit en doordachte vormen van de geest door elkaar lopen. Germaine de Staël geeft ons de volgende raad [931]: «Aangezien we met behulp van de analyse pas iets kunnen bestuderen als we de stof hebben opgedeeld, wordt eerstgenoemde, net als een scalpel, op dood materiaal toegepast; maar dat is een slecht middel om iets wat levend is te leren kennen…» Menige overeenkomst, waaruit het plezier spreekt de zielen met elkaar te verbinden, laat een geheel zien dat een uitdaging vormt voor de toeschouwer, zoals Baudelaire ons laat zien met de beschrijving van een door hem bedacht paartje [656]: «…Samuel beijverde zich om haar zakdoek en haar boek, die hij op een bank vond, terug te brengen en die ze trouwens helemaal niet kwijt was, omdat ze er immers, kijkend naar de mussen die om de kruimels vochten, of, naar het scheen, aandachtig de planten bestuderend, vlakbij zat. Zoals vaak het geval is met twee mensen door wier gezamenlijke bestemmingen de ziel op gelijke hoogte is gesteld, werd hij, -toen hij nogal onverwachts een gesprek begon,- niettemin vervuld van een vreemd geluksgevoel iemand aan te treffen die hem een luisterend oor verleende en antwoord geven wilde.» 188

§427
· Dresseur
Theorie

De dresseur is ã=2 waard wanneer het gevaar groot is dat het plafond afwijkt van de beduidenis van de aardkluit, vanuit de globale bult bezien. In (F-Samenspel/-¦¦¦¦-/S-Sam, en, spel), lijkt het plafond “Sam, en, spel” zo verschillend van wat de rest van het gedicht inhoudt, dat we zonder enige moeite tot ã= 2 kunnen besluiten. Maar een mededeling die te verdedigen valt, vooral als deze van een steunpunt bijval vindt, rechtvaardigt een waarde van ã=1.

Methode

We moeten zeker niet bij voorbaat uitsluiten dat de schepper van een boek een overdaad aan verbeelding kan bezitten, maar over het algemeen worden we daarover door aanwijzingen ingelicht, en vaak wordt een gezegde door de context verklaard, zoals de alliteratie toont die laat weten dat Orestes de godheden uit de hel ziet [827]: «Pour qui sont ces serpents qui sifflent sur vos têtes?» (Voor wie zijn die slangen die op uw hoofden sissen?)

Toepassing op Baudelaire

Als we oordelen dat zo’n troop volkomen onaanvaardbaar is, zou dat een miskenning inhouden van het feit dat de de grote kunst vaak met hinder gepaard gaat, hetgeen Baudelaire zo zorgvuldig heeft geformuleerd [713]: «Ik ga nog verder, de zeer trotse sofisten met hun boekenwijsheid ten spijt, en hoe gevoelig het ook ligt en hoe moeilijk het ook is om mijn denkbeeld te omschrijven, ik ben er zeker van erin te slagen, zo ongeveer tenminste. "Het mooie is altijd vreemd." Ik bedoel niet dat het opzettelijk en op een gevoelloze manier bizar is, want in dat geval zou het een door het leven ontspoord monster zijn. Ik zeg dat het altijd iets van een bizarriteit bevat, een naïeve, ongewilde en onbewuste bizarriteit, en dat het die bizarriteit is die er zo’n bijzondere schoonheid aan geeft. Dat is zijn kenteken, zijn kenmerk. Keer het eens om en probeer iets wat "mooi maar banaal" is te maken!»

§428
· Glooiing
Theorie

De glooiing bedraagt ù=2 als er, behalve van de indringing zelf, volgens de criteria van dat moment, in de presentatie van het gedeelte buiten het plafond, sprake is van een vergissing.

Toepassing op Baudelaire

Een onhandigheid in de aardkluit accentueert daadwerkelijk de troop, maar als die zich in het plafond bevindt kan het commentaar daardoor niet langer serieus genomen worden. Bijvoorbeeld “…verts comme les prés rient…” (…groen als de weiden die lachen…) vraagt om het accent aigu van “prés”, terwijl de aardkluit «prairies» (weiden) wordt uitgesproken als “près rient” , wat resulteert in ù=2, omdat de noodzaak van de verandering twijfel zaait.

Methode

In „Booz endormi“ (de Slapende Boaz), vindt Victor Hugo zoiets op aardrijkskundig gebied uit [140]-[462]: «Alles was rustig in Ur en Jerimadeth…en Ruth vroeg zich af…» (Tout reposait dans Ur et dans Jérimadeth…et Ruth se demandait…) Aangezien het meer van Genesareth berucht was om zijn vele stormen, was het moeilijk om “Alles was rustig in Ur en Genesareth…” te schrijven. Het eind van de regel, «Jérimadeth», wordt vaak geïnterpreteerd als “je rime à "dait"” (ik rijm op "dait"), want Victor Hugo probeert, voor het rijmen, een klank te vinden die past bij «demandait» (vroeg) dat iets verderop vermeld wordt [463]. Men vindt het ook leuk om er, maar dat is minder juist, “je rime à dette” (ik rijm op “schuld”) van te maken, waarmee men “ik put uit mijn verbeelding, om een leegte op geschiedkundig gebied op te vullen en ben hiermee de waarheid uitleg verschuldigd” bedoelt. “Genesareth” wordt volgens gewoonte als “genezarette” uitgesproken, terwijl men natuurlijk niet “demandette” zegt. In ieder geval brengt de auteur, technisch gezien, met “e-e” in plaats van “eth-e” een verbetering in de rijm aan. Omdat «Jérimadeth» een heel onbekend woord is, veronderstelt men dat de dictie “Jérimadait” bedoeld is om op “demandait” te rijmen. Het is minder eenvoudig van iedereen te verlangen om “Genesarait” uit te spreken. En tenslotte begint in elke regel van deze vondst van Victor Hugo de laatste lettergreep met een “D”, en niet in de ene met een “R” en in de andere met een “D”. Jacques Truchet vult deze documentatie aan met de opmerking dat «Jérimadeth» voor sommigen «…een schrijfwijze afkomstig van "Jerahmeel"» is en als dat zo zou zijn, zouden we met een serieuze, goed ingelichte Victor Hugo te maken hebben, een gezichtspunt dat de stijlfiguur tenietdoet [463]. Bovendien is voor “je rime à "dait"” de klank “je” vereist en niet “Jé”, wat de aannemelijkheid van een eventuele ribstof doet afnemen, en wegens een onhandigheid in het plafond ù= 2 tot gevolg heeft.

§429
· Vracht
Theorie

Er doen zich verschillende situaties voor waarin de vracht (ò) een waarde heeft van ò=2. Allereerst indien een steunpunt aantoont dat de schepper in kwestie nergens iets van een eventuele woordspeling gebruikt of als hij daar een aversie tegen heeft. Verder als informatie op historisch gebied ons sterk doet vermoeden dat er sprake is van een anachronisme of onbillijkheid wat de vermeende ribstof betreft. Vervolgens wanneer het aannemelijk is dat de auteur bepaalde vormen die een verlenging van de versbouw zijn heeft gebruikt, of dat hij zich, op een gegeven moment, in plaats daarvan, van een bepaald poëtisch middel bedient. We kennen eveneens een waarde van ò=2 toe als de critici merken dat hun de kennis ontbreekt om de beduidenis van de aardkluit te bepalen. Tenslotte blijft ò=2 gelden als er een vergissing of slordigheid in het spel is. In de andere gevallen is de giststof 1 waard, met name bij een steunpunt dat de aangebrachte troop bevestigt.

Methode

Laten we nu (F-Bobo-¦¦¦¦-S-moeites) uitgaande van de interpretatie “gelukkig kwamen we, nadat we allemaal last van honderden pijntjes hadden gehad, aan bij de Bobo’s” eens aandachtig bekijken. Omdat er inderdaad een volk met de naam «Bobo’s» bestaat, kan de geografische context degenen die menen dat er sprake is van een stijlfiguur aan het twijfelen brengen, want deze riskeren een fout te begaan, en dat dwingt de nauwgezette interpreet om ò=2 toe te kennen [805].

Toepassing op Baudelaire

Soms laat de schrijver echter zijn bedoeling blijken om een ribstof te gebruiken, zoals Baudelaire met betrekking tot het al door ons genoemde schilderij, dat de moord op een beroemd pamfletschrijver uitbeeldt [691]: «Het meest verwonderlijke in dit ongewone gedicht is, dat het uitzonderlijk snel is geschilderd en als we aan de schoonheid van de tekening denken, brengt dat ons in verwarring. Dit is voedsel voor de sterken en de overwinning van het spiritualisme; dit schilderij, zo wreed als de natuur, ademt alles wat ideaal is. Wat was toch het lelijke dat de heilige Dood zo snel met het puntje van zijn vleugel heeft uitgewist? Marat kan voortaan Apollo uitdagen, de Dood heeft hem met zijn verliefde lippen gekust, en hij ligt te rusten in de kalmte van zijn metamorfose. We treffen in dit werkstuk zowel iets teders als schrijnends aan; er fladdert een ziel rond in de koude lucht van deze kamer, over die koude muren, rondom dat koude, sombere bad. Zult u ons, politici aller partijen, en uzelf, ruwe liberalen van 1845, toestaan dat we ons laten ontroeren door het meesterwerk van David? Dit schilderij is een geschenk geweest aan het beweende vaderland, en onze tranen zijn ongevaarlijk.»

§430
· Reliëf
Theorie

Het reliëf (ì) moet aan de hand van een aantal gevallen bestudeerd worden. Als het gaat om een aardkluit waarbij we op een gegeven moment kunnen overgaan op het abstracte of die uitmondt in een tegenstrijdigheid, een toespeling, een tegenstelling of een pleonasme, bereikt (ì) een hoogte van 2. We kennen eveneens een waarde van 2 aan (ì) toe als de mededeling door de wijze waarop hij is geformuleerd op twee manieren uitgelegd kan worden. Elke andere situatie vraagt om ì=1.

Methode

"De generaal heeft gezegd de kolonel is een leeuw" verdient ì=2, terwijl “hij laat de thee te laat komen” ì=1 ontvangt.

Toepassing op Baudelaire

De ribstoffen ontketenen heel vaak een gelach, wat hoort bij maatschappelijk gedrag en gebruik, dat uit een soort kreet, gezang of roep bestaat. Omdat het zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht betreft, horen we het verschil tussen lage en hoge stemmen, en nemen we het plezier van een intelligent gezelschap waar. De personen die het waarom ervan niet begrijpen worden er zodoende van uitgesloten. Baudelaire schrijft [706]: «De eensgezindheid van de fysiologen die het lachen bestuderen over de voornaamste oorzaak van dat indrukwekkende verschijnsel, zou voldoende moeten zijn om aan te tonen dat humor één van de meest duivelse karaktertrekken van de mens en één van de vele pitten in de symbolische appel is. Hun ontdekking is overigens vrij simpel en gaat niet erg diep. Lachen, zeggen ze, ontstaat door superioriteit.» Bij het volgende moeilijke geval moeten we even stil staan [707]: «Het lachen van kinderen is als een ontluikende bloem. Het is het plezier iets te ontvangen, het plezier adem te halen, het plezier zich open te stellen, het plezier iets aandachtig te bekijken, te leven, te groeien. Het is het plezier van een plant. Over het algemeen is het dan ook meer een glimlach, zoiets als de kwispelende staart van een hond of het gesnor van een poes. En toch, als we constateren dat het lachen van kinderen toch nog weer verschilt van de uitingen van tevredenheid zoals dieren die tonen, weet dan dat dat komt doordat het niet helemaal vrij van ambitie is, zoals het kleine mensjes, dat wil zeggen Duiveltjes in de dop, betaamt.»

§431
· Vernis
Theorie

Het vernis â=2 kan worden vastgesteld als het ons veel tijd kost van taalcode te veranderen om de aardkluit in de beduidenis van het plafond te doorgronden, of als we daarvoor een oplossing moeten gebruiken die we ons slechts met veel moeite herinneren, en die door de critici is gevonden. Het gebruik van een ingewikkelde code, van moeilijk te vatten woorden, dat heeft allemaal een nadelige invloed op de waarden die de aannemelijkheid van de ribstof aangeven. Als zich daarentegen geen enkel gevaar van deze aard voordoet, is een waarde van â=1 juist. Een woordspeling of een verfraaiing is volstrekt onvoldoende om â=2 te verkrijgen en een methode, eenvoudig of ingenieus, die verder reikt dan de intuïtie, is nodig.

Methode

Het geheim dat ons moet helpen een éénmalig voorkomende boodschap te begrijpen en de code die toegepast kan worden op een lange mededeling komen bij een ingewikkelde reflectie op hetzelfde neer.

Toepassing op Baudelaire

Balzac verstrekt ons een uiterst eenvoudig voorbeeld van jargongebruik [70]: «"Ne fais pas de regoût sur ton dab!" (stel je meester niet in een kwaad daglicht)…» Zonder vertaling is het verschil met “de boot zinkt, blub, blub” voor de hand liggend. Als we anderzijds, met betrekking tot het woord "uitrekenen", elke letter daarvan vervangen door het nummer van volgorde dat hij in het alfabet heeft, verandert het in “2192018511514514”, wat evenmin gemakkelijk te begrijpen is. Zo ondoorzichtig zijn de werken van een bepaalde literaire beweging over het algemeen niet. Zeker, het is mogelijk dat er enigszins een geheimtaal in aangetroffen wordt, die de verontwaardiging van de tegenstanders wekt, zoals de vijandigheid ten overstaan van het door elkaar gebruiken van de genres die de voorstanders van het classicisme rondom 1830 toepasten laat zien, maar die blijft dikwijls beperkt. Een schrijverskring die bepaalde opvattingen heeft stelt veel meer in het vooruitzicht dan een bijzonder taalgebruik, en Baudelaire heeft dat heel goed begrepen [704]: «In de scholen, die uit niets anders bestaan dan uit het georganiseerde ontdekkingsvermogen, absorberen de individuen die deze benaming werkelijk verdienen, de zwakken; en dat is terecht, want een omvangrijke productie is slechts een denkbeeld van een onnoemelijk aantal breinen bij elkaar.»

§432
· Uitlaat
Theorie

De uitlaat û=2 geldt in twee gevallen. Als we een eventueel aspect van technische of erudiete aard in de aardkluit tegenkomen, is û=2 billijk. Met een cognitief doel voor ogen lijkt het inderdaad onaannemelijk de indringing van een stoffelijk element te willen realiseren. Vervolgens bestaat de waarde bij elk zinnebeeld van bloksteen of tekening, bij elk schema of symbool gebruikt voor het aangeven van de scheiding tussen verschillende etappes op het intellectuele vlak, uit û=2. Van deze situaties die û=2 opleveren, worden die waarin kennis een rol op het artistieke vlak speelt echter uitgesloten. De overige omstandigheden eisen dus zeker de uitkomst û=1 op.

Methode

Wat de inrichting van een bult betreft, die kan niet voor een indringing worden aangezien, daar is hij namelijk veel te abstract voor. Maar een horizontale lijn die een scheiding tussen paragrafen moet aanbrengen, kan enige twijfel oproepen. Voor een juiste bepaling van de uitlaat is het dus vereist dat we documentatie over de literaire gewoontes van die tijd kunnen raadplegen, want de etiquette aangaande dergelijke indicatoren van materiële aard verandert op dezelfde wijze als de culturele wereld, de details ervan kunnen zich wijzigen, ondanks het feit dat de globale inhoud mogelijk rationeel is.

Toepassing op Baudelaire

Baudelaire stelde zich, of het nu serieus of spottend bedoeld was, een in balans zijnde werkelijkheid voor, zoals die in sommige regels van een ode aan de zon beschreven wordt, zonder een enkel concreet scheidingsteken te gebruiken [[1115]] in Index II (Gedichten)">[[1115]]: «Die voedstervader, die niets van bleekzucht wil weten,
Brengt in de velden verzen en rozen tot leven;
Zorgen voert hij naar de hemel af,
En vult hersenen en bijenkorven met nectar.
Dankzij hem wordt krukkenlopers een nieuwe jeugd verschaft
En lijken ze op meisjes zo vrolijk en zacht,
En wordt de oogsten opgedragen te groeien en te rijpen
In het onsterfelijke hart dat immer bloeiend wil prijken!

Wanneer hij, als een dichter, neerdaalt in de steden,
Veredelt hij het lot van de dingen vol lelijkheden,
En presenteert zich op koninklijke wijze, zonder lawaai en zonder dienaren,
In alle ziekenhuizen en paleizen.»

§433
· Kring
Theorie

De kring (ô) heeft een waarde van 2 als de troop is ontstaan door uitgesproken gewoontes van de schepper van een boek of als die hem opgelegd zijn. In dat geval is, omdat de auteur niet echt tot de denkbeeldige indringing heeft besloten, de waarde van ô=2 terecht. Een schrijver die op originele wijze een tegenstelling in de taalelementen probeert aan te brengen, verdient echter ô=1.

Methode

Een oude, weinig gebruikte drukletter wekt de illusie een ribstof te zijn, als we niet over voldoende historische kennis beschikken omtrent het milieu waarin hij veel werd gebruikt. Omdat gewoontes soms half onszelf, half de maatschappij waarin we leven betreffen, kan dat soms onze opinie over de handelwijzen die in de verschillende stadia van de culturele keten in praktijk worden gebracht, aan het wankelen brengen.

Toepassing op Baudelaire

Als een romanschrijver een accent van een bepaalde streek wil gebruiken, zonder dat hij zelf deel uitmaakt van een stroming waarbij dat een gewoonte is, billijkt dat een waarde van ô=1. Balzac hield van zulke imitaties [71]«…de twee kunstenaars raakten zeer bevriend met Gazonal en lieten hem zijn rechtszaak vertellen. "Mijn-e rrechtszaak-e, zei hij met brijende "r" en een uitgesproken Provençaals accent, is heel-e eenvoudig-e: het is hen-e om mijn fabrriek-e te doen. Ik heb hier-e een steengoede advocaat-e gevonden-e aan wie ik elke keer-e twintig-e franc heb-e betaald om de zaak-e in het oog-e te houden, en altijd-e tref ik hem slapend-e aan…"»

§434
· Ravijn
Theorie

We mogen aan het ravijn (å) een waarde van 2 toekennen zodra de critici vermoeden dat een of ander ongelukje, een bepaalde vervalsing of vergissing de aardkluit heeft beïnvloed. Soms kan, zonder dat de schepper van een boek er een ribstof in heeft willen aanbrengen, een vlek die per ongeluk in dat boek is ontstaan of de verbeelding van iemand die het eerder heeft gelezen, er schade aan toebrengen. Maar in elke andere situatie waarin zo’n ongelukkige toedracht onmogelijk lijkt te zijn, geldt een waarde van å=1.

Toepassing op Baudelaire

In 1961 is in de, overigens uitstekende, uitgave van Antoine Adam, door een ongelukkige drukfout aan het eind van het sonnet „Samenspel“ de punt weggelaten [6]. Geen enkele lezer zou daarom menen dat Baudelaire zelf van het gebruik van dat zinnebeeld van bloksteen had afgezien.

Methode

Om (å) te bepalen moet tegenslag van het resultaat van een strategie onderscheiden kunnen worden. We kunnen net zulke ontzettend grote listen, op het materiële vlak, bedenken als Lucianus heeft gedaan, met betrekking tot de inhoud. De beroemde „Waarachtige Geschiedenissen“ eindigen met de volgende woorden [510]: «Ik heb u nu mijn avonturen verteld tot op de andere aarde toe, eerst op zee, daarna tijdens het varen, temidden van de eilanden en in de lucht, vervolgens in de walvis en, toen we daar weer uit waren, bij de helden, in dromenland, en tenslotte bij de Runderkoppen en de Ezelinnenbenen. Wat we op aarde beleefd hebben wordt in de volgende boeken verteld.» Daarover schrijft Pierre Grimal [511]«Men zei dat de mededeling aan het eind de grootste leugen van de hele roman was: de aangekondigde boeken hebben nooit bestaan.»

§435
· Proef met ruit
Theorie

We doen het voorstel om de rail “Samenspel -Sympathie betuigd door de grote tempel waar de mens voorbijgaat…Er bestaan…wezens die door al onze zintuigen worden waargenomen en die de sympathie bezingen…” samen te stellen. Omdat de mededeling die aan het woord “mens” voorafgaat, goed te begrijpen is, blijft een spinsel alleen mogelijk met spillen, termen of blokstenen. Aangezien de bult zo een wieg blijft, kan de ruit van (F-Sympathie…sympathie-¦¦¦¦-S-herhaling) nu toch een waarde van õ=1 ontvangen.

Methode

De herhaling vormt een van de meest onomstreden soorten ribstoffen, omdat deze een uitzonderlijke kracht bezit. Als we van zulke voorbeelden uitgaan heeft dat tot gevolg dat de onderzoekingen in een absolute zekerheid uitmonden. Spinoza vat dit voordeel van een onderwerp dat de mogelijkheid biedt van een voor de hand liggende conclusie, zo samen [163]-[922]: «…er zal hier geen sprake zijn van een eindeloos onderzoeken; ik bedoel, om het beste onderzoek naar wat waar is te ontdekken, hebben we niet nog een andere methode nodig voor hetgeen op de eerste plaats komt, en voor hetgeen op de tweede plaats komt, is geen derde methode nodig, enzovoort…»

Toepassing op Baudelaire

Ondanks die kracht van iets dat nadrukkelijk aanwezig is, kan de kunstenaar die mogelijk zowel de woordspeling als de wil van de schrijver over het hoofd ziet, voor een probleem zorgen [[1118]] in Index II (Gedichten)">[[1118]]: «Je suis comme le roi d'un pays pluvieux,
Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très-vieux…» (Ik ben als de koning van een regenachtig land,/Rijk, maar machteloos, jong en toch zeer-oud…) Op een gegeven moment moet beslist worden of “plus vieux” (ouder) mogelijk is of niet ["plus vieux" wordt op dezelfde manier uitgesproken als "pluvieux" (regenachtig)]. Dat wordt nog moeilijker bij woordspelingen die niet zozeer op taalelementen berusten, en om die reden sluiten we ze van de hier bestudeerde onderwerpen uit. Zo bevat “hij keurt dat goed” nagenoeg geen binnendringing, omdat het intellectuele aspect ervan het grapje, waarbij het manipuleren van de taal geen rol speelt, betreffende de twee betekenissen “het resultaat van zijn keuring is dat hij het goedkeurt” en “hij keurt dat volgens de regels” overschaduwt.

§436
· Proef met kist
Theorie

Laten we eens proberen de kist (ñ) van (F-Sympathie…sympathie-¦¦¦¦-S-herhaling) betreffende bovengenoemde rail, waarbij we veronderstellen dat de ruit een waarde heeft van 1, te bepalen. We bekijken de nieuwe giststof op zich, want hij kan, alnaargelang zijn eigen kwaliteiten, een waarde van 1 of 2 ontvangen. De herhaling van het beslissende woord, aan het begin en het eind van het gedicht, wordt gesteund door de titel «Samenspel», bij de erkenning van het bestaan van een verharder die de interne afstand van het duo “Sympathies-sympathies” wegvaagt. Omdat het nu zinloos is geworden het aantal fronten tussen het begin en het eind van het gedicht te tellen, lijkt ñ=1 vast te staan.

Methode

Bij elk stukje werkelijkheid, of juist begrip van de dingen, moeten we ons er bewust van zijn dat alle talen niet een even grote woordenschat bezitten. Het ontbreken van de juiste woorden zou het dus, in een bepaald verband, in iedere taal, noodzakelijk kunnen maken om sommige woorden, buiten elke ribstof om, opnieuw te gebruiken.

Toepassing op Baudelaire

Dankzij zijn grote algemene ontwikkeling was Baudelaire in staat dat soort hindernissen om te buigen, door in het verleden menige bron op te speuren die hem kon helpen om een beter gebruik van de huidige woordenschat te maken. De volgende versregel van Chénier zou zijn devies hebben kunnen zijn [194]: «…Laten we met nieuwe ideeën oude gedichten maken.» Dat belette hem niet de grapjes over de enorme inspanning die voor het beheersen van de traditionele begrippen aan de jonge studenten gevraagd werd, te waarderen [709]: «Daumier heeft onverwachts de oudheid aangevallen, de pseudo-oudheid, want niemand voelt beter dan hij aan wat de hoogste waarde ervan is, hij heeft erop gespuugd…» De karikaturist schijnt hetzelfde doel na te streven als Joseph Berchoux in zijn beroemde dichtregel [708]-[962]: «Wie zal me van de Grieken en de Romeinen bevrijden!»

§437
· Proef betreffende de dresseur
Theorie

Laten we de dresseur (ã) van (N-¦¦¦¦-belang) nu bekijken. Het gevaar dat de beduidenis te weinig overeenkomt met het teken dat in de aardkluit wordt vermeld lijkt nihil te zijn, dus besluiten we tot ã=1. Maar aan (N-¦¦¦¦-goddelijk karakter) zou men niet dezelfde waarde toekennen, want een hoofdletter wil niet per definitie zeggen dat hij genoemde eigenschap bezit. Het is dus zaak een minimale toelichting te geven, om te voorkomen dat het idee dat elk zich van de troop vormt, schade toegebracht wordt.

Methode

Een ontbrekende hoofdletter kan eveneens van belang zijn. In “hij wou parijs bezoeken”, bestaat de ribstof uit het niet verschaffen van hetgeen men aan het begin van de naam verwacht aan te treffen.

Toepassing op Baudelaire

Het lijkt moeilijk te zijn om de precieze beduidenis van de N vast te stellen, zo groot is het aantal mogelijkheden. Als we die N bijvoorbeeld met «weids» in verband brengen zou dat het gedicht koppelen aan de voorliefde die de auteur voor onmetelijkheid heeft [701]: «De meest algemeen aanvaardbare uitleg van het woord Fransman is vaudevilliste, en die van vaudevilliste een man aan wie Michel-Angelo duizeligheid bezorgde en die door Delacroix met beestachtige stomheid geslagen werd, zoals sommige dieren door de donder. Alles wat oneindig is, zowel naar boven als naar beneden toe, doet hem voorzichtig wegvluchten. Het sublieme heeft steeds de uitwerking van een grote massa op hem, en zelfs zijn Molière slaat hij slechts trillend open en wel omdat men hem ervan overtuigd heeft dat het een vrolijke schrijver is.»

§438
· Proef met glooiing
Theorie

De glooiing (ù) van (F-Correspondances/-¦¦¦¦-/S-Corps, responds, danse) (F-Samenspel/-/-/S- lichaam, geef gehoor: je moet dansen) [enigszins te vergelijken met (F-Samenspel/-/-/S-Sam, en, spel)] krijgt een waarde van 2 want deze opzet lijkt te gezocht te zijn. De interpreet wordt er dus van verdacht dat hij Baudelaire absoluut een grappig idee wil toeschrijven.

Methode

De ribstof wordt niet altijd door grappigheid gekenmerkt, en over het algemeen dient hij er eerder toe om met behulp van hoogstaande middelen bij te dragen aan een elementair doel. Het middel van de symboliek, dat in staat is om ons tot intellectuele heldendaden aan te zetten, wordt ver beneden de bewezen mogelijkheden gebruikt, een beetje alsof we twee rekenmachines op ons bureau zouden zetten en dan verklaarden dat dat was om “1+1=2” uit te rekenen. We spreken, maar er komt bijvoorbeeld “oei” uit, en gaan zo weer naar een vroeger stadium terug. Terwijl het taalteken ons het domein der abstractie kan binnenleiden, wordt het ingezet om een soort kreet te produceren.

Toepassing op Baudelaire

Die zaak van het dier dat in de mens huist interesseerde Baudelaire, die in verband daarmee vertelt over een werk dat hij van een kennis heeft gekregen [640]: «Al heel lang verwerp ik bijna alle boeken met afschuw. Het is ook al heel lang geleden dat ik zoiets "absoluut leerzaams en grappigs" heb gelezen. Het hoofdstuk over de valk en de vogels die voor de mens jagen is -op zich al- een werkstuk…Er zitten nog heel veel andere dingen in die me, op het filosofische vlak, ontroeren, de liefde voor het buitenleven, en de eer die aan het ridderschap en de dames wordt bewezen, enz......Wat ik positief vind, is dat u dichter bent. Ik zeg al heel lang dat dichters "bovenmatig" intelligent zijn…Maar als ik die dingen wil laten drukken, wordt me gezegd dat ik gek ben, -en vooral gek op mezelf,- en dat ik betweters alleen maar haat omdat mijn opvoeding mislukt is. Maar wat ongetwijfeld vaststaat, is dat ik filosofisch ingesteld ben, waardoor ik scherp zie wat exact is, zelfs op het gebied van de dierkunde, hoewel ik noch jager, noch bioloog ben…Laat me, -nu ik eenmaal begonnen ben met u over diepere dingen te praten…- alles dan maar zeggen. Wat is dat, de "nooit aflatende Vooruitgang!" wat is een "maatschappij" die niet aristocratisch is! Dat is geen maatschappij, lijkt me. Wat houdt dat in, de mens die "van nature" goed is? waar is men die tegengekomen? De van nature goede mens zou een "monster" zijn, ik bedoel een "God"…Al die niet-conventionele opvattingen waar ik zonet op doelde, zijn per slot slechts het gevolg van die grote moderne theorie, van die "kunstmatige" doctrine, die in de plaats is gekomen van de natuurlijke doctrine, ik bedoel het verwerpen van de theorie van de "erfzonde".»

§439
· Proef met vracht
Theorie

We bedenken een rail die als volgt begint: “De Natuur is een tempel waar levende pilaren/Soms een grote, sterke tamarindeboom aanvaarden/In hun fijne, beschermende schaduw/Onder de warm schijnende zon, somber en luw/Waarin langzaam de bronnen opdrogen…” We vermoeden hier de aanwezigheid van een bemoediging (F-ende…inde-¦¦¦¦-S-herhaling). Maar uit het geheel zouden we ook kunnen opmaken dat het zoiets als een gebroken rijm betreft, omdat verderop halverwege de dichtregels ook zo’n kunstmatige, interne echo voorkomt, met “mende-nende”. Het risico dat we een onderdeel van de versbouw verwisselen met de ribstof dwingt ons een vracht met een waarde van ò=2 te accepteren.

Methode

Aangezien de dichtkunst tot een aparte wereld behoort, is het raadzaam dat we de middelen die erin gebruikt worden niet verwarren met die van andere domeinen. Pierre Guiraud schrijft [526]: «U moet weten dat praktisch alle literatuur oorspronkelijk de vorm van verzen heeft en het lijkt er veel op dat het vers hier een functie vervult die later aan het schrijven wordt toevertrouwd: het vers zorgt voor het conserveren van de vorm; deze wordt erdoor vastgelegd en kan nu aan het geheugen worden overgegeven.» Zo wordt de inhoud door iemand zijn hele leven lang bewaard, evenals door vele generaties.

Toepassing op Baudelaire

De binnendringing daarentegen, is minder goed afgewerkt van aard en slaat dus een andere weg in. De dichter, die als geen ander wist dat naast raffinement geweld aanwezig is, ziet hoe sommige al te energieke stijlfiguren opereren, in een kunst die meer dan enkel vermaak beoogt. Hij maakt die verwijten aan het adres van een kunstenaar [641]: «En een man als u! terloops, als een eenvoudige redacteurtje van de "Siècle" (Eeuw), beledigingen over "de Maistre" rondstrooien, dat grote genie van onze tijd, een ziener! En daarbij ook nog een stijl alsof het een conversatie betreft, en Bargoense woorden die een mooi boek altijd schade toebrengen.»

§440
· Proef met reliëf
Theorie

Het reliëf (ì) van (F-geurende parfums-¦¦¦¦-S-herhaling) bedraagt 2 wat het segment “…geurende parfums en kleuren antwoorden elkaar.” betreft. Zo’n vorm lijkt op een pleonasme dat gebruik maakt van een bepaald abstract begrip, waardoor hij uitgesloten wordt van de ribstoffen [356]. Maar “geparfumeerde parfums” zou aan de daarbij gehanteerde criteria voldoen, doordat er sprake is van een woordherhaling.

Methode

Aangezien een heel tastbaar, alledaags taalgebruik het effect van de inmenging mogelijk maakt, wordt alles wat op het intellectuele vlak ligt buiten de erkende grenzen gehouden.

Toepassing op Baudelaire

De auteur onderzoekt graag de concrete dingen in het menselijk bestaan, rythme, geur, houding of tensie. In 1853 heeft Champfleury Baudelaire als de dichter van poezen gepresenteerd, en het is boeiend dat we ons op de hoogte kunnen stellen van een gedeelte van de kennis die Baudelaire over de dierenwereld heeft vergaard [631]. In een tekst over Delacroix, schrijft hij met betrekking tot een schilderij [696]: «Op het balcon, staan, in de koude morgenlucht, "Romeo en Julia", met hun gezichten naar elkaar toe en hun armen devoot om elkaars middel geslagen. Tijdens deze heftige omhelzing ten afscheid, werpt Julia, haar handen op de schouders van haar geliefde, haar hoofd achterover, alsof ze adem wil halen, of als een beweging van trots en blij lijden. Deze vreemde houding, -want bijna alle schilders beelden verliefden elkaar op de mond kussend af,- is desondanks heel natuurlijk; die krachtige beweging van de nek is typerend voor honden en katten die ervan genieten dat ze gestreeld worden.»

§441
· Proef met vernis
Theorie

Het vernis van (corrompus-¦¦¦¦-corps rompus) (bedorven-/-gebroken lichaam) verdient een waarde van â=1 in de context «Er zijn geuren, zo fris…En andere, bedorven…» De beduidenis “van binnenuit vergaan”, zoals metalen staven die door roest worden aangetast, moet met behulp van de kennis van de zich vlakbij bevindende woorden «zegevierend» en «rijk» bestudeerd worden, maar dat is heel wat anders dan een geheim cijfer gebruiken. De vraag is of de schrijver een speciale code gebruikt, of dat daarentegen alle lezers, min of meer gemakkelijk, afhankelijk van hun algemene ontwikkeling, van dezelfde ideeën kennis kunnen nemen. Met de combinatie van een doorzichtige, letterlijke inhoud en vreemde bijbedoelingen, betreft het hier de tweede mogelijkheid, en het ontbreken van genoemde code levert een waarde op van â=1.

Methode

Een korte, zeer moeilijke passage is er voldoende bewijs van dat in geval men opzettelijk iets wil verbergen men zijn toevlucht neemt tot een bijzonder taalgebruik, waardoor we bij een troop, als dat gevraagd wordt, weten wanneer we een waarde van â=2 moeten toekennen.

Toepassing op Baudelaire

De verleiding om het woord «corrompus» (bedorven), wegens de dubbele “R”, in tweeën te splitsen, is zo normaal dat we daarbij volstrekt niet aan een codering denken. Bovendien kunnen we ons moeilijk voorstellen dat Baudelaire de ernstige toon van het sonnet afwisselt met een grapje, zonder dat we daarop voorbereid worden. Zoals voor een stoffelijk lichaam de verschillende delen ervan en de schakels die ze verbinden essentieel zijn, zo wordt een gedicht, op soortgelijke wijze, scherp gecontroleerd door de schepper van het boek ervan die absoluut de eenheid erin wil bewaren. We vormen ons, buiten de eerste reactie om, een beeld van het doel, dat veronderstelt dat de schepper zich al op vage maar daadwerkelijke wijze heeft voorgesteld wat hij wil bereiken voordat hij zijn plan ten uitvoer brengt. Laten we niettemin bekennen dat doeleinden waarvan men zich bewust is, vaak een hartstochtelijk of collectief krachtenspel verbergen dat de zijn doel nastrevende auteur nauwelijks vermoedt. Zoals een politiek leider die een lijn uitstippelt die later ook bij vergelijkbare landen aangetroffen wordt, zodat een miskende tendens aanleiding tot krachtige maatregelen geeft.

§442
· Proef met uitlaat
Theorie

We stellen voor de uitlaat te bestuderen van (F-mens/tempel: bedorven/fris-¦¦¦¦-S-twee gelijkwaardige relaties) betreffende een rail die begint met “De Natuur heeft ervoor gezorgd dat de mens met betrekking tot zijn tempel is wat bedorven geuren zijn tot frisse…” Het wetenschappelijke of technische aspect blijft te beperkt, dientengevolge wordt û=1 een feit.

Methode

De ruit ontvangt echter een waarde van õ=2 omdat de zinswending immers geen van de vijftien schorsen bezit die een beschrijving van de ribstoffen geven.

Toepassing op Baudelaire

De analogie, met haar bijbehorende aspect van mijmerij, zou een grotere plaats innemen als we de bases van het gongorisme zouden gebruiken [283]-[420]: “De (vrouwelijke) Natuur is een tempel (haar dienst vindt plaats in haar gezicht) waar levende pilaren (de tanden) soms verwarde woorden (gelach) loslaten; de mens (bedorven en verliefd) gaat er door (hij drukt er zijn lippen nagenoeg onwetend op) wouden van symbolen (het haar) die hem gadeslaan (bevindt zich voor hem) met vertrouwde blikken (hij meent ze te herkennen). Als lange echo’s…” Plato fantaseerde over de mythe van hoogstbelangrijke begrippen waar het verstand kennis van zou nemen alvorens een lichaam binnen te gaan [725]: «Aangezien de hele natuur gelijkvormig is en de ziel daar alles al van weet, is er niets wat deze belet via een oude herinnering die weer bovenkomt (dat is wat de mensen kennis noemen) al de andere terug te vinden…» Balzac beschrijft de liefde als iets dat in verband staat met een reeks verbindingen met de voorgaande jaren [72]: «Als u goed hebt gezien hoe mijn leven tot nu toe is geweest, kunt u de gevoelens raden die in mijn hart opresen…de schittering van glanzende haren boven een als van een klein meisje zo zachte hals, de witte lijnen die de kam erin aangebracht had en waar mijn verbeelding doorheen rende als door nieuwe paden, alles bracht me het hoofd op hol.»

§443
· Proef met kring
Theorie

De kring van (long-temps-¦¦¦¦-onderstreping) (lange tijd-/-onderstreping), aangaande «J'ai long- temps habité sous de vastes portiques…» (Ik heb lange tijd onder poorten gewoond…) moet een waarde van 2 krijgen, want de dichter volgt, met deze schrijfwijze, «long-temps» (lange tijd), slechts een gewoonte van zijn tijd [[1143]] in Index II (Gedichten)">[[1143]]. In 1861 begint hij echter «longtemps» (lange tijd) te gebruiken, omdat hij zich aan de verandering van de gewoontes aanpast [[1143]] in Index II (Gedichten)">[[1143]].

Methode

Een criterium dat in staat is om intrusies in het taalmateriaal en gewoontes van elkaar te onderscheiden lijkt dus onmisbaar te zijn. Wanneer de schepper van een boek kiest voor een traditionele vorm, maar de inhoud van deze zinswending zich later wijzigt, zal het effect van deze traditionele vorm niet als iets wat in oorsprong echt was gewenst beschouwd kunnen worden.

Toepassing op Baudelaire

De auteur schreef «long-temps» (lange-tijd) uit zorgvuldige navolging, zodat, als we hem het verwerpen van gewoontes toeschrijven, dat hetzelfde is als wanneer we een heel andere weg inslaan als die naar het aanvankelijke einddoel leidt.

§444
· Proef met ravijn
Theorie

Het ravijn van (F-confondent…répondent-¦¦¦¦-S-répondent…confondent) (F-vermengen… antwoorden-/-S-antwoorden…vermengen) blijkt op een waarde van 2 te moeten worden vastgesteld als dankzij geschiedkundig onderzoek aantekeningen van een typograaf worden teruggevonden waaruit wordt aangetoond dat hij door een slordigheidsfout de beide woorden in de regels 5 en 8 heeft omgewisseld. Een verkleining van het landgoed lijkt op zijn plaats te zijn, zodra we ontdekken dat het niet om een vermetele woordspeling maar om een vergissing gaat. Toch laat een nader onderzoek zien dat een dergelijke conclusie geen stand kan houden, omdat de schrijver uiteindelijk immers het werk na verschillende correcties te hebben aangebracht heeft geaccepteerd, en deze versie zelfs in 1861 heeft aangehouden. Daarom is het billijk dat de waarde van de giststof uit å=1 bestaat.

Methode

Het idee van het genie dat op z’n eentje een kunstproduct schept vertoont al snel zijn zwakke plekken, zo dikwijls put elk uit de inspiratiebron van de verschillende milieus waarmee hij in aanraking komt. Maar heel vaak kan het bestaan van een hoofdbron van doorslaggevend belang, de bekrachtiging van honderden verschillende bijdragen, die tenslotte resulteert in haat of lof, moeilijk ontkend worden.

Toepassing op Baudelaire

We citeren met betrekking tot dit onderwerp een brief van Baudelaire aan zijn drukker [647]: «Beste Malassis, duizend excuses dat ik nogmaals op de noodzaak wijs de proeven te corrigeren.» Door op een storende fout in een publicatie te wijzen die niet hemzelf maar een andere persoon betreft, laat de schrijver zien dat hij het niet zou kunnen accepteren als hem zo’n onheil met zijn gedichtenbundel zou treffen. Hij meent dat hij zijn aanhoudendheid moet uitleggen [648]: «Ik weet, zeg ik u nog eens, hoezeer men zich door zo’n lastig gedrag onbemind maakt; maar ik neem uw bedrijf heel serieus, en u hebt me zelf een keer bekend dat u, net als ik, vond dat overal waar men iets produceert, de kwaliteit optimaal moet zijn.»

§445
· Volledige berekening I, aangaande (F-Correspondances/-¦¦¦¦-/S-corps responds danse)
Theorie

Laten we nu complete landgoederen berekenen, met als eerste dat met betrekking tot het lichte afgietsel (F-Correspondances/-¦¦¦¦-/S-Corps, responds, danse) (F-Samenspel/-/-/S-Lichaam, geef gehoor: je moet dansen) [enigszins te vergelijken met (F-Samenspel/-/-/S-Sam, en, spel]. Het lijkt zeer moeilijk voor het publiek te zijn de betekenis in kwestie te vatten, hetgeen een ruit van õ=2 billijkt. Uit deze eerste hoeveelheid komt een kist van ñ=2 voort. De dresseur heeft recht op een waarde van ã=2, want het gevaar dat hij niet met de doelstellingen van de schepper van het gedicht overeenkomt, blijkt tamelijk groot te zijn. Een opdeling in “Corps, responds” (Lichaam, geef gehoor) is geoorloofd door de dubbele “R” van de aardkluit, maar die daarna komt, “responds, danse” (geef gehoor: je moet dansen), kunnen we niet verantwoorden, wat resulteert in een glooiing van ù=2. Een vracht van ò=2 blijkt juist te zijn omdat de formulering van dit thema nauwelijks bij deze tijd past, zodat dit anachronisme de interpreet in het ongelijk stelt [[1110]] in Index II (Gedichten)">[[1110]]. De betreffende woordspeling lijkt concreet genoeg om een reliëf van ì=1 te verkrijgen. Gezien het feit dat het grapje geen enkele kennis vereist, kennen we aan het vernis een waarde van â=1 toe. Het bevat geen enkele aanwijzing van wetenschappelijke aard, daarom is een uitlaat van û=1 onvermijdelijk. Geen enkele traditie heeft het gebruik van de zinswending kunnen beïnvloeden, zodat we gedwongen zijn tot een kring van ô=1 te besluiten. Aangezien we volstrekt niet op de hoogte zijn van een eventueel ongelukje, moet de waarde van het ravijn wel å=1 bedragen. Zo komen we tot een aannemelijkheid van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2)(2)(2)(2)(2)(1)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32.

Methode

Het lukt de interpreet niet om, in zijn illustraties, aan de invloed van de veranderingen die de geschiedenis sinds de oorsprong van de tekst gemarkeerd hebben, te ontkomen. De kracht van het huidige moment, waardoor we de dag van gisteren met de ogen van vandaag bekijken, moet bestreden worden, ondanks de onberedeneerde raadgeving van degenen die dat absoluut wel willen doen. Natuurlijk worden we bij onze studie door onze emoties gedreven, maar het is niet zeker dat zelfs ook maar de geringste objectiviteit daarbij wordt getolereerd, het is dan ook beter dynamiek te blijven, maar ons wel van eventuele illusies te ontdoen.

Toepassing op Baudelaire

De dans getuigt van de fusie tussen een individueel en gezamenlijk wordingsproces, door middel van bewegingen van het lichaam, die vervolgens als we ze vaak herhalen, bijna spontaan worden. Ons bezig zijn is samengesteld uit verschillende niveaus: ten eerste wordt ons op het lichamelijke vlak, een onnoemelijk aantal functies meegegeven, die reflectorisch of instinctmatig zijn; vervolgens komen daar, in meerdere of mindere mate, als een erfenis uit het verleden, aangenomen gewoontes overheen, van een heel simpele zoals die dat we ons om kwart over twaalf hongerig voelen, tot aan zeer ingewikkelde handelingen die we nadoen toe; verder spelen ook ons geweten, ons geheugen of onze wil een rol. De hiërarchie van die krachten laat de wrijving tussen de categorieën zien. Aristoteles geeft de bases aan [28]: «Die vermogens, zeiden we, zijn de faculteiten die ons in staat stellen te eten, iets te wensen, iets te voelen, te bewegen, en na te denken.» Balzac vat al deze voorzieningen van energie in één begrip samen met de emotie die een boeket veroorzaakt [73]: «Geen enkele verklaring, geen enkel bewijs van krankzinnige hartstocht had zo’n aanstekelijke uitwerking als deze symfonie van bloemen, bij het zien waarvan mijn misleid verlangen me tot dezelfde inspanningen aanzette als die bij Beethoven in zijn muziek tot uiting kwam; diepe onderzoekingen in de eigen ziel, loftuigingen aan de hemel gericht. Mme de Mortsauf was nog slechts Henriëtte bij het aanschouwen ervan. Ze liep er steeds weer naar toe, ze werd erdoor gevoed, ze pakte er alle gedachten uit op die ik erin had gelegd, terwijl ze, om ze in ontvangst te nemen, haar hoofd van het weefgetouw oprichtte en zei "Mijn God, wat is dat mooi!" U begrijpt deze heerlijke relatie die door het symbool van een boeket wordt uitgebeeld, zoals u door een paar regels poëzie Saadi zult begrijpen.» Het is mogelijk dat Baudelaire zulk soort dingen gelezen heeft, zoals een aantal verhalen die daarvan getuigen ons in herinnering brengt. In 1867, beschrijft een, postuum, krantenartikel zijn aankomst op een kade in Saint-Denis, waar hij op 19 september 1841 een punt zet achter zijn gedwongen reis naar de Indische Oceaan [606]. De jongeman moet zich aan de touwen vasthouden [607]: «…Baudelaire wou absoluut de ladder opklimmen met zijn boeken onder z’n arm (dat was beslist origineel, maar lastig), en ging langzaam, met een ernstig gezicht de ladder op, achtervolgd door een opkomende golf. Al snel is de golf vlak bij hem, overspoelt hem, bedekt hem met twaalf tot vijftien voet water en rukt hem van de ladder los. Hij wordt met grote moeite weer opgevist; maar, onbegrijpelijk, hij had nog steeds zijn boeken onder z’n arm.» Jules Levallois vertelt dat de toekomstige dichter later tijdens de vrije tijd die hij aan wal had, Balzac las [607].

§446
· Volledige berekening II, aangaande (F-Correspondances…répondent-¦¦¦¦-herhaling)
Theorie

Het landgoed van de zware bemoediging (F-Correspondances…répondent-¦¦¦¦-S-herhaling) (F- Samenspel…antwoorden-/-S-herhaling) is nu aan de orde. Aangezien de zinswending de bult niet verandert, blijft deze de status van wieg behouden. Er worden geen opmerkingen in gemaakt die elkaar schaden. Het denkbeeld in kwestie is niet slechts voor een klein gezelschap bestemd. Daar vloeit dus een ruit van õ=1 uit voort. De kist bedraagt ñ=1 omdat het feit dat zich aan het begin van het sonnet en vervolgens aan het eind van de achtste regel de beslissende woorden bevinden, een verharder oplevert. De ribstof neemt alle verdenking weg, dankzij de kern “respond” in «Correspondances», en die stam heeft de dresseur ã=1 tot gevolg. We treffen geen enkele vergissing in de toelichting aan, dus staat een glooiing van ù=1 vast. De titel is voor de versbouw niet van hoofdbelang. Overigens lijkt de auteur zich ook niet vergist te hebben en merken we geen fouten van de interpreet op. De stijlfiguur kan geen anachronisme bevatten, want hij strookt met hetgeen het publiek in een werk zou kunnen aantreffen. Dientengevolge is een vracht van ò=1 juist, want aan de voorwaarde dat er geen enkele twijfel mag bestaan wordt voldaan. Er komt niets abstracts in de aardkluit voor, omdat het om het concrete element van een werkwoordsstam gaat die tweemaal voorkomt. Dat resulteert daarom in een reliëf van ì=1. We kunnen geen enkele verandering van taalstijl signaleren, dus moeten we een vernis van â=1 vaststellen. Het is klaar dat de troop niets wetenschappelijks bevat, dat heeft een uitlaat van û=1 tot gevolg. Deze vorm van verwijzing heeft niets met gewoontes te maken, waardoor een kring van ô=1 acceptabel is. En tenslotte is een ravijn van å=1 verantwoord, omdat er in de tekst geen enkele vergissing opgemerkt is. We concluderen dat de vast te stellen waarde bestaat uit 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1/1=1. Kort samengevat kunnen we zeggen dat ons onderzoek hier waardevol blijkt, en in ieder geval een mogelijkheid biedt om ons in de, zo vreemde, denkwereld van Baudelaire in te leven.

Methode

We moesten, om menige omstandigheid die de ribstoffen ongunstig beïnvloedt niet te onderschatten, verschillende keren sommige aan elkaar verwante ideeën aan de criteria toevoegen. Wat zich in dat opzicht afspeelt, met het terugkeren van (õ) in (ñ), is slechts het meest zichtbare. Desondanks blijft elke behandelde giststof verschillend van de overige, door de andere specifieke eigenschappen die hij bezit.

Toepassing op Baudelaire

Het hoogste antwoord op de oproepen van de waargenomen wezens is het geven van je leven. We stellen ons de frisheid die aan de corruptie wordt opgeofferd en die het evenwicht van de wereld redt voor. Een bewonderaar van de Maistre kon iets dergelijks bespeuren. Omdat de Revolutie menig voorbeeld van die opoffering met zich mee heeft gebracht, was Baudelaire al gauw vol respect voor de kunstenaars die daar waarde aan hechtten [697]-[698]: «Als men al die schilderijen van hem bekijkt, lijkt het wel of men de viering van een of ander pijnlijk geheim bijwoont…Door deze uiterst moderne en nieuwe kwaliteit is Delacroix de meest recente expressie van de vooruitgang in de kunst.»

§447
· Volledige berekening III van het gehele landgoed
Theorie

Laten we nu (P…A…R…F…U…M…C…O…N…V…E…R…S…E/-¦¦¦¦-/S-acrostichon) (G…E…U…R …S…P…R…E…E…K…T/-/-/acrostichon) bekijken. De berekening betreft de regels “Profonde est la nature,/Attirant est son verbe/Ressurgi de piliers/Fameux par leurs regards.//Un écho inspiré,/Mâché dans le lointain/Correspond aux cinq sens,/Or et boue en dialogue.//Naissant dans la fraîcheur,/Versés dans le hautbois,/Emportés par l'ivresse,//Résolus ils se risquent/Sur la route du chant/Et de la corruption.” (Ondoorgrondelijk is de natuur,/Aantrekkelijk zijn haar woorden/Die uit pilaren opklinken/Beroemd om hun blikken.//Een bevlogen echo,/In de verte verdwijnend,/Komt overeen met de vijf zintuigen,/Goud en modder in een dialoog.//Het licht ziend in frisheid,/In de hobo geplaatst,/Meegevoerd door dronkenschap,// Riskeren ze zich vastbesloten/Op de weg van zang/En corruptie.) Dit grapje kan, hoewel het een nieuwe boodschap bevat die afkomstig is van de beginletters van de veertien regels die verticaal gelezen moeten worden, niet verhinderen dat het spinsel enkel dankzij de termen, de spillen en de blokstenen ontstaat, wegens het feit dat “P…A…R…F…U…M…C…O…N…V…E…R…S…E” (G…E…U… R… S…P…R…E…E…K…T) een spil vormt. Dit grappige maaksel is echt helemaal voor het publiek, en de zinswending wordt snel genoeg opgemerkt, waardoor aan de ruit de waarde õ=1 gegeven kan worden. Uit dit zeer voor de hand liggende acrostichon ontstaat de verharder ervan, wat leidt tot een kist van ñ=1. Het plafond verbergt geen enkele misvatting betreffende de aardkluit, waardoor de dresseur uit ã=1 bestaat. Aangezien we in de toelichting niets aantreffen wat op een onhandigheid lijkt, resulteert dat in een glooiing van ù=1. Dit woordgrapje lijkt meer op literair parasitisme dan op een onderdeel van de versbouw. De ribstof wordt door geen enkel steunpunt bedreigd. Een vergissing lijkt uitgesloten. Als we deze drie punten samenvatten, mogen we concluderen dat een vracht van ò=1 volkomen billijk is. In deze stijlfiguur valt niets abstracts op. De samenstelling van de inhoud is vreemd maar niet tweeslachtig. Dientengevolge bestaat de waarde van het reliëf (ì) uit 1. Er is geen speciale kennis of lange inwijding nodig om de inhoud te begrijpen, onze intuïtie wordt beloond met een vernis van â=1. Gezien het feit dat hier het goochelen met de taal van artistieke aard blijft, is een uitlaat van û=1 onvermijdelijk. Een acrostichon komt maar zelden voor, bijgevolg bestaat de kring uit ô=1. Omdat de troop hoegenaamd geen ongeluk of vervalsing bevat, wordt de waarde van het ravijn vastgesteld op å=1. De berekende waarden gevoegd bij de algemene indruk hebben een landgoed van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)= 1/1=1 tot gevolg.

Methode

Om de uitlaat te bepalen hebben we onderscheid gemaakt tussen versbouw en de techniek en dat is niet enkel kunstmatig. Elke poëzie blijft nauw verwant met taalspelletjes, mythen of dromen [283]. Anderzijds wordt het proces dat men bij verwarmingstechniek of het transportwezen volgt heel goed door ons begrepen, maar kennen we de criteria die het slagen in de kunst bepalen niet.

Toepassing op Baudelaire

Een brief van de dichter laat zien hoe de gevoeligheid de evenementen van het dagelijkse leven een plaatsje geeft, zelfs zonder de inspanningen van degene die de beelden ziet [642]-[643]: «Beste vriend, omdat ik wel weet dat u graag over dromen hoort vertellen, heb ik er hier een, waarvan ik zeker weet dat u hem leuk zult vinden. Het is 5 uur ’s morgens, hij is dus nog helemaal vers…Ik vatte het als mijn "plicht" op om aan de bazin van een groot prostitutiebedrijf één van mijn boeken dat net verschenen was aan te bieden…de muren van die uitgestrekte galerijen zijn met allerlei tekeningen versierd…Ergens een beetje achteraf…vind ik een zeer vreemde reeks…Het zijn kleurige vogels met diep schitterende veren en "levendige" ogen. Af en toe zijn het "slechts halve vogels". Dat levert soms beelden van rare, monsterachtige, bijna "vormloze" wezens op, zoiets als "meteoorstenen". In de hoek van elke tekening, staat een notitie. -"Dat en dat meisje, zo en zo oud heeft deze foetus ter wereld gebracht in dat en dat jaar";- en meer van dat soort aantekeningen.»

§448
· Volledige berekening IV, aangaande (N-¦¦¦¦-belang)
Theorie

De aannemelijkheid van de lichte verzakking (N-¦¦¦¦-belangrijkheid) bestaat voor de ruit uit õ=1. Het spinsel komt enkel met behulp van termen, spillen en blokstenen tot stand. Hoewel de N als losstaande letter niet van het spinsel deel uitmaakt, verhindert de N als onderdeel van het woord «Natuur» het spinsel hoegenaamd niet zich te vormen, en de aandacht die het op zich vestigt draagt zelfs tot de doeltreffendheid van de stijlfiguur bij. Het ligt voor de hand dat de letter niet veel ruimte inneemt, daarom bestaat de koffer uit ñ=1. Het begrip “belangrijkheid” van het plafond heeft een nauwe relatie met de beduidenis van de N als hoofdletter, zodat een dresseur van ã=1 niet kan missen. Aangezien er in deze minieme toelichting nauwelijks van een vergissing sprake kan zijn, leidt dat tot een glooiing van ù=1. Het benadrukken van de letter N kan onmogelijk het gevolg van een slordigheidsfout zijn, en hij lijkt ook geen onderdeel van de versbouw uit te maken. Dat alles billijkt een vracht van ò=1. Doordat de N deel blijft uitmaken van het stoffelijk taalmateriaal, brengt dat de waarde van het reliëf (ì) op 1. Het is onmogelijk dat deze alleenstaande hoofdletter een aparte code naast de gewone communicatie vereist, hetgeen een vernis van â=1 oplevert. Diepgaande kennis is voor deze N niet nodig, dus kennen we aan de uitlaat (û) een waarde van 1 toe. Omdat het geen gewoonte is «Nature» elke keer zo te schrijven, komt daar een kring van ô=1 uit voort. De critici vermelden niets over een ongeluk of een vervalsing met betrekking tot de N, dus verdient het ravijn een waarde van å=1. Uiteindelijk wordt onze intuïtie bevestigd door de numerieke waarde die bestaat uit 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1.

Methode

Het hulpmiddel dat een spil bezit maakt, in een wieg, niet altijd de boring ongedaan, maar insinueert al een tegenstelling met de rest van het werk. Daarom is het geoorloofd al dit soort feiten bij de ribstof in te sluiten, en we voegen daar al het idee aan toe dat we daarbij voorvoeld hadden, want anders wordt de uitleg erg lastig.

Toepassing op Baudelaire

Zelfs als het idee dat we hier bestudeerd hebben niet alleen de spil betreft maar ook het stoffelijke aspect van de drukletter, in werkelijkheid is “belangrijkheid” sprekender dan “voornaamheid”. Het verhaal, waarin de dichter de vreemde droom die we hierboven citeren noemt, laat zien dat natuurlijke, indrukwekkende maaksels niet altijd verheven zijn, hoewel de Aziatische stijlfiguur van de olifant-jongen daarin er indirect iets mee te maken schijnt te hebben. We grijpen de gelegenheid aan om ons voor te stellen hoe een bepaald gesprek over de plannen betreffende de Wereld Expositie geweest kan zijn. Onder geleerde mensen kent men zo’n soort personage in ieder geval wel [816]: «Behalve legeraanvoerder, is hij ook nog, en misschien wel meer, de god die allerlei soorten ondernemingen leidt, onder andere esoterische aktiviteiten; hij wordt ook heel vaak genoemd aan het begin van een literair boekwerk.» We moeten eveneens vermelden dat Baudelaire klaarblijkelijk een zekere belangstelling voor misvormingen had, waarover meer bekend was geworden door een recente studie [870]: «De wetenschap der monsters, ofwel de teratologie is een jonge wetenschap…gesticht door Etienne Geoffroy Saint- Hilaire…» Voor Asselineau is het verhaal van een droom een geheel van talrijke denkbeelden [644]: «Maar van al die wezens, is er één die echt heeft geleefd. Het is een monster dat in dit gebouw is geboren, en dat onveranderlijk op een voetstuk staat. Hoewel het leeft, maakt het dus toch deel van het museum uit. Het is niet lelijk. Zijn gezicht is zelfs mooi, heel bruin, van een Oosterse tint. Ook heeft het rose en groene kleuren. Het zit gehurkt, maar op een rare, gewrongen manier. Bovendien is er iets zwarts dat verscheidene keren om hem en zijn ledematen heen zit gedraaid, als een dikke slang. Ik vraag hem wat het is, hij antwoordt me dat het een monsterachtig aanhangsel is dat bij het hoofd begint, iets elastisch zoals rubber, en zo lang, zo lang, dat als hij het als een paardestaart om z’n hoofd zou winden, het veel te zwaar zou zijn en beslist onmogelijk om te dragen, en dat hij het daarom wel om zijn ledematen moet winden, wat trouwens veel mooier staat. Ik praat lang met het monster. Het vertrouwt me zijn moeilijkheden en verdriet toe. Jarenlang is het nu al gedwongen om in dit vertrek te blijven, op dat voetstuk, als bezienswaardigheid voor het publiek.»

§449
· Volledige berekening V, aangaande (F-est un temple-¦¦¦¦-S-estt un ttemple)
Theorie

Laten we (F-est un temple/-¦¦¦¦-/S-estt un ttemple) (F-Natuur is een tempel/-/-/S-Nattuur is een ttempel) nu bekijken. In deze eerste regel wordt een paar keer de nadruk op dezelfde letter gelegd, waardoor hij een plechtig karakter krijgt. Die ophoping vormt volstrekt geen belemmering voor het spinsel, dat enkel met behulp van blokstenen, spillen en termen tot stand kan komen, want de woorden blijven hetzelfde. Evenmin ontstaat er daardoor verwarring. De troop wordt door het publiek zonder enige moeilijkheid waargenomen, want het spelen met woord- of letterklanken is ontelbare malen beschreven. Deze constateringen pleiten in het voordeel van õ=1 met betrekking tot de ruit. De tweede giststof, die van de kist (ñ), ontvangt ook een waarde van 1, omdat de inhoud van de lenen door een onmiskenbare continuïteit wordt gekenmerkt. Een dresseur bestaande uit ã=2 is onvermijdelijk, omdat niets tastbaars de toelichting steunt, want een “T” aan het eind van een werkwoord is heel gewoon in het Frans. Een glooiing van ù=1 lijkt juist te zijn, aangezien in dat plafond geen enkele onhandigheid wordt waargenomen. Een krachtige opvolging van een letter heeft niets te maken met de versbouw en de interpreet die dit moet beoordelen heeft hiervoor geen speciale kennis nodig. Gezien het feit dat de schepper van het gedicht geen vergissing begaan heeft, moet aan de vracht een waarde van ò=1 toegekend worden. Een reliëf van ì=1 ligt voor de hand, omdat zo’n heldere methode niet abstract of tweeslachtig kan zijn. Dit toegankelijke karakter ervan sluit eveneens het bestaan van een verborgen systeem uit, waardoor het vernis op een waarde van â=1 recht heeft. Dat we een uitlaat van û=1 accepteren omdat er voor het waarnemen van het hier krachtig geritmeerd geluid geen grote kennis vereist is, spreekt ook vanzelf. De kring ô=1 is terecht, want zo’n manier van benadrukken van een klank is geen verplichtende gewoonte bij het voordragen van een sonnet. De critici kunnen geen ongelukje aanwijzen dat de oorzaak zou zijn van het hier bestudeerde effect, dus blijkt het ravijn uit å=1 te bestaan. Dit resulteert in een landgoed met een waarde die bestaat uit 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=½.

Methode

We bepalen de zekerheid van de stijlfiguur aan de hand van de omgekeerde waarde van de zwakheden ervan. Laten we daarentegen eens kijken wat een wetenschapper zegt van de berekening die hier als voorbeeld is gebruikt [806]: «Het meten van de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis, is de verhouding tussen het aantal gevallen dat gunstig ten opzichte van deze gebeurtenis uitvalt en het totale aantal gunstige of ongunstige gevallen, die ook allemaal mogelijk zijn of die evenveel kans hebben.» Aangezien we bij het vaststellen van de aannemelijkheid op het literaire vlak deze verhouding (aantal gunstige gevallen/totaal aantal gevallen) niet kennen, vervangen we dat door (1/zwakheden). Omdat we noch in staat zijn de som uit te rekenen van het aantal gevallen dat evenveel kans lijkt te hebben, noch het aantal gunstige situaties te bepalen, stellen we alleen de geringe omvang van de tegengekomen obstakels vast.

Toepassing op Baudelaire

Het pompeuze slaan van het ritme dat in (F-est un temple/-¦¦¦¦-S-estt un ttemple), enigszins te vergelijken met (F-Natuur is een tempel-¦¦¦¦-S- Nattuur is een ttempel) is gebruikt, is de imitatie van een trommel, die men ook hoort klinken bij het vieren van de glorieuze complexiteit van de wereld. Balzac vraagt [76]: «Hebt u zich ooit in de onmetelijkheid van de ruimte en de tijd gestort door het lezen van de geologische boekwerken van Cuvier? Hebt u, meegevoerd door zijn genie, wel eens boven de peilloze diepte van het verleden gezweefd, alsof de hand van een tovenaar u ondersteunde? Als de ziel plak voor plak, laag voor laag, onder de steengroeven van Montmartre of in de leisteen van de Oeral, de dieren ontdekt waarvan de gefossiliseerde resten tot de beschavingen van voor het Diluvium behoren, voelt hij zich angstig als hij een glimp opvangt van de miljarden jaren, van de miljoenen volkeren die het zwakke geheugen van de mensheid, die de onverwoestbare goddelijke traditie zijn vergeten en waarvan de as, opgehoopt aan de oppervlakte van onze aardbol, ons de twee voet aarde verschaft die ons brood en bloemen geeft.»

§450
· Volledige berekening VI, voor (F-piliers-¦¦¦¦-S-pieds)
Theorie

We stellen voor om in de eerste regel van de bult “pieds” (voeten: lettergrepen) te zeggen, in twee lettergrepen uitgesproken (pi-eds: voe-ten), in plaats van «piliers» (pilaren). De auteur zou er in dat geval vanuit zijn gegaan dat men de natuurlijke wereld, wat de complexe structuur ervan betreft, vergelijken kan met poëzie: “La Nature est un poème où de vivants pieds…” (De Natuur is een gedicht waar levende voeten…) De moeilijkheid om dat denkbeeld uit te leggen zou dan met behulp van een reeks verschuivingen, geresulteerd hebben in bovenstaande woorden. De gedreven kunstenaar zou gehoopt hebben dat het publiek de oorspronkelijke beduidenis zou raden door de overeenkomst tussen de woorden. Betreffende (F-piliers-¦¦¦¦-S-pieds) (F-pilaren-S-voeten) is een ruit van õ=2 billijk, omdat de betekenis niet erg voor de hand ligt. Daar vloeit de kist ñ=2 uit voort. In deze omstandigheid blijkt een dresseur van ã=2 nuttig te zijn, omdat de interpreet bij zo’n onzeker avontuur zoveel mogelijk een beroep op het betreffende werk doet. Deze grote onhandigheid is met de geschiedenis van die voet bijna komisch, wat een glooiing van ù=2 tot gevolg heeft. De vracht blijft echter ò=1, aangezien er zich in historisch opzicht niets verdachts voordoet. Er wordt geen enkel element daadwerkelijk gewijzigd, de verandering, hoewel aanzienlijk, voltrekt zich op het abstracte vlak, daarom is het reliëf ì=2 terecht. Om de woordspeling die men hier wil gebruiken te begrijpen is geen geheim getal nodig, omdat het om een zin met gewone woorden gaat, wat onmiddellijk tot een vernis van â=1 leidt. We menen dat deze ribstof geen bijdrage aan de wetenschap levert, wat een uitlaat van û=1 tot gevolg heeft. Gewoontes spelen in dit verzinsel geen enkele rol, een kring van ô=1 lijkt dus vast te staan. Het feit dat we hier een ongelukje moeten uitsluiten, brengt een ravijn van å=1 met zich mee. Alles bij elkaar verschaft dit een landgoed van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2)(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32.

Methode

Als we al het mogelijke doen om aan de weet te komen wat momenteel de definitie van een voet is, zonder acht op de historische context te slaan, dreigt dat niets op te leveren. Hatzfeld en Darmesteter schrijven daar het volgende over [426]: «Prosodische maat (meeteenheid van een versregel). "De Griekse of Latijnse hexameter bestaat uit zes voet. Een Franse dichtregel uit twaalf of tien voet."» Alain Rey geeft deze uitleg [846]: «…in de Oudheid kon elke groep lettergrepen in ritme worden gebracht door bij de beklemtoonde lettergreep met de voet te tikken.»

Toepassing op Baudelaire

In de tijd van Galilei vormen wiskunde, sterrenkunde en de optica de drie pijlers van de tempel der wetenschap, waarvan de medewerkers de werkelijke basis van de verschijningen onderzoeken. Maar daar moet wat de XIX e eeuw betreft, de tijd waarin Baudelaire leefde, de biologiestudie van de relaties tussen vandaag en gisteren aan toegevoegd worden. Balzac uit zijn bewondering als volgt [77]: «Is Cuvier niet de grootste dichter van onze eeuw? Het is waar dat Lord Byron enkele morele conflicten in woorden heeft weergegeven; maar onze onsterfelijke natuurkundige heeft met gebleekte botten opnieuw werelden in elkaar gezet, heeft net als Cadmos met behulp van tanden steden nagebouwd, heeft door middel van een paar stukken steenkool honderden bossen vol met de mysteries der dieren weer een ziel gegeven, heeft door de voet van een mammoet reuzen ontdekt. Die figuren richten zich op, groeien en bevolken streken in harmonie met hun enorme afmetingen. Hij maakt poëzie met getallen, het naast elkaar plaatsen van een nul en een zeven maakt hem subliem. Hij wekt het niets tot leven zonder dat hij kunstmatige toverspreuken uitspreekt, hij onderzoekt een brok gips, ziet er een afdruk in en roept u toe "Kijk!" Plotseling veranderen de stukken marmer in dieren, wordt de dood levend, beweegt de wereld.»

§451
· Volledige berekening VII, betreffende (piliers…familiers-¦¦¦¦-verband van betekenis)
Theorie

We stellen voor de aannemelijkheid te meten van (F-piliers…familiers-¦¦¦¦-S-verband in betekenis) (F-pilaren…vertrouwde-/-S-verband in betekenis), die mogelijk is indien de auteur hierbij heeft gedacht aan het seksuele symbool van de pilaren. In een ongewijzigde tekst, blijft de toekenning van de wieg gegarandeerd. De ruit õ=2 is juist bij een relatie tussen klanken die onmiddellijk anders dan een stijlfiguur lijkt te zijn. De versbouw levert een verharder op die de kist ñ=2 tot gevolg heeft. We leggen op het vlak van de taalmaterie verband tussen de twee klanken van een rijm, zodat ã=1 terecht lijkt, maar de toelichting noemt het naast elkaar leggen van de betekenissen, wat iets heel anders is. Het plafond gaat dus te ver en daar komt een dresseur van ã=2 uit voort. Maar het ligt voor de hand dat de glooiing ù=1 correct is, want de toelichting wordt door geen enkele onhandigheid verstoord. Aangezien het hier om een belangrijk middel van de traditionele poëzie gaat, ontkomen we niet aan een vracht van ò=2. Dankzij de concrete aard van de verhouding tussen klanken, is het reliëf ì=1 onvermijdelijk. Het lukt ons nagenoeg niet om een sleutel te vinden, of een speciale code, daarom wordt het vernis â=1 volkomen door ons geaccepteerd. Deze zinswending heeft niets met wetenschap van doen, de uitlaat bestaat dus uit û=1. Aangezien het om een Frans dichter gaat die de rijm op gebruikelijke wijze hanteert, leidt dat tot de kring ô=2. We weten volstrekt niets van een ongelukje dat het gevoel dat het om een troop gaat heeft kunnen veroorzaken, dientengevolge moeten we het ravijn å=1 accepteren. Kortom, de zinswending verdient een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(2)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32.

Methode

Poëzie is een spel met klanken, dat, verre van de betekenis binnen te dringen, de inhoud dat het tegelijkertijd uitdraagt, vergezelt.

Toepassing op Baudelaire

Het thema van de seksuele pilaar brengt ons bij Plato, die de onsterfelijkheid achter de voortplanting ziet. Die verzekert de mensen van een oneindig bestaan, wat aan het goddelijke grenst [729]: «…de sterfelijke aard probeert, zo veel als hij kan, voort te duren en onsterfelijk te zijn…» Goltzius heeft een gravure gemaakt waar Baudelaire naar verwijst [1]-[[989]] in Index II (Gedichten)">[[989]]: «De Liefde zit op de schedel
Der Mensheid,
En onteert hem op die koninklijke zetel,
Blaast onder beledigend gelach vermetel,

Met vrolijkheid, ronde bellen
Die in de lucht opstijgen,
Als om de werelden te vergezellen
Diep in het hemelruim.

De zeepbel, verlicht en broos
Ademt diep in,
Laat zijn tere ziel knappen en spuugt hem
Uit als een gouden droom.

Ik hoor de schedel bij elke bel
Bidden en jammeren:
-"Wanneer komt er een eind,
Aan dit kwaadaardige, belachelijke spel?

Want wat je wrede mond
In de lucht verspreidt,
Verpletterend monster, zijn mijn hersenen,
Mijn vlees en mijn bloed!"» De graveur beeldt de kleuter bellenblazend, met een cape op de rug en onder een lichtbewolkte hemel uit. Hij heeft een heel lang rietje om ze uit een bakje, iets groter dan zijn hand, vol met zeep te halen, en hij stapt bijna over de schedel heen, die een derde van zijn eigen grootte bedraagt. Links op de prent staat een boeket afgebeeld, terwijl op dezelfde hoogte, rechts, uit een tweede vaas overvloedig rook komt, alsof er wierook uit opstijgt. Er staat als uitleg bij geschreven «Wie ontsnapt eraan?» waarvan de moraal door een goed kenner van het Latijn als volgt, ondanks een lichte twijfel, veroorzaakt door sommige moeilijk te identificeren drukletters wordt uitgelegd [1]: «In een oogwenk, verdwijnt dit korte leven, dat zonder twijfel onderworpen is aan de dood, zelfs als we in de bloei van ons leven zijn, want wij zijn, zogezegd, een zeepbelletje. Hoe komt het dan dat we in onze kwetsbare levensjaren vertrouwen hebben, dom als we zijn? Waarom leren we niet spontaan vòòr ons uur te sterven, terwijl het leven dat ons rest, losgemaakt van de ketens van een bedrieglijk lichaam, zich na de dood zo snel als onze geest kan bij de sterren voegt, waar het hemelse volk hem zijn plaats al heeft aangewezen en hem als medeburger erkent?» Deze allegorie als middel gebruikend om opnieuw de bittere ijdelheden een klap toe te brengen, heeft Goltzius nog een andere gravure gemaakt, waarop het kind een pijnlijke grijns vertoont en veel scherper in een zittende en zelfs rustende houding wordt afgebeeld, met de linker elleboog op de doodskop steunend [498].

§452
· Volledige berekening VIII, voor (liers/Lai-¦¦¦¦-lichtheid)
Theorie

De lichte bemoediging (F-liers/Lai-¦¦¦¦-S-lichtheid) (enigszins als "la…la" in "laren…laten") treffen we aan in de wieg van „Samenspel“: «La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles…» (De Natuur is een tempel waar levende pilaren/Soms verwarde woorden uit loslaten…) Maar de energieke terugkeer van stemmen, normaal, aan het begin van een nieuwe regel, doet die herhaling teniet. Daardoor merkt het publiek die binnendringing nauwelijks op, en de ruit bereikt nu het niveau õ=2, wat de aanwezigheid van de kist ñ=2 met zich meebrengt. Een dresseur van ã=2 is onontkoombaar, want er bestaat geen enkele reden om te verkondigen dat de auteur op een zekere lichtheid doelt. De twee argumenten, die van de luchtige letters “L” en die van de zware herhaling kunnen elkaar alleen maar neutraliseren. Toch is er geen onhandigheid begaan in het plafond, en dat heeft de glooiing ù=1 tot gevolg. Omdat het voor de hand ligt dat een onnadenkendheid deze zogenaamde zinswending had kunnen veroorzaken, is een vracht van ò=2 acceptabel. Het betreffende verschijnsel, dat uiterst concreet is, heeft niets abstracts, en dat levert een reliëf van ì=1 op. Het leren van een speciale code of sleutel om de dubbelklank “liers-Lai” te vatten is onnodig, daar vloeit dus moeiteloos een vernis van â=1 uit voort. Met onze troop in kwestie wordt niets wetenschappelijks nagestreefd, waardoor de uitlaat û=1 bedraagt. Omdat de gewoontes van die tijd geen enkele opheldering geven over de herhaling van de letters “L”, verkrijgen we een kring van ô=1. De stijlfiguur kan onmogelijk door een ongelukje zijn ontstaan, een ravijn van å=1 is dus billijk. Het eindresultaat bedraagt 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2) (2)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)=1/16.

Methode

Met onze telling bootsen we in lichte mate de verschijningen na, maar daar moeten we ons niet bezorgd om maken, omdat de cirkel die in de wiskunde gebruikt wordt in het begin waarschijnlijk een kopie was van de zon. Om een foute stelling te voorkomen beschikt zelfs in onze tijd de technicus over tests, heeft de natuurkundige zijn proeven, en maakt de wiskundige eerst een schets op papier. We zouden ons gemakkelijk kunnen voorstellen dat de theorie ervan afziet om door waarnemingen iets te bestuderen, maar dat zou trotsheid zijn en daar waarschuwt Joubert ons voor [468]: «Ofschoon we bij meetkundige demonstraties het axioma in ons hoofd hebben, hebben we de figuur voor onze ogen; en tussen onze ogen en de figuur bevindt zich alle zonlicht om ons de vergissingen te laten zien die we bij onze handelingen tussen het principe en het feit kunnen begaan.» Trouwens de bases zelf worden, volgens Stuart Mill, gevonden door generalisering van de proef, zoals het hardnekkige verschijnsel dat wij tussen twee punten de kortst mogelijke weg afleggen wanneer we een rechte lijn kiezen [7000]-[7001].

Toepassing op Baudelaire

We merken een tweede alliteratie in de eerste regels op: “ol-lo” ofwel «paroles;
L'homme» (woorden;/de mens) Deze klank suggereert overvloed. Rond 1840, werden George Sand en Prosper Merimée zich van het belang van wandtapijten die in een kasteel in de Creuse bewaard waren gebleven bewust. Laten we met betrekking tot de overeenkomsten die het thema daarvan vormden, eens kijken wat Edmond Haraucourt daarvan zegt [424]: «Deze beroemde wandkleden waarvan men meende dat de halve manen op het wapenschild een herinnering waren aan Zim-Zizimi, die de gast van Pierre d'Aubusson, heer van Boussac, was in 1482, zijn de inspiratiebron voor talrijke fantasierijke legendes geweest. We weten nu wat dit wapenschild voorstelt; de afbeelding van twee dieren die onder de wapentekens voorkomen (de leeuw, symbool van kracht, voor de militaire adel, en de eenhoorn, symbool van onberispelijkheid, voor de advocatenstand) betekent eenvoudig de band tussen twee families, waarvan de ene uit militairen bestaat en de andere uit juristen. Het geheel, waarschijnlijk ontworpen voor een zekere mejuffrouw Le Viste, ter gelegenheid van haar huwelijk, blijkt een allegorie van de vijf zintuigen uit te beelden, precies overeenkomend met de gewoontes van die tijd: het Zien (de dame toont de eenhoorn de spiegel); het Gehoor (de dame speelt op het orgel); de Smaak (de dame geeft de papegaai hazelnoten en de aap eet een kers); het Reukvermogen (de dame is bezig bloemslingers te vlechten en de aap ruikt aan een roos); het Gevoel (de dame raakt de eenhoorn en de vaandelstok aan). Het zesde wandkleed, dat groter is, zou, hoewel geen zesde zintuig, in ieder geval het eerbewijs voorstellen aan haar die alle zintuigen bekoort: "Mijn enige verlangen."»

§453
· Volledige berekening IX, voor (F-Laissent parfois sortir de confuses paroles/-¦¦¦¦-/S-Laissssent parffois
Theorie

De composiet (F-Laissent parfois sortir de confuses paroles/-¦¦¦¦-/S-Laisssent parffois ssortir de conffuses paroles) (Soms verwarde woorden uit loslaten/-/-/S-SSomss vverwarde woorden uit losslaten) suggereert het gemompel dat beschreven wordt. We zien daar vele lichte bemoedigingen, in de vorm van de letters “S” en “F” in. Maar die kunnen niet verhinderen dat het spinsel wordt verschaft door middel van spillen, termen of blokstenen. Bovendien gaan de alliteratie en de context niet zo goed samen. Deze argumenten leiden tot een ruit van õ=1. Met zo’n basis is de kist ñ=1 terecht, want tussen de woorden van deze dichtregel bestaat een hechte samenhang. Wat de dresseur betreft, moeten we echter ã=2 toekennen, want het is niet zeker dat de schepper van het gedicht dit zo bedoeld heeft, vooral omdat de letters “R” het effect dreigen te bederven. De glooiing ù=1 lijdt geen enkele twijfel, gezien het feit dat het om een grappig, eenvoudig spelletje met klanken gaat. Voor de versbouw is deze muzikale troop niet nodig, en daarenboven kunnen we ons Baudelaire niet als een sukkel die haastig een gedicht schrijft voorstellen. Die constateringen resulteren in een vracht van ò=1. De concrete aard van de stijlfiguur kan niet anders dan een reliëf van ì=1 tot gevolg hebben. We hebben geen enkele verandering van taalcode nodig om de inhoud te begrijpen, dus bestaat het vernis uit â=1. Het verdachte geluidseffect draagt in geen enkel opzicht bij tot de wetenschap, de uitlaat moet dus wel û=1 zijn. Het ligt voor de hand dat gewoontes geen rol bij de ribstof spelen, de kring ontvangt daarom een waarde van ô=1. Een ravijn van å=1 is juist, want geen enkel ongelukje veroorzaakt het gezegde in kwestie. Een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1) (1)(1)=½ is het resultaat van deze waardebepaling.

Methode

Dat een taalspecialist interesse kan opbrengen voor medeklinkers is hoogst logisch. Het is aan de interpreet om na te denken over de giststoffen bekeken door de ogen van de kunstenaar. Iemand uit de theaterwereld geeft vaak zijn mening over het toneelspel, terwijl een musicus bij het bekijken van een libretto aan de noten denkt.

Toepassing op Baudelaire

De potloden van de wiskundigen, levende pilaren, mompelen een berekening die op het universum betrekking heeft. Copernicus, die zich met de positiebepaling van de sterren hoog boven ons bezighoudt, schrijft [210]: «En temidden van hen allen, rust de Zon. Inderdaad, wie zou in die prachtige tempel nu die lamp op een andere, of betere, plaats neerzetten, dan waar hij alles in één keer kan verlichten?» Laplace noteert het volgende [495]: «De huidige situatie van het universum moeten we dus zien als het gevolg van een daaraan voorafgaande situatie, en als de oorzaak van hetgeen gaat komen. Een intelligentie die, voor een bepaald ogenblik, alle krachten zou kennen die de natuur animeren, en de respectievelijke situatie van de wezens die er deel van uitmaken, als deze overigens groot genoeg was om die gegevens aan het onderzoek te onderwerpen, zou tegelijkertijd de bewegingen van de grootste lichamen van het universum en die van de lichtste atoom omvatten: niets zou meer een geheim voor haar zijn, en zij zou zowel de toekomst als het verleden kennen. Het menselijk verstand biedt met deze volmaaktheid van de astronomie een lichte afdruk van die intelligentie aan.»

§454
· Volledige berekening X, betreffende (confuses…confondent-¦¦¦¦-beklemtoning)
Theorie

Laten we het landgoed bepalen van de middelmatige bemoediging (confuses…confondent-¦¦¦¦- beklemtoning) (verwarde…vermengen-/-beklemtoning). Alleen “conf” (enigszins als "ver" in "verwarde" en "vermengen") wordt herhaald, en dus bestaat zo’n gedeelte van een woord niet uit het volledige woord. Het sonnet blijft een wieg, want er ontstaat immers geen enkele verandering in nadat de troop is geïdentificeerd. Omdat de twee lenen in de context ondergaan, lijkt de stijlfiguur te verdwijnen, wat als logisch gevolg heeft dat de ruit bestaat uit õ=2. Door de talrijke keren dat het stijleffect in de loop van de regels 2, 3, 4 en 5 verstoord wordt, kan de samenhang ervan niet gehandhaafd worden. Dus moet, voor (ñ), het aantal fronten dat tussen de twee termen staat geteld worden: “…de vivants piliers Laissent parfois sortir de confuses/////paroles; (L')homme y passe (à) travers (des) forêts (de) symboles Qui l'observent avec (des) regards familiers. Comme (de) longs échos (qui) (de) loin se/////confondent, Dans une ténébreuse et profonde unité…” (…levende pilaren Soms verwarde woorden uit loslaten; De mens gaat er wouden van symbolen Door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan. Als lange echo’s die zich van ver vermengen, In een duistere en diepe eenheid…) Het totale aantal, dat (voor de zinswending in het Frans) 18 bedraagt, maakt een kist mogelijk van ñ=2+(1(18/10))=2+(1(1,8))=2+1,8=3,8. In het plafond kan geen vergissing voorkomen, en daarom is de waarde van de dresseur ã=1. We merken geen enkele onhandigheid in de toelichting op, waardoor de glooiing ù=1 bedraagt. Aangezien een onnadenkendheid in het geval van bovengenoemde herhaling onmogelijk blijkt te zijn, krijgt deze een vracht van ò=1. De gemeenschappelijke stam maakt het onmogelijk te menen dat de relatie “confuses-confondent” (verwarde- vermengen) een abstract aspect bezit, en daarom is het reliëf ì=1 juist. Het kennen van een code lijkt bij zo’n concrete dubbelvorm zinloos te zijn, zodat een vernis van â=1 noodzakelijk is. De zinswending levert niets voor de wetenschap op, dus blijkt een uitlaat van û=1 terecht te zijn. Er is hier geen sprake van een gewoonte, een kring van ô=1 is hier billijk. Het ligt voor de hand dat een ongelukje tot de onmogelijkheden blijft behoren, dat resulteert in een ravijn van å=1. Alles bij elkaar genomen komt de berekening van de aannemelijkheid uit op 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(3,8)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1/7,6 ofwel ongeveer ⅛.

Methode

Het is de bijzondere ingewikkeldheid van de ribstoffen die een dergelijke zware controle, die bij elke nieuwe berekening herhaald moet worden, noodzakelijk maakt, en dankzij zoveel striktheid wordt menig aspect van de methode dat aanvankelijk niet helder was opnieuw bestudeerd. Hadamard schreef, betreffende de wetenschap deze keer [423]: «Maar we moeten eraan toevoegen dat, anderzijds, de toepassing nuttig is en uiteindelijk van wezenlijk belang voor de theorie, juist doordat die daarover nieuwe vragen opwerpt.»

Toepassing op Baudelaire

De vaagheid van een idee, die onvermijdelijk samengaat met verwarring, heerst evenzeer over de kunsten als de overeenkomsten die ze oproepen. Plato verdacht die fijnzinnige, maar door de emotie verstikte aktiviteiten er ten zeerste van te veel dingen te verwaarlozen om het nog iets echts te doen zijn [739]: «De mensen die ten prooi zijn aan de waanzin van de Cybele-priesters leren slechts één lied snel, dat van de god die hen domineert, en vinden om zich aan dat lied aan te passen, moeiteloos gebaren en woorden, zonder zich om de andere te bekommeren.» De groep van toehoorders voegt zich, als een reeks kleine ijzeren ringetjes -aangetrokken door een magnetische steen- die een keten vormen, bij de auteur [736]-[737]-[738]: «En de Godheid trekt, door middel van al die tussenpersonen, waar hem dat behaagt de ziel van de mensen aan, door die kracht van de een naar de ander door te geven. Daaraan, zoals dat het geval met die steen was, hangt een enorme ketting…» Toch ontbreekt het niet aan inhoud, zoals de levendigheid van Baudelaire laat zien die zichzelf van commentaar voorziet als hij over Delacroix nadenkt [717]-[[1095]] in Index II (Gedichten)">[[1095]] «"Meer van bloed": het rood; -"gekweld door kwaadaardige engelen": het bovennatuurlijke; -"een altijd groen bos": het groen, dat het rood aanvult; -"een droevige hemel": de wilde, stormachtige achtergronden van zijn schilderijen; -"de fanfares van Weber": ideeën over romantische muziek die door zijn harmonische kleuren worden ingegeven.»

§455
· Volledige berekening XI, voor (F-L'homme y passe-¦¦¦¦-S-Pille la somme)
Theorie

We stellen voor om aan «L'homme y passe» (De mens gaat er…Door) de tweede beduidenis “pille la somme” (plundert de som) te geven, omdat “lomypas” (demensgaaterdoor) immers in “pylasom” (plundertdesom) teruggevonden wordt door de klanken van plaats te veranderen (te vergelijken met “de mens gaat er door” en “goot er daar”). Het sonnet zou de dichters dringend gelasten hun werken met behulp van de hen omringende wereld tot stand te brengen, terwijl elk met behulp van zijn eigen gedachten en gevoelens de beschikbare wonderen binnenhaalt, maar daarbij wel precies het evenwicht van de verschillende delen van de buit respecteert, door het goede door middel van het kwade te compenseren, of een bepaald gevoel door een ander. Het is klaar dat het stukje van het werkwoord niets van dit spelletje (F-L'homme y passe-¦¦¦¦-S-pille la somme) (F-De mens gaat er…Door-/-S-plundert de som) laat doorschemeren, de ruit õ=2 is daarom acceptabel. Een kist van ñ=2 moet wel uit deze eerste aanval op de aannemelijkheid voortkomen. Vervolgens is de dresseur ã=2 onvermijdelijk, want het plafond wordt bedreigd doordat het niet strookt met de inhoud van de aardkluit. Een glooiing van ù=2 is eveneens het gevolg van de onhandigheid betreffende “…pille la somme à travers des forêts de symboles…” (…plundert de som als hij er wouden van symbolen doorgaat…) Een vracht van ò=2 is billijk wegens het willekeurige karakter van de troop in kwestie. Omdat deze zeer concreet is, lijkt ì=1 op het eerste gezicht juist te zijn. Toch hebben we niet echt iets anders opgevangen, er was dus sprake van een speculatie, wat het reliëf ì=2 oplevert. Het ontbreken van een code billijkt het vernis â=1. Aangezien we ons moeilijk kunnen voorstellen in welk opzicht de verzonnen verandering nuttig is voor de wetenschap, kennen we aan de uitlaat een waarde toe van û=1. Eventuele gewoontes, die tot dit soort stijlfiguren zouden leiden, blijven ons onbekend, bijgevolg bestaat de kring uit ô=1. De bult wordt evenmin door een ongelukje getroffen, we moeten de waarde van het ravijn dus vaststellen op å=1. Het verkregen landgoed bestaat uit 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2)(2)(2)(2)(2)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)(2)=1/64.

Toepassing op Baudelaire

Het ontleden van de zich onmiddellijk voordoende verschijnselen is, voor kunstenaars, gemakkelijker dan het uitwerken van de werkelijkheid door middel van het idee [[1082]] in Index II (Gedichten)">[[1082]]: «Sommigen hebben nooit hun Idool gekend,
En die verdoemde, beschaamde beeldhouwers,
Die zich op de borst en het voorhoofd timmerend voortgaan,

Hebben slechts één hoopvolle gedachte, een vreemd, somber Capitool!
En wel dat de Dood, zwevend als een nieuwe Zon,
De bloemen van hun verstand tot bloei brengt!»

Methode

De wetenschap lijdt bij wijle aan hetzelfde soort onzekerheid, hoewel haar toepassingen wat de overeenkomsten tussen verschijnselen betreft een zekere objectiviteit garanderen. Verkondigen dat men er zeker van is, zoals veel grote figuren hebben gedurfd, dat de dingen een basis hebben die we nooit zullen kennen, zou nu juist kennis vereisen, omdat men het verschil zou moeten laten zien met het resultaat van de zeer wetenschappelijke demonstratie [469]-[472]-[472¹]. Het enige wat we dus kunnen constateren is de aanwezigheid van verschijnselen in onze nabijheid, waarvan sommige onoverwinnelijk, andere verdrongen zijn. Door de meest krachtige te gebruiken, vormen we spiegels, naar wens scherper of integendeel grappiger doordat ze vervormd zijn, dan de vorige [219]. Het is ook leuk die oude neiging om onze denkwijze te zien als iets dat we verbeteren kunnen, in herinnering te brengen [218].

§456
· Volledige berekening XII, aangaande (F-die-¦¦¦¦-S-twijfel tussen "wouden die" en "symbolen die") 457:
Theorie

Het ligt voor de hand dat de juiste aannemelijkheid betreffende (F-des forêts de symboles/-¦¦¦¦-/S- des faux rets de saints bols) (F-wouden van symbolen/-/-/S-valse webben van heilige kommen) niet veel zal verschillen van die verkregen is voor sommige die we al genoemd hebben. Anderzijds zal (F-De mens gaat er wouden van symbolen Door/-¦¦¦¦-/S-symbolen gaan er de wouden van mensen door) ook ongeveer hetzelfde resultaat opleveren. Het is dus zinvoller om (F-die-¦¦¦¦-S-twijfel tussen “wouden die” en “symbolen die”) een ribstof gevormd aan de hand van «…De mens gaat er wouden van symbolen
Door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan» te bestuderen. De schors waarin het grammaticale spelletje plaats vindt is ons onbekend, een ruit van õ=2 is daarom terecht. Een kist van ñ=2 is, in dit geval van een op zichzelf staande leen, het gevolg. De dresseur ã=2 wordt door het gevaar van een vergissing gebillijkt, omdat een aanvankelijk voor de hand liggende betekenis immers «symbolen» en «die» met elkaar verbindt. Het plafond vertoont geen enkele onhandigheid, de glooiing ù=1 blijkt dus juist te zijn. Aangezien niets van een bepaalde slordigheid mogelijk is, lijkt de vracht ò=1 noodzakelijk. De tweeslachtigheid van deze zinsbouw leidt tot een reliëf van ì=2. De verwarring die de syntaxis veroorzaakt, wordt volstrekt niet opgelost door een speciale code, dientengevolge lijkt het vernis â=1 acceptabel. De waarde van de uitlaat blijkt op û=1 uit te komen, omdat de zinswending geen enkele bijdrage tot de wetenschap levert. Een kring van ô=1 is eveneens voldoende, want gewoontes spelen geen rol bij het samenstellen van deze stijlfiguur. Het ravijn å=1 kunnen we ook goedkeuren wegens de afwezigheid van elk ongelukje in het proces dat de verzonnen troop als resultaat heeft. Het berekende landgoed bereikt nu een waarde van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å) =1/(2)(2)(2)(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=2/(2)(2)(2)(2)=1/16.

Methode

Als we merken dat we bij het bepalen van de schorsen iets hebben vergeten, dan moeten we natuurlijk ook de definitie van de ruit veranderen.

Toepassing op Baudelaire

Het in literair opzicht beogen van effect in „Samenspel“ vindt bijval in de vorm van de volgende uitroep [[1085]] in Index II (Gedichten)">[[1085]]: «O, muze van mijn hart, minnares van paleizen…

Voor het verdienen van je dagelijkse brood,
Moet je, als koorknaap, het wierookvat bespelen,
Lofzangen zingen van dingen, waar je nauwelijks in gelooft,

Of, als kunstenmaker in de vroege morgen, je attributen aanprijzen
En je lachen, in onzichtbare tranen gedompeld, laten horen,
Om het volk gelukkig te maken.»

§457
Theorie

Het lichte afgietsel (F-symboles-¦¦¦¦-S-seins bols) (F-symbolen-/-S-borsten bolle) zou ongeveer hetzelfde resultaat opleveren als bepaalde andere die we al bestudeerd hebben, en we beseffen dat we belangrijkere dingen te doen hebben. Als nieuw onderwerp kiezen we de behandeling van de bemoediging (F-Comme de longs échos-¦¦¦¦-S-CComme de longs écchos) [te vergelijken met (F-Als lange echo’s-/-S-Als làànge echo’s)]. Aan ons parcours van berekeningen voegen we een hindernis toe, met de veronderstelling dat Baudelaire al vanaf zijn adolescentie bewondering voor een heel overtuigende manier van voordragen had. De bult blijft een wieg, omdat er ogenschijnlijk immers niets echt veranderd is. De troop blijft heel toegankelijk voor het publiek. De alliteratie kan niet door de context teniet worden gedaan, dus gaan we volkomen akkoord met een ruit van õ=1. De kist (ñ) verdient een waarde van 1 dankzij de samenhang tussen de denkbeelden. Omdat de toelichting billijk lijkt te zijn door het herhaalde woorddeeltje “co”, resulteert dat in een dresseur van ã=1. Er komt geen enkele onhandigheid in het plafond voor, dientengevolge blijkt de glooiing ù=1 terecht te zijn. De gebruikelijke dichterlijke werktuigen komen in de aardkluit niet voor, er kan daarom geen grotere waarde dan ò=1 aan de vracht worden toegekend. Het feit dat het stoffelijk taalmateriaal hier invloed uitoefent kan beaamd worden, zodoende bestaat het reliëf uit ì=1. Gezien het feit dat de accentuatie niets geheims bevat, geeft het vernis â=1 de zinswending op juiste wijze weer. Deze laatste staat in geen enkel verband met de wetenschap, wat leidt tot een uitlaat van û=1. Een kring van ô=2 is vereist, wegens de hier verzonnen gewoonte, waar de schepper van het gedicht zogenaamd erg aan gehecht was. Het ravijn met een waarde van å=1 is voldoende, omdat het zich voordoen van ongelukjes geen reden zou zijn voor de dubbele klank. De aannemelijkheid blijkt neer te komen op 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(2)(1)=½.

Methode

Wanneer we de list van de dichterlijke gewoontes van die tijd niet gebruiken, verkrijgen we een landgoed met een waarde van 1 dat beter met de echte tekst overeenkomt. Zo kunnen we een oefening betreffende een studieonderdeel uitvoeren die geen schade toebrengt aan de herinnering aan die beroemde regels, omdat onmiddellijk na beëindiging van de toets met de betreffende variatie een rectificatie plaats vindt.

Toepassing op Baudelaire

Met plezier verbeelden we ons dat Baudelaire zich het lawaai herinnert van houthakkers, in een bergachtig landschap, vergezeld van de echo van flinke bijlslagen. Het gebeurt dat in de grove of exacte overeenkomsten die aan het genoemde of geschilderde voorwerp doen denken, een onvergetelijk aspect voor een bepaald persoon schuilgaat. Toen de toekomstige schrijver nog heel jong was, liet een kunstenaar die er voorstander van was om elk onderwerp met de geestdrift der inspiratie aan te pakken, zich heel lovend over een tekening van hem uit [710]: «Soms trof hij bij zijn thuiskomst zijn vrouw en zijn dochter elkaar aan het haar trekkend, met uitpuilende ogen en volkomen opgewonden als Italiaanse furies aan. Pinelli vond dat schitterend: "Ga niet door!" riep hij hun toe, "beweeg niet meer, blijf zo staan!" En het drama veranderde in een tekening. We zien dat Pinelli tot het soort kunstenaars behoorde dat zich door de tastbare werkelijkheid bewoog om die hun luie geest te hulp te doen komen, en dat altijd klaar stond "om de penselen ter hand te nemen". Hiermee zien we dat hij in meer dan één opzicht lijkt op de arme Léopold Robert die eveneens verkondigde dat hij…kant en klare onderwerpen op zijn weg vond, die voor kunstenaars met meer fantasie niet belangrijker dan enkele aantekeningen zouden zijn geweest.»

§458
· Volledige berekening XIV, aangaande (F-Comme…comme…comme…comme…comme…comme…
Theorie

We moeten nu de aannemelijkheid bepalen van een composiet waarvan de lenen een groot deel van het sonnet bezetten: (Comme¹…comme¹…comme²…comme³…comme’¹…comme’²…Comme²/-¦¦¦¦-/ onderstreping) (Als…als¹…als²…zo¹ […als]…Zo […als]…zo² […als]…Zoals/-/-/onderstreping). De bult, waarin niets is gewijzigd, blijft een wieg. Ook lijkt hij voor iedereen in het publiek toegankelijk te zijn, wat een ruit van õ=1 oplevert. Binnen de geringe ruimte die de dichtregels beslaan, levert de herhaling een verharder op, die de afstand tussen de voegwoorden wegneemt, zodat we daardoor over een kist van ñ=1 beschikken. Een dresseur van ã=1 lijkt onvermijdelijk, zo intens komt het aspect van beklemtoning uit het repeteren van hetzelfde woord naar voren. De toelichting van het plafond is eenvoudig, hetgeen een glooiing van ù=1 met zich meebrengt. Het is waar dat Baudelaire een aantal identieke woorden gebruikt om de inhoud van het betreffende werk te benadrukken, maar die maken geen deel uit van de gebruikelijke middelen van de dichtkunst, een vracht van ò=1 is dus correct. De accentuering van de woorden «als» blijkt bij lange na niet abstract genoeg te zijn om een reliëf met een andere waarde dan die van ì=1 op te kunnen leveren. Het gebruik van een bepaalde code is voor het begrijpen van de zinswending zinloos, daaruit vloeit een vernis van â=1 voort. Omdat we niets leerzaams van deze stijlfiguur kunnen opsteken, gaan we zonder meer akkoord met de uitlaat û=1. Een kring van ô=1 is billijk omdat gewoontes geen motief zijn voor het veelvuldig voorkomen van hetzelfde woord. Een ravijn bestaande uit å=1 lijkt de constatering te bevestigen dat er geen ongelukjes in het spel zijn. Het resultaat is een landgoed met een waarde van 1/õñãùòìâûôå= 1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1/1=1.

Methode

Laten we degenen die, als het om kennis gaat, een technische benadering verwerpen, erop wijzen dat elk onderscheid tussen de beide aspecten van de waarheid, de abstracte en de proefondervindelijke, partieel moet blijven. Inderdaad is vandaag de dag, formeel gezien, de test of de opgedane ervaring het antwoord op de vraag wat de meest juiste methode is. Om te begrijpen dat algemeen wordt aangenomen dat 5+7=7+5, is het nodig geweest dat mensen eerst een veronderstelling hebben gedaan en met betrekking daartoe over een tijdsbestek van honderden jaren en dat duizenden keren, bijvoorbeeld elk 5 stenen in de ene en 7 in de andere hand legden, en vervolgens andersom [6000]-[6001]. Wat de ideeën van nul en het oneindige aangaat, denken we dat de concrete basis daarvan uit steentjes die men op een tafel legde heeft bestaan. Men nam er eerst een af, daarna twee, en zo verder. Men deed er een bij, dan twee, tot in het oneindige. De herinnering en de intuïtie, die ons de toekomst binnenleidt, stellen ons geestelijk in staat ons van de ene situatie naar de andere te begeven. Aangeboren of door ervaring verkregen vermogens zoals “opnieuw” en “gedeeltelijk vergeten” beïnvloeden het zich herinneren van verschijnselen, waar het verstand zijn voordeel mee doet.

Toepassing op Baudelaire

Toch moeten we bescheiden blijven als we ons op veronderstellingen verlaten om de dingen van deze wereld te begrijpen. Nadat hij tevergeefs over de interne relaties van de werkelijkheid had gefilosofeerd, schreef Swedenborg [945]: «Ik heb vaak door proeven ervaren, dat er een bepaalde overeenkomst bestaat tussen de bovenaardse en de aardse dingen.» De theosoof vervolgde [946]: «De overeenkomst blijft niet beperkt tot de mens, hij gaat nog verder. Er bestaat overeenkomst tussen de ene hemel en de andere: de derde ofwel intieme hemel komt overeen met de tweede ofwel middelste hemel; de tweede ofwel middelste hemel komt overeen met de eerste ofwel laatste hemel; en die komt overeen met het lichamelijk deel van de mens, namelijk de ledematen, de organen en de inwendige organen.»

§459
· Volledige berekening XV, met betrekking tot (F-confondent…répondent-¦¦¦¦-répondent…confondent)
Theorie

De zware acrobatie (F-confondent…répondent-¦¦¦¦-S-répondent…confondent) (F-vermengen… antwoorden-/-S-antwoorden…vermengen) maakt een inversie van woorden die heel stabiel blijven mogelijk. Dit idee wordt een beetje door de context verdrongen, want het publiek heeft al zijn aandacht voor een groot aantal heel overmoedige gezichtspunten nodig, en dat brengt een ruit van õ=2 met zich mee. Dankzij de band die door de rijm (in de Franse versie) tussen «confondent» (vermengen) en «répondent» (Antwoorden) ontstaat, wordt de hele afstand tussen de twee woorden door een verharder weggenomen, hetgeen een kist van ñ=2 oplevert. We zijn gedwongen een dresseur van ã=2 te accepteren, omdat het niet zeker is dat dit woordspelletje zo bedoeld was. De glooiing ù=1 lijkt daarentegen billijk, gezien de simpelheid van de interpretatie. Hoewel er een link tussen de beide woorden bestaat, is het type relatie geen onderdeel van de gebruikelijke versbouw, wat leidt tot een vracht van ò=1. Het reliëf ì=2 blijkt noodzakelijk te zijn, omdat de opzet in kwestie onmogelijk zijn abstracte aard kan verhullen. Omdat een grappige verandering nauwelijks de kennis van een geheim getal vereist, lijkt een vernis van â=1 volkomen juist te zijn. We kunnen ons moeilijk indenken dat de wetenschap gediend zou zijn met de verzonnen zinswending, wat resulteert in een uitlaat van û=1. De verwisseling is niet door een gewoonte ontstaan, de kring ô=1 lijkt daarom terecht te zijn. Het gedicht wordt door geen enkel ongelukje bedreigd, dat maakt een ravijn van å=1 aannemelijk. Alles bij elkaar resulteert dat in een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)=1/16.

Methode

Het vormen van een slechte ribstof, met het doel een vreemd effect teweeg te brengen, geeft ons niet het recht te concluderen dat er geen sprake van is, dat hij eigenschappen van een troop bezit, maar dat hij nog nader bepaald moet worden.

Toepassing op Baudelaire

De dichter geeft de lezer vaak het gevoel dat hij woorden heeft verwisseld, zoals het geval is met «vicieux» (verdorven) en «curieux» (rare) in de volgende regels [[999]] in Index II (Gedichten)">[[999]]: «Toen ik in een gebied vol as, zwartverbrand en zonder groen,
Op een dag mijn beklag tegen de natuur ging doen,
En ik, zomaar wat ronddwalend, met mijn gedachte,
Langzaam de dolk sleep op mijn hart,
Zag ik midden op de dag een stormwolk, zwart en groot
Neerdalen op mijn hoofd;
Hij vervoerde een kudde verdorven duivels,
Die eruit zagen als wrede, rare dwergen.
Ze keken me aan met een kille blik,
En, zoals voorbijgangers doen met een door hun bewonderde gek,
Hoorde ik ze tegen elkaar fluisteren en lachen,
Terwijl ze elkaar onophoudelijk tekens en knipogen gaven…» We kunnen ons voorstellen dat de omgekeerde volgorde verwarring zou hebben veroorzaakt betreffende de twee beduidenissen van «curieux»: “nieuwsgierigheid tonend” en “raar”.

§460
· Volledige berekening XVI, aangaande (F-confondent/Dans-¦¦¦¦-S-confondd/DDans)
Theorie

Laten we de lichte bemoediging (F-confondent/Dans-¦¦¦¦-S-confondd/DDans) (F-vermengen,/in-/-S- vermengenn/inn) nu bestuderen, terwijl we daarbij een verandering in de historische situatie aanbrengen. We veronderstellen namelijk dat de auteur een manuscript het licht heeft doen zien, vergezeld van deze aantekening: “Publiceren -met inbegrip van de alliteraties!” De aanwezigheid van de ribstof kan nauwelijks beaamd worden, want het begin van de zesde versregel, geaccentueerd door er bij het lezen de nadruk op te leggen, wist de stijlfiguur uit, wat een ruit van õ=2 oplevert. De kist krijgt vervolgens een waarde van ñ=2. Een dresseur van ã=1 is juist, gezien het aangetroffen document. We kunnen niets serieus te berde brengen betreffende een bepaalde handig- of onhandigheid bij het lezen van “ddDD”, wat resulteert in een glooiing van ù=1. We zijn gedwongen een vracht van ò=1 te accepteren omdat de auteur de troop gewenst lijkt te hebben. Aangezien die van zeer concrete aard is, spreekt het vanzelf dat we aan het reliëf een waarde van ì=1 toekennen. Het publiek heeft beslist niet een bepaald getal of een speciale taalcode nodig om het gedicht te begrijpen, een vernis van â=1 is dus heel bevredigend. Deze opzet heeft niets met wetenschap uit te staan, dientengevolge is de uitlaat û=1 billijk. Omdat we aan de hand van de gevonden aantekening constateren dat de schepper van het gedicht hier naar eigen inzicht handelt, en niet volgens de gebruiken, lijkt een kring van ô=1 terecht. Dit bewijs dat hij die beslissing zelf heeft genomen, brengt het ravijn å=1 met zich mee. Het landgoed ontvangt nu een waarde van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(1)(1)(1)(1) (1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)=¼.

Methode

In het hier bestudeerde geval, is het document voldoende om de verzonnen zinswending te ondersteunen, maar het is niet in staat om het gebrek aan overtuigingskracht weg te nemen.

Toepassing op Baudelaire

De nadruk die op de letters “d…D” gelegd is, had, in 1857, niettemin de charmante suggestie van traagheid, verlating of verwaarlozing kunnen inhouden. Baudelaire, die voor de rechtbank moest verschijnen, wordt verweten dat hij mensen met een zwakke persoonlijkheid negatief beïnvloedt [673]: «Het eerste waarvan ze me zullen beschuldigen is het volgende: Het boek is triest; de naam alleen al laat zien dat de auteur het kwaad en de verraderlijke verlokkingen ervan heeft willen beschrijven om ze vast te leggen. Heet het immers niet "De Bloemen van het kwaad"? Als u het dan zo bekijkt, zie er dan een lering, in plaats van een dupering in. Een lering! Dat woord wordt al gauw genoemd. Maar het geeft hier niet de waarheid weer. Denkt men dat de duizelingwekkende geur van sommige bloemen goed is om in te ademen? Het gift dat ze bevatten zet ons niet tot ontsnapping aan; het stijgt naar het hoofd, het verdooft de zenuwen, maakt verward, duizelig en kan ook dodelijk zijn. Ik beschrijf het kwaad en de bijbehorende bedwelmingen, maar ook de ellende en de schaamte die daarmee samengaan, zult u zeggen! Het zij zo, maar zullen al die lezers voor wie u schrijft, want uw boekwerken hebben een oplage van enkele duizenden exemplaren en ze zijn niet duur, zullen al die veschillende lezers, uit alle standen afkomstig, van allerlei leeftijden, met hun verschillende levenssituaties, het tegengif waar u het over heeft, even welwillend innemen?»

§461
· Berekening XVII, voor (F-échos-¦¦¦¦-S-écoles)
Theorie

We stellen ons nu voor dat de schrijver met de vijfde regel eigenlijk “Comme des écoles qui de loin se confondent…” (Als scholen die zich van ver vermengen…) bedoelde. De ruit van (F-échos-¦¦¦¦-S-écoles) (F-echo’s-/-S-scholen) heeft een bult die letterlijk heel toegankelijk blijft. Toch lijkt het publiek nauwelijks op zo’n verandering voorbereid, waardoor õ=2 terecht is. Bij een troop met maar één leen, blijkt de kist ñ=2 het onmiddellijke gevolg te zijn van deze waarde õ=2. De onzekerheid aangaande de bedoelingen van de dichter leidt tot de dresseur ã=2. Het overgaan van «de longs échos» (lange echo’s) op “des écoles” (scholen) brengt een vreemde verandering in klank met zich mee, wat een glooiing van ù=2 tot gevolg heeft. De vracht ò=1 lijkt volkomen vast te staan, want we signaleren geen enkel anachronisme. Maar door het al te veel afwijken van het denkbeeld in kwestie moeten we hier wel het reliëf ì=2 accepteren. De verandering van een woord wil niet zeggen dat er een geheime code gebruikt wordt, hetgeen resulteert in een vernis van â=1. De waarde van de uitlaat (û) bedraagt 1 doordat de veronderstelde stijlfiguur niets wetenschappelijks bevat. Het blijkt juist te zijn aan de kring een grootte van ô=1 toe te kennen, want er is ons niets bekend van gewoontes die het soort troop dat hier bedacht is beïnvloeden. En tenslotte ontvangt het ravijn (å) een waarde van 1 omdat de ribstof niet door een ongelukje veroorzaakt wordt. Het landgoed dat hiervan het resultaat is blijft van geringe waarde: 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2) (2)(2)(2)=1/32.

Toepassing op Baudelaire

Die lange echo’s zouden artistieke bewegingen die onderling verbazend veel overeenkomsten vertonen voorstellen, ondanks het feit dat in elke beweging een ander zintuig tot ontwikkeling is gebracht. Rond 1630 ontstaat, zowel in het theater als in de schilderkunst, een klassieke kunstbeweging die de gekruiste weerspiegelingen, een combinatie van diverse methodes en denkbeelden, heeft voortgebracht. Soms raakt men in de war en denkt men aan Corneille, terwijl men zich een schilderij van Poussin probeerde te herinneren, en Baudelaire zou dat verschijnsel van onderlinge gelijkenis door middel van de beeldspraak in de tweede strofe beschreven hebben. Toch is zo’n conclusie aangaande het sonnet enkel een verzinsel, hij kan niet door een berekening gestaafd worden.

Methode

Het is waar, getallen lijken nogal beperkt te zijn als het om esthetische zaken gaat, maar verkondigen dat alleen de smaak telt bij het analyseren van aan de fantasie ontsproten werken brengt nog ernstiger problemen met zich mee. De houding die in de tijd van Plato veel leek op die van de voorstanders van een volledig subjectieve interpretatie werd door hem streng beoordeeld [741]: «Wel, laten we dat eens bekijken, Hermogenes. Denk je dat het zo gesteld is met de wezens zelf, en dat hun wezen per individu varieert? Dat was de stelling van Protagoras, toen hij verkondigde dat de mens "de maatstaf van alle dingen is", waarmee hij ongetwijfeld bedoelde dat de dingen zijn zoals ze me voorkomen, en dat ze voor je zijn, zoals ze je voorkomen. Of lijkt het je dat de wezens in hun kern een zekere constantheid bezitten?» Als niemand door iets in het gelijk wordt gesteld, bestaan er geen dwazen, maar aangezien die wel degelijk bestaan, moeten we wel tot een andere conclusie overgaan [742]: «Daarom denk ik dat je beslist van mening bent dat het, omdat er immers gelijk en ongelijk bestaat, absoluut onmogelijk is dat het waar is wat Protagoras zegt.» Vandaag de dag veroorzaakt het begrip "mogelijk" een soortgelijk licht onbehagen, doordat het een brug slaat tussen de vergissing en het omgekeerde daarvan. De numerieke nuance 1, ½, ¼, ⅛, 1/16 is echter een goede manier om waar en onwaar niet te vernietigen en daarbij andere varianten die zich tussen deze twee extreme oplossingen bevinden te handhaven. Omdat men het bestaan van gradaties op een schaal immers heeft erkend, is ons verstand niet langer geneigd een hoger en lager niveau bij gebrek aan precisie te verwerpen, het begrip "waarschijnlijk" verleent dus een grote dienst [585].

§462
· Berekening XVIII van gehele landgoed
Theorie

We stellen voor de bemoediging (F-Vaste-¦¦¦¦-S-Vaaste) [zoiets als (F-weids-/-S-Wééids)] te bepalen. Dat is alsof we in de zevende regel de uitroep “Aah!” (Oh!) hebben willen aanbrengen. Stel bovendien dat alle exemplaren hier en daar zwarte tekens bevatten, bij honderden tegelijk, als afzonderlijke accentuaties, met één daarvan onder de “A” van «Vaste» (Weids). De interpreet wil graag in de dictie “Vaaste” (Wééids) geloven, maar weet niet of de vreemde schrijfwijze afkomstig is van de schepper van het gedicht of per ongeluk door een onvoorzichtige handeling in de drukkerij is veroorzaakt. Omdat de bult daardoor geen wieg is, moet de ruit wel uit õ=2 bestaan. Daaruit volgt dat de kist ñ=2 onvermijdelijk is, nu het hier maar één leen betreft, dat per definitie een voortzetting van zichzelf is. De dresseur ã=2 blijkt juist te zijn, want het gevaar om de inhoud verkeerd te interpreteren overheerst. We bespeuren geen enkele onhandigheid met betrekking tot het plafond “Vaaste” (Wééids), de glooiing (ù) heeft dus een waarde van 1. Aangezien de critici inzien dat hun de kennis ontbreekt om de beduidenis van de aardkluit vast te stellen, is de vracht ò=2 terecht. De vlekken die het papier letterlijk ontoonbaar maken, hebben het reliëf ì=1 tot gevolg. Er is geen sprake van een eventuele ingewikkelde geheime code, daarom moeten we akkoord gaan met een vernis van â=1. Deze troop is volslagen nutteloos voor de wetenschap, dientengevolge is de uitlaat û=1. Gewoontes kunnen hierbij nauwelijks invloed hebben gehad, daaruit resulteert de kring ô=1. De aannemelijkheid van het ongeluk billijkt het ravijn å=2. Zodanig ontstaat er een landgoed dat bestaat uit 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(2)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32.

Methode

De behoefte om de berekeningen te herzien, afhankelijk van de eerder gemaakte vergissingen, noodzaakt ons hier de getallen op oneerbiedige wijze, als eenvoudige indicatoren, te gebruiken, hetgeen een weinig verdedigbare houding is wanneer er een mysterieus verband met het absolute wezen bestaat dat de aanhangers van Pythagoras voor ogen hadden [284]: «Uit de perfecte monade en de onbepaalde dyade zijn de getallen ontstaan; uit de getallen de punten; uit de punten de lijnen; uit de lijnen de oppervlaktes; uit de oppervlaktes de volumes; en uit de volumes alle lichamen die we met de zintuigen kunnen waarnemen, en die tot de vier elementen behoren: het water, het vuur, de aarde en de lucht.»

Toepassing op Baudelaire

Swedenborg werd door de behoefte om te begrijpen nog verder tot zinloze beschouwingen gebracht [944]: «Die ledematen, organen en inwendige organen betekenen in de Taal ongeveer hetzelfde, want in de Taal heeft alles een betekenis al naar gelang de overeenkomsten. Het hoofd betekent intelligentie en wijsheid; de borst, menslievendheid; de lendenen, de echtelijke liefde; de armen en de handen, de kracht van de werkelijkheid; de voeten, het natuurlijke; de ogen, de verstandhouding; de neusgaten, het bespeuren; de oren, de gehoorzaamheid; de nieren, de studie van de waarheid; enzovoort.»

§463
· Berekening XIX van gehele landgoed
Theorie

We gaan nu de waarde bepalen van de troop (F-les sons se répondent-¦¦¦¦-S-les ssons sse répondent) (F-Antwoorden…geluiden-/-S-antwoorddden…geluiddden). We stellen voor de aanvankelijke situatie te veranderen, om zo de methode van de giststoffen te perfectioneren, en met dat doel een steunpunt te bedenken dat laat zien dat de schrijver een dictie die het sonnet accentueert afwijst. We roepen eveneens een brief van de auteur waarin hij betreurt dat «geluiden» in plaats van “lawaai” is gebruikt door toedoen van een verstrooide typograaf, in het leven. Dit verzinsel, dat de benadrukte medeklinkers betreft, veroorzaakt in taalkundig opzicht nauwelijks verwarring, bevat geen boodschap die erg ontoegankelijk is, en verandert niets aan de status van wieg die de bult bezit, waardoor we kunnen besluiten tot een ruit van õ=1. Een kist van ñ=1 is noodzakelijk, omdat we de betekenis van de inhoud immers ook in de achtste regel aantreffen. Omdat het nieuwe document aantoont dat het plafond een illusie is, gaan we akkoord met een dresseur van ã=2. Maar aangezien deze toelichting geen enkele onhandigheid bevat, moeten we een glooiing van ù=1 wel accepteren. De mededeling die de kunstenaar ons toevertrouwt heeft een vracht van ò=2 tot gevolg. De dictie laat zien dat het om een concrete stijlfiguur gaat, hetgeen resulteert in een reliëf van ì=1. Nadrukkelijk articuleren is niet hetzelfde als een code verschaffen, daarom ontvangt het vernis een waarde van â=1. We geloven niet dat het bezitten van bepaalde kennis nuttig zou zijn om deze stijlfiguur te begrijpen, dientengevolge is de uitlaat û=1 juist. Aangezien de steunpunten niet echt het idee benadrukken dat de gewoontes van die tijd belangrijk zijn, billijkt dat een kring van ô=1. Het ongelukje dat de dichter noemt brengt ons bij een ravijn van å=2. Al met al levert het spelletje met de klanken een landgoed op van 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(2)= 1/(2)(2)(2)=⅛.

Methode

Soms verandert een kunstenaar van mening, en als het om aan de fantasie ontsproten werken gaat, past daar de typische onwrikbaarheid van de bewering die de gemaakte gevolgtrekkingen bevat niet erg goed bij.

Toepassing op Baudelaire

Het zou gevaarlijk zijn om het belang van de vormen waar Baudelaire op een bepaald ogenblik van hield te overschatten, en Hippolyte Babou schreef [586]: «Wat ik in hem waardeer, is dat hij de dichtregels zijn wil oplegt, in plaats van andersom.» Groot kenner als hij was, met veel aandacht voor de inhoud, suggereerde dezelfde figuur, tijdens een onderhoud in een café, de titel van de dichtbundel [586]: “bloemen van het kwaad” die definitief zou zijn. In „Samenspel“ zetten de zintuigen ons tot meditatie aan, zodat we zelfs aan aspecten zouden moeten denken die in deze beroemde tekst gewoonlijk als minder belangrijk worden beschouwd. We noemen bijvoorbeeld amber, die uit een intestinale verharding van de potvis gehaald wordt; muskus, dat zich in de buikklier van een hertachtige bevindt en wierook, een plantaardig hars [830]-[839]-[843]. Sommige frisse geuren treffen we meer in weiden aan. Omdat Linné in de vorige eeuw indrukwekkende resultaten heeft verkregen, karakteriseert de wetenschap voortaan bloemen als voortplantingsmachines, die soms mannelijke organen, meeldraden, en vrouwelijke, stampers, met elkaar in verbinding brengt [910]. De bloem van een iris bevat bijvoorbeeld drie mannen en een vrouw, zoals de beroemde plantkundige gewoonlijk zei, een andere geleerde merkte een gecompliceerd web van relaties op [243]-[911]-[912]: «…de dame heeft "drie" echtgenoten die geen jaloersheid tonen.» De varen laat niets opvallends over procreatie los, en lijkt onvindbaar te zijn, maar [244]-[912]«…het groene nageslacht verraadt zijn liefdesverhoudingen.»

§464
· Berekening XX van gehele landgoed
Theorie

We stellen ons de volgende dialoog voor, die het begin vormt van een aantekening die, naar het schijnt, enkele maanden voor „Samenspel“ is geschreven: “"Je richt je tot geuren, kleuren en geluiden, maar antwoorden ze je ook?" "Ze kunnen dan wel niet spreken, maar, gelukkig voor mijn durf, ze antwoorden elkaar door middel van hun overvloedige aanwezigheid…"” Dwars door het document is een opmerking geschreven: “wijzigen”. De zware bemoediging (F-antwoorden…antwoorden-¦¦¦¦-S-reageren…in evenwicht brengen) bevindt zich in een rail waarvan het spinsel door middel van spillen, termen en blokstenen vaststaat. Zo komt de inhoud van de beknopte gedachtewisseling eveneens helder op ons over. Die punten hebben een ruit van õ=1 tot gevolg. De twee delen van de aardkluit zijn van elkaar verwijderd, maar er bestaat een logisch verband tussen het ene antwoord en het andere, wat resulteert in een kist van ñ=1. Het plafond is bevredigend, daarom mogen we besluiten tot een dresseur van ã=1. De toelichting als een onhandigheid bestempelen, zou slechts kunnen inhouden dat we niet in staat zijn te lezen wat er staat, en om die reden is de glooiing ù=1 billijk. We worden hevig aan het twijfelen gebracht door de aantekening die de auteur heeft achtergelaten en dat brengt een vracht van ò=2 met zich mee. Een reliëf van ì=2 is onvermijdelijk, wegens het feit dat de ribstof een abstract element als contrast dat hem tot basis dient gebruikt. Het ligt voor de hand dat de verandering van de inhoud nauwelijks te vergelijken is met het gebruik van een speciale code, het vernis ontvangt dientengevolge een waarde van â=1. Deze stijlfiguur heeft geen enkele wetenschappelijke waarde, een uitlaat bestaande uit û=1 is dus voldoende. Gebruiken leiden niet noodgedwongen tot dit literaire spelletje, we gaan daarom akkoord met de kring ô=1. Er heeft zich geen ongelukje voorgedaan, hetgeen een ravijn van å=1 rechtvaardigt. Al deze waarden resulteren in een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(1)(1)(2)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)=¼.

Methode

Men moet niet te veel belang hechten aan gegevens waarvan men niet zeker weet uit welke periode ze stammen. Ze zijn onbetrouwbaar door de vaagheid waarmee de ons bekende omstandigheden, betreffende de ideeën of handelingen die men bepaalde personen toeschrijft, zijn omgeven. De wispelturigheid van het menselijke denken verbiedt ons menige indicatie die op het eerste gezicht doorslaggevend lijkt, serieus te nemen. Dat zet er overigens tegenwoordig de historici toe aan de werkelijke kennis te verplaatsen naar het meer constante gebied van de gewoontes van de verschillende bevolkingsgroepen [892]-[893]. De archieven verstrekken, wat dat betreft, nog slechts de eerste aanwijzingen bij zo’n uitgebreid onderzoek [895]. Een van de gevolgen daarvan is dat het niveau van de grote zielen, zelfs als het noodzakelijk is dat te kennen om enigszins op de hoogte te zijn, een illusie wordt als het eenmaal een doel op zich wordt [894].

Toepassing op Baudelaire

Omdat de luchtwegen alle van levensbelang zijn, begrijpen we waarom heilige geuren op het geestelijk vlak zo lang belangrijk geweest zijn [159]: «Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het lam neer. Ieder van hen had een lier en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen.» In de hel blijkt men ook overal verontruste zielen te horen, als we Dante, die deze plaats onderzoekt, moeten geloven [227]-[695]: «We zijn doorgegaan met lopen, terwijl hij praatte; maar we bleven door het bos trekken, het dichte bos der geesten, bedoel ik.»

§465
· Berekening XXI, voor (Il est/-¦¦¦¦-/Id est)
Theorie

De composiet van lichte afgietsels (Il est/-¦¦¦¦-/Y lait) (Er zijn/-/-/Er melk) gaat uit van «Il est» (Er zijn), scheidt vervolgens “L” van “Il” (Er) en voegt de “L” bij «est» (zijn), wat “Y lait” (Er melk) oplevert. Het is niet moeilijk te raden dat de aannemelijkheid ongeveer dezelfde zal zijn als die in de voorafgaande gevallen. Een tweede mogelijkheid zou zijn er de beduidenis “île est des parfums frais…” (eiland is frisse parfums…) aan te geven. Dat zou inhouden dat we de puurheid als een eiland zouden beschouwen, of als een open plek in het bos, temidden van een wereld die veel van haar naïviteit heeft verloren. Maar laten we, omdat de aannemelijkheid van deze ribstof niet veel zal verschillen van de overige die genoemd zijn, liever (Il est/-¦¦¦¦-/Id est) analyseren. In dat geval zou de negende regel een element aan de inhoud van de achtste toevoegen: “…les parfums, les couleurs et les sons se répondent. Id est des parfums frais…et d'autres corrompus…” (…geuren, kleuren en geluiden antwoorden elkaar. Id est frisse geuren…en andere, bedorven…) Het publiek zal niet snel zo’n begrip in «Il est» zien, zodat de ruit õ=2 vaststaat. De kist ñ=2 volgt dezelfde weg. Een dresseur van ã=2 is juist wegens het gevaar van een verkeerde interpretatie. Het veranderen van de “L” in de “D” is vreemd, bijgevolg is de glooiing ù=2. Het risico om een anachronisme te veroorzaken door “Id est” (Dat wil zeggen), in een Frans gedicht van 1857 te gebruiken, heeft een vracht van ò=2 tot gevolg [864]. Aangezien het verband tussen “Id est” en «Il est» (Er zijn) helemaal niet vaststaat, bedraagt het reliëf ì=2. Hoewel de woorden uit het Latijn afkomstig zijn, zou men het gezegde toch gemakkelijk hebben begrepen, wat maakt dat het vernis â=1 acceptabel is. «Il est» (Er zijn) heeft niets wetenschappelijks, de uitlaat bestaat dus uit û=1. Gewoontes hebben niets met deze zinswending uit te staan, daarom is de kring ô=1 terecht. Een ravijn van å=1 is noodzakelijk, want er komen in deze stijlfiguur geen ongelukjes voor. Uiteindelijk bedraagt de mate van aannemelijkheid dus 1/õñãùòìâûôå=1/ (2)(2)(2)(2)(2)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)(2)=1/64.

Methode

Zeker, aangezien het onverdraaglijk lijkt de onderbroken gedachtelijn te accepteren, is een herstel, zelfs op een wat onwaarschijnlijke manier, van de verloren eenheid in het begin heel aantrekkelijk, maar de bases van het literaire spelletje blijven zo zwak dat het niet genoeg overtuigingskracht heeft.

Toepassing op Baudelaire

Laten we de genoemde handelwijze nog eens nagaan, om het belang ervan beter te kunnen evalueren. De auteur bedenkt een relatie tussen de terzinen en de kwatrijnen, door middel van “Id est” (Dat wil zeggen), vervolgens kiest hij «Il est» (Er zijn) omdat hij een schakel zoekt die minder schools overkomt. In de achtste regel vernemen we dat de gevoelige materies hun krachten onderling in evenwicht brengen. Aan het eind van het sonnet suggereert de kunstenaar dat goed en kwaad dat eveneens doen. Onze vitaliteit zou kunnen zijn ontstaan door de erfzonde en de jeugdige frisheid. Geen van beide zou in staat zijn de ander uit te schakelen, en wel om de reden dat de één uit de groei van de ander zou ontstaan, want zodra we volgroeid zijn zouden we een zekere rijpheid bereiken, die ons de grens doet overschrijden. Of dit godsdienstige thema nu van de Grieken afkomstig is, of in Jeruzalem al heel bekend was en zo de geest van de oude Grieken gemakkelijker naar het Oosten overbracht, in de tijd van Baudelaire was dit vraagstuk heel ontoegankelijk. De denkers hingen gewoonlijk een traditie aan die ervan uitging dat ethische kwesties de omgekeerde reis maakten, namelijk van Palestina naar Athene [567].

§466
· Berekening XXII met betrekking tot (F-fris…zacht-¦¦¦¦-S-zacht…fris)
Theorie

Om de zware acrobatie (F-fris…zacht-¦¦¦¦-S-zacht…fris) te bestuderen bedenken we het onderliggende thema “Er zijn geuren, zo zacht als een kinderhuid, Zo fris als hobo’s, zo groen als weiden…” De dichter zou het gevaar dat men hem ervan zou beschuldigen dat hij zich tot kinderen aangetrokken voelde afgewend hebben, door de bijvoeglijke naamwoorden van plaats te veranderen, terwijl hij daarbij toch zijn bedoelingen kenbaar maakte door de logische link “aanraken-zacht”. De ruit õ=2 is terecht wegens een context die de, tenietgedane of niet bestaande, stijlfiguur absorbeert. De kist ñ=2 is het gevolg van õ=2 en van de samenhang tussen de woorden. We moeten aan de dresseur een waarde van ã=2 toekennen, want het risico is groot dat we de schepper van het gedicht bedoelingen toekennen die hij niet heeft gehad. Omdat het commentaar schijnbaar van slimheid getuigt, bestaat de glooiing uit ù=1. Aangezien het nagestreefde doel niets met versbouw te maken heeft, kennen we aan de vracht een waarde van ò=1 toe. Jammer genoeg dreigt een reliëf van ì=2 het resultaat te veranderen, gezien de abstracte aard van het subtiele spelletje met de inhoud. Omdat een plaatsverandering iets heel anders is dan een geheime code, bestaat het vernis uit â=1. Wetenschappelijke kennis is hier niet aan de orde, zodat de waarde van de uitlaat slechts û=1 kan zijn. Het is niet mogelijk dat gewoonte hier een rol speelt, een kring van ô=1 is dus gewenst. Een ongelukje is uitgesloten, dientengevolge is een ravijn van å=1 op zijn plaats. Het uiteindelijke resultaat bedraagt 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2) =1/16.

Methode

Als de critici vermoeden dat de schrijver heeft ontdekt dat hij een spelletje met de woorden kan uit voeren, maar dat hij dat uiteindelijk niet afmaakt, moet de aannemelijkheid wel gering blijven. Indien iemand na een overlijden op een brief als plaats van de teraardebestelling het dorp Sint-Pair aan zee neerkrabbelt als “Saint Père sur Mère” (Sint Vader op Moeder) maar dat daarna verscheurt en tenslotte een respectueuzere kaart stuurt, schenden we zijn goede bedoelingen wanneer we de echt geposte brief als een godslastering bestempelen.

Toepassing op Baudelaire

Menige illustratie is het toegestaan een bepaald aspect van een grote tekst te overdrijven, mits men geen enkele aannemelijkheid claimt. Zoals bijvoorbeeld de volgende door ons bedachte synthese: “De mens is een ruimte, waar benen, levende pilaren, soms verwarde orakels uitspreken. De erfzonde gaat er door wouden van zeer oude symbolen, betrekking hebbend op neigingen die ons vertrouwd zijn. Lange echo’s uit het allerheiligste van onze ziel mengen verward hun tegenpolen in de duistere en diepe eenheid van het instinct dooreen, weids als de nacht van de misdaad en de helderheid van het verstand. Geuren, kleuren en geluiden die elkaar in evenwicht brengen, vormen de concentratie van onze eigen natuur, met al haar verschillende kanten, groen als de archaïstische weiden, fris als het geluid van de hobo met zijn oneindige, vitale toon, zacht als kinderhuidjes en bedorven als de triomfantelijke verslinding ervan, rijk als de levensstoffen, amber, muskus, benzoë en wierook dat brandt in de orgies van geest en zintuigen.”

§467
· Berekening XXIII van gehele landgoed
Theorie

Laten we nu de aannemelijkheid berekenen van (F-parfums frais/-¦¦¦¦-/S-parffums ffrais) (F-frisse parfums/-/-/S-ffrisse parffums). Om wat afwisseling te brengen in een situatie die dezelfde soort redeneringen zou opleveren als die bij al eerder vastgestelde tropen, voegen we er enkele denkbeeldige omstandigheden aan toe. We veronderstellen het bestaan van een document dat het sonnet „Samenspel“ bevat en waarin we tevens de aantekening “Het gaat hier beslist om wetenschap en wel in alle regels. Ik heb me zojuist tegen die goede Asselineau afgezet, die de zo nuttige accentuaties van een geluid wilde uitsluiten.” We verzinnen ook een leesgewoonte waarbij men alliteraties benadrukt, die ten tijde van Baudelaire, in de literaire clubs, bestond. Het is billijk om met betrekking tot de F-klanken in kwestie een ruit van õ=1 toe te kennen. Daar het begin van de negende versregel geen gebrek aan samenhang vertoont, heeft dat feit een kist van ñ=1 tot gevolg. Aangezien de schrijver deze geaccentueerde dictie wenst, is het geoorloofd de dresseur een waarde van ã=1 toe te kennen. Omdat er, gezien de gewoonte die in de kunstenaarswereld bestond, geen sprake kon zijn van een onhandigheid, is een glooiing van ù=1 noodzakelijk. Het denkbeeldige document verplicht ons een vracht van ò=1 te noteren. De zinswending is hoofdzakelijk van concrete aard, de waarde van het reliëf bestaat dus uit ì=1. We hoeven geen enkele geheime sleutel te kennen om de stijlfiguur te doorgronden, dientengevolge is een vernis van â=1 correct. Door een notitie van de schrijver over de bijdrage die het werk aan de wetenschap levert, lijkt een waarde van û=2 op het eerste gezicht wenselijk. Maar hier wordt filosofie of dichtkunst, door de auteur “wetenschap” genoemd. Het bestudeerde resultaat draagt niet tot de wetenschap bij zoals die gewoonlijk bedreven wordt, een uitlaat van û=1 blijkt dus het meest juist te zijn. Een kring van ô=2 strookt met de benadrukte dictie die op dat moment in de mode is. Bij een tekst waarin geen enkel materieel ongelukje voorkomt, lijkt een ravijn van å=1 terecht. De betreffende ribstof verkrijgt nu een landgoed met een waarde van 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(2)(1)=1/(2)=½.

Toepassing op Baudelaire

Omdat de wetenschap al ongelooflijk lang bestaat, is een historische figuur die aan de definitie ervan voorbijgaat zich terdege van zijn fout bewust, wat de interpreet er, in dit geval, toe aanzet dit korte moment van fantasie dat de schepper van de boodschap beleeft niet serieus te nemen. Anderzijds wordt Baudelaire, die met betrekking tot de bekwaamheden van dichters graag choqueert, door de rail die we aangaande zijn persoon hebben bedacht, volstrekt geen schade berokkend.

Methode

Volgens Bachelard ontstaat menig obstakel bij de studie wegens door grillen ingegeven keuzes die in het begin niettemin een heel inspirerende rol bij de betreffende onderzoeken kunnen spelen [53]. Verondersteld moet worden dat door de illusie volgens welke men er onbewust van een idee toe gebracht kan worden het publiek dit idee kenbaar te maken, met woorden die grote inspanning vereisen, briljante figuren niet hebben ingezien dat de analyse van stijlfiguren van ons vraagt de filosofie van de vrije wil serieus te nemen.

§468
· Berekening XXIV, voor (F-chairs d'enfants-¦¦¦¦-chers enfants)
Theorie

Gezien het feit dat «chairs d'enfants» (kinderhuidjes) lijkt op “chers enfants” (lieve kinderen), verzinnen we een troop die een oplettende lezer voor de zoveelste maal bij een oude versie, waarover lang geen zekerheid bestaat, van het gedicht brengt: “Il est des parfums frais comme les chers enfants…” (Er zijn geuren, zo fris als lieve kinderen…) De te bepalen aannemelijkheid betreft (F-chairs d'enfants-¦¦¦¦- S-chers enfants) (F-kinderhuidjes-/-S-lieve kinderen). Uit de rest van de bult maken we weinig van de verborgen beduidenis op, en deze absorbeert dus de inhoud, hetgeen een ruit van õ=2 oplevert. Een kist van ñ=2 is daardoor noodzakelijk. De dresseur heeft een waarde van ã=2 wegens de vergissing die met betrekking tot de aardkluit begaan kan worden. Er heeft zich een onhandigheid voorgedaan, in ’t bijzonder met de vervanging van de klank “D” (d'enfants) door “Z” (s enfants), waardoor de glooiing bestaat uit ù=2. De vracht ò=1 wordt gebillijkt doordat het spelletje met de woorden in historisch opzicht mogelijk is. Aangezien het concrete aspect van de dichtregel niet is veranderd, blijft de overeenkomst een zaak van abstracte speculatie, een reliëf van ì=2 blijkt daarom op zijn plaats te zijn. De critici zijn volstrekt niet op de hoogte van het bestaan van een sleutel, we moeten het vernis â=1 dus accepteren. De stijlfiguur heeft geen enkele verdienste op het wetenschappelijke vlak, de uitlaat û=1 is correct. Geen enkele gewoonte heeft de verkregen beduidenis beïnvloed, een kring van ô=1 lijkt de enige juiste waarde te zijn. Een ravijn bestaande uit å=1 laat zien dat er geen sprake is van ongelukjes die invloed op de veronderstelde ribstof zouden hebben gehad. Het landgoed van (F-chairs d'enfants-¦¦¦¦-S-chers enfants) (kinderhuidjes-/-lieve kinderen) bedraagt nu 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32.

Methode

De vage afdwalingen van de gedachten blijven duister, even ondoorzichtig als de honderden verbindingen tussen de herinneringen aan woorden, die een schrijver in staat stellen iets te scheppen. Hoewel we ons vaag van een dergelijke mentale functie bewust zijn, stellen we ons, helaas, bloot aan vergissingen, als we proberen dat precies weer te geven.

Toepassing op Baudelaire

Omdat het voor de hand ligt dat «enfants» (kinderen) het begrip “kleine” oproept, kunnen we ons gemakkelijk voorstellen dat de auteur in het begin de terzinen wou baseren op het contrast tussen enerzijds zachte geuren, die een afspiegeling zijn van vrolijke, lachende kleuters, en anderzijds meer uitgesproken of kruidige geuren. Met betrekking daartoe wijzen we erop dat in „de Dansende Slang“ de rijm “enfant-éléphant” (kind-olifant) aangetroffen wordt [[1112]] in Index II (Gedichten)">[[1112]]. Maar voor „Samenspel“ zou de schrijver, omdat hij wilde voorkomen dat de lezer erom glimlacht, een soortgelijk woord hebben gekozen: «triomphants» (zegevierend). Twee beroemde dichtregels verbinden, in het heldendicht dat door Turold gedeclameerd werd, het thema van de olifant die dezelfde voornaam heeft als die men later aan Baudelaire zal geven [185]-[186]: «Cumpainz Rollant, sunez vostre olifan,
Si l'orrat Carles, ki est as porz passant.» (Vriend Rollant, blaas op uw ivoren hoorn om hulp te vragen,/Karel de Grote, die de Pyreneeën oversteekt, zal het zeker horen.)

§469
· Berekening XXV van gehele landgoed
Theorie

Stel we beschikken over een manuscript van Baudelaire met enkel: “Doux Ξ¤☼ 000 verts Ξ¤≈” (zacht Ξ¤☼ 000 groen ¤◊≈). We bepalen vervolgens het landgoed van (F-Ξ¤☼…Ξ¤≈/-¦¦¦¦-/S-comme les hautbois…comme les prairies) (F-Ξ¤☼…Ξ¤≈/-/-/S-zo…als hobo’s…zo…als weiden). Door het geheel van onbegrijpelijke tekens kan de mededeling geen aanspraak maken op de status van wieg, wat een ruit met een waarde van 2 tot gevolg heeft, alsmede een kist van ñ=2+(1(3/10))=2+(1(0,3))=(2+0,3)= 2,3 wegens «verts» (groen) dat zich tussen de lenen bevindt. Een dresseur van ã=2 is eveneens noodzakelijk, want het plafond suggereert een twijfelachtig element, dat gebaseerd is op de parallel met het sonnet „Samenspel“, en dat eventueel voor of na de bestudeerde bult is samengesteld, maar niet tijdens de oorsprong ervan. Aangezien de toelichting niets onhandigs bevat, moeten we wel een glooiing van ù=1 toekennen. We stemmen in met een vracht van ò=2, want we hebben niet genoeg informatie om de situatie weer te geven. Het reliëf ì=1 lijdt geen enkele twijfel, omdat het krachtige visuele effect onmiskenbaar van concrete aard is. Het vernis â=2 is terecht, door de impressie van een speciale code. De aardkluit lijkt een fantastisch maar geen wetenschappelijk karakter te hebben, daarom lijkt de uitlaat û=1 vast te staan. Geen enkele gewoonte heeft op zoiets bespottelijks betrekking, de kring ô=1 wordt dus eveneens goedgekeurd. De critici noemen nergens iets van een vervalsing, vergissing of ongelukje, dat moet dus wel een ravijn van å=1 tot gevolg hebben. Dientengevolge moeten we aan deze troop een aannemelijkheid van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2)(2,3)(2)(1)(2)(1)(2)(1)(1)(1)=1/(2)(2,3)(2)(2)(2)= 1/36,8 geven.

Methode

Dat het hier om een stoffelijke inhoud gaat ligt voor de hand, maar eromheen doen zich zulke ernstige tekortkomingen voor dat we onmogelijk van een composiet kunnen spreken. Op dezelfde manier wordt een tussenwerpsel onmiddellijk opgemerkt als de context toegankelijk blijft, terwijl we daarover twijfelen als het werk gebreken vertoont.

Toepassing op Baudelaire

De dichter deinst er in de bundel "Bloemen van het kwaad" niet voor terug zijn schokkende houding kenbaar te maken, maar brengt die onder in de neutrale vorm van het classicisme, dat uitermate praktisch is om de beduidenis vast te leggen, omdat het de inhoud niet vernietigt [[1146]] in Index II (Gedichten)">[[1146]]: «Mijn vrouw is dood, ik ben vrij!
Ik kan dus drinken zoveel als me goed lijkt.
Wanneer ik met lege zakken mijn huis bereikte,
Verscheurden haar tranen mij.

Ik ben de koning te rijk;
De lucht is zuiver, de hemel schoon.
-Zo’n zomer hadden we ook
Toen mijn liefde voor haar kwam kijken…

Ik heb haar onder in de put gesmeten,
En ik heb zelfs alle stenen van de putrand genomen
Om die over haar heen te gooien.
-Ik zal proberen haar te vergeten!»

§470
· Berekening XXVI betreffende (F-hautbois-¦¦¦¦-S-hauts bois)
Theorie

Wanneer we het bestaan veronderstellen van “…doux comme les hauts bois…” (…zo zacht als de hoge bossen…) moet de aannemelijkheid bepaald worden van (F-hautbois-¦¦¦¦-S-hauts bois) (hobo’s-hoge bossen). Omdat deze verzonnen beduidenis in de bult niet erg opvalt, ontvangt de ruit een waarde van õ=2. Daardoor bereikt de kist ook een hoogte van ñ=2. De dresseur laat door het niveau van ã=2 eveneens de zwakheid van de veronderstelling zien. We moeten echter akkoord gaan met een glooiing van ù=1, want er komt geen enkele onhandigheid in de toelichting van het plafond voor. We constateren evenmin een anachronisme, dus kennen we zonder enige aarzeling een waarde van ò=1 aan de vracht toe. Wanneer we bij een ongewijzigde opstelling uit één woord twee nieuwe maken, blijft dat een abstracte handeling, een reliëf van ì=2 geeft deze stijlfiguur dus juist weer. Een woordspeling is niet hetzelfde als een sleutel, het vernis bedraagt dientengevolge â=1. Voor een aardkluit die zich op geen enkele wetenschappelijke kennis beroemt, blijkt de uitlaat te bestaan uit û=1. Een kring van ô=1 is billijk omdat deze troop geen enkele invloed van gevestigde gewoontes heeft ondergaan. Het ravijn bestaande uit å=1 toont dat er betreffende de zinswending van een eventueel ongelukje geen sprake is. Het resultaat is een landgoed van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2)(2)(2)(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)=1/16.

Toepassing op Baudelaire

Hoge bossen bieden vaak onderdak aan andere wezens, hetgeen Auguste Comte interesseerde [206]: «Hoewel de zedelijke aard van dieren tot nu toe heel weinig en heel slecht is onderzocht, kunnen we niettemin, zonder de minste twijfel, erkennen dat, voornamelijk bij hen die als huisdier min of meer vertrouwelijk bij ons leven, en met behulp van dezelfde algemene observatietechnieken als die voor mensen van wie de taal en de zeden ons tot nu toe onbekend waren, gebruikt zouden worden, ze niet alleen hun intelligentie, grotendeels op dezelfde wijze als de mens, gebruiken om hun diverse lichamelijke behoeftes te bevredigen, terwijl ze zich daarbij, als dat nodig is, ook van de spraak bedienen op een niveau dat past bij de aard en de omvang van hun relaties; maar ook, dat ze net als hij een aantal minder zelfzuchtige behoeftes hebben, zoals het directe gebruik van dierlijke functies, die het alleen daaraan te danken hebben dat ze bestaan en enkel voor het plezier om zich van die functies te bedienen; wat hen er dikwijls, net als kinderen of wilden, toe aanzet nieuwe spelletjes uit te vinden; en wat hen tegelijkertijd, maar in veel geringere mate, ook de echte "verveling" leert kennen; die gemoedstoestand, die men zonder reden tot een speciaal privilege van de mens verheft, is soms zelfs zo hevig, bij bepaalde dieren, dat ze zelfmoord plegen, als gevolg van een ondraaglijk geworden gevangenschap.»

Methode

De ideale manier van redeneren bijgestaan door de meting, buigt de krachten die ons bij het oogsten en jagen brengen om naar nieuwe bezigheden. Uitgaande van innerlijke krachtbronnen, als overlevingsfunctie, wordt de kennis van een fenomeen geleidelijk aan vastgelegd door middel van tussentijdse uitwerkingen, zoals die waardoor we accepteren dat 0+1=1. De positivistische filosoof geeft niettemin toe dat het gevaar bestaat dat we de aanvankelijke draagwijdte van dat belangrijke element onderschatten [205]: «Want de dagelijkse ervaring leert ons, integendeel, heel overtuigend dat genegenheid, voorliefdes, en hartstochten de voornaamste beweegredenen van het menselijk bestaan vormen; en dat, allesbehalve uit intelligentie voortgekomen, hun spontane, onafhankelijke impuls, onmisbaar is voor het ontstaan en de constante ontwikkeling van de diverse intellectuele vermogens, door hun een permanent doel te verschaffen, zonder hetgeen, behalve de vage noodzaak van hun algemene richting, deze voor het grootste deel bij de meeste mensen verborgen zouden blijven.»

§471
· Berekening XXVII van gehele landgoed
Theorie

Laten we nu eens veronderstellen dat er, in de toekomst, van de exemplaren van "Bloemen van het kwaad" nog maar één bladzijde over is, gelukkig wel met de vermelding „Samenspel“ erop. Bovendien stellen we ons voor dat er op het woord “groen” in de eerste terzine een flinke, onverklaarbare groene vlek zit. Terwijl we er, na verschillende werken met elkaar vergeleken te hebben, over twijfelen of die kleur opzettelijk op die plek van het papier is aangebracht, maken we een begin met de studie van het landgoed betreffende (F-groene vlek op "groen"-¦¦¦¦-S-onderstreping). De groene vlek is niet strijdig met de samenvatting van het spinsel, omdat de inhoud ervan in wezen begrijpelijk is gebleven, daarom is een ruit van õ=1 terecht. De kist ñ=1 is het gevolg van de geringe uitbreiding van deze gekleurde afdruk die voor een probleem zorgt. Een dresseur van ã=2 lijkt heel aannemelijk, want het gevaar van een vergissing in het plafond blijkt volop aanwezig te zijn. We accepteren een glooiing van ù=1 omdat de toelichting zich op handige wijze baseert op hetgeen we kunnen waarnemen. Een vracht van ò=2 is echter noodzakelijk, omdat de critici niet over voldoende kennis beschikken. De zinswending heeft het concrete aspect dat vereist wordt voor de toekenning van een reliëf van ì=1. Bij de behandeling van deze troop, die een bevlekking of versiering kan zijn, wordt nergens een speciale code genoemd, wat resulteert in een vernis van â=1. De aardkluit heeft niets wetenschappelijks, dat billijkt de uitlaat û=1. Het zou ongeloofwaardig zijn hier aan te voeren dat er van een gewoonte sprake is, een kring van ô=1 is dus redelijk. Aangezien het misschien om een ongelukje gaat, is een ravijn met een waarde van å=2 het gevolg. Al met al komen we uit op een aannemelijkheid van 1/(õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(1)(1)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(2)=1/(2)(2)(2)= ⅛.

Methode

Elk toeval is verdacht, er zijn dus meerdere criteria voor nodig om zo’n incident te surveilleren, teneinde door de gezamenlijke kracht ervan de grillige interpretaties die het gevolg van onbeduidende gebeurtenissen kunnen zijn, zo goed als ongedaan te maken. Als een dergelijke eensgezindheid ontbreekt, vult de opinie de hiaten in de kennis met talrijke verzinsels die twijfelachtige belangen dienen op [909].

Toepassing op Baudelaire

Van de verschillende vormen van licht, citeert Baudelaire alleen het groen in het sonnet. Toch kon een “groene taal” ("la langue verte": het Bargoens), in de edele kunst, door de vulgariteit ervan de auteur niet bekoren. Het roept hier de lente op en alle nieuwe leven dat dan ontstaat. In „de Bloedfontein“ noemt de dichter de aanvullingskleur als hij zich voorstelt dat de inhoud van zijn aderen de wijk overspoelt [[1044]] in Index II (Gedichten)">[[1044]]: «Door de buurt, als door een slagveld,
Stroomt het weg, terwijl het de straatstenen in eilandjes verandert,
De dorst lest van iedere creatuur,
En overal de kleur rood geeft aan de natuur.» Het thema van het argeloze slachtoffer boeide ook Rousseau [875]: «…ik zag een grote Deense dog op me afkomen die zich voor een rijtuig wierp en daarbij zelfs niet de tijd had zijn vaart in te houden…Van dat hele ogenblik herinnerde ik mij niets; ik was me totaal niet van mezelf bewust, had niet het geringste idee van wat me zojuist was overkomen; ik wist noch wie ik was noch waar ik was; ik voelde noch pijn, noch angst, noch ongerustheid. Ik zag mijn bloed stromen zoals ik een beek zou hebben zien stromen, zonder dat het ook maar in me opkwam dat het mijn eigen bloed was.» Het verlangen is een andere offerpriester [[1045]] in Index II (Gedichten)">[[1045]]: «Ik zocht in de liefde een sussende slaap,
Maar de liefde is voor mij slechts een matras vol prikken
Om die wrede meisjes te laten drinken!»

§472
· Berekening XXVIII van gehele landgoed
Theorie

De zinswending (F-prairies-¦¦¦¦-S-prés rient) (weilanden-/-wei lacht) bezit dezelfde graad van aannemelijkheid als andere al door ons behandelde stijlfiguren. We bedenken daarom een situatie die ons in staat stelt de berekening te perfectioneren. Op een dag, in de verre toekomst, vinden we één exemplaar van een gedicht dat lijkt op „Samenspel“ terug. Het bestaat uit coupletten van zeer wetenschappelijke inhoud, waaraan een lettergreep ontbreekt. In plaats van «…Zo zacht als hobo’s, zo groen als weiden…» bevat de tiende regel de volgende woorden «…Ontvankelijk als spiegels en als stam…» We veronderstellen dat het hier de troop (F-stam-¦¦¦¦-S-stampers) betreft, en als we het gedicht bestuderen dat de tijd heeft weerstaan, worden we ons van het gevaar bewust dat het publiek dat de combinatie kunst en wetenschap op prijs stelt, maar uit een heel kleine groep bestaat, en dit fenomeen van een minuscule groep mensen een ruit van õ=2 tot gevolg heeft. De kist ñ=2 volgt dit voorbeeld. De kans bestaat dat we ons wat de inhoud van de toelichting betreft vergissen, wat resulteert in een dresseur van ã=2. Aangezien het plafond geen enkele onhandigheid bevat, lijkt een glooiing van ù=1 juist. Omdat onze kennis incompleet is, doen we er verstandig aan een waarde van ò=2 aan de vracht toe te kennen. Gezien het feit dat het onvolledige woord een stoffelijk element van de taal betreft, moeten we akkoord gaan met het reliëf ì=1. Er wordt geen enkel beroep op een speciale code gedaan, dus vloeit daar het vernis â=1 uit voort. Door de gewijzigde regels is een uitlaat van û=2 onvermijdelijk. We zijn volstrekt niet op de hoogte van gewoontes waaraan de stijlfiguur te danken zou zijn, hetgeen in een kring van ô=1 resulteert. Het ongeluk dat waarschijnlijk de stoffelijke lettertekens van de bult heeft uitgewist, brengt het ravijn å=2 met zich mee. Het landgoed vergaart de volgende waarden die alles bij elkaar neerkomen op een aannemelijkheid van 1/ (õ)(ñ)(ã)(ù)(ò)(ì)(â)(û)(ô)(å)=1/(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(2)(1)(2)=1/(2)(2)(2)(2)(2)(2)=1/64.

Methode

Het reliëf heeft nog een lichte moeilijkheid voor ons in petto, omdat het ontbrekende deeltje immers ook door schimmel ontstaan kan zijn, in plaats van bewust door de schepper van het gedicht of de interpreet te zijn aangebracht. Gelukkig blijven er genoeg giststoffen over om dat probleem te compenseren. Aristoteles schreef [34]: «We hebben onze plicht gedaan als we de uitleg verschaffen die het door ons behandelde type onderwerp bevat. We hoeven namelijk inderdaad niet altijd in alle discussies naar evenveel stiptheid op zoek te zijn, net zo min als dat we dat met kunstvoorwerpen doen.»

Toepassing op Baudelaire

Weiden ontvangen het goede, terwijl ze in afwachting zijn van kennisverwerving [113]: «Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken, luister, aarde, naar wat ik zeggen zal. Moge mijn onderricht neerdalen als regen, mogen mijn woorden zijn als milde dauw, als regen die de grond doordrenkt, lenteregen die het groen in bloei zet. Want de naam van de Heer roep ik uit: de Heer is onze God, laat iedereen hem prijzen!» Het sociale leven wordt niet vergeten [106]: «De Heer zei: Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing…»

§473
· Berekening XXIX voor (F-gedachtestreep in de elfde regel-¦¦¦¦-S-scheiding)
Theorie

We proberen de aannemelijkheid te bepalen van (F-gedachtestreep in de elfde regel-¦¦¦¦-S- scheiding) die aangeeft waar het idee in het gedicht een andere wending neemt: «Er zijn geuren, zo fris… En andere, bedorven…» De ruit õ=2 lijkt de situatie correct weer te geven, want het zinnebeeld van bloksteen één van de gebruikelijke werktuigen bij het schrijven, laat zich absorberen door het sonnet, en kan dus geen binnendringing ondernemen. De kist ñ=2 voegt zich bij deze eerste beperking. Omdat het plafond eenvoudig blijft, kennen we aan de dresseur een waarde toe van ã=1. Er wordt geen enkele onhandigheid in deze toelichting bespeurd, daaruit volgt een glooiing van ù=1. Aangezien we hier een gemeenschappelijke manier van schrijven bespreken, is de vracht ò=1 terecht. Het gaat hier om een heel concreet leesteken, dat resulteert dus in een reliëf van ì=1. Baudelaire bedient zich niet van een speciale code, dat heeft onvermijdelijk een vernis van â=1 tot gevolg. De uitlaat û=2 blijkt hier op zijn plaats te zijn, gezien de rol die dit grafisch symbool speelt bij het van elkaar scheiden van begrippen. De kring ontvangt een waarde van ô=2 omdat de kunstenaar veelvuldig gebruik maakt van het gedachtestreepje. In deze stijlfiguur lijkt geen ongelukje voor te komen, wat een ravijn van å=1 tot resultaat heeft. Al deze waarden bij elkaar leveren een landgoed op van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(2)(2)(1)=1/(2)(2)(2)(2)=1/16.

Methode

Hoewel de schrijver en de schepper van een boek niet precies dezelfde kant van dezelfde persoon vertegenwoordigen -de één verschaft een serie werken, de ander slechts de ontlede tekst- moeten we toegeven dat de gewoontes van iemand gedurende vele jaren onveranderd kunnen blijven. We maken pas een fout als we verkondigen dat hij niet van mening of gewoonte kan veranderen op het moment van de schepping.

Toepassing op Baudelaire

De auteur brengt, in het laatste gedeelte van de bult, de ideeën samen die de huiveringwekkende vooruitzichten bevatten waarvan hij zijn publiek in kennis wil stellen. Zeker, hij ziet het gevaar dat hij de lezer met bittere beschouwingen vermoeit, en toch moet hij deze constatering die al te vaak door zijn beroemde tijdgenoten terzijde is gelegd nader uitleggen [[993]] in Index II (Gedichten)">[[993]]: «Als de verleidelijke beelden van verkrachting, vergif, dolken en brand
Zich nog niet hebben vertoond
Aan ons ellendig lot,
Komt dat, helaas, doordat onze ziel zich nog niet genoeg heeft vermand.» Mogelijk is de Homerische dichtkunst een somber voorbeeld geweest [441]: «Ach! Arme vriend! Ach! Menelaus! Waarom zoveel respect voor die mensen? Was je dan zo tevreden over de Trojanen in je gezin? Nee, dat niemand van hen aan de afgrond van de dood, aan onze handen ontsnappe, zelfs niet de jongen die zich nog in de buik van zijn moeder bevindt, zelfs niet degene die probeert te vluchten! Dat alle inwoners van Ilion tegelijk verdwijnen, zonder dat er om gerouwd of nog over gesproken wordt!»

§474
· Berekening XXX van gehele landgoed
Theorie

We zouden met de zinswending (F-corrompus-¦¦¦¦-S-corps rompus) (bedorven-/-gebroken lichaam) een soortgelijk landgoed verkrijgen als dat berekend voor menige andere die we verzonnen hebben. We doen er dus beter aan, in gedachten, de beginsituatie te veranderen. Stel dat er een manuscript van „Samenspel“ bestaat met de vermelding “chemisch afgebroken lichaam”, en dat zo dus de context in harmonie wordt gebracht met de troop. Uit de ruit õ=2 blijkt dat het literaire spelletje ongemerkt aan het publiek voorbijgaat, want de beduidenis die eruit naar voren komt is volkomen bevredigend. Dat negatieve effect heeft onmiddellijk een kist van ñ=2 tot gevolg. De gevonden notitie resulteert in de dresseur ã=1 omdat hij het gevaar vermindert dat we van de bedoelingen die de schepper van het gedicht had, afdwalen. Van een onhandigheid is geen sprake, omdat de dubbele “R”, in zo’n geval als dit, immers een lichte pauze toestaat, wat dus hetzelfde is als wanneer men die bij het lezen tussen de woorden inlast, en dat heeft een glooiing van ù=1 tot gevolg. De vracht ò=1 wordt volkomen door het document gerechtvaardigd. Het in tweeën splitsen van “corrompus” (bedorven) lijkt op het eerste gezicht concreet genoeg om zonder aarzelen ì=1 toe te kennen. Maar dat is enkel een illusie, omdat de onderbreking in het woord slechts een mogelijkheid is, en geen absolute noodzakelijkheid. Aangezien dus door een abstracte oorzaak van één woord twee worden gemaakt, bestaat het reliëf uit ì=2. De critici hebben zich van geen enkele speciale code bediend, dat brengt een vernis van â=1 met zich mee. De opmerking van de schrijver, die hij door de kennis die hij bezit heeft kunnen maken, werpt de vraag op of de inhoud van de zinswending van wetenschappelijke aard is, dus vragen we ons af of we û=2 moeten toekennen. Toch treffen we hier niet echt iets wetenschappelijks aan, en de verzonnen auteur doet maar een korte mededeling, gezien het feit dat de rest van het sonnet helemaal intact blijft. Daar concluderen we uit dat een uitlaat van û=1 de situatie het best weergeeft. Geen enkele gewoonte speelt in deze stijlfiguur een rol, wat gunstig uitvalt voor een kring bestaande uit ô=1. Het woord “corrompus” (bedorven) is niet door een ongelukje ontstaan, waardoor een ravijn van å=1 billijk is. Door deze giststoffen bereikt de aannemelijkheid een hoogte van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(1)(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=⅛.

Methode

We moeten heel behoedzaam omgaan met de toelichtingen, die een auteur over één van zijn eigen boeken geeft, want om deze als echte steunpunten te beschouwen, zou de oorsprong ervan dezelfde moeten zijn als die van de ontlede tekst. Omdat dit een zaak van seconden kan zijn, dreigt het debat over een bepaalde ribstof eindeloos voort te duren. De schepper van een boek houdt soms op te bestaan, doordat hij een nieuwe wens heeft, en nu is hij nog slechts de auteur, die de aanvankelijke beduidenis van het werk kan geven, omdat hij van mening is veranderd.

Toepassing op Baudelaire

Het menselijk lichaam wordt door marteling of liefde gebroken, en het moet ons niet verbazen dat zelfs Aphrodite verderf waarneemt [547]-[[1138]] in Index II (Gedichten)">[[1138]]: «Wat is dat voor een triest, somber eiland? -Dat is Cythera,
Een plaats die vaak in liedjes genoemd wordt, antwoordt men ons,
Het bekende eldorado voor alle vrijgezelle jongens.
Kijk, het is uiteindelijk maar een armzalige plaats.

Het eiland van de zoete geheimen en feesten van het hart!
Het schitterende spook van Venus uit de vroegere eeuwen
Zweeft als een aroma over je zeeën,
En vult met liefde en verlangen, de gedachten.

Schoon eiland met zijn groene mirtestruiken, vol bloesem,
Voor altijd door alle naties geprezen.
Waar de zuchten uit bewonderende harten gerezen
Als wierook over een rozentuin rollen

Of als het eeuwige gekoer van een woudduif!
-Cythera was nog slechts een zeer kaal stuk grond,
Een rotswoestijn verstoord door schrille kreten.
Toch zag ik een vreemd voorwerp:

Het was geen tempel in de schaduw van het groen,
Waar de jonge priesteres, die dol op bloemen was,
Naar toe ging, haar lichaam door geheime hartstochten bevangen,
Terwijl haar jurk door korte windvlagen opwoei;

Nu we vrij dichtbij de kust waren echter
Om de vogels met onze witte zeilen angst aan te jagen
Was het dat we een galg met drie armen zagen,
Die zich aftekende op de hemel, zwart als een cypres.» 217

§475
· Berekening XXXI, voor (F-Corr…corr-¦¦¦¦-S-beklemtoning)
Theorie

In verband met het begrip evenwicht, dat ontegenzeggelijk in «répondent» (antwoorden) aanwezig is, is het nuttig de bemoediging (F-Corr…corr-¦¦¦¦-S-beklemtoning) te bestuderen. Tussen de titel «Correspondances» (Samenspel) en regel 11, waarin het woord «corrompus» (bedorven) voorkomt, lijkt de afstand te groot te zijn voor een logisch verband daartussen. Dat heeft tot gevolg dat een ruit van õ=2 wenselijk is, omdat de context ons immers belet de stijlfiguur waar te nemen. Een kist van ñ=2+(1(56/10))=2+(56/10)=2+5,6=7,6 is noodzakelijk, want in het gedicht komen (in het Frans) 56 fronten tussen deze beide gelijkklinkende woordgedeeltes voor: “Nature, est, temple, où, vivants, piliers, Laissent, parfois, sortir, confuses, paroles, homme, y, passe, travers, forêts, symboles, Qui, l', observent, avec, regards, familiers, Comme, longs, échos, loin, se, confondent, Dans, ténébreuse, profonde, unité, Vaste, comme, nuit, et, clarté, parfums, couleurs, sons, se, répondent, est, parfums, frais, comme, chairs, enfants, Doux, comme, hautbois, verts, comme, prairies, autres” (Natuur, is, tempel, waar, levende, pilaren, uit, loslaten, Soms, verwarde, woorden, mens, er, gaat, Door, wouden, symbolen, die, hem, gadeslaan, met, blikken, vertrouwde, Als, lange, echo’s, ver, zich, vermengen, In, duistere, diepe, eenheid, Weids, als, nacht, en, dag, geuren, kleuren, geluiden, elkaar, Antwoorden, zijn, geuren, fris, als, kinderhuid, Zo, zacht, als, hobo’s, groen, als, weiden, andere). De dresseur heeft, wegens het risico dat het veronderstelde verband op losse gronden berust, een waarde van ã=2. Over de glooiing ù=1 bestaat daarentegen geen twijfel, want er is geen enkele onhandigheid begaan. Het is mogelijk dat de auteur deze herhaling van de klank “corr” (Correspondances…corrompus) over het hoofd heeft gezien, daarom blijkt een vracht van ò=2 billijk te zijn. Aangezien het hier gaat om een relatie van zeer concrete aard, krijgt het reliëf een waarde van ì=1. Er is geen enkele andere code nodig om het idee in kwestie te kunnen begrijpen, het vernis â=1 is dus juist. De wetenschap is in geen enkel opzicht met de herhaling van deze klanken gediend, wat resulteert in een uitlaat van û=1. De aardkluit heeft geen invloed van gewoontes ondergaan, daaruit vloeit een kring van ô=1 voort. Bij genoemde herhaling is geen sprake van een ongelukje, dientengevolge staat het ravijn å=1 volkomen vast. Uiteindelijk verkrijgen we een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(7,6)(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(7,6)(2)(2)=1/60,8.

Methode

De meetvormen zijn hier niet volkomen betrouwbaar, omdat de schepper van het gedicht honderden verschillende dingen, waarvan moeilijk een voorstelling is te maken, even moeilijk als het met elkaar in verband brengen van verre gedachten, van zijn publiek kon verwachten. Zazzo schrijft [981]: «Wanneer we dromen, maar ook "als we in gedachten zijn", als we nadenken, springen we van het ene onderwerp naar het andere…»

Toepassing op Baudelaire

Als we ons verdiepen in de dichter die het evenwicht aangeeft tussen geuren, kleuren en geluiden, of, zo men wil, tussen het goede en het kwade, moet ons verstand een sprong maken om dit zeer ongebruikelijke beeld te vatten, terwijl het tegelijkertijd nadenkt over de eenheid van gedachte daarin, die het met moeite heeft gevonden. Het gedeelte «…met…blikken gadeslaan» schijnt ons een herhaling toe. Ook het woord “symbool” komt eerder vreemd dan “vertrouwd” op ons over. Volgens de traditie wordt de waarheid uit een put en niet uit een “pilaar” “losgelaten”. Daar komen andere overeenkomsten uit voort: “De Natuur is een ruimte waar levende putten, duistere waarheden laten groeien; de mens gaat die wouden door, die gebukt gaan onder zijn fouten die de vorm van mysterieuze symbolen hebben aangenomen.” Don Juan wordt op de volgende wijze door zijn knecht in een kwade reuk gebracht [543]: «Jongejuffrouw, dit is de catalogus
Van de schoonheden die mijn meester heeft bemind;
Een catalogus samengesteld door mij;
Kijk, laten we hem samen doorlezen, ik en jij.

In Italië, zeshonderdveertig;
In Duitsland, tweehonderddertig…Maar er zijn er al duizenddrie in Spanje…En onder hen zijn vrouwen van allerlei standen…» Zeus gaf het voorbeeld [445]: «Hera, we kunnen straks nog wel daarheen gaan. Kom! Laten we naar bed gaan en de vreugde van de liefde smaken. Nog nooit heeft het verlangen naar een godin of een vrouw het hart in mijn borst zò in vlam gezet en onderworpen -nee, zelfs niet toen ik verliefd werd op…-noch op…-noch op…-noch op…-noch op…-noch op…-nee, nooit zoveel als ik op dit moment van jou hou en ik door dat heerlijke verlangen bezeten word.»

§476
· Berekening XXXII voor gehele landgoed
Theorie

Laten we ons nu eens voorstellen dat het gedicht van Baudelaire is gebruikt om een geheime boodschap door te geven. De militair die de dichtregels ontvangt moet daarin een woord proberen te vinden dat een element bevat met de symmetrie “klinker¹-medeklinker¹-medeklinker¹-klinker¹”, en dat vervolgens als een bevel opvatten. De spion vindt «corrompus» (bedorven) met “orro” en het dringt al snel tot hem door dat zijn opdracht eruit bestaat de persoon die hij tot nog toe moest achtervolgen, te bedriegen. Nu moet de aannemelijkheid van (F-orro-¦¦¦¦-S-bedrieg) bepaald worden. Zeer weinig mensen willen dit idee, aangaande een frauduleuze politieke daad, doorgeven en we kunnen dit idee verwarren met een ribstof. Dat resulteert in een ruit van õ=2. Omdat het hier slechts één leen betreft, heeft dat onmiddellijk een kist van ñ=2 tot gevolg. Aangezien de betekenis die Baudelaire eraan wou geven na toepassing van de code terzijde wordt gelegd, moeten we concluderen dat zijn bedoeling volkomen genegeerd lijkt te worden, en daar komt de dresseur ã=2 uit voort. We constateren hier echter volstrekt geen onhandigheid, zodat de glooiing ù=1 in dit geval volkomen terecht is. Omdat de auteur de symmetrie “orro” gebruikt, ontvangt de vracht een waarde van ò=1. Gezien het feit dat de concrete aanwezigheid van de letters “orro” het teken vormt waarop de geheim agent zijn aandacht vestigt, krijgt blijkbaar het reliëf een waarde van ì=1. Maar de abstractie van de sleutel doet ons concluderen dat slechts ì=2 acceptabel is. Het bestaan van een sleutel om toegang te geven tot het plafond levert een vernis van â=2 op. De aardkluit heeft op zich niets technisch, daarom is een uitlaat van û=1 juist. Bij het geheime gebruik van de symmetrie “orro” signaleren we geen enkele gewoonte van de dichter, hetgeen tot de kring ô=1 leidt. Een ravijn van å=1 is billijk, want de critici zijn niet van het minste ongeluk met betrekking tot het gedicht op de hoogte. Dat alles in aanmerking genomen levert een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(1)(1)(2)(2)(1) (1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32 op.

Methode

Om de onaannemelijkheid van de interpretaties te bepalen, hebben we algemene criteria nodig. We hebben besloten dat te doen door middel van abstracte tekens. Maar het moet niet zo zijn dat deze tekens -dit gevaar bestaat zoals altijd bij materiële dingen- in dubbelzinnigheid vervallen. Om de moeilijkheid te boven te komen, moeten we ons eens te meer verlaten op gewoontes die de technische definitie completeren.

Toepassing op Baudelaire

Geuren die we door verbranding van stoffen verspreiden houden soms een boodschap vol dankbaarheid of eerbetuiging in [452]: «Bovenop de brandstapel leggen ze de dode, met zijn eenzame, droevige hart neer. Menig vet schaap, menig gehoornd rund dat zich met zware stap voortbeweegt, wordt door hen voor de brandstapel de huid afgestroopt en opgemaakt. Van alle dieren neemt de edele Achilles een hoeveelheid vet af, om de dode er van het hoofd tot de voeten mee te bedekken; vervolgens stapelt hij er de kale lichamen omheen. Hij zet er ook kruiken neer, alle vol honing en olie, het doodsbed daarbij als steun gebruikend. Onder luid geklaag, werpt hij snel vier merries op de brandstapel. Sire Patroclus had negen honden als gezelschapsdieren: hij keelt er twee van en gooit ze op de brandstapel. Hij doet hetzelfde met twaalf edele zonen van tot de adel behorende Trojaners, die hij doodt met zijn bronzen zwaard -het enige waar zijn hart aan denkt is doden! En tenslotte wakkert hij het ongenadige vuur aan, dat er één massa van moet maken. En snikkend roept hij zijn vriend: Ik groet je, Patroclus, zelfs nu je je in de diepte van Hades bevindt! Alles wat ik je vroeger had beloofd, zal ik nu doen.» In de Bijbel vinden we de volgende woorden [157]: «Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.» Hij overstijgt de tijd [161]: «Toen kwam er een andere engel, die met een gouden wierookschaal bij het altaar ging staan. Hij kreeg een grote hoeveelheid wierook om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen. De rook van de wierook steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op naar God.»

§477
· Berekening XXXIII, betreffende (F-triomphants…expansion-/-¦¦¦¦-/S-tri-omphants…expansi-on)
Theorie

We vestigen nu onze aandacht op de analyse van woorden die dichtbij elkaar staan, in de regels 11 en 12, en daarom meten we de aannemelijkheid van (F-triomphants…expansion/-¦¦¦¦-/S-tri-omphants… expansi-on) (zegevierend…uitbreiding/-/-/zegevie-rend…uitbrei-ding). Aangezien de bult de diaeresis in de hoedanigheid van een literaire vrijheid moet opnemen, zal dat een waarde van õ=2 opleveren, want het publiek zal in deze ontleding van klinkers enkel een normaal onderdeel van een sonnet zien. Maar dit proces speelt zich op een opvallende manier in elkaar opvolgende regels af, wat bij de gewone versbouw niet gebruikelijk is, en daarentegen een ruit van õ=1 oplevert. We verkrijgen een kist van ñ=1, omdat het voor de hand ligt dat er tussen «triomphants» (zegevierend) en «expansion» (uitbreiding) grote saamhorigheid bestaat: «Il est des parfums frais…Et d'autres, corrompus, riches et triomphants,

Ayant l'expansion des choses infinies…» (Er zijn geuren, zo fris…En andere, bedorven, rijk en zegevierend,//De uitbreiding van oneindige dingen bezittend…) De dresseur ontvangt een waarde van ã=1 omdat er ten opzichte van de interpretatie geen enkele twijfel bestaat. In het plafond bespeuren we niet het minste teken van een onhandigheid, dus nemen we aan dat een glooiing van ù=1 terecht is. Op het eerste gezicht lijkt ò=2 billijk te zijn, aangezien de schepper van het gedicht probeert het aantal lettergrepen te verkrijgen dat voor alexandrijnen vereist is. Maar bij nader inzien, was hij niet verplicht dat in twee elkaar opvolgende regels te doen, dus wordt aan de vracht uiteindelijk de waarde ò=1 toegekend. Het concrete karakter van de in de woorden aangebrachte breuk heeft een reliëf van ì=1 tot gevolg. We zouden niet weten welk code we hier, buiten de artistieke codes om, zouden moeten kennen, dientengevolge gaan we akkoord met een vernis van â=1. Voor de wetenschap is de ribstof in kwestie, zelfs wat de tweeklank “i-on” betreft, niet echt van belang, hetgeen een uitlaat van û=1 als resultaat heeft. Oppervlakkig gezien, lijkt de troop beïnvloed te worden door een dichterlijke gewoonte, wat dus ô=2 met zich mee zou brengen. Toch verplicht de traditie nauwelijks om tweemaal een scheiding in een woord aan te brengen, waardoor we eerder bij een kring van ô=1 uitkomen. Er is ons geen enkel ongeluk bekend, dat billijkt een ravijn van å=1. Al deze gegevens leiden tot een landgoed bestaande uit 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1/1=1.

Methode

Bij een berekening die voor de verschillende soorten stijlfiguren, duffel, binnendringing, botsing of vilt geldt, vrezen we dat we hetgeen we naar voren hebben gebracht nooit in eenzelfde stelregel kunnen samenbrengen. Maar de kern bevindt zich in het onderzochte verschijnsel, niet in het tijdelijke redmiddel, dat later door andere gevolgd wordt, en die dan als we weer enkele ervaringen rijker zijn, ingezet kunnen worden. Het gaat erom zich de feiten door middel van de metingen voor te stellen en een visser is niet op mooie netten, maar op vissen uit. Zelfs Newton hechtte het meeste belang aan de inhoud en niet aan de wetenschappelijke, in wiskunde omgezette hypothese [557].

Toepassing op Baudelaire

Hoewel de hardnekkige uitbreiding onze gedachten bezig houdt, moeten we het verband tussen een walgelijke geur en de overwinning niet vergeten [447]: «Maar Achilles vertrekt, om van tent tot tent alle Myrmidonen te gebieden de wapens op te nemen. Het lijken wel bloeddorstige wolven, één en al verbazende stoutmoedigheid, die, in de bergen, een groot hert met indrukwekkende gewei verscheuren en vervolgens verslinden. Hun neerhangende wangen zijn allemaal rood van het bloed; ze vertrekken vervolgens in een troep om met hun dunne tongen het zwarte water opwellend uit een donkere bron op te slobberen, het bloed van de moord uitspugend -met samengeperste buik, maar het hart nog steeds onverschrokken in hun borst.» Overwinning geeft de bedrieglijke indruk dat men aan het stichten van de wereld deelneemt [451]: «Zoals een enorme brand door de diepe dalen van een droog gebergte woedt -het diepe woud brandt, en de wind, die het alle richtingen uit duwt, de vlam ervan in het rond doet draaien- zo springt Achilles, met de speer in zijn hand, als een god, alle kanten uit, en stort zich op zijn slachtoffers. De zwarte aarde wordt met bloed overstroomd. Zoals men breedkoppige ossen inspant om gerst op de mooi aangelegde dorsvloer ineen te persen, en het graan onder de stappen van de loeiende ossen al snel te voorschijn komt, zo verbrijzelen, onder aanvoering van de verheven Achilles, de paarden met hun massieve hoeven zowel de doden als de schilden. En de as onder de bodem, en de stang, eromheen, zijn helemaal bevuild met bloed; het spettert op, onder de paardenhoeven, en onder de velgen van de wielen vandaan. De zoon van Peleus brandt van verlangen om zich met roem te overladen, en bloedrood stof kleeft aan zijn gevaarlijke handen.»

§478
· Berekening XXXIV, voor (F-infinies-¦¦¦¦-S-infinie…infinitésimales)
Theorie

De twaalfde regel «…Ayant l'expansion des choses infinies…» (…De uitbreiding van oneindige dingen bezittend…) kan worden uitgelegd als “…Ayant l'expansion infinie des choses infinitésimales…” (…De oneindige uitbreiding van de oneindig kleine dingen bezittend…) In dat geval hebben we bijna te doen met de herhaling van een identiek woord met twee verschillende betekenissen [823]. De ribstof zou dan bestaan uit (F-infinies-¦¦¦¦-S-infinie…infinitésimales) (F-oneindige-/-S-oneindige…oneindig kleine). Aangezien de stijlfiguur geabsorbeerd wordt door de context, is een waarde van õ=2 betreffende de ruit terecht. De kist ñ=2 is het gevolg van de beknoptheid van de zinswending. Een dresseur van ã=2 is billijk wegens de risico’s van de interpretatie. Deze toelichting bevat geen enkele onhandigheid, dientengevolge gaan we akkoord met de glooiing ù=1. Historisch gezien, kan het eventuele bestaan van de troop moeilijk betwist worden, vandaar dat een vracht van ò=1 redelijk lijkt te zijn. Een spelletje met de plaats van de woorden wordt hier onvermijdelijk gecombineerd met een abstract element, hetgeen een reliëf van ì=2 rechtvaardigt. Het ligt voor de hand dat het gebruik van een code hier zinloos blijft, dus lijkt een vernis van â=1 terecht. Ondanks de aanwezigheid van een woord dat een belangrijke rol in de wetenschap speelt, moeten we de uitlaat een waarde van û=1 toekennen, want het sonnet wordt gedomineerd door gezichtspunten die betrekking op de religie of op het satanisme hebben. Kunstzinnige gewoontes in die tijd, met betrekking tot het literaire thema van het oneindige, zijn ons niet bekend en stellen ons dus niet in staat een kring van ô=1 aan te vechten. Het niveau van het ravijn å=1 staat vast, omdat we niets van een ongeluk bespeurd hebben. Tenslotte bereikt de aannemelijkheid een hoogte van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2) (1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=1/(2)(2)(2)(2)=1/16.

Methode

De eerste giststoffen, ofwel waarheidsfilters, worden meer gebruikt dan de andere, want deze laatste worden ingezet op de plaatsen waar door een aanvankelijk onvoldoende uitgeteste afgrendeling lacunes zijn ontstaan. De imitatie van de probabiliteitsberekening, beperkt tot een techniek die dankzij ervaringen allengs verbeterd is, wordt niet als volkomen incoherent beschouwd. Zelfs Spinoza, die toch een mathematiserende filosofie voorstaat, neemt metaalbewerkers als voorbeeld [163]-[922]: «…stapje voor stapje van de eenvoudigste taken tot aan het gereedschap, van het gereedschap tot aan andere taken en ander gereedschap, slaagden ze erin talrijke, heel moeilijke taken uit te voeren en dat zonder veel arbeid.»

Toepassing op Baudelaire

We kunnen ons gemakkelijk indenken dat de natuurlijke wereld door Baudelaire uitgebeeld, zich uitstrekt tot alles wat van de werkelijkheid deel uitmaakt [844]. De duivel mag dan een oneindige materie zijn, God stelt zichzelf eerder voor als een absoluut en onveranderlijk houvast [107]: «Mozes zei: Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? God antwoordde: Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren. Maar Mozes zei: Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: Wat is de naam van die God? Wat moet ik dan zeggen? Toen antwoordde God hem: Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: "ik zal er zijn" heeft mij naar u toe gestuurd.»

§479
· Berekening XXXV, aangaande (F-die…die…die-¦¦¦¦-S-onderstreping van de dingen genoemd in drie
Theorie

De troop “…l'ammmbre, le musc, le bennnjoin et l'ennncens…” (…ammmber, mmmuskus, bennnzoë en wierook…) heeft te veel weg van sommige andere alliteraties die we al gemeten hebben. Het lijkt erop dat aan de woordspeling die «encens» (wierook) interpreteert als “en sang” (bloedend) eveneens ongeveer dezelfde waarde toegekend moet worden als die we al voor soortgelijke zinswendingen hebben verkregen. Er doet zich een ander soort ribstof dan de al door ons bestudeerde moeilijkheden voor met het drievoudige gebruik van «Qui» (die) of «qui» (die). We presenteren hem in (F-Qui…qui…Qui-¦¦¦¦-S-verband tussen de dingen die in deze drie gevallen genoemd worden) (F-die…die…Die-/-S-verband tussen de dingen die in deze drie gevallen genoemd worden). Het doel van de auteur zou nu geweest zijn om eenheid aan te brengen in zijn opvatting betreffende verschillende natuurlijke elementen die als symbolen ingesteld zijn. Dat onderwerp beslaat een aanzienlijk gedeelte van de tekst: «…Qui…observent…qui…se confondent…Qui chantent…» (…die…gadeslaan…die zich…vermengen…Die…bezingen…) De ruit verdient een waarde van õ=2 wegens de context waar de stijlfiguur, nagenoeg onzichtbaar, zich voordoet. Wat de kist betreft, zijn de lenen die het verst uit elkaar liggen de twee woorden «Qui» (die, Die), en aan de afstand daartussen moeten we een waarde van n=50 toekennen, met de fronten: “l', observent, avec, regards, familiers, Comme, longs, échos, loin, se, confondent, Dans, ténébreuse, profonde, unité, Vaste, comme, nuit, et, clarté, parfums, couleurs, sons, se, répondent, est, parfums, frais, comme, chairs, enfants, Doux, comme, hautbois, verts, comme, prairies, autres, corrompus, riches, triomphants, Ayant, expansion, choses, infinies, Comme, ambre, musc, benjoin, encens” (hem, gadeslaan, met, blikken, vertrouwde, Als, lange, echo’s, ver, zich, vermengen, in, duistere, diepe, eenheid, weids, als, nacht, en, dag, geuren, kleuren, geluiden, elkaar, antwoorden, zijn, geuren, fris, als, huid, kinder, zacht, als, hobo’s, groen, als, weiden, andere, bedorven, rijk, zegevierend, bezittend, uitbreiding, dingen, oneindige, zoals, amber, muskus, benzoë, wierook.) Dat resulteert in een kist van ñ=2+(1(50/10))=2+(1(5))=2+5=7. Aangezien het plafond meer dan gedurfd is, moeten we akkoord gaan met een dresseur van ã=2. Zeker, de interpretatie is niet erg aannemelijk, maar heel gewiekst, en heeft daarom de glooiing ù=1 tot gevolg. Het is mogelijk dat de schepper van het gedicht deze herhaling van «qui» (die) eenvoudigweg over het hoofd heeft gezien, zo gewoon is het gebruik van het betrekkelijk voornaamwoord in het Frans, en dientengevolge is de vracht ò=2 billijk. De basis waarop de veronderstelling van de ribstof berust is van zeer abstracte aard, wat leidt tot een reliëf van ì=2. Gezien het feit dat de normale syntaxis per definitie niet uit een verborgen code kan bestaan, is een vernis van â=1 hier op zijn plaats. Wetenschappelijke kennis komt hier niet ter sprake, een uitlaat van û=1 is daarom juist. Grammaticale gewoontes hebben niets uit te staan met gewoontes van Baudelaire, en dus accepteren we de kring ô=1. Een ongeluk blijft uitgesloten, daar komt een ravijn van å=1 uit voort. Zo ontstaat een landgoed van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(7) (2)(1)(2)(2)(1)(1)(1)(1)= 1/(2)(7)(2)(2)(2)=1/112.

Methode

De vele rollen, die verscheidene giststoffen bezitten, veroorzaken een vaagheid in de redenering. Descartes zette de principes van zijn methode als volgt uiteen [266]: «Het eerste is om nooit iets voor waar aan te nemen wanneer ik daar niet volkomen zeker van ben…Het tweede, om elk van de obstakels in zoveel mogelijk kleine stukjes te verdelen om die dan te bestuderen en er zo een oplossing voor te vinden.» De tweede stelregel bevat de ideale manier om een goed begrip van elk onderdeel te verkrijgen. Met het eerste beginsel toont de wiskundige zich echter enigszins overmoedig, want we lopen het gevaar dat menig vraagstuk onbeantwoord blijft, terwijl we door middel van nog enigszins gebrekkige opvattingen die weldra verbeterd worden, enkele lichte vorderingen zouden kunnen maken. Een dergelijk oordeel doet aan de raadgeving van Wittgenstein denken [978]: «Men moet zwijgen als men niet in staat is iets te zeggen.» Zich erbij neerleggen zou koren op de molen van charlatans zijn, die zich over het onaangeroerd laten van sommige problematische onderwerpen zouden verheugen.

Toepassing op Baudelaire

“Amber, muskus, wierook en benzoë zingen.” Dit soort beeldspraak, dat van bescheidener aard is dan een mededeling met een wetenschappelijk karakter, loopt daar vaak stapje voor stapje op uit. Zelfs van de geuren die Baudelaire noemt worden veel verwante exemplaren aangetroffen die veel eenvoudiger zijn. Iemand die een wandeling in Parijs maakt snuift de geur op van hoge bossen, van bomen of planken die voor een bepaalde bouw gebruikt zullen worden. In elk van deze in aanbouw zijnde gebouwen, hoort hij enkele arbeiders van verschillende beroepen elkaar roepen en antwoord geven. Drilboor, zaag, bijl en dril maken een bepaald, typisch geluid, dat de arbeid vergezelt. In de grote tempel, die de stad vormt, zorgen de planken van eiken, ceders, kastanjebomen, sparren, notebomen, beuken, kersebomen en dennen voor een gevarieerd kleurenspel. De handelaar in oud ijzer bekijkt aandachtig de glanzende of matte legeringen, en vaak bijt hij in een monster daarvan om er het gehalte aan lood of koper van vast te stellen. In de huizen vermengen de geuren van tabak en de haard zich met die van was, gebruikt om zowel meubels als vloeren te onderhouden. Deze laat er de typische kenmerken van zijn eigenschappen achter [269]: «…die zoetheid van honing…die fijne bloemengeur…» De glasbewerker maakt, door het blazen van voorwerpen in ronde vrouwelijke vormen, veranderende plastieken. Op een gegeven moment, als hij zich in een toestand van zeer grote vervoering bevindt, wat een groot persoonlijk gevaar inhoudt, ziet Baudelaire, die zijn meditatie in relatie wil brengen met de tijd na zijn dood, zichzelf als een flesje met het vergif van zijn minnares, die met een woord dat men eerder voor een stad zou verwachten wordt aangeduid [[1041]] in Index II (Gedichten)">[[1041]]: «Ik zal je doodskist zijn, lieve stanklucht!
De getuige van je kracht en je kwaadaardigheid…» Misschien heeft Cervantes als voorbeeld gediend, met de figuur van de scholier die zichzelf, in een vlaag van verstandsverbijstering, in de vorm van een flacon ziet [184]: «De arme stakker beeldde zich in dat hij helemaal van glas was, en als men dichtbij hem kwam, slaakte hij daarom verschrikkelijke kreten en ontlokte hem dat een stroom woorden die erom smeekten niet dichtbij hem te komen omdat hij anders zou breken; want, om de waarheid te zeggen, was hij niet als de andere mensen: van hoofd tot voeten was hij helemaal van glas.»

§480
· Berekening XXXVI aangaande (F-encens…sens-¦¦¦¦-S-onjuistheid)
Theorie

Het eind van het sonnet lijkt op “…qui chantent l'étrange sort de l'esprit et des sens.” (…die het vreemde lot van de geest en de zintuigen bezingen). Maar sommige wijzigingen van de tekst, die we al bestudeerd hebben, leveren net zo’n soort landgoed op als we hier zullen verkrijgen. Zo hebben we ook heel wat berekeningen uitgevoerd die ongeveer dezelfde zijn als voor “…les transes, ports de laits pris et des sangs.” (…de trances, doorgangen van genomen melk en bloed.) Ook doet zich met betrekking tot “…comme l'ambre, le musc, le benjoin, -et l'encens qui chante les transports de l'esprit et descend.” (…zoals amber, muskus, benzoë, -en wierook die de vervoeringen bezingt van de geest en neerdaalt.) niets opzienbarends voor. We besteden echter meer aandacht aan de onjuistheid die getolereerd wordt aan het eind van de laatste regels, aangaande de woorden «encens» (wierook) en «sens» (zintuigen), omdat we deze volgens de traditie uit moeten spreken als: “ensant…sansse” (wierook…zintuigen) [425]. Het volgende voorbeeld is van Corneille afkomstig [213]: «Mais j'ai trop fait d'injure à nos Dieux tout- puissants:
Choisis de leur donner ton sang, ou de l'encens.» (Maar ik heb onze almachtige Goden te veel onrecht aangedaan:/Bied hun of je bloed of wierook aan.) In „Samenspel“ zet de rijm echter tot de dictie “ensansse…sansse” (wierook…zintuigen) aan. Mogelijk heeft Baudelaire willen suggereren dat overeenkomsten nooit op de juiste wijze door de mens worden bezien, en heeft hij voor deze houding een onjuiste klank als symbool gekozen. De beschrijving (F-encens…sens-¦¦¦¦-S-oneffenheid) (F-wierook… zintuigen-/-S-oneffenheid) houdt een beknopte toelichting van de betreffende ribstof in. Bij de gebruikmaking van een dichterlijke vrijheid voegt zich de gangbare, hoewel zeer onjuiste, articulatie “ensansse” (wierook), hetgeen een zinswending oplevert die volstrekt niet storend is en die resulteert in een ruit met een waarde van õ=2. De rijm verschaft een verharder, want het publiek stapt hierdoor van het ene woord op het andere over, alsof er een relatie tussen beide bestaat, en dat heeft een kist van ñ=2 tot gevolg. Het gevaar van een foutieve interpretatie van de aardkluit brengt de dresseur ã=2 met zich mee. Er is geen enkele onhandigheid in het plafond begaan, een glooiing van ù=1 is daarom redelijk. De schepper van het gedicht heeft klaarblijkelijk één van de speciale middelen van de versbouw toegepast, dientengevolge is een vracht van ò=2 vereist. De aanwezigheid van de “S” is voornamelijk een stoffelijke aangelegenheid, dus blijkt een reliëf van ì=1 onontkoombaar te zijn. Het feit dat het gebruik van een sleutel zinloos blijft, brengt een vernis van â=1 met zich mee. Aangezien we behalve het dichterlijke niveau niets geleerds waarnemen, zijn we gedwongen een uitlaat van û=1 toe te kennen. Letterkundigen mogen volgens gewoonte op een strategische plaats een medeklinker toevoegen, dankzij dit gegeven bestaat de waarde van de kring uit ô=2. Er wordt geen enkele melding van een ongeluk gemaakt, en dat feit heeft een ravijn van å=1 tot gevolg. We verkrijgen een aannemelijkheid van 1/õñãùòìâûôå=1/(2)(2)(2)(1)(2)(1)(1)(1) (2)(1)=1/(2)(2)(2)(2)(2)=1/32.

Methode

Het is problematisch om de geschiedschrijving in onze verbeelding opnieuw in elkaar te zetten, maar zo’n imaginaire situatie dient om een stuk gereedschap te vinden waarmee we beter de scheiding tussen daadwerkelijke intrusies en zegswijzen die vaak gebruikt worden als het om de schoonheid van poëzie gaat, kunnen aangeven.

Toepassing op Baudelaire

We beginnen opnieuw met de berekening betreffende (F-encens…sens-¦¦¦¦-S-oneffenheid) (F-wierook…zintuigen-/-S-oneffenheid) en veronderstellen nu dat het ten tijde van de dichter niet gebruikelijk was om “ensansse” te zeggen. Verder zullen we veronderstellen dat er op dat moment geen dichterlijke vrijheid betreffende de “S” aan het eind van «encens» (wierook) bestond. Het gevolg daarvan is dat Baudelaire dit dus niet heeft kunnen aanwenden om de rijm tussen “encens” en “sens” aanvaardbaar te maken. Het is nu een voldongen feit dat “ensansse…sansse” een onregelmatigheid bevat, doordat de schrijver hier een nieuw gebruik heeft ingevoerd. Het publiek begrijpt dat het hier “ensansse…sansse” moet zeggen, in verband met de vereiste eindklanken, en dientengevolge is õ=1 terecht. De verharder blijft intact en daardoor wordt ñ=1 veilig gesteld. De kans op een juiste interpretatie van de troop wordt groter, want wat de schrijver doet komt immers tamelijk schokkend op ons over, en om die reden kennen we ã=1 toe. De wetenschap trekt geen enkel profijt van de aardkluit, ù=1 moet daarom geaccepteerd worden. Aangezien de auteur van de vereiste regels aangaande de dichtkunst is afgeweken, is ò=1 billijk. Het voorkomen van de “S” is vooral een concrete aangelegenheid, resulterend in ì=1. Elk wetenschappelijke of geheime code is hier zinloos, hetgeen â=1 tot gevolg heeft. Van speciale kennis, behalve die van de dichtkunst, is geen sprake, û=1 staat dus vast. De kunstenaar wordt niet door een bepaalde gewoonte beïnvloed, daar komt ô=1 uit voort. Omdat het sonnet niet door een ongeluk wordt getroffen, blijft de waarde å=1 onveranderd. Het verminderde risico zou dus een waarde van 1/õñãùòìâûôå=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1/1=1 hebben opgeleverd indien de gebruikelijke manier van uitspreken “ensant” (wierook) zou zijn geweest, en er hier ook geen dichterlijke vrijheid in het spel was. Deel zeven: SAMENHANG