Het essay — Deel IV

Aannemelijkheid der analogieën

Legenda van de blokken

Theorie — de begripsmatige uiteenzetting Methode — opmerkingen bij de toepassing Baudelaire — de toepassing op het sonnet Samenspel
§241
· Analogieën
Theorie

Aangezien de titel «Correspondances» (Samenspel, Overeenkomsten) volgens verschillende tekstverklaarders “Analogieën” inhoudt, is het gemakkelijk te begrijpen dat we ertoe gebracht worden de aannemelijkheid te meten van opvattingen die niet in de eerste plaats kennis maar verbeelding betreffen. Daar maken we hier een studie van door middel van rails die we op een heel vrije manier hebben samengesteld. De denkbeelden, met name de sporen, worden voorgesteld door hoofdletters van het Latijnse alfabet. Zo beschikken de noten over dezelfde benodigde souplesse om de ideeën die de woorden bevatten van vele kanten nader te onderzoeken. Onder een waarde van 1/16 zijn de hoeveelheden te verwaarlozen, opnieuw met behulp van uitbreiding van het klinken. De in de teksten voorkomende stijlfiguren die onze aandacht vasthouden, zoals “ouderdom in het leven is de avond van een dag”, vormen samenstellingen van begrippen die vaag overeenkomen met het vereenvoudigen van breuken zoals "10/30=1/3" [38]-[387]-[970].

Methode

Het aanhalen van een wiskundig element wil niet zeggen dat we het gebied der verbeelding hebben verlaten. Elke keer als we een beduidenis anders gebruiken vermindert dat de rigueur, zoals “vierkantswortels speelden op het gras met enkele delingen” ons laat zien.

Toepassing op Baudelaire

De relatie tussen de wiskunde en de poëzie heeft, ondanks een grote kwetsbaarheid, een aanzienlijke rol gespeeld in de speculatie [38]-[971]. Diderot schreef [278]: «De analogie is, zelfs in de meest gecompliceerde gevallen, slechts een regel van drieën die op het vlak van de menselijke gevoeligheid uitgevoerd wordt.» Dat soort gezichtspunten gevoegd bij een hevige dorst naar kennis lijkt op de belangstelling die de auteur van het gedicht opeens voor de wiskunde had. Champfleury spaart hem nauwelijks als hij een grapje over hem maakt [614]: «Op een dag zagen we Baudelaire met een boek van Swedenborg onder zijn arm; niets in geen enkele literatuur kon, volgens hem, wedijveren met Swedenborg. […] De dichter werd gesignaleerd met een dik algebra boek bij zich; de literatuur bestond niet meer, de algebrastudie had al z’n aandacht en de Pool Wronski deed Swedenborg naar de achtergrond verdwijnen.» Maar Wronski was tevens theosoof en vertoonde dientengevolge gelijkenis met de verlichte Zweedse auteur die in het Latijn schreef.

§242
· Duffel
Theorie

De duffels vormen de analogieën die hier het meest onze aandacht vragen, en ze worden verdeeld in vier soorten, bestaande uit de symbolen en types (E-/F-/H-/R) “de ouderdom van het leven is als de avond van de dag”; (E-/F-/H) “ouderdom, in het leven, is een avond”; (E-/H) “ouderdom is als een avond”; (E./H) “ouderdom is een avond”. We noteren dit ook als (ouderdom-/leven-/avond-/dag); (ouderdom-/ leven-/avond); (ouderdom-/avond); (ouderdom./avond).

Methode

Er is gewoonlijk geen enkele esthetische beweegreden of kennis voor deze gezegdes vereist, en toch mag geen van deze beide positieve aspecten erbij genegeerd worden.

Toepassing op Baudelaire

In de eerste versregel van „Samenspel“ gebruikt Baudelaire de ingewikkelde beeldspraak «De Natuur is een tempel…», waarmee hij ons laat zien dat reflectie, analogie, pracht en tegenstelling elkaar niet uitsluiten. Anderzijds wil het feit dat het gedicht dergelijke bronnen tegelijkertijd gebruikt niet zeggen dat dit in andere omstandigheden ook het geval moet zijn.

§243
· De naam van de duffels
Theorie

Elke duffel wordt door ons aangeduid met het algemene symbool (-./) en we noemen (E-/F-/H-/R) de inning; (E-/F-/H) de transplantatie; (E-/H) de confrontatie; (E./H) de metafoor.

Methode

Dankzij een oude traditie beschikken we over de laatste naam, terwijl we de drie andere hebben moeten verzinnen om het onderzoek te kunnen voortzetten [411]-[467]-[472].

Toepassing op Baudelaire

Beginnend met (Natuur-/wouden-/tempel -/pilaren) gaan we moeiteloos over tot (Natuur-/wouden-/tempel), (Natuur-/tempel), (Natuur./tempel). Het kon wel eens zijn dat deze beroemde metafoor «De Natuur is een tempel…» iets te danken heeft aan bewegingen, bijna een eeuw voor Baudelaire ontstaan, die gekant waren tegen een enthousiasme die in hun ogen de wetenschap te boven ging. We weten niet welke werken de schrijver precies onder ogen heeft gehad, maar hij was in ieder geval op de hoogte van de polemieken die in de vorige eeuw gestreden werden. Het kan zijn dat de uitstekende kwaliteit van zijn leermeesters hem in staat heeft gesteld op de hoogte te zijn van de bekend geworden provocatie van Kant [473]-[600]: «Zo moest ik dus afstand doen van de kennis om voor het geloof een plaats vrij te maken…» Hume meende zijn filosofie anders te moeten gebruiken [465]: «Laten we ons, ongeacht welk boekwerk we ter hand nemen; scholastieke theologie of metafysica bijvoorbeeld; steeds afvragen, "Komt er een bepaalde abstracte redenering in voor betreffende hoeveelheden of aantallen?" Neen. "Komt er een bepaalde wetenschappelijke redenering in voor met betrekking tot zaken die werkelijk bestaan?" Neen. Verbrand het maar: want het kan slechts sofisme en illusie bevatten.» Sainte-Beuve schrijft [889]: «M. de Maistre bezit als het ware een bijzonder, een geweldig talent om de geslepen vijanden van het christendom (Hume, Gibbon) te overmeesteren, om ze in hun gangen na te gaan en hun listen te ontmaskeren.»

§244
· Abrupt en sierlijk
Theorie

Het geheel van beeldspraken kent onderling een verdeling in twee tegengestelde soorten: abrupt (;/) en sierlijk (:/). Het abrupte genre (;/) betreft de stijlfiguren die gebruikt worden in een verstandelijke redenering, de andere behoren daarentegen tot het tweede genre. De inning (E-/F-/H-/R) wordt gepresenteerd als (;E-/F-/H-/R) als hij zich in situatie één bevindt, maar als (:E-/F-/H-/R-/) wanneer er sprake is van de tweede. De transplantatie (E-/F-/H) kan voorkomen in situatie (;E-/F-/H) en (:E-/F-/H). De confrontatie (E-/H) is mogelijk als (;E-/H) en (:E-/H). De metafoor (E./H) bestaat als (;E./H) en (:E./H).-/// M///-De implicatie, een handeling verricht door het verstand aangeduid met het symbool (=>) wordt, wanneer hij met betrekking tot kennis wordt gebruikt, beschouwd als de redenering van het hoogste niveau. Elementaire zinnen als (x) en (y), interpreteren we als (x=>y) "nooit x zonder y" maar het is mogelijk daarvoor een afkorting te gebruiken door (=>) te lezen als "impliceert". We stemmen ermee in dat (;2-/3-/4-/6) heel terecht de kwalificatie abrupt ontvangt betreffende een gedeelte van ((1/3)=(2/6))=>((2/3) =(4/6)). Maar, lang zo onwrikbaar niet, beschrijft “ouderdom is de avond van het leven” een veel minder strak idee [38]-[387]-[970].

Toepassing op Baudelaire

Een oordeel als “de verhouding van de pilaren tot de wouden is die van de tempel tot de Natuur” draagt meer het sierlijke karakter dan het abrupte, het gebrek aan fijnheid ten spijt, omdat “sierlijk” enkel “niet-abrupt” wil zeggen. De beschrijving van droombeelden waaruit men tot nu toe moeilijk enige rigueur kon halen, is daar een voorbeeld van. Cicero beschrijft hoe het bijgeloof die leegte tracht op te vullen [202]: «…De interpreten zich baserend op een soort verwantschap en overeenstemming met de natuur, die ze "sympathie" noemen, begrijpen hetgeen in dromen in verband staat met deze of gene zaak…»

§245
· Hard en vormbaar
Theorie

De duffels worden nog in twee nieuwe types verdeeld, namelijk de vormbare (’/) en de harde (,/). Elke stijlfiguur van het harde genre (,/) komt door zijn strakker geordende inhoud iets dichter bij het model “2/3=4/6” dan iedere andere die vormbaar is. Een voorbeeld zoals “de avond is ten opzichte van de dag wat de ouderdom ten opzichte van het leven is” maakt van het harde genre deel uit, omdat de voorstelling van gelijkheid ((avond/dag)=(ouderdom/leven)) immers aan ((2/3)=(4/6)) doet denken. We benadrukken dat, wanneer het denkbeeld een dubbele gradering bevat, dit nuttig blijkt te zijn om de analogie van het harde genre te vatten: morgen, middag, avond; kindertijd, volwassenheid, ouderdom. Hoewel (avond-/dag-/ouderdom-/leven) bij lange na niet de geordendheid vertoont van (2-/3-/4-/6), hoort deze beeldspraak meer tot het type (,E-/F-/H-/R) dan tot het daaraan tegengestelde soort (’E-/F-/H-/R). Zo zullen, omdat bovengenoemde verdeling opgaat voor de duffels in het algemeen, metafoor, confrontatie en transplantatie deze beide aspecten, hard en vormbaar, eveneens vertonen in de gestalte van (’E./H), (,E./H); (’E-/H), (,E-/H); (’E-/F-/H) en (,E-/F-/H).

Methode

De inning mag dan het soort duffel zijn dat de meeste logica biedt, door zijn beknoptheid is in esthetisch opzicht de metafoor het voorbeeld bij uitstek [862].

Toepassing op Baudelaire

We stellen voor «De Natuur is een tempel waar levende pilaren
Soms verwarde woorden uit loslaten;
De mens gaat er wouden van symbolen
Door…» te bestuderen. De rangschikking in de link (Natuur-/wouden-/tempel-/pilaren) lijkt te stroken met de toespeling op een land dat erg van striktheid houdt [8]. Germaine de Staël schrijft [558]-[938]: «Novalis heeft veel over de natuur in het algemeen geschreven, hij noemt zichzelf, met recht, de discipel van Saïs, omdat in die stad de tempel van Isis werd gebouwd, en omdat de tradities die ons nog van de mysteries der Egyptenaren resten ons doen vermoeden dat hun priesters een gedegen kennis van de wetten der natuur bezaten.»

§246
· Bakens en boog
Theorie

De boog bestaat uit de meting van de aannemelijkheid van duffels, en daartoe worden de numerieke hoeveelheden ä, ë, ï, ö, ü, en ÿ gebruikt die we bakens noemen. Het product ervan äëïöüÿ wordt door vermenigvuldiging berekend, teneinde de boog 1/äëïöüÿ uit te werken. De verschillende bakens heten successievelijk: kanteel (ä), stadsmuur (ë), torentje (ï), vestingmuur (ö), vestinggracht (ü) en sluippoort (ÿ). Voor ongeacht welke duffel, meet de boog de bewering “de schepper van het boek heeft gewild (-./)”.

Methode

Zodra al deze numerieke criteria een hoogte van 1 bereiken, is het geoorloofd de boog diezelfde waarde 1=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1) toe te kennen, het maximale niveau van aannemelijkheid voor de meest uiteenlopende duffels: inning (E-/F-/H-/R), transplantatie (E-/F-/H), confrontatie (E-/H) en metafoor (E./H). Als één van deze vele condities voor een optimale aannemelijkheid ontbreekt, wordt de boog door een baken van een andere waarde dan 1 gedeeld en boet onmiddellijk aan kracht in.

Toepassing op Baudelaire

We werken een waarderingssysteem uit waarbij we meting gebruiken voor teksten die in menig opzicht voor iets anders dan wiskunde gemaakt zijn. Dante richt zich op de volgende wijze tot het publiek [230] : «U die een gezond verstand hebt,
Bedenk welke les hier
Achter de sluier van mysterieuze dichtregels schuil gaat.» Baudelaire compliceert de zaken omdat hij verwachtingen combineert met een verlangen dat d'Aubigné zo beschrijft [43]: «Mijn ogen hebben met verdorven hartstocht
De afschuw gezocht, mijn handen het bloed, en mijn hart de wraak…» Toch wordt hier in "Bloemen van het kwaad" nu een wrede toon vermeden als hij geamuseerd een hulde brengt aan [[1069]] in Index II (Gedichten)">[[1069]]«…de smachtende of uitbundige kussen,
Zo warm als zonnen, zo fris als watermeloenen…»

§247
· Springplanken
Theorie

De in aanmerking komende bevestigende noten, die E, F, H, R, maar ook E, F, H, R, of E, H, met elkaar verbinden, en die termen als sporen hebben, vormen de springplanken. Ze zijn allemaal mogelijk bij elke duffel met een waarde van 1, maar daarvoor is het nodig dat de interne ruimte ervan op het minimale niveau gehandhaafd blijft. Met betrekking tot (avond./leven), en eveneens (ouderdom-/avond-/leven), blijkt dat de noot b(avond~leven) een springplank is, omdat de tekst in beide gevallen, en met name in het laatste, het door Empedocles gebruikte gezegde “ouderdom is de avond van het leven” kan inhouden [38].

Toepassing op Baudelaire

De negende versregel «Er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid…» bevat de confrontatie (geuren²-/kinderhuid) waarvan de springplank b(geuren²~kinderhuid) de interne ruimte 1 niet ongedaan kan maken wegens het evidente grammaticale verband.

Methode

We laten hier de situaties (r), (v), of (o) van de springplanken onvermeld, aangezien ze geen enkele rol spelen bij de meting van de ruimtes.

§248
· Een grote mate van waarschijnlijkheid
Theorie

Betreffende een duffel wordt voor een hoge mate van aannemelijkheid het voordeel vereist van een aantal pluspunten: een ruimte met een waarde van 1 voor elke springplank; de verzekering dat de schepper van het boek de analogie kon bedenken; de samenstelling ervan bestaat uit termen; al degene die we nodig hebben om de gewenste beduidenis te verkrijgen worden in de duffel gebruikt; de schikking ervan is zoals die ons door de tekst wordt gepresenteerd; de mengeling van onderling zeer verschillende begrippen; er zit wel of niet een argumenterende kant aan, variërend alnaargelang het sierlijke of abrupte karakter; een meer of minder strakke orde voor de gebruikte beeldspraken, afhankelijk van het feit of de beeldfiguur tot het harde of het vormbare soort behoort.

Methode

Het vaststellen van deze voorwaarden komt neer op het hanteren van de numerieke criteria bestaande uit de bakens ä, ë, ï, ö, ü, ÿ waarin deze punten behandeld worden.

Toepassing op Baudelaire

In de toekomst zou het mogelijk moeten zijn dit onderzoek uit te breiden tot het spel der klanken, zonder dat we daarbij het slachtoffer van een luchtspiegeling worden. De herhaling van “d-D” in «confondent,
Dans» (vermengen,/In), in de versregels vijf en zes, lijkt een uitdaging te zijn om alles in te zetten om dit op te helderen. Anderzijds vielen ons al in het eerste kwatrijn de klanken op in «paroles;
L'homme» (woorden;/De mens). Als we het hele gedicht bekijken, zien we dat in de rijmen klanken, overeenkomsten, terugkomen: “iers…oles…oles…iers…ondent…té…té…ondent…ants…ies… ants…ies…cens…sens”. Deze herhaling wordt ook gebruikt in «chantent…sens» (bezingen-zintuigen) in de laatste versregel, om als het ware zo uiting te geven aan het opgeroepen denkbeeld. Een andere, bijna identieke situatie trekt eveneens onze aandacht: «Comme de longs échos qui de loin se confondent…» (Als lange echo’s die zich van ver vermengen…) De serie “o…on…o…oin…on…on” schijnt er een soort echo in voor te stellen.

§249
· Inningen
Theorie

De inning wordt zeer abstract als (E-/F-/H-/R) genoteerd zonder dat hierbij de volgorde zoals die in de tekst voorkomt voor de precieze opeenvolging van de termen in aanmerking wordt genomen. De overeenkomsten daartussen verder doorvoerend, vervangen we E, F, H, R door evenzovele mobiele tekens, namelijk I, II, III, en IV. Nu wordt het feit dat het geheel van deze stijlfiguren 24 mogelijkheden biedt, beter zichtbaar [975]: (I-/II-/III-/IV); (I-/II-/IV-/III); (I-/III-/II-/IV); (I-/III-/IV-/II); (I-/IV-/II-/III); (I-/IV-/III-/II); (II-/I-/III-/IV); (II-/I-/IV-/III); (II-/III-/I-/IV); (II-/III-/IV-/I); (II-/IV-/I-/III); (II-/IV-/III-/I); (III-/I-/II-/IV); (III-/I-/IV-/II); (III-/II-/I-/IV); (III-/II-/IV-/I); (III-/IV-/I-/II); (III-/IV-/II-/I); (IV-/I-/II-/III); (IV-/I-/III-/II); (IV-/II-/I-/III); (IV-/II-/III-/I); (IV-/III-/I-/II); (IV-/III-/II-/I).

Methode

Er doet zich geen enkele moeilijkheid voor om 24 voorbeelden van de inning (E-/F-/H-/R) te noemen met behulp van de sleutelwoorden “ouderdom” I, “leven” II, “avond” III, en “dag” IV [38]: “de verhouding van de ouderdom tot het leven is als die van de avond tot de dag”; “ouderdom in het leven, komt op het moment van de dag dat de avond is”; “ouderdom en avond beëindigen respectievelijk het leven en de dag”; “de ouderdom die de avond is heeft de dag als leven gehad”; “de ouderdom heeft zijn dag, die een leven met een avond is”; “ouderdom heeft zijn dag gehad, en avond zijn leven”; “het leven heeft, in de ouderdom, de avond van zijn dag”; “de verhouding van het leven tot de ouderdom is die van de dag tot de avond”; “het leven heeft een avond: de ouderdom van zijn dag”; “het leven heeft een avond, en de dag een ouderdom”; “het leven is een dag, de ouderdom een avond”; “het leven is een dag, waarvan de avond de ouderdom is”; “de avond die de ouderdom is heeft het leven als dag gehad”; “de avond die de ouderdom is beëindigt de dag van het leven”; “de avond van het leven is de ouderdom die een dag beëindigt”; “de avond van het leven beëindigt die dag in ouderdom”; “de verhouding van de avond tot de dag is die van de ouderdom tot het leven”; “de avond, in de dag, is, in het leven, de ouderdom”; “de dag voelt de ouderdom: van zijn leven de avond”; “de dag nadert zijn ouderdom: de avond van een leven”; “de dag van het leven heeft de ouderdom als avond”; “de dag van het leven heeft een avond: de ouderdom”; “de dag heeft als avond de ouderdom van zijn leven”; “de verhouding van de dag tot de avond is die van het leven tot de ouderdom”.

Toepassing op Baudelaire

De inningen zijn zo lomp dat we de indruk hebben dat Baudelaire ze in fragmenten verdeelt om ze beter in een dichterlijke vorm te kunnen gieten [[1023]] in Index II (Gedichten)">[[1023]]: «Het lijkt of er een waas ligt over je blik;
Je geheimzinnige oog, -is het blauw, grijs of groen?-
Afwisselend teder, zacht en wreed,
Weerkaatst de ongevoeligheid en de bleke kleur van de hemel.

Je doet me denken aan die lichte, zoele en nevelige dagen,
Die de betoverde harten doen smelten in tranen,
Wanneer de overspannen zenuwen door een onbekend kwaad gekweld,
De slapende ziel tarten.

Soms lijk je op die schone horizonnen
Verlicht door de zonnen van mistige seizoenen;
Dauwnat landschap, wat ben je schitterend
Door de stralen uit een mistige hemel vallend in vlam gezet!

O gevaarlijke vrouw! O verleidelijke klimaten!
Zal ik eveneens je sneeuw en jullie ijzel aanbidden,
En zal ik uit de ongenaakbare winter
Groter plezier kunnen halen dan hardvochtigheid en kou?»

§250
· Transplantaties
Theorie

De transplantatie (E-/F-/H), die vergezeld gaat van 3 begrippen, laat ons die kiezen uit de 4 van de inning die we al bestudeerd hebben: I, II, III en IV. Dat levert 24 verschillende situaties op [976]: (I-/II-/III); (I-/II-/IV); (I-/III-/II); (I-/III-/IV); (I-/IV-/II); (I-/IV-/III); (II-/I-/III); (II-/I-/IV); (II-/III-/I); (II-/III-/IV); (II-/IV-/I); (II-/IV-/III); (III-/I-/II); (III-/I-/IV); (III-/II-/I); (III-/II-/IV); (III-/IV-/I); (III-/IV-/II); (IV-/I-/II); (IV-/I-/III); (IV-/II-/I); (IV-/II-/III); (IV-/III-/I); (IV-/III-/II).

Methode

Een transplantatie (E-/F-/H) dient zich aan als een ingekorte inning (E-/F-/H-/R), maar met een, voor de niet-wiskundige, verbazingwekkende handhaving van het aantal mogelijkheden [975]-[976]. De hier volgende serie voorbeelden, gebaseerd op de hoofdwoorden “ouderdom” I, “leven” II, “avond” III, “dag” IV, maakt het geheel gemakkelijker te begrijpen [38]: “ouderdom, in het leven, is een avond”; “de ouderdom heeft, met het leven, zijn dag gehad”; “ouderdom is de avond van het leven”; “de ouderdom is de avond van een dag”; “de ouderdom heeft zijn dag als leven”; “de ouderdom van de dag is de avond”; “het leven heeft zijn ouderdom als avond”; “het leven is, voor de ouderdom, een dag geweest”; “het leven heeft als avond de ouderdom”; “het leven bereikt de avond van zijn dag”; “het leven sluit zijn dag met de ouderdom af”; “het leven sluit zijn dag met een avond af”; “de avond, die de ouderdom is, sluit het leven af”; “de avond is de ouderdom van de dag”; “de avond van het leven is de ouderdom”; “de avond van het leven sluit zijn dag af”; “de avond is, voor de dag, een ouderdom”; “de avond sluit de dag van het leven af”; “de dag komt bij de ouderdom van zijn leven aan”; “de dag heeft de ouderdom als avond”; “de dag is een leven dat zijn ouderdom heeft”; “de dag van het leven heeft zijn avond”; “de dag heeft, als avond, zijn ouderdom”; “de dag bereikt de avond van zijn leven”.

Toepassing op Baudelaire

De schikking van de woorden in analogieën van dichterlijke aard is niet altijd zo overzichtelijk als die in de hier genoemde gevallen. Over het feit dat het gebruikelijke karakter van een vrouw hier niet blijkt te stroken met de vertrouwelijke mededeling die haar door de omstandigheden ontglipt, schrijft Baudelaire [[1025]] in Index II (Gedichten)">[[1025]]: «Plotseling kwam, in een vertrouwde, vrije sfeer
Ontstaan in de bleke dageraad,
Uit u, rijk en klankvol instrument waar
Slechts de stralende blijheid trilt,

Uit u, zo helder en vrolijk als een fanfare
Op deze schitterende morgen,
Wankelend, een klaaglijke toon, een vreemde toon
Naar boven…» De stijlfiguur (vous-/note-/chancelant) (u-toon-wankelend) is niet zo gemakkelijk te vatten als (ouderdom-/ avond-/leven) in “ouderdom is de avond van het leven” [38].

§251
· Metaforen en confrontaties
Theorie

Het lijkt nu praktisch een vereiste te zijn dat er 12 confrontaties tot stand komen, waarvan 2 beeldspraken uit de groep van 4 gekozen moeten worden, aangezien we het aantal, 24, van de transplantaties eenvoudigweg door 2 delen [976]. Dat zou het volgende resultaat moeten opleveren: (I-/II); (I-/III); (I-/IV); (II-/I); (II-/III); (II-/IV); (III-/I); (III-/II); (III-/IV); (IV-/I); (IV-/II); (IV-/III). Op dezelfde wijze lijkt de metafoor in 12 vormen te resulteren: (I./II); (I./III); (I./IV); (II./I); (II./III); (II./IV); (III./I); (III./II); (III./IV); (IV./I); (IV./II); (IV./III). Toch verwerpt de intuïtie, die de inning “de verhouding van de ouderdom tot het leven is die van de avond tot de dag”, (I-/II-/III-/IV), als richtsnoer aanwijst, onmiddellijk 4 vormen: “de ouderdom is als het leven” (I-/II); “het leven is als de ouderdom” (II-/I); “de avond is als een dag” (III-/IV); “de dag is als een avond” (IV-/III). Met betrekking tot de metafoor, sluiten we eveneens 4 modellen uit: “de ouderdom van het leven” (I./II); “het leven heeft zijn ouderdom” (II./I); “de avond van de dag” (III./IV); “de dag heeft zijn avond” (IV./III).

Methode

We behouden 8 confrontaties: “ouderdom is als een avond” (I-/III); “de ouderdom heeft bij wijze van spreken haar eigen dag gehad” (I-/IV); “het leven heeft bij wijze van spreken zijn eigen avond” (II-/III); “het leven is als een dag” (II-/IV); “de avond is als een ouderdom” (III-/I); “de avond beëindigt bij wijze van spreken een leven” (III-/II); “de dag heeft bij wijze van spreken zijn eigen ouderdom” (IV-/I); “de dag is als een leven” (IV-/II). Op dezelfde wijze houden we 8 metaforen aan: “ouderdom is een avond” (I./III); “de ouderdom van de dag” (I./IV); “het leven heeft zijn avond” (II./III); “het leven is een dag” (II./IV); “de avond is een ouderdom” (III./I); “de avond van het leven“ (III./II); “de dag heeft zijn ouderdom” (IV./I); “de dag is een leven” (IV./II).

Toepassing op Baudelaire

De toegang tot de diverse confrontaties wordt door de tekst wel of niet vergemakkelijkt. In de eerste terzine van „Samenspel“, wordt (geuren 2-/hobo’s) dadelijk begrepen, omdat we in gedachten (geuren-/zachtheid-/hobo’s-/gekakel) ofwel “de verhouding van sommige parfums tot een geurende zachtheid komt overeen met die van het geluid van de hobo tot het gekakel op een boerenerf” uitwerken. Let er overigens op, dat dit ons helpt te begrijpen waarom dit instrument ons aan het platteland doet denken.

§252
· Schaapskooi, leiboom en site
Theorie

Een schaapskooi bestaat uit een voorwerp waarin de schepper van het boek verschillende aspecten ziet, en het doet er hier nauwelijks toe of dit object dat in verstandelijk opzicht wordt gespleten, een steunpunt of een bobbel is. Een leiboom bestaat uit het begrip schaapskooi, en de conceptie van een aspect van de schaapskooi wordt een site genoemd. De gedachte «groen» levert een site op voor de leiboom «kleuren» in „Samenspel“, omdat groen voor Baudelaire een aspect is van de schaapskooi die kleuren heet.

Methode

Laten we onze toevlucht nemen tot het geijkte voorbeeld “ouderdom is de avond van het leven” (ouderdom-/avond-/leven). De leiboom “leven” bezit de site “ouderdom”. Als, afgezien daarvan, de tekstverklaarder een leiboom “dag” verzint die de tekst niet openlijk verschaft, ziet hij in dat de term “avond” voor dit denkbeeld een mogelijkheid van een site biedt, omdat dit voor de schepper van het boek door niets met zekerheid belet wordt. Bij 2/3=4/6 ofwel (2-/3-/4-/6) lijkt het erop dat 2 een deel van 3 is, en 4 van 6. De vorming van de getallen 2 en 4 zijn nu twee sites met betrekking tot de leibomen die de ideeën betreffende respectievelijk 3 en 6 verschaffen.

Toepassing op Baudelaire

De wijziging van een oordeel betreffende een analogie maakt het nodig dat het geheel van “site-leiboom” opnieuw bestudeerd wordt, zoals in de verandering van (kindertijd-/morgen-/ouderdom-/avond) in (rose-/morgen-/paars-/avond). Het is net als met het in ons opnemen van onverwachte verschijnselen, een moeilijk proces volgens Baudelaire. Hoe bevooroordeeld hij ook was, hij had, in de culturele context van die tijd, middelen gevonden om zijn waardering aan de schok van een nieuw feit aan te passen. Terwijl hij, eventueel ook wat hemzelf betreft, twee houdingen met elkaar confronteert, enerzijds die van de echte, maar met starre zienswijzen behepte neoklassieke geleerde, anderzijds die van de mens met een soepele geest die zich in nieuwe situaties schikt, verklaart de dichter, bij het bezoek aan een Wereldtentoonstelling [711]: «…wat zou een moderne Winckelmann doen…wat zou hij zeggen als hij zich tegenover een Chinees voorwerp bevond, een vreemd, storend voorwerp, met allerlei kronkels, van een intense kleur, en soms adembenemend fijngevormd? Het maakt niettemin deel uit van de universele schoonheid; maar om het te begrijpen, moet de criticus, de toeschouwer, in zichzelf een verandering teweegbrengen…Die architecturale vormen, die in het begin tegen zijn conventionele opvattingen indruisten…die planten die zo verontrustend waren voor zijn geheugen vol met herinneringen uit zijn vroegste jaren…die geuren zo anders als die van de zitkamer van zijn moeder, die mysterieuze bloemen waarvan de diepe kleur eigenmachtig het oog binnendringt, terwijl hun vorm de blik tart, die vruchten waarvan de smaak de zinnen bedriegt en van hun stuk brengt, en het verhemelte met denkbeelden confronteert die voor het reukorgaan bestemd zijn, heel die wereld van nieuwe harmonieën doet langzaamaan zijn intrede in hem, neemt geduldig bezit van hem, als de damp van een stoomketel vol aroma’s; heel die onbekende kracht wordt aan de zijne toegevoegd…De onredelijke, doctrinaire aanhanger van de principes van het mooie zou vast en zeker wartaal uitslaan; opgesloten in de verblindende vesting van zijn systeem, zou hij het leven en de natuur te schande maken, en zijn Griekse, Italiaanse of Parijse fanatisme zou hem overhalen dat brutale volk te verbieden op andere wijze te genieten, te dromen of te denken dan hijzelf gewoon is, barbaarse wetenschap…die de kleur van de hemel, de vorm van de planten, de beweging en de geur van de dieren vergeten is en wier verstijfde vingers, verlamd door het schrijven, niet langer in staat zijn zich lenig over het enorme toetsenbord der "analogieën" te bewegen!»

§253
· Schaal, speld en plak
Theorie

Het komt voor dat de schepper van het boek aan een schaapskooi drie aspecten of meer toekent. Ze kunnen, één, van een logische orde zijn; twee, van toenemende grootte of intensiteit, op waarde geschat naar de hoeveelheid of de kwaliteit; drie, elkaar opvolgen, in de tijd of de ruimte. Op het logische vlak beschikken we trapsgewijs op z’n minst over: element; beperkt deel; geheel. Iedere keer vormen de niveaus plakken van de schaapskooi, en het begrip plak bestaat uit een schaal van de leiboom. Zo’n logische uitleg verschaft enkele zones die een betekenis inhouden: bijvoorbeeld I bewoner; II jongelui; III bevolking. Bij de groep waar het om een hoeveelheid gaat, moeten we minimaal een situatie I bepalen waarin het een geringe hoeveelheid betreft; een geval II van middelgrote omvang; een toestand III die een grote afmeting betreft. Zo zijn de groottes van I zandkorrel; II kei; en III rots oplopend. In de categorie waar het om kwalitatieve wisselingen gaat kunnen we een onderscheid maken tussen I lelijk; II banaal en III mooi. Voor een opeenvolging in de tijd komen op elkaar aansluitende zones zoals I jeugd, II volwassen leeftijd, III ouderdom, in aanmerking. Op dezelfde wijze onderscheidt het verstand ten opzichte van de zee I oppervlak; II diepte; III diepzeegebied. Een gezegde zoals “het diepzeegebied van de ouderdom” heeft een beduidenis. Het getal dat de juiste plaats van de plak in de schaapskooi toekent, precies als die van de schaal in de leiboom, heet de inburgering. Deze behoort tot een numerieke reeks, met bijvoorbeeld de toekenning van 2 aan II in het geheel van I, II, III. Ondanks de zeer grote verscheidenheid aan situaties die op het intuïtieve vlak mogelijk zijn, geldt voor alle gevallen, dat zodra twee series eenzelfde mogelijkheid van inburgering toestaan, we met een speld van doen hebben.

Methode

Bij 2/3=4/6 ofwel (2-/3-/4-/6) valt de tegenwoordigheid van de speld te verdedigen, omdat (2), (2,5) en (3) enerzijds en (4), (5) en (6) anderzijds immers (2) en (4) als stadium I verschaffen.

Toepassing op Baudelaire

Bij „Samenspel“, passen de denkbeelden “bederf” en “frisheid” bij de leiboom “geuren²” maar men moet niet proberen daarin twee schalen te zien. Geen enkel stel relaties van het type totaliteit-deel komt in aanmerking voor de speld, gezien het feit dat we daarbij enkel een herhaling van de tegenstelling I-II hebben. Concrete relaties tussen woorden als "kerk- dorp"-"kathedraal-stad" blijken nauwelijks beter in staat te zijn op correcte wijze in het bezit te komen van de speld die soms gevraagd wordt, of het kerkgebouw zou zich midden in de bebouwde kom moeten bevinden, zodat er een indeling ontstaat als rand-I; tussengedeelte-II; centrum-III.

§254
· Kiosken van de inning
Theorie

In de parallellen tussen beduidenissen, bestaan de zones betreffende de logica, waarin alleen termen voor gevallen met een zeer grote aannemelijkheid voorkomen, uit de kiosken. Een inning bezit 4 kiosken, en deze staan voor E, F, H en R, alle vermeld in (E-/F-/H-/R).

Methode

Het aantal springplanken loopt op tot 6 wanneer elke kiosk een term bevat. We zouden bij een aantal van 12=(4(4-1)) uitkomen indien er tussen elk spoor en de 3 andere een relatie zou bestaan. Maar het is niet mogelijk dat hun aantal meer wordt dan 6=((4/2)(4-1)) omdat in alle noten A-B immers hetzelfde is als B-A [977]. De 6 springplanken van (E-/F-/H-/R) worden omschreven als b(E~F), b(E~H), b(E~R), b(F~H), b(F~R), b(H~R).

Toepassing op Baudelaire

Een term als “kleuren geluiden” blijkt geenszins mogelijk te zijn, gezien het feit dat hij uit twee termen samengesteld is. Zo bestaat er ook geen enkele springplank b(Natuur~kleuren…geluiden), omdat het niet om een noot zou gaan. Er resulteert uit dat (woorden-/tempel-/kleuren…geluiden-/Natuur), aangezien een springplank ontbreekt, een inning is die niet in staat is een boog met een waarde van 1 te verkrijgen.

§255
· De transplantatie, de metafoor en hun kiosken
Theorie

De transplantatie wordt voorgesteld door (E-/F-/H) waarin E, F en H alle van elkaar verschillen. Deze duffel is in het bezit van 3 kiosken, waar zich E, F en H bevinden. Het standaardvoorbeeld “ouderdom is de avond van het leven” noteren we als (ouderdom-/avond-/leven). De springplanken b(E~F), b(E~H) en b(F~H) tonen dat E in betrekking staat tot F en H, wat twee situaties oplevert, en vervolgens dat F in verbinding staat met H, waardoor er nog één ontstaat. Wat de metafoor (E./H) betreft, deze heeft twee kiosken, waarin E en H voorkomen en kan hoogstens één springplank krijgen, b(E~H). Hij wordt voorgesteld door b(avond~leven) aangaande “de avond van het leven”.

Methode

Het verschil in het aantal kiosken maakt het er ons niet gemakkelijker op in intuïtief opzicht inningen te bedenken met een metafoor of een confrontatie als uitgangspunt. Daar de transplantatie één element meer heeft, zal de zoektocht hier wat gemakkelijker zijn.

Toepassing op Baudelaire

De omschrijving (pilaren-/tempel-/Natuur) levert de geschikte aanwijzingen om uit te komen bij (pilaren-/tempel-/wouden-/Natuur), terwijl (tempel./Natuur) minder helderheid biedt. Bovendien komt het voor dat andere stijlfiguren iets van een metafoor weg hebben. Wanneer Baudelaire over «…De uitbreiding van oneindige dingen bezittend…» spreekt, zeggen we bij onszelf dat hij «…De oneindige uitbreiding van de dingen…» bedoelt.

§256
· Kiosken en plectrum
Theorie

De confrontatie (E-/H) bezit 2 kiosken, waar E en H, die altijd verschillend zijn, zich komen te bevinden, en hij kan ten hoogste b(E~H) als enige springplank krijgen. Het plectrum van een stijlfiguur bestaat uit een term die openlijk het verband in kwestie in de vorm van een indirecte verbinding meedeelt. Het betreft voornamelijk "zoals", "zelfde", "soortgelijke", om enkele veelvoorkomende voorbeelden te geven. In de duffel (E-/H) komen de beeldspraken dankzij het plectrum wat minder hard op het publiek over omdat het daardoor al op een eventuele schok is voorbereid: “ouderdom is als een avond”.

Toepassing op Baudelaire

Vaak verwijt men dergelijke zinswendingen omslachtig te zijn: “…er zijn vruchten die eruit zien als kinderhuidjes…” zou poëtischer zijn als er zou staan “…er zijn vruchten met kinderhuidjes…” Maar deze formulering heeft het voordeel zonder omhaal de beeldspraak aan te kondigen, wat een positief punt is als de dichter voorkomen moet dat men bekoorlijk bijgeloof verwart met gedegen kennis.

Methode

Soms bevindt het plectrum zich in analogieën waarin het geenszins een vereiste is: “ouderdom is als de avond van het leven”. Maar de schepper van een boek streeft vaak heel veel doeleinden na, en hij bedient zich van een vorm die op het intuïtieve vlak het best in staat is zijn vage bedoelingen weer te geven. Die twee punten weerhouden ons ervan te snel te concluderen dat hij een stuntelige stijl gebruikt waarbij de inhoud door de vorm bedorven wordt. Niet dat we absoluut moeten afzien van dit onderscheid vorm-inhoud. We constateren dat de formuleringen “2+2=4” en «twee plus twee is vier» wat de inhoud betreft iets gemeen hebben [537]. Of neem bijvoorbeeld de zin [541]: «Mooie Markiezin, ik sterf van liefde bij het zien van uw mooie ogen.» Een deel van de inhoud wordt wel degelijk opnieuw gebruikt in «Van liefde sterf ik, mooie Markiezin, bij het zien van uw mooie ogen.»

§257
· Sluiskolk
Theorie

Aan- of afwezigheid van een plectrum, de hoeveelheid kiosken, dat is wat de duffels in verschillende categorieën verdeelt. Metafoor, confrontatie, transplantatie en inning hebben respectievelijk de sluiskolken 1, 2, 3 en 4, alnaargelang de genoemde criteria. Wat het verschil tussen de sluiskolken 1 en 2 aangaat, dat komt voort uit het feit dat in de metafoor, type sluiskolk 1, geen plectrum aanwezig is, maar daarentegen wel in de confrontatie, die tot de categorie sluiskolk 2 behoort. Wat het onderscheid tussen de sluiskolken 2, 3 en 4 betreft, dit komt door het aantal kiosken, 2 voor de confrontatie, 3 in de transplantatie en 4 in de inning.

Methode

Met dezelfde woorden kunnen we moeiteloos meerdere formuleringen met verschillende sluiskolken bedenken. “De verhouding van de ouderdom tot het leven is als die van de avond tot de dag” biedt de mogelijkheden (ouderdom-/leven-/avond-/dag) type sluiskolk 4, (ouderdom-/ leven-/avond) type sluiskolk 3, (ouderdom-/avond) type sluiskolk 2, en tenslotte (ouderdom./avond) type sluiskolk 1. Omdat de versie (ouderdom-/leven-/avond-/dag) immers dichter bij de tekst ligt dan haar rivalen, zal deze een boog met een hogere waarde moeten krijgen.

Toepassing op Baudelaire

Evenzo zal de inning (echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) die we gemakkelijk terugvinden in het tweede kwatrijn, een grotere aannemelijkheid bezitten dan de stijlfiguren met minder termen die aan het werk zijn ontleend, met name (echo’s-/kleuren-/antwoorden) of (echo’s-/kleuren). Soms zoeken we een weerklank van onszelf bij anderen, terwijl we daarbij de eigen tekorten wegvlakken, in een behoefte aan zekerheid [[1072]] in Index II (Gedichten)">[[1072]]: «…Ik wil mijn trillende vingers lang
Laten rondwoelen in de dikke massa van je zware manen…

Om mijn gesuste snikken geheel te doen bedaren
Is niets zo heilzaam als de diepte van je slaapstee;
Op je mond zetelt het machtige vergeten,
En in je kussen stroomt Lethe.»

§258
· Kanteel voor de inning en de transplantatie
Theorie

Voor het bereiken van de hoogste graad van aannemelijkheid van een beeldspraak, is een onbetwistbaar houvast in de tekst, en eveneens een zeer nauwe verwantschap tussen ideeën vereist. Aan deze eisen voldoet precies de kanteel (ä). Het blijkt onmogelijk te zijn aan (ouderdom-/leven-/avond-/dag) een aannemelijkheidsgraad van 1 toe te kennen met betrekking tot “de avond van het leven heeft zijn lasten” omdat “ouderdom” en “dag” er immers niet in voorkomen. Aangezien deze situatie b(ouderdom~ dag) verhindert als noot te fungeren, kan er geenszins sprake zijn van een springplank b(ouderdom~dag). Welnu, kanteel ä=1 vereist het bestaan van al deze relaties en een onderlinge afstand ervan die niet groter is dan 1. Wanneer (z) voor alle relaties die tussen de termen bestaan is vastgesteld, maar hij niet elke keer uit z=1 bestaat, vertegenwoordigt het baken (ä) de grootste interne ruimte van de springplanken, en hij wordt verkregen door middel van 2+(1(n/10)), deze numerieke waarde ontstaat door het aantal van (n) fronten dat zich tussen de termen bevindt en dat het begrijpen bemoeilijkt. Een nauwgezette contrôle blijkt bij de inning (E-/F-/H-/R) absoluut nodig te zijn omdat zes noten b(E~F), b(E~H), b(E~R), b(F~H), b(F~R), b(H~R) daarin de springplanken vormen. Voor de transplantatie (E-/F-/H) wordt dezelfde soort berekening uitgevoerd, ditmaal aangaande b(E~F), b(E~H), b(F~H), waarvan de interne ruimte dienst doet als kanteel (ä), ongeacht of deze waarde 2+(1(n/10)) of beter, 1 bedraagt.

Methode

Laten we de volgende verzonnen tekst eens bestuderen: “op deze lange avond op ons eenzame platteland, waar de uren voorbijglijden bij het luisteren naar een opzienbarend verhaal, leuk of droevig -verteld door een of andere oude boer, naar het schijnt een verhaal uit de tijd die men zelf nog meegemaakt heeft, maar dat, zonder dat men dat ooit toegegeven heeft, meestal door anderen beleefd is -hebben we de enigszins verkeerde indruk dat het geheugen, nu eens subjectief, dan weer collectief of exact, bij het samenstellen van een legende, die tenslotte een werkstuk daterend uit talrijke tijdsperiodes voorafgaand aan of volgend op de spectaculaire gebeurtenis uit het verhaal is, de dingen van het leven verandert.” De transplantatie (avond-/geheugen-/ leven) is zo weinig overtuigend dat we erover moeten nadenken of hij wel bestaat. Welnu, we moeten erkennen dat het verschil in afstand tussen de termen “avond” en “leven”, berekend in 2+(1(n/10), het vermoeden bevestigt dat het gevaar groot is dat de interpreet de analogie verzint.

Toepassing op Baudelaire

Wanneer een inning een relatie legt tussen ver van elkaar verwijderde termen, verkrijgt hij daardoor een zwakke graad van aannemelijkheid, want het is slechts bij hoge uitzondering dat de schepper van het boek daar met opzet iets mee heeft bedoeld. Het inzetten van de fronten heeft, bij het meten van de verwijderingen en de ruimtes, al zozeer zijn belang getoond dat het gebruik van de kanteel ons het gevoel geeft dat deze door inductie is ontstaan. We stellen voor een blik te werpen op (Natuur-/tempel-/geuren²-/oneindige) wat neerkomt op het oordeel “de verhouding “Natuur-tempel” is dezelfde als die tussen de geuren en de oneindige dingen”. Dat is niet totaal absurd, maar blijft zeer twijfelachtig. Aangezien in het echte gedicht 61 fronten tussen de termen «Nature» (Natuur) en «infinies» (oneindige) liggen, laat de interne ruimte die daardoor voor de springplank 2+(1/61/10))=8,1 bedraagt, ons de zwakheid van de relatie daarin zien. Omdat (1/8,1) minder is dan ⅛, het dubbele van 1/16, kan de mate van aannemelijkheid die we voor deze stoutmoedige analogie hebben bepaald door het minste of geringste teniet worden gedaan.

§259
· Kanteel voor de confrontatie en de metafoor
Theorie

Door de springplank b(E~H) wordt voor de confrontatie (E-/H) en de metafoor (E./H) de kanteel verstrekt. De analogie blijkt pas volmaakt te zijn, met name als we beschikken over ä=1, indien elke stijlfiguur op zich, (E-/H), en (E./H), een springplank bezit met een interne ruimte van z=1. In de andere gevallen, als (z) de waarde heeft van 2+(1(n/10)) bij (n) fronten tussen de termen, ontvangt de kanteel (ä) diezelfde hoogte van 2+(1(n/10)).

Methode

Als de exegeet (E-/H) of (E./H) bedenkt zonder dat de auteur zo’n duffel heeft gewenst, dwingt de kanteel ons daarin een heel geringe mate van vertrouwen te hebben, omdat immers geen enkel element in de inhoud een afstand van 1 tussen E en H billijkt.

Toepassing op Baudelaire

We zien daarentegen dat bij «Er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid…» (geuren²-/kinderhuid) voorzien is van een kanteel ä=1, met opnieuw een waarde van z=1 die de springplank b(geuren²~kinderhuid) verdient. Als de wens bestaat van een ondanks de bedorvenheid aanwezige frisheid, is het gemakkelijk te dromen van een uitzonderlijke bescherming van het lot en Ovidius dreef eveneens de spot, maar op zachtzinniger wijze dan Baudelaire, met een dergelijke illusie [563]: «…vol verwijten over de slechte eigenschappen waarmee de natuur het hart der vrouwen heeft gevuld, leefde Pygmalion zonder gezellin, als vrijgezel; nooit had een echtgenote zijn bed gedeeld. Hij slaagde er echter, dankzij een bewonderenswaardige bedrevenheid, in uit ivoor zo wit als sneeuw, een vrouwenlichaam te houwen…De dag was gekomen dat heel Cyprus uitgelaten het feest van Venus vierde…van alle kanten steeg de wierook op…Thuisgekomen, begeeft de kunstenaar zich naar het standbeeld van het meisje; over het bed gebogen geeft hij haar een kus; hij meent te voelen dat haar lichaam enigszins warm is. Weer brengt hij zijn mond dichterbij, terwijl zijn handen haar borsten betasten; bij dat contact wordt het ivoor zacht; het verliest zijn hardheid, het zwicht onder de aanraking van zijn vingers; het geeft toe…»

§260
· Stadsmuur van inning en transplantatie
Theorie

De stadsmuur van een zinswending moet aan verschillende voorwaarden voldoen om een hoogte van ë=1 te bereiken. In de eerste plaats moet de schepper van het boek een parallel hebben willen trekken tussen bepaalde elementen van de inhoud, binnen het kader van alle de analogie betreffende ideeën, maar het mag niet om een identiteit of een gelijkheid gaan. Vervolgens wordt gewenst dat de beeldspraak aan alle ideeën in het werk die gebruikt kunnen worden voor de duffel, de juiste rol geeft. Bovendien moeten de kiosken door termen bezet worden. Tenslotte blijkt het onmisbaar te zijn dat deze sporen in de stijlfiguur dezelfde volgorde hebben als in de tekst. Zodra niet aan al deze voorwaarden voldaan wordt, is ë=2. Als we deze regels toepassen op (E-/F-/H-/R) beseffen we de onderlinge saamhorigheid van deze aspecten van de stadsmuur. Zo ontvangt de inning (ouderdom-/avond-/leven-/ dag) aangaande “ouderdom is de avond van het leven” een stadsmuur met een waarde van 2 omdat “dag” immers niet in het gezegde in kwestie voorkomt. Bij de transplantatie zijn dezelfde voorwaarden in het geding met betrekking tot de kwalitatieve parallel, de sluiskolk, de kiosken en de volgorde, wat in dezelfde situatie ë=1 oplevert betreffende (ouderdom-/avond-/leven). Anderzijds is een waarde van ë=2 onvermijdelijk met betrekking tot (ouderdom-/avond-/leven-/dag) wat staat voor “het leven heeft de ouderdom als avond van zijn dag” aangezien de plaats van de termen immers gewijzigd is. Geheel tegengesteld daaraan, zou het correct geweest zijn te stellen dat ë=1 betreffende “ouderdom is de avond van het leven dat zelf een dag is”. De formulering (morgen-/dag-/kindertijd) met betrekking tot “de kindertijd in het leven is voor deze dag de morgen” maakt om twee redenen ë=1 onmogelijk. Enerzijds zou sluiskolk 4 een betere gebruiker van de beschikbare begrippen zijn geweest en anderzijds begint genoemde formule met de laatste term van de uit de doeken gedane beeldspraak.

Methode

Een inning kan door een grote lengte bijna onzichtbaar gemaakt worden, en dat is het geval bij (kindertijd-/leven-/morgen-/ dag) die zich in “mijn kindertijd lijkt me, vertrouwde de brave man mij toe, als ik m’n hele leven beschouw, iets wat veel weg heeft van wat ik me van de vroege morgen herinner wanneer het een bijzonder lange dag was geweest” bevindt.

Toepassing op Baudelaire

Maar (Natuur-/levende-/tempel-/pilaren) loopt gelijk op met de tekst. We zouden er echter geen waarde van ë=1 aan kunnen toekennen, want de eerste versregel zou beter voorgesteld kunnen worden door (Natuur-/tempel-/levende-/pilaren). Door een soortgelijke oorzaak bereikt de transplantatie (mens-/wouden-/symbolen) ë=2 omdat (wouden./symbolen) met zijn sluiskolk 1 immers doeltreffender in de beschrijving zou zijn geweest. Door een soortgelijke oorzaak bereikt de transplantatie (mens-/wouden-/symbolen) ë=2 omdat (wouden./symbolen) met zijn sluiskolk 1 immers doeltreffender in de beschrijving zou zijn geweest. Germaine de Staël schreef [932]: «De natuur ontplooit zijn pracht vaak zonder doel, vaak met een luxe die de voorstanders van het nuttige overvloed zouden noemen. Het schijnt haar te behagen meer glans aan de bloemen, aan de bomen van het woud te geven, dan aan het gewas dat als voedsel voor de mens dient.»

§261
· Stadsmuur van confrontatie en metafoor
Theorie

Om een stadsmuur met een waarde van ë=1 te verkrijgen, als het (E-/H) en (E./H) betreft, is het vereist dat de schepper van het boek, opzettelijk, een parallel tussen elementen in de inhoud heeft gemaakt die in één keer alle beeldspraken van de zinswending omvatten; dat het in werkelijkheid niet om een identiteit of gelijkheid gaat; dat de begrippen E en H termen zijn; dat deze in de duffel dezelfde volgorde aannemen als die van de tekst; tenslotte dat de sluiskolk past bij het oorspronkelijke gezegde. Zoniet dan is ë=2 een vereiste. Zo’n geval van ë=2 doet zich voor bij (Natuur-/tempel) omdat de afwezigheid van een plectrum, in de eerste regel van „Samenspel“, (Natuur./tempel) bevoordeelt. Zo is bijvoorbeeld ook (tempel./Natuur) ë=2 waard door de inversie van de sporen.

Methode

Wanneer de analogie niet langer als zodanig overkomt, moeten we de stadsmuur eveneens een waarde van ë=2 toekennen, wat tegenwoordig voor heel wat politieke teksten geldt met betrekking tot de betiteling “staatshoofd”, die de basis vormt van een metafoor (hoofd./staat) die veel aan kracht heeft verloren. “Het staatshoofd staat zo ver van zijn onderdanen vandaan dat hij hun kapotte schoenen niet zien” heeft wel degelijk de kracht van een metafoor, zodat nu opnieuw ë=1 billijk is. Betreffende (avond./leven), dat we geobserveerd hebben in “het leven heeft zogezegd zijn eigen avond”, blijkt dat ë=2 vereist is omdat de termen de volgorde leven- avond zouden moeten hebben en niet avond-leven. Bovendien valt de aanwezigheid van het plectrum “zogezegd” gunstiger uit voor het type sluiskolk 2. Het gebruik van “comme” (als) moet echter geen vergissing in de hand werken, want soms moet dat immers met de betekenis “evenveel als” vertaald worden.

Toepassing op Baudelaire

Zo zou bijvoorbeeld (eenheid-/nacht) een waandenkbeeld zijn, omdat “…weids evenveel als de nacht en de dag…” immers het juiste idee bevat. Saint-Évremond gaf toe dat hij van idee veranderd was over “vaste” (weids, ruim, uitgestrekt), misschien uit angst voor een ontzaglijke overwinning [885]«Ik had verzekerd dat een ruime geest zowel in gunstige als in ongunstige zin bestaat, alnaargelang de dingen die erbij worden vermeld: dat een ruime, schitterende, krachtige geest, een bewonderenswaardige capaciteit inhield, en dat daarentegen een ruime, bovenmatige geest er één was die zichzelf in vage gedachten verloor, in mooie maar niet realiseerbare ideeën, in te grote doeleinden die de ons ter beschikking staande geschikte middelen te boven gaan. Mijn mening scheen me tamelijk redelijk toe. De lust bekruipt me om te ontkennen dat ruim ooit lofwaardig kan zijn, en dat niets ooit in staat is die goede eigenschap te beïnvloeden. Het grote is in de geesten een volmaaktheid, het ruime altijd een gebrek. De juiste en beperkte vlakte maakt het grote, de overmatige grootte maakt het uitgestrekte…uitgestrekte tuinen zijn noch in staat de aangenaamheid zoals ons die de kunst schenkt te bieden, noch het plezier dat de natuur kan schenken; uitgestrekte bossen boezemen ons angst in…»

§262
· Het torentje van de inning en de transplantatie
Theorie

Het torentje ï=1 van de inning (E-/F-/H-/R), evenals van de transplantatie (E-/F-/H), veronderstelt het welslagen van een tweetal processen. Ten eerste is het noodzakelijk de metafoor (E./H) uit (E-/F-/H-/R) of (E-/F-/H) te kunnen halen. Ten tweede moet (E./H) een combinatie van ideeën bevatten die op het door de schepper van het boek beoogde publiek als een bonte mengeling zonder enige uitleg overkomt. Mocht één van deze voorwaarden ontbreken dan is ï=2.

Methode

Een metafoor vereist een kortere vorm die meer inspanning voor het met elkaar in verband brengen van de overeenkomsten vraagt dan de confrontatie, door het feit dat het plectrum wegvalt.

Toepassing op Baudelaire

Maar, laatstgenoemde is soms moeilijk te identificeren. «Er zijn geuren, zo fris…En andere, bedorven…Zoals amber, muskus, benzoë en wierook…» levert geen enkel plectrum op, ondanks de aanwezigheid van «Zoals». Dat woord betekent “met name”, en in plaats van bedorven geuren en wierook met elkaar te vergelijken, verre van dat, bevestigt de dichter dat wierook tot die geuren hoort, hetgeen (bedorven./wierook) in het voordeel stelt vergeleken bij (bedorven-/ wierook). De besten worden door corruptie en overwinning aangetrokken [[1019]] in Index II (Gedichten)">[[1019]]: «In die geweldige jaren waarin de Theologie
In haar bloeitijd was
Vertelt men dat een doctor, zeer gerenommeerd,
Nadat hij onverschillige harten had geforceerd,
Nadat hij die tot in hun duistere dieptes had gekneed,
Nadat hij op weg naar goddelijke glorie
Vreemde, hemzelf onbekende wegen had betreden,
Waar mogelijk enkel zuivere Geesten hun stappen gezet hadden…Van een satanische trots bezeten, bralde:
"Jezus…als ik je in je zwakke plekken
Had willen treffen, was je schaamte even groot geweest als je glorie…"

Onmiddellijk raakte hij zijn verstand kwijt.
Verloren ging de schittering van zijn grootheid;
Zijn intelligentie maakte plaats voor een enorme chaos,
Voorheen een levende, ordelijke tempel vol rijkdom,
Onder wiens plafonds zoveel pracht had geprijkt.
Nu vond men er slechts stilte en duisternis,
Zoals in een kelder waarvan de sleutel zoek is.»

§263
· Torentje voor de confrontatie en de metafoor
Theorie

Het torentje (ï) van de metafoor (E./H) is 1 waard zodra E en H op het door de schepper van het boek beoogde publiek overkomen als een mengeling van ideeën die niets met elkaar te maken hebben, en zonder dat dit ook maar op enige manier begrijpelijk toegelicht wordt. Bij de confrontatie (E-/H), moeten we ons de metafoor (E./H) weer voor de geest halen om te kijken of het mengsel plaats vindt, omdat in (E-/H) het plectrum dat effect immers uitvlakt. In elk van deze stijlfiguren, wordt het torentje ï=2 zodra deze warwinkel van niet gebillijkte beduidenissen ontbreekt.

Methode

We leggen “Paul is groter dan Piet” als een bepaling wie het grootst is terzijde, omdat deze geen deel uitmaakt van het hier behandelde studieobject. Meestal levert het controleren van het torentje (ï) geen enkele moeilijkheid op, ongeacht om welke duffel het gaat, dankzij het levendige contact van de begrippen in de zo dikwijls geroemde metafoor [862]. “De avond van de dag” ofwel (avond./dag) heeft ï=2 tot resultaat, gezien het feit dat niet één mengeling van beelden zich voordoet.

Toepassing op Baudelaire

Maar «De Natuur is een tempel waar levende pilaren
Soms verwarde woorden uit loslaten;
De mens gaat er wouden van symbolen
Door…» leidt tot (tempel./wouden) met een torentje dat 1 waard is. Meer dan het gebruikelijke grote boekwerk dat een bepaalde tempel der wetenschap in zich bergt, roepen de versregels een open plek in het woud of kreupelhout op. Germaine de Staël maakt op de volgende wijze een toespeling op het mysterie [935]: «"Men moet", zei Fichte, "begrijpen wat op zich onbegrijpelijk is". Dat vreemde gezegde heeft een diepe inhoud: men moet aanvoelen en herkennen wat ontoegankelijk voor een analyse moet blijven, en wat de gedachte slechts kan naderen.» Novalis, van wie Baudelaire indirect via „Over Duitsland“ kennis kon nemen, schreef [558]- [938]: «Reeds onder de kindvolken troffen we van die ernstige zielen aan, voor wie de Natuur het gezicht was van een godheid, terwijl meer lichtzinnige schepsels zich er pas tijdens hun feesten om bekommerden. De lucht was voor hen een bedwelmende drank, de sterren waren de toortsen bij hun nachtelijke dansen; de planten en de dieren waren niets anders dan kostbare voedingsmiddelen; en de Natuur scheen hun geen rustgevende, prachtige tempel toe maar een vrolijke keuken en kelder.»

§264
· De vestingmuur
Theorie

De waarde van de vestingmuur wordt enkel berekend door een onderscheid te maken tussen abrupte en sierlijke zinswendingen. Wanneer de schepper van het boek geen enkele argumentatie verschaft door middel van een sierlijke stijlfiguur (:/), accepteren we de vestingmuur ö=1, en anders ö=2. Bij elke abrupte (;/) stijlfiguur is de situatie omgekeerd, zodat ö=1 alleen een vereiste wordt in het geval van een duffel die op rationele wijze gebruikt wordt om een gezegde te bewijzen. Als we bij het bestuderen van (;/) niet op een poging tot bewijsvoering stuiten, is een waardebepaling van ö=2 noodzakelijk. De inning (;2-/3-/4-/6) die een beschrijving vormt van de tekst “2/3=4/6” heeft recht op vestingmuur 1, terwijl (:2-/3-/4-/6) het oordeel ö=2 verdient.

Methode

De grote eenvoud van het soort verhouding 2/3=4/6 vormt een gering maar klassiek onderdeel van de analogie [38]-[387]-[970]. Het is onmogelijk dat die volkomen abrupte duffels de boog met een waarde van 1 verkrijgen doordat ze hetgeen men van een uit de verbeelding ontstane analogie verwacht, in nauwgezetheid overtreffen. Ze ontvangen ö=1 dankzij de uitwerking van de aan de dag gelegde rigueur, en raken onmiddellijk andere bakens met een waarde van 1 kwijt, wegens diezelfde bewijsvoering. Vaak minder scherp, bestaat de aurgumentatie uit de inspanning om, zelfs als men daar eventueel moeilijk in slaagt, naar een conclusie met een wetenschappelijk doel toe te werken: een demonstratie. Ergens iets uit afleiden bestaat uit een implicatie, of uit meerdere die niet onderbroken worden vóór het einde [581]. De definitie van de implicatie "bewering A=>bewering B" is "bewering A is nooit waar zonder dat bewering B dat ook is". Iedereen kan zien dat bij hele getallen nooit de elementen (a), (b), en (c) ontbreken waardoor we kunnen noteren dat (a=2b)=>(a²=(2b)²)=>(a²=2²b²)=> (a²=4b²)=>(a²=2(2b²))=>(a²=2c). Het bijzondere geval (a=6), (b=3) en (c=18) resulteert in een vergelijkbaar, maar gemakkelijker te begrijpen voorbeeld: (6=(2)(3))=>(6²=((2)(3))²)=>(6²=2²3²)=>(6²=4(3²)) =>(6²=2(2(3²)))=>(6²=2(18)). Dit kan ook heel treffend gepresenteerd worden als (6 is een even getal)=> (het kwadraat van 6 is even). Dat gaat nog verder omdat, als we in de praktijk onder hardnekkige verschijnselen een oordeel betreffende zijn samenstelling testen, we dit middel immers opnieuw gebruiken [807]: ‘’“"de veronderstelling is aannemelijk"=>"de reeks proeven slaagt"”=>“"de reeks proeven mislukt"=> "de veronderstelling moet uitgesloten worden"”‘’.

Toepassing op Baudelaire

De inning (:Natuur-/tempel-/levende-/pilaren) kan er niet van verdacht worden dat hij een bewijsvoering beoogt, omdat dronkenschap een schrijver die dikwijls de wijn geroemd heeft zelfs tot dromerij schijnt aan te zetten, waarbij hij soms populaire thema’s gebruikt [[991]] in Index II (Gedichten)">[[991]]: «Ik weet hoeveel moeite, zweet en zon
Op de brandend hete heuvel,
Nodig zijn om mij te verwekken en me kracht te geven;
Maar ik zal noch ondankbaar zijn noch tonen euvel,

Want ik voel een grote blijdschap als ik
Val in de keel van een door de arbeid versleten man,
En zijn warme borst is een zacht graf
Daar ben ik beter af dan in mijn koude keldergraf.» De analogie (man-/borst-/graf) heeft niets van een bewijsvoering op het biologische vlak. In augustus 1848, schrijft hij Proudhon, een pacifistische anarchist [634]: «Degene die u deze regels schrijft heeft een absoluut vertrouwen in u, evenals veel van zijn vrienden, die u blindelings zouden volgen omdat ze volkomen gerustgesteld zijn door alles wat u aan kennis over de maatschappij bezit.» Vier jaar na de revolutie zegt hij dat hij «apolitiek» is geworden, maar in geestelijk opzicht heeft hij geen enkele diepe verandering ondergaan [618]-[635]. In de loop van het jaar 1852 publiceert hij deze versregels [146]-[[1106]] in Index II (Gedichten)">[[1106]]: «Zeker, ik zal wat mij betreft, tevreden
Deze wereld waar actie niet samen gaat met dromen, verlaten;
Dat ik het zwaard moge gebruiken en dat ik door het zwaard moge vergaan!» In het jaar 1857, wendt hij zich tot de duivel [[1073]] in Index II (Gedichten)">[[1073]]: «Jij die, om de broze mens die lijdt te troosten,
Ons leerde salpeter en zwavel te vermengen,
O Satan, heb medelijden met mijn langdurige ellende!» In februari 1848 verklaart hij [615]«Ik heb net meegevochten met mijn geweer!» maar om er aan toe te voegen: «Maar niet voor de Republiek!» Alles bij elkaar genomen heeft hij dus nauwelijks zijn ideeën over de gevestigde macht veranderd. Het was Plato die hem met de volgende zinnen, waarmee hij een grafrede imiteert, voor die opvatting de bases verschafte [740]: «Dat onze voorgangers opgegroeid zijn onder een goede regering, dat moet gezegd worden: aan haar hebben ze hun goede eigenschappen te danken gehad, zoals de mensen van deze tijd waartoe onze doden behoren. Want toen was het hetzelfde regime als nu, een eliteregering, die ons heden regeert, en die zich nagenoeg altijd, sinds dat verre tijdperk, heeft gehandhaafd. De een noemt haar democratie, de ander noemt haar zoals hij wil; maar in werkelijkheid is het de elite die regeert met instemming van het volk. Koningen hebben we nog altijd: soms is het een titel die ze bij hun geboorte hebben meegekregen, en soms zijn ze er door verkiezingen van in het bezit gekomen…» Baudelaire’s grootvader van moeders kant, Charles Defayis, zou in de Franse troepen hebben gestreden die Engeland tegen de Franse Revolutie had ingezet, waaruit is voortgevloeid dat de moeder van de schrijver aan de overkant van het Kanaal werd geboren, in Saint- Pancras om precies te zijn [591]. Omdat genoemde militair was gesneuveld, ontving de weduwe die hij achter liet van de autoriteiten die hij had gediend, of van hun afgevaardigden maandelijks een paar pond. Zij bracht, weldra met behulp van een plaatselijk dienstmeisje, degene groot wier zoon de dichter zou zijn [591]-[592].

§265
· Vestinggracht van de inning (E-/F-/H-/R)
Theorie

Voor het verkrijgen van vestinggracht ü=1 betreffende de inning (E-/F-/H-/R) moet aan drie voorwaarden worden voldaan. Ten eerste is het nodig dat de schepper van het boek E-F en H-R ziet als twee relaties bestaande uit het model “site-leiboom” of “leiboom-site”. Vervolgens is het vereist dat op z’n minst één ervan ertoe bijdraagt de andere te begrijpen. In de derde plaats mag het noch bij E-F, noch bij H-R gaan om een relatie met een exact karakter die getallen met elkaar verbindt. Als aan één, of sterker nog, aan meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, dan is ü=2.

Methode

Het uitsluiten van getallen maakt het mogelijk het toelaten tot de duffels van relaties zoals 2/3=4/6 ofwel (2-/3-/4-/6) tot een minimum terug te brengen, omdat deze relaties, ofschoon ze welzeker een voorbeeld zijn van een bepaald aspect van de analogie, buiten het enkel uit verbeelding bestaande domein vallen.

Toepassing op Baudelaire

De duffel (levende-/pilaren-/vertrouwde-/blikken), die in andere opzichten lang niet perfect is, heeft recht op vestinggracht 1, omdat de eigenschappen «levende» en «vertrouwde» die daarin beschreven worden, immers wel degelijk horen bij de wezens genaamd «pilaren» en «blikken». Volgens Claude Pichois, was Baudelaire zeer in deze vorm van affectieve warmte, beschouwd als zijnde van de aarde afkomstig, geïnteresseerd, en heeft die zelfs bij het filosoferen over de overeenkomsten een rol gespeeld, in een artiestenmilieu waar men vond dat de maatschappij er een in disharmonie was [612]. Enkele decennia daarvoor, meende Adam Smith dat een dergelijke wanorde geenszins mogelijk was [919]: «De arbeiders willen zoveel mogelijk binnenhalen, de werkgevers zo min mogelijk geven.»

§266
· Vestinggracht van de transplantatie (E-/F-/H)
Theorie

Wat een transplantatie (E-/F-/H) betreft, is het vereist dat we, om waarde 1 voor de vestinggracht (ü) te behalen, met E-F over een relatie “site-leiboom” of “leiboom-site” beschikken die de schepper van het boek tot stand heeft gebracht, maar die geen exacte numerieke hoeveelheden met elkaar verbindt. Verder is het noodzakelijk dat we een tweede paar, H-R, kunnen bedenken met dezelfde eigenschappen, maar waarvan R in het geheel niet in de tekst voorkomt. Tenslotte moet E-F door H-R toegelicht worden. Elke andere situatie heeft ü=2 tot gevolg.

Toepassing op Baudelaire

Uitgaand van (mens-/tempel-/Natuur), stellen we voor (mens-/tempel-/God-/Natuur) samen te stellen. Omdat Baudelaire immers zegt dat de natuurlijke wereld een tempel is, gaat het in de relatie “mens-tempel” natuurlijk niet om een door mensenhanden gebouwde tempel. Aangezien we de inhoud van de transplantatie (mens-/tempel-/Natuur) dus niet letterlijk kunnen opvatten, moet de vestinggracht ervan de waarde ü=2 toegekend worden.

Methode

Element R dient enkel om de transplantatie (E-/F-/H) te begrijpen. Het is net als bij het samenstellen van de driehoek waarvan de drie zijden volkomen gelijk zijn. De wiskundige construeert twee cirkels met een even grote straal, die door elkaars midden lopen. Nu kan het onbekende element door middel van drie stralen gevonden worden: degene die de beide middens met elkaar verbindt en twee andere die elk midden met eenzelfde snijpunt verbinden. De driehoek blijft zichtbaar, hoewel hij zich temidden van het tweetal cirkels met behulp waarvan hij geconstrueerd is bevindt [385].

§267
· De vestinggracht van confrontatie en metafoor
Theorie

Met betrekking tot (E-/H) en (E./H), blijkt de vestinggracht (ü) niveau 1 te bereiken als we een betekenis F kunnen construeren die niet in de tekst voorkomt, maar die E-F of F-E, bestaande uit de relatie “site-leiboom”, zonder wezenlijk numeriek verband zoals 2/3=4/6, kan opleveren. Bovendien is dit een tweede keer vereist met een ander paar dat bestaat uit H-R of R-H, waarbij we R hebben verzonnen. Tenslotte is het noodzakelijk dat F en R ons E en H beter doen begrijpen. Indien aan een bepaalde vereiste niet voldaan wordt, leidt dat tot ü=2. Omdat we vrij zijn in het bedenken van F en R, mogen we ze zo kiezen dat de wederzijdse inhoud vrij dicht bij elkaar ligt, op voorwaarde dat we niet eenvoudigweg opnieuw hetzelfde idee gebruiken.

Methode

Het torentje mag dan duffels beoordelen door middel van de metafoor. De vestinggracht bedient zich van de inning om een criterium te verkrijgen.

Toepassing op Baudelaire

Aangaande “een kinderhuid, geuren” dat wil zeggen (E./H) ofwel (kinderhuid./geuren), bereikt de vestinggracht een hoogte van 2 want een huid heeft zelf een geur, en het blijkt nutteloos te zijn om twee andere begrippen bestaande uit F en R te bedenken om de rail te begrijpen. De dichter, daarentegen, geeft ons de ingewikkelde redenering (geuren²-/reukorgaan-/huid-/gezichtsvermogen) terwijl hij daarbij de verwijzing gebruikt die in de voorgaande versregel besloten ligt: «…Antwoorden geuren, kleuren…elkaar.» De fijne geur doet denken aan de triomf, zoals in het verhaal waarin de koningen hun respect, ten opzichte van het kind dat door een ster werd voorgesteld, tonen [143]«Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.» Gewoonlijk horen deze twee producten alleen bij de weelde van rijke woningen of bij de pracht en praal van beroemde tempels. Aangezien mirre ook in de vorm van tranen over de schors van een boom loopt, was het voor Baudelaire mogelijk zich tot een publiek dat op de middelbare school kennis had gemaakt met Ovidius, te wenden om de link met die beduidenis te leggen [561]-[564]. Het meisje aan wie men beloofd had een aromatische plant te worden spreidde reeds een buitensporige vervoering ten toon [564]: «Van alle kanten word je door de elite van de adel gezocht; de hele Oosterse jeugd dingt naar de eer het bed met je te mogen delen; kies uit al die mannen een echtgenoot, Myrrha, op voorwaarde dat je er één uitsluit. Myrrha begrijpt het heel goed; ze strijdt tegen haar schandelijke liefde en zegt bij zichzelf: "Waar brengt me mijn hartstocht? Waartoe dienen mijn inspanningen? O goden, ouderliefde, heilige ouderrechten, ik smeek u erom, voorkom incest, verzet u tegen de misdaad die ik beraad, als het overigens wel een misdaad is. Maar, zegt men, ouderliefde verbiedt dat soort liefde niet en alle andere dieren zijn vrij om te paren met wie ze willen; het is totaal geen schande voor een vaars dat hij het zware gewicht van zijn vader op zijn rug voelt; het paard maakt zijn dochter tot zijn echtgenote; de bok bevrucht de geiten die hij verwekt heeft en de vogel brengt op zijn beurt een bevruchting tot stand middels het zaad waaruit hijzelf is voortgekomen. Gelukkig zijn degenen die dat voorrecht genieten! Scrupules van de mens hebben het opstellen van gemene wetten met zich mee gebracht en wat de natuur toestaat, wordt door jaloerse opvattingen verboden. Toch verzekert men dat er volken zijn waar de moeder een verhouding heeft met haar zoon, de dochter met haar vader, en waar tussen ouders en kinderen niet alleen tederheid maar ook liefdesdrift bestaat. Wat ben ik droevig dat ik niet één van hen ben! Het toeval dat mij deze plaats als vaderland heeft gegeven heeft mij tot slachtoffer gemaakt."»

§268
· De sluippoort van de inning (E-/F-/H-/R)
Theorie

De sluippoort maakt het mogelijk een onderscheid te maken tussen vormbare en harde duffels. Om een sluippoort ÿ=1 met een harde inning (,E-/F-/H-/R) te verkrijgen, is de speld die de paren E-F en H-R met elkaar verbindt onmisbaar. Wanneer ÿ=2 noodzakelijk blijkt, blijft de speld afwezig. Als het om een vormbare inning (’E-/F-/H-/R) gaat, is alles precies andersom, omdat ÿ=1 gerechtvaardigd is als de speld ontbreekt, terwijl (ÿ) 2 waard is indien we van zijn tegenwoordigheid melding kunnen maken.

Methode

Aangezien we door de vorm (,ouderdom-/leven-/avond-/dag) veronderstellen dat de avond gemakkelijk in de dag, en de ouderdom in de loop van het leven ingepast kan worden, ontvangt de inning, bij een identieke inburgering, een waarde van ÿ=1.

Toepassing op Baudelaire

Bij de rail “in de herfst gaat de boom droevig in de rouw” treffen we in de opsomming (herfst-/boom-/droevig-/rouw) moeiteloos een vormbare relatie aan. Baudelaire bedient zich van analogieën door naar de plantenwereld te verwijzen, maar vermijdt een overdreven stijl door de scherpe toon van zijn gedichten [[1075]] in Index II (Gedichten)">[[1075]]: «Op hun grote muren verhaalden de oude abdijen
Van de heilige Waarheid in schilderijen,
Waarvan de uitstraling de vrome zielen verwarmend,
De kille strengheid enigszins wegnam.

In die tijden waarin het zaad van Christus tot bloei kwam,
Verheerlijkte menig beroemde monnik, nu bijna in vergetelheid geraakt,
Het kerkhof als onderwerp van meditatie nemend,
Met eenvoud de Dood.»

§269
· De sluippoort van de transplantatie (E-/F-/H)
Theorie

Om de sluippoort (ÿ) van een transplantatie (E-/F-/H) te bepalen, stellen we eerst vast of hij van het harde of het vormbare soort is: (,E-/F-/H) of (’E-/F-/H). In het eerste geval (,E-/F-/H), bij aanwezigheid van de speld, vloeit daar een resultaat van ÿ=1 uit voort betreffende de relaties E-F en H-R, waarbij een element R genaamd, is geconstrueerd zonder dat het idee, waar men het, via de historici, over eens is dat het door de schepper van het boek bedacht is, geweld aangedaan wordt. Anders is ÿ=2 onvermijdelijk. Aangaande (’E-/F-/H), geldt exact het omgekeerde, resulterend in ÿ=1 wegens de afwezigheid van de speld, en in ÿ=2 als de speld er wel is. De voorstelling (,symbolen-/gadeslaan-/blikken) doet denken aan de geesten die zich volgens sommige overtuigingen achter elk belangrijk fenomeen bevinden, aan de vrienden die de kleuter door middel van dingen om hem heen verzint, of op een wat verhevener manier, aan de dialoog tussen de instrumenten die door de musicus opgevangen wordt. Geen enkele minstens uit drie delen bestaande gradatie verschaft echter een speld in (ogen-/symbolen-/gadeslaan-/blikken), wat wil zeggen “net als ogen, slaan symbolen gade door middel van blikken”. De vormbare versie (’symbolen-/ gadeslaan-/blikken) blijkt dus dichter bij de tekst te liggen dan (,symbolen-/gadeslaan-/blikken).

Methode

De rol die de sluippoort met betrekking tot de tegenstelling vormbaar-hard speelt is dezelfde als die van de vestingmuur betreffende sierlijk-abrupt.

Toepassing op Baudelaire

De schrijver verschaft ons de transplantatie (regent-/ogen-/ luiheid), hetgeen een samenvatting is van (grond-/regent-/ogen-/luiheid) oftewel “zoals op de grond de regen neervalt, valt over de ogen de luiheid”, in de volgende versregels [[985]] in Index II (Gedichten)">[[985]]: «In dat heerlijk geurende land door de zon gestreeld,
Heb ik in een van groen-gouden boombladeren
En palmtakken gemaakt prieel, waarvan de luiheid op de ogen neerdaalt,
Met een uiterst charmante Europese dame kennisgemaakt.» De volgorde, van boven naar beneden, is overzichtelijker dan die in (symbolen-/ gadeslaan-/blikken), maar het blijft om slechts twee graderingen gaan, waardoor een sluippoort 1 van de vormbare duffel (’regent-/ogen-/luiheid) gerechtvaardigd is. Er is een gedeelte, het laatste, waarin hij over de Afrikanen spreekt: «Haar gelaatstint is bleek, maar warm; de donkere tovenares
Heeft edele trekken in haar hals;
Groot en slank, als een jagerin zich voortbewegend,
Is haar glimlach kalm en hebben haar ogen een stoutmoedige glans.

Als u zich, Mevrouw, naar het echte land der glorie zou begeven,
Naar de oevers van de Seine of de groene Loirestromen,
Schoonheid passend in de omlijsting van oude kastelen

Zou u, op één van die beschutte plekken,
Doen ontstaan een duizendtal sonnetten in het hart van de poëten
Die door uw grote ogen meer onderdanigheid dan uw kleurlingen zouden betonen.» De reis naar het gebied van de Indische Oceaan heeft maar heel kort geduurd voor de toekomstige schrijver, maar éénmaal terug heeft hij liefde opgevat voor een kleurlinge. Hij verafschuwt zijn schoonvader, een hoge officier, net in een tijd dat Algerije het onderwerp vormt van de koloniale kwestie. Baudelaire schrijft over de schilder die een jaar daarvoor het doek „de Gevangenneming van de bende van Abd el-Kader“ had gepresenteerd [701]: «De heer Horace Vernet is een militair die aan schilderkunst doet. -Ik haat die onder het tromgeroffel geïmproviseerde kunst, die in galop gesauste schilderijen, die schilderingen die door geweerschoten tot stand komen, zoals ik het leger haat, de strijdkrachten, en alles wat aan vurige wapens op een vreedzame plaats rondslingert.» Tijdens de nominatie van Bugeaud tot Hoofd Gouverneur, net voordat deze zich inscheepte voor Algiers, zei Victor Hugo tegen hem [461]: «…ik geloof dat het nieuwe bezit dat we veroverd hebben een gelukkig en groot iets is. Het is de beschaving die het van de barbarij wint. Het is de ontmoeting tussen een ontwikkeld en een onwetend volk. Wij zijn de Grieken van de wereld; het is aan ons de wereld een nieuwe dimensie te geven. We vervullen onze opdracht, ik kan het alleen maar toejuichen.» Tocqueville stelt een strategie voor [955]-[956]-[957]: «Het zal ons slechts lukken de macht van Abd el-Kader te breken, als we de positie van de stammen die hem steunen zo onmogelijk maken, dat ze hem laten vallen.»

§270
· De sluippoort van confrontatie en metafoor
Theorie

Het verstrekken van de garantie dat de sluippoort van een confrontatie (,E-/H) of van een metafoor (,E./H) uit ÿ=1 bestaat, houdt in dat we de aanwezigheid van de speld in de denkbeeldige relatie, E-F of H- R, bevestigen. Zo’n bepaling, die betrekking heeft op stijlfiguren van het harde soort, maakt het bedenken van element F of R die de gezichtspunten van de schepper van het boek zo getrouw mogelijk weergeven, noodzakelijk. Zodra de realisering hiervan een moeilijkheid oplevert, stijgt de sluippoort (ÿ) van de duffel tot 2. Aangaande de vormbare metaforen en confrontaties, (’E-/H) en (’E./H), vereist de waarde ÿ=1 de afwezigheid van de speld, terwijl ÿ=2 verkregen wordt als deze wel aanwezig is.

Methode

De analogie (2-/3-/4-/6) ofwel “2/3=4/6” blijkt zowel hard als abrupt te zijn, maar “de kindertijd is de morgen van het bestaan” verenigt beide aspecten, sierlijk en hard.

Toepassing op Baudelaire

Anderzijds zien we dat «De Natuur is een tempel…» zowel een sierlijke als vormbare stijlfiguur is. En (4-/2-/2) tenslotte, wat staat voor “4=2+2” bestaat uit een abrupte maar niet harde parallel. We merken hierbij terloops op dat de stadsmuur van deze reeks (4-/2-/2) niet aan een waardebepaling van 2 kan ontkomen, omdat dit bij gelijkheid immers altijd het geval is. Evenzo wordt de vestinggracht ervan vastgesteld op 2 wegens de overzichtelijke rangschikking van de getallen. De harde confrontatie (,levende-/pilaren) lijkt zeer gebrekkig vergeleken bij «De Natuur is een tempel waar levende pilaren…», want zowel het plectrum als het dubbele driedelige aspect ontbreekt, zodat (’levende./pilaren) aannemelijker is. Laten we nu eens een blik werpen op de versregels [[1055]] in Index II (Gedichten)">[[1055]]: «…De vochtige zonnen
Van die mistige luchten
Hebben voor mijn ziel
De zo mysterieuze bekoorlijkheid
Van jouw verraderlijke ogen,
Die door hun tranen heen schitteren.» De dichter beschrijft een vochtige blik, die moeilijk te interpreteren is, want er spreekt noch bitterheid noch vreugde uit. Wanneer de oogbol omgeven door vocht, zoals de zon in de mist, wordt voorgesteld, gebruikt de parallel slechts twee niveaus voor elke kant. Als er al een bepaald verband is tussen het gezegde «verraderlijke ogen» en “wierook-bedorven”, geen van beide teksten biedt de mogelijkheid aan een intermediair stadium tussen «bedorven» of «verraderlijke» en “onschuldige” te denken, zodat ons slechts rest (’ogen./verraderlijke) en (’wierook./bedorven) neer te schrijven om ÿ=1 te billijken.

§271
· Andere veronderstelling en eerste verandering van de kanteel
Theorie

Door in elk baken, betreffende de verschillende duffels, een wijziging aan te brengen, kunnen we de correctie ervan, die vereist dat de scherpste intuïties vergezeld gaan van de hoogste numerieke waarden, testen. We stellen voor de inning (confuses-/paroles-/forêts-/symboles) (verwarde-woorden- wouden-symbolen) die een beschrijving geeft van «La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L'homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l'observent…» (De Natuur is een tempel waar levende pilaren/Soms verwarde woorden uit loslaten;/De mens gaat er wouden van symbolen/Door die hem…gadeslaan.) te bestuderen. De kanteel meet door middel van de interne ruimte van de springplank b(confuses~symboles) (verwarde-symbolen) de hoeveelheid onaannemelijkheid van de inning. Wegens het ontbreken aan continuïteit, is een waarde van ä=2+ (1(6/10))=2,6 onvermijdelijk, omdat er zich 6 fronten tussen «confuses» (verwarde) en «symboles» bevinden. Op het intuïtieve vlak moet, wegens het risico dat aan (confuses-/paroles-/forêts-/symboles) (verwarde-woorden-wouden-symbolen) is verbonden, op z’n minst net zo’n streng resultaat als 2,6 vereist worden. We noteren nu het railfragment “…de confuses paroles, forêts de symboles…” (…verwarde woorden, wouden van symbolen…) Hierin krijgt de springplank b(confuses~symboles) (verwarde- symbolen) een interne ruimte van 1 door een grotere aannemelijkheid van de inning.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien een kanteel met een hogere waarde dan 1 veroorzaakt wordt doordat er weinig samenhang tussen de termen is, zoals het geval is met de oorspronkelijke sporen «verwarde» en «symbolen», is een hechter grammaticaal verband voldoende om een kanteel van 1 te verkrijgen.

Methode

Gezien het feit dat onze methode voor het grootste deel bestaat uit het bestuderen van de afstand tussen de termen, om te voorkomen dat we relaties leggen die zich niet echt in de tekst bevinden, blijkt het inzetten van de kanteel nuttig te zijn.

§272
· Variatie van de kanteel voor een transplantatie
Theorie

De transplantatie (parfums²-/frais-/homme) (geuren²-fris-mens) wordt verder uitgewerkt door middel van (parfums²-/frais-/homme-/changeant) (geuren²-fris-mens-veranderend) zoals we (E-/F-/H) kunnen uitwerken tot (E-/F-/H-/R). We kennen nu de kanteel een waarde toe van ä=2+(1(33/10))=5,3 omdat de interne ruimte van de springplank b(homme~frais) (mens-fris) die hoogte met 33 fronten tussen «homme» (mens) en «frais» bereikt. Stel dat we een rail samenstellen die bestaat uit “…à travers des parfums frais, l'homme passe…” (…door frisse geuren, gaat de mens…) dan is ä=1 verantwoord doordat de termen zeer dicht bij elkaar liggen, en (parfums²-/frais-/homme) (geuren²-fris-mens) intuïtief inderdaad aannemelijker wordt.

Methode

Het baken (ä) is niet het enige dat beïnvloed wordt als de verhouding tussen de sporen zich wijzigt, maar de daling in kwestie laat zien hoe belangrijk deze grootte (ä) is bij het gehele proces van de waardebepaling.

Toepassing op Baudelaire

De alles met elkaar samensmedende beelden van de frisheid hebben betrekking op de bijbelwoorden [125]: «Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer…» Virgilius bedient zich van soortgelijke woorden [965]: «…de kudden zijn niet bevreesd voor de grote leeuwen…» Baudelaire, die zich af en toe sarcastisch toont met betrekking tot die wat al te optimistische dromen over goede verstandhoudingen, vraagt de Nazareeër of hij door het geweld weg te nemen geen vergissing begaan heeft [146]-[151]-[[1105]] in Index II (Gedichten)">[[1105]]: «Heeft de wroeging geen dieper gat in je zij
Geboord dan de lans?» Dat vormt de transplantatie (wroeging-/zij-/lans) die begrijpelijker gemaakt wordt door (ziel-/wroeging-/zij-/lans).

§273
· Variatie van de kanteel voor een confrontatie
Theorie

In de huidige situatie heeft de confrontatie (unité-/nuit) (eenheid-nacht) recht op de kanteel ä=1 omdat de springplank b(unité~nuit) een interne ruimte van 1 blijkt te bezitten aangaande «…une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit…» (…een duistere en diepe eenheid,/Weids als de nacht…) Laten we deze grootte uitbreiden door middel van een rail die luidt als volgt “…une ténébreuse et profonde unité/////, où volent (des) parfums frais comme (des) chairs (d')enfants, doux comme (les) hautbois, verts comme (les) prairies, -et (un) autre parfum, corrompu, riche (et) triomphant, vaste comme (la)/////nuit…” (…een duistere en diepe eenheid, waarin geuren rondzweven, fris als een kinderhuid, zacht als hobo’s, groen als weiden, -en een andere geur, bedorven, rijk en zegevierend, weids als de nacht…) De interne ruimte van b(unité~nuit) (eenheid-nacht) die het baken (ä) verschaft wijzigt zich in 2+(1(21/10))=2+2,1=4,1. De samenhang in (unité-/nuit) lijkt zo gering dat de hoeveelheid ä=4,1 gelukkig verhindert dat deze op een grote aannemelijkheid kan bogen.

Methode

De rol van de andere bakens die het hier verkregen resultaat nog komen aanvullen, schijnt ons juist toe, maar het is van groot belang dat de taak over elk verdeeld wordt.

Toepassing op Baudelaire

Onze geest voelt aan dat de nacht en de aarde, door het duister, nauw met elkaar verbonden zijn, maar bij nader inzien, bestaat er ook verband tussen de mensheid en de aarde [381]. De ontbering van de zon is voor ons een gelegenheid om over die terneergeslagenheid te mediteren [[1122]] in Index II (Gedichten)">[[1122]]: «Wanneer de lage, zware hemel als een dekstel drukt
Op de klagende geest die ten prooi aan langdurige verveling is,
En hij vanaf de horizon de ganse aardbol omarmend
Ons een zwarte dag bezorgt triester dan de duisternis;

Wanneer de aarde een vochtig gevangenishok wordt,
Waar de Hoop wegvliegt, als een vleermuis
Beschroomd tegen de muren vladderend,
En z’n kop tegen verrotte plafonds martelt;

Wanneer de stralen van het onmetelijk grote regengordijn
Als de tralies van een enorme gevangenis zijn,
En een stom volk van afschuwelijke spinnen
In onze hersens zijn draden komt spannen diep van binnen,

Beginnen plotseling nijdig klokken te luiden
En sturen als dolende, staatloze geesten
Die koppig beginnen te schreien,
Een weerzinwekkend gebrul de lucht in.

-En oude lijkwagens, zonder trommel noch muziek,
Komen langzaam in mijn geest voorbij; en, terwijl de Hoop
Huilt als een overwonnene, plant de despotische Angst
Op mijn gebogen schedel zijn zwarte vlag.» Het gevoel dat uit dit gedicht van Baudelaire spreekt lijkt veel op dat wat overheerst bij het luisteren naar de ¨Fantastische Symfonie¨.

§274
· Variatie van de kanteel voor een metafoor
Theorie

De kanteel van de metafoor (symboles./observent) (symbolen-gadeslaan) bestaat momenteel uit ä=1 want de termen zijn nauw met elkaar verbonden: «…L'homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l'observent…» (…De mens gaat er wouden van symbolen/Door die hem…gadeslaan.) Bij diezelfde duffel (symboles./observent) (symbolen-gadeslaan) wordt de kanteel ä=3,5 een mogelijkheid met een rail die deze woorden bevat: “…l'homme y passe à travers des forêts de symboles/////, longs échos (de) loin confondus en (une) ténébreuse (et) profonde unité, vaste comme (la) nuit et (comme) (la) clarté, qui l'/////observent avec des regards familiers.” (…de mens gaat er wouden van symbolen door, lange echo’s van ver vermengd in een duistere en diepe eenheid, weids als de nacht en als de dag, die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.) Tussen “symboles” en “observent” (gadeslaan) manifesteert zich geen enkele in het oog vallende relatie die ä=1 kan rechtvaardigen. Aangezien de interne ruimte van de springplank b(symboles~observent) bestaat uit 2+(1(15/10))=2+1,5=3,5, verschaft deze waarde de kanteel van (symboles./observent), en draagt zodoende bij tot het onderzoek naar gewaagde interpretaties.

Methode

Het vaststellen van aannemelijkheid kan vergeleken worden met het inzien van noodzakelijkheid [214]. Het schouwspel van een boot die aan het drijven slaat door een waterstoot verstrekt het eerste niveau: dat van de bepaling. Een groot aantal verschillende feiten die alle naar hetzelfde verwijzen verschaft het volgende voorbeeld [217]. Maar de voornaamste tendens die uit een verwarde situatie spreekt is niets anders dan de bepalende kracht bezien onder een nieuw aspect.

Toepassing op Baudelaire

De duizenden relaties die zich onder de beeldspraken in „Samenspel“ bevinden en die gedurende anderhalve eeuw bestudeerd zijn, bezitten een kern, naar de wil van de schrijver zoals die in oorsprong was. Baudelaire suggereert graag dat we bij onze eenvoudige handelingen door een symbool bekeken worden, en datzelfde idee gebruikt hij soms bij een politieke strijd. Bijna zonder dat we het merken zijn speelkaarten door legendes historisch beladen, want Pallas Athene is de welbekende ruiten dame, terwijl La Hire, deel uitmakend van de naaste omgeving van Jeanne d'Arc, zijn persoonlijkheid aan harten boer afstaat [168]-[169]-[503]-[[1120]] in Index II (Gedichten)">[[1120]]: «De grote kerkklok jammert, en het rokende houtblok
Begeleidt sissend de krakende kamerklok,
Terwijl in één en hetzelfde spel vol vieze luchten,

Fatale erfenis van een oude waterzuchtige,
De mooie harten boer en de ruiten dame
Als twee samenzweerders over hun voorbije liefdes praten.»

§275
· Variatie van de stadsmuur voor een inning
Theorie

De woorden «uitbreiding» en «symbolen» liggen zover uit elkaar, dat het een slag in de lucht zou zijn te verkondigen dat de schepper van het boek zich intuïtief bewust was van de parallel (symbolen-/gadeslaan-/geuren²-/uitbreiding). Omdat één van de voorwaarden voor een stadsmuur die 1 bedraagt immers ontbreekt, moeten we wel concluderen dat ë=2 is. De rail bestaande uit “…de mens gaat er wouden van symbolen door die hem met geuren die een oneindige uitbreiding bezitten, gadeslaan…” had met betrekking tot (symbolen-/gadeslaan-/geuren²-/uitbreiding) recht gehad op een stadsmuur ë=1 omdat er bewijzen waren dat de analogie onmiskenbaar met opzet was geconstrueerd.

Methode

Kanteel en stadsmuur hebben dikwijls dezelfde waarde, maar niet altijd, wat het afzonderlijk bestaan van deze waardebepalingen rechtvaardigt.

Toepassing op Baudelaire

De gelovige mag dan geobserveerd worden door de verschillende facetten van deze wereld, omgekeerd ziet de mens de werkelijkheid op duizenden verschillende manieren, zoals de Heilige Augustinus zegt [49]: «Zien is, inderdaad, de eigenlijke taak van de ogen. Maar we gebruiken dat woord, zelfs met betrekking tot de andere zintuigen, als we ze inzetten bij het verkennen van dingen. We zeggen niet: "Luister eens hoe dat fonkelt", noch: "Ruik eens hoe dat glanst", noch: "Proef eens hoe dat straalt », noch "Voel eens hoe dat schittert". Nee, het woord ‘’zien‘’ is geschikt om al deze indrukken te verwoorden. En we zeggen zelfs niet alleen: "Kijk eens wat een licht!" (hetgeen alleen de ogen kunnen doen), maar ook: "Kijk eens wat een geluid, kijk eens wat een reuk, kijk eens wat een smaak, kijk eens wat hard!" Daarom wordt elke ervaring van de zintuigen, zoals ik zei, sensualiteit van de ogen genoemd: deze rol van het gezichtsvermogen, die voornamelijk voor de ogen gereserveerd is, wordt namelijk door analogie ook door de andere zintuigen, als ze een bepaald voorwerp verkennen, vervuld.»

§276
· Variatie van de stadsmuur voor een transplantatie
Theorie

De transplantatie (uitbreiding-/symbolen-/gadeslaan) krijgt de waarde stadsmuur 2 omdat de termen niet in de aanvankelijke volgorde staan. Om recht te hebben op ë=1 is elke rail met: “…de mens gaat er de uitbreiding der symbolen door die hem gadeslaan…” voldoende.

Methode

Wat de gewone woorden betreft, zouden we gemakkelijk de volgorde kunnen veranderen, maar daarom houden de beste duffels nog wel die van de tekst aan.

Toepassing op Baudelaire

Het lijkt wel of de beeldspraken in het gedicht zo gerangschikt zijn dat ze een verhaal vormen. Nadat de edelmoedigheid van de frisse geur is ervaren, is het moment gekomen om de bedwelming van ons zondige binnenste te tonen. Omgekeerd keert de Heilige Augustinus van zijn jeugdzonden weer bij God terug [46]: «Laat heb ik je liefgehad, o Schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik je liefgehad! Maar wat zal ik verder zeggen? Je bevond je binnenin mij, en ik bevond me buiten mijzelf! En daar buiten zocht ik je; in mijn lelijkheid, stortte ik mij op de sierlijkheid van je schepsels. Je was bij me en ik was niet bij jou, bezig ver bij jou vandaan met die dingen die niet zouden bestaan, als ze niet in jou waren. Je hebt me geroepen, en je schreeuw heeft mijn doofheid weggenomen; je hebt geschitterd, en je glans heeft mijn blindheid verjaagd; je hebt je welriekende geur verspreid, ik heb hem opgesnoven en nu verlang ik naar jou; ik heb je geproefd en ik heb honger naar jou, dorst naar jou; je hebt me aangeraakt, en ik brand van liefde voor de vrede die je schenkt.» Maar het blijkt zo moeilijk te zijn niet weer in de oude fouten terug te vallen dat de schrijver uit de Oudheid niet kan nalaten een pijnlijke vraag te stellen [47]: «Is het leven van de mens op aarde dan nooit iets anders dan een voortdurende "verzoeking"?»

§277
· Variatie van de stadsmuur bij een confrontatie
Theorie

De stadsmuur van (geuren²-/kinderhuid) bereikt een waarde van 1 doordat hij een volkomen getrouwe weergave van de tekst vormt. We verkrijgen daarentegen ë=2, als we de volgende rail gebruiken: “Er zijn geuren, zo fris als kinderen…” Aangezien nu “kinderhuid” geen spoor meer is, maar een begrip dat is bedacht door de commentator, neemt het gevaar dat er een vergissing wordt begaan toe.

Methode

Voor de interpretatie schijnt het noodzakelijk te zijn dat men zich aan de authentieke denkbeelden houdt. Een bevolkingsgroep heeft een collectieve kijk op de wereld, en de woordkeus komt uit dat proces voort [907]. Bijgevolg blijkt het moeilijk te zijn, om in die massa terug te vinden welke overdenking de schrijver precies heeft gemaakt, om, in plaats van de gebruikte woorden, een soort mededeling verborgen achter de uiterlijke schijn in elkaar te zetten, die nog beter geschreven is dan wat we al kennen.

Toepassing op Baudelaire

Stel dat een kind een strook land in gedachten heeft; men leert hem dat als er bomen op geplant zijn, het een bos is; dat als er gras op groeit het om een weiland gaat; dat als er gewassen op staan, het terrein een akker heet. Voor elke kleine verandering wordt het leerproces herhaald. Het is maar heel zelden dat we kunnen zeggen hoe groot de bijdrage van een schrijver is geweest aan zo’n weidverbreide regel. Wat „Samenspel“ betreft, loont het meer om de, eventueel beschikbare, lectuur die Baudelaire ter voorbereiding op zijn werk heeft doorgenomen te bestuderen, omdat die het resultaat zijn van net zo’n gedegen onderzoek van de tekst als dat van het publiek. De Heilige Augustinus geeft toe dat de verleiding van het vlees groot is [48]: «U hebt elke onwettige, vleselijke gemeenschap verboden, en, betreffende het huwelijk heeft u, hoewel het daar toegestaan is, laten zien dat er een gelukstoestand bestaat die daarboven verheven is. En dankzij hetgeen u mij geschonken hebt, heb ik dat bestaan gekozen zelfs voordat ik de dienaar van uw sacrament werd. Maar ze leven nog in mijn herinnering -waarover ik zo lang heb gepraat- die beelden van dat plezier: mijn oude gewoontes hebben die er vastgelegd. Ze komen te voorschijn en zijn uitwisbaar zolang ik alert ben; maar als het gedurende mijn slaap is, ondervind ik daardoor niet alleen plezier, maar sta ik er ook helemaal achter, en lijkt het of de daad zich werkelijk voltrekt. Ze hebben, hoewel ze irreëel zijn, zo’n invloed op mijn ziel, op mijn lichaam, dat deze schijnbeelden van mijn slaap verkrijgen, wat de werkelijkheid niet van me verkrijgt als ik wakker ben. Ben ik op dat moment dan niet mezelf, Here God?»

§278
· Variatie van de stadsmuur bij een metafoor
Theorie

De metafoor (diepe./eenheid) levert de waarde stadsmuur 2 op vanwege het feit dat deze woorden aan kracht hebben verloren. Doordat hij nauwelijks nog een beeldspraak vormt, ontbreekt het deze parallel aan geloofwaardigheid. Om het niveau ë=1 te bereiken, hoeven we slechts een rail te gebruiken die in staat is opnieuw onze verbeeldingskracht op te wekken: “Als lange echo’s die zich van ver vermengen, in die put van donkere en diepe eenheid…”

Methode

Deze situatie waarin een prozaïsch woordgebruik stijlfiguren bevat die weliswaar verslapt zijn, maar toch nog genoeg de aandacht trekken om weer tot leven gewekt te worden, komt heel veel voor.

Toepassing op Baudelaire

In die diepe eenheid kunnen we zowel God als Satan aantreffen [[1028]] in Index II (Gedichten)">[[1028]]: «Rusteloos blijft de Duivel in mijn buurt;
Hij zwemt om me heen als ontastbare lucht;
Ik adem hem in en voel dat hij mijn long in vlam zet,
En hem vult met een eeuwig, schuldig verlangen.

Soms neemt hij, mijn grote liefde voor de Kunst kennend,
De vorm aan van een hoogst verleidelijke vrouw,
En, onder de valse voorwendsels van een bedrieger,
Laat hij mijn lippen gewend raken aan afschuwwekkende toverdranken.

Zo brengt hij me, ver van Gods blik,
Hijgend en gebroken van vermoeidheid, midden in
De eindeloze, verlaten vlaktes der Verveling,

En vult mijn totaal verwarde blik
Met vuile kleren, open wonden,
En de wrede machine der Vernietiging.»

§279
· Variatie van het torentje bij een inning
Theorie

De duffel (Natuur-/tempel-/woorden-/symbolen) bezit een waarde van torentje 1 omdat in (Natuur./ tempel) de begrippen «tempel» en «Natuur» immers zoiets vormen als wat door het publiek wordt gezien als een intellectuele warwinkel. Op het moment dat deze termen hem genoeg stof bieden om een tegenstrijdigheid in betekenis te veroorzaken, moet Baudelaire daarvan wel op de hoogte geweest zijn. Laten we, om het torentje te veranderen, een rail gebruiken met “De Natuur is, door zijn bossen, de plaats waar de tempel is ontstaan, en in haar midden laten levende pilaren, bomen, soms los wat wordt opgevat als verwarde woorden voortgekomen uit voorvoelde krachten; de mens gaat er voorbij door hoeveelheden wezens geïnterpreteerd als symbolen van die machten…” Onmiddellijk wordt aan (Natuur-/tempel-/ woorden-/symbolen) waarde torentje 2 toegekend omdat geen enkele gewaagde metafoor die hier geconstrueerd kan worden, (Natuur./tempel), (Natuur./woorden), (Natuur./symbolen), een relatie tussen de ideeën oplevert die de rationele voorzorgsmaatregelen in de nieuwe tekst compenseert.

Methode

Wanneer de schepper van een boek zo bang is dat we iets verkeerd opvatten, dat hij uitleg geeft, is het uitgesloten dat we onbesuisde dingen doen.

Toepassing op Baudelaire

Wat de combinaties (tempel./woorden), (tempel./symbolen), (woorden./symbolen) aangaat, deze vormen geenszins een onoverzichtelijke mengeling. De Heilige Augustinus beschreef het herinneringsvermogen als volgt [45]: «Groot, o mijn God, is die capaciteit van ons geheugen; o ja! zeer groot! Het is een onmetelijk, oneindig groot heiligdom. Wie heeft er ooit de bodem al van bereikt? Toch is het slechts een vermogen van mijn verstand, horend bij mijn karakter: maar ik ben niet in staat volkomen te begrijpen wat ik ben.» 128

§280
· Variatie van het torentje bij een transplantatie
Theorie

De transplantatie (geuren-/uitbreiding-/oneindige) wordt (geuren./oneindige), een metafoor die voor de schepper van het boek, gezien de context waar sprake is van verspreiding van minuscule deeltjes, van geen van beide kanten zonderlinge opvattingen bevat. Het verkregen torentje, ï=2, wijzigt zich in ï=1 met behulp van de rail “Er bestaan frisse geuren…en andere, door toedoen van Satan bedorven, rijk en zegevierend, de uitbreiding bezittend van weidse zielen, van eeuwige bedriegsters…»

Toepassing op Baudelaire

Men zegt dat de kunstenaar door de sluwe toename van zijn capaciteiten in staat is een groot aantal verschillende thema’s te beheersen [[1116]] in Index II (Gedichten)">[[1116]]: «Ik heb meer herinneringen dan wanneer ik duizend jaren oud was.

Een enorme ladenkast vol met paperassen,
Dichtregels, tedere briefjes, dagvaardingen, liefdesverhalen,
Met opgerold in kwitanties, dikke lokken haren,
Verbergt minder geheimen dan mijn droeve hersens…Ik ben een oud kamertje vol verwelkte rozen,
Waar tal van ouderwetse voorwerpen verpozen,
Waar uit bleke Bouchers en klaaglijke pastellen
De geuren van een oud flesje parfum zonder flacon opwellen.»

Methode

Omdat een torentje immers een mengeling van gezichtspunten vereist, beperkt de waarde van de transplantatie (6-/2-/3), die staat voor “welk getal verhoudt zich tot 6 zoals 2 tot 3, is mijn vraag”, zich tot ï=2. Bij een stadsmuur en een vestinggracht van 2 is de aannemelijkheid maximaal ⅛.

§281
· Variatie van het torentje bij een confrontatie
Theorie

De confrontatie (geuren-/hobo’s) heeft een torentje van ï=1 door de verstrengeling van onderling zeer verschillende begrippen. Het is heel gemakkelijk dit te veranderen door een rail te gebruiken als “Er zijn geuren…zacht als hobo's, die, daarbij soms geholpen door het enthousiasme, beeldspraken oproepen…” Het torentje verandert in ï=2 omdat de uitleg het onbegrip wegneemt.

Methode

Wanneer we weten dat voor de schepper van een boek alles precies op z’n plaats blijft als er ogenschijnlijk een verwarring ontstaat, neemt dat het risico weg van een absurd mengsel.

Toepassing op Baudelaire

Maar de kunst komt op de tweede plaats, zoveel profijt trekt hij van het in stukken verdelen van de mentale zones die het verstand onderscheidt [[1086]] in Index II (Gedichten)">[[1086]]: «Soms word ik als een zee door de muziek gegrepen…Onder een dak van mist of bij een zuiver blauwe lucht,
Wordt het zeil door mij gehesen…Die goede wind, de storm en zijn krampen

…Wiegen mij heen en weer en soms de rust, grote spiegel
Van mijn onlust!»

§282
· Variatie van het torentje bij een metafoor
Theorie

De metafoor (levende./pilaren) krijgt een torentje bestaande uit ï=1 vanwege het feit dat de zuilen ongetwijfeld levenloos zijn, wat dus wil zeggen dat twee zeer verschillende begrippen bij elkaar gebracht moeten worden. Wanneer we deze waarde door ï=2 willen vervangen moeten we de inhoud op een bepaalde manier aankondigen: “De Natuur is een tempel waar dingen die vaag lijken op levende pilaren…”

Methode

Een dergelijke wijze van formuleren waarschuwt het verstand dat er, nu het de relatie tussen de betreffende beelden niet langer onderbrengt in het domein van de mythen of de literatuur, geen sprake meer is van een metafoor.

Toepassing op Baudelaire

Bomen kunnen, als levende pilaren, gelijk een tempel een ruimte afsluiten, zoals een kerk iets van een plotseling opdoemende open plek in het bos heeft. Schilders hebben belangrijke scènes, vaak omgeven door wouden of rotsen afgebeeld [[1090]] in Index II (Gedichten)">[[1090]]: «…Leonardo da Vinci, diepe spiegel met veel somberheid,
Waar met zachte glimlach, engelen vol bekoorlijkheid
Heel geheimzinnig, uit de schaduw te voorschijn komen
Van gletsjers en dennebomen waardoor hun land wordt omheind…»

§283
· Variatie van de vestingmuur voor een inning
Theorie

Aangezien de diverse elementen van de tekst immers zonder enige toelichting worden gegeven, heeft de inning (:fris-/kinderhuid-/zacht-/hobo’s) een vestingmuur van ö=1. Laten we daarentegen eens een rail samenstellen die de volgende woorden bevat: “Door ons studieonderzoek dringt de kwestie van de analogie der gevoelens zich op: het zenuwstelsel zou op dezelfde manier kunnen reageren bij het zien van iets dat fris is, bij de kleur van een huid, en bij hetgeen we horen met betrekking tot "zacht", als het gaat om het geluid van een hobo…» We zouden dan de indruk hebben dat de termen hier zijn gebruikt met het doel een heldere uiteenzetting te geven, wat ö=2 tot gevolg heeft.

Methode

Soms worden analogieën in een ander domein dan de wiskunde aangetoond. Met name de bioloog kent [872]«…organismen van eendere vorm.» Zo begunstigt het leven in de zee bij talrijke soorten bepaalde vormen, waardoor er overeenkomsten ontstaan die [871]«…de gestaltes van een Haai, een echte Vis, een Dolfijn, een Walvisachtig Zoogdier, en van Ichtyosaurussen, vreemde, fossiele Reptielen, uit het Mesozoïcum, op elkaar doen lijken.»

Toepassing op Baudelaire

Daar de dichter der overeenkomsten in een tijd leefde waarin men dit verschijnsel nog niet goed begreep, kan het zijn dat hij over de denkbeelden die Balzac uiteenzette nagedacht heeft [58]: «Het dier vormt een principe volgens welke het zijn uiterlijk, of, om precies te zijn, de verschillende gedaantes van zijn uiterlijk, aanpast aan de omgeving waarin hij zich moet ontwikkelen. De Diersoorten zijn het gevolg van die verschillen. De eer van het bekendmaken en het verdedigen van dat systeem, overigens in harmonie met de ideeën die wij ons van de goddelijke macht maken, komt voor altijd toe aan Geoffroy Saint-Hilaire, die Cuvier op dat onderdeel der hoge wetenschap heeft verslagen, en wiens overwinning is geprezen in het laatste artikel dat de grote Goethe heeft geschreven. Ik zag, doordrongen van dit systeem lange tijd voordat het deze discussies heeft veroorzaakt, dat de Maatschappij, in dit opzicht, op de Natuur leek. Maakt de Maatschappij van de mens alnaargelang de omgeving waar hij zich ontplooit, niet evenzoveel verschillende mensen als er diersoorten zijn? De verschillen tussen een soldaat, arbeider, administrateur, advocaat, luiwammes, geleerde, staatsman, winkelier, zeeman, dichter, arme, priester, zijn, hoewel moeilijker vast te stellen, even groot als die tussen de wolf, leeuw, ezel, kraai, haai, zeehond, het schaap, enz. Er hebben, en er zullen ten allen tijde, dus Sociale Soorten bestaan zoals er Diersoorten zijn.»

§284
· Variatie van de vestingmuur voor een transplantatie
Theorie

De vestingmuur van (:geuren²-/uitbreiding-/oneindige) is ö=1 omdat hier immers op geen enkele manier geprobeerd wordt een bewijs aan te voeren. Het veranderen in ö=2 zou mogelijk zijn door middel van een rail met bijvoorbeeld de termen “…de bestanddeeltjes van geuren die zich verspreiden leken aanvankelijk welhaast voorwerpen te zijn van een oneindig kleine omvang, omdat de middelen om ze op hun waarde te schatten ontoereikbaar waren…”

Methode

Het begin van een redenering is geenszins voldoende om een contrast teweeg te brengen met het overige, slechts uit poëzie bestaande, gedeelte van een werk. Er moet dus gepreciseerd worden dat de omschrijving dichtbij het fragment moet staan waarin zich de beslissende woorden bevinden.

Toepassing op Baudelaire

In de nieuwe tekst proberen we een logische redenering te geven, terwijl voor de andere enkel diverse, op elkaar lijkende ervaringen van de schepper van het boek en het publiek, ter ondersteuning van de inhoud dienen [[1040]] in Index II (Gedichten)">[[1040]]: «Daar suist rond de bedwelmende herinnering
In de onthutste lucht; de ogen worden gesloten; de duizeling
Maakt zich meester van de ziel en duwt haar met twee handen tegelijk voort…»

§285
· Variatie van de vestingmuur voor een confrontatie
Theorie

De confrontatie (:geuren²-/weiden) heeft recht op een vestingmuur van ö=1 omdat het aspect van dromerij niet wordt aangetast. Om ö=2 te verkrijgen nemen we onze toevlucht tot een rail die een gedegen wetenschappelijk onderzoek vermeldt: “…met betrekking tot de leer van het zenuwstelsel, kunnen we ons afvragen of geuren voor het reukorgaan zijn wat weiden voor het gezichtsvermogen inhouden…”

Methode

Het meten van aannemelijkheid aangaande de analogie zou niet volledig geweest zijn indien de parallellen waarbij een bewijsvoering nagestreefd werd, geen deel uitmaakten van de bestudeerde onderwerpen. Het moest niet zo zijn dat het tot de conclusie leidde dat alles draait om stijl- of rhetorische figuren. Het is inderdaad zo dat we niet om (2-/3-/4-/6), dat in principe een voorbeeld vormt, heen kunnen [38]. Het is dus beter aan te nemen dat de duffels eveneens een rationeel gedeelte bevatten, al worden ze bij voorkeur in de esthetica gebruikt.

Toepassing op Baudelaire

Net als Baudelaire later, schrijft Plinus, die de overeenkomsten vanuit een heel ruim standpunt zag [779]: «…de verschillen en de overeenkomsten tussen de dingen, die de Grieken antipathie en sympathie noemden…»

§286
· Variatie van de vestingmuur voor een metafoor
Theorie

Bij de metafoor (:Natuur./tempel) wordt de vestingmuur vastgesteld op ö=1 omdat er geen redenering valt te bespeuren in het gedeelte waarin de termen staan. Laten we eens een rail samenstellen die bij deze duffel (:E./H) ö=2 oplevert dankzij deze inhoud: “…in talrijke beschavingen is, volgens een vage gedachtegang, de Natuur een tempel, want deze is in de wouden ontstaan. Dat wordt bewezen doordat iets van dit idee nog altijd bij de mensen leeft…” De vorm (;Natuur./tempel) zou hier nu beter op zijn plaats zijn.

Methode

Een echte bewijsvoering ligt meestal niet binnen het bereik van een literair werk. Wij verlangen enkel dat de tegenstelling, maar geenszins met het doel in de smaak te vallen, om voor de abrupte duffel in te kunnen staan, even aangeroerd wordt.

Toepassing op Baudelaire

Integendeel, het beeld van de natuurlijke tempel suggereert zienswijzen die boven een rigoureuze manier van denken uitstijgen. Achilles borduurt op een soortgelijk thema voort in de volgende aanroeping [448]: «Sire Zeus, god van Dodona en de Pelasgen, verre god! jij die heerst over Dodona, de onbarmhartige, in het land dat bewoond wordt door de Selloi, je afgevaardigden die nooit hun voeten wassen, die op de grond slapen! Je hebt al eens naar mijn gebed geluisterd, je hebt me eer bewezen…» 130

§287
· Variatie van de vestinggracht voor een inning
Theorie

De vestinggracht (ü) die (wouden-/vertrouwde-/Natuur-/tempel) heeft verdiend bedraagt 1 want de relatie “leiboom-site” van “wouden-vertrouwde” verdient enige bijval. Om ü=2 te verkrijgen is een rail die uitleg geeft over de derde regel voldoende: “…de mens gaat er voorbij door hooghartige wouden, die vreemd genoeg uit symbolen bestaan…”

Methode

Door steeds ons standpunt in de tekst te betrekken, wordt onze waardebepaling van de vestinggracht onjuist. Precies zoals dat het geval is bij het bestuderen van een geschiedkundig onderwerp, hebben we het meest te vrezen van iemand die naar de oprechtheid van zijn hart handelt.

Toepassing op Baudelaire

We nemen «vertrouwde» als uitgangspunt om te kijken wat het in de dieren is dat gadeslaat door middel van de symbolische wereld der wouden, en het zal ons wel lukken om de steun van enkele regels te vinden, omdat de auteur er immers heel veel heeft geschreven [[1017]] in Index II (Gedichten)">[[1017]]: «Het is van deze plaats de vertrouwde geest;
Hij oordeelt, inspireert, leidt
Alle dingen in zijn rijk;
Misschien is hij god, is hij fee?

Als mijn ogen zich gedwee tot die,
Door mij beminde kat als aangetrokken,
Door een magneet richten,
En ik dan in mijzelf tuur,

Zie ik verbaasd
Van zijn bleke pupillen het vuur,
Helle toortsen, levende opalen,
Die mij met vaste blik gadeslaan.»

§288
· Variatie van de vestinggracht van een transplantatie
Theorie

De vestinggracht (ü) ingezet bij (Samenspel-/Natuur-/tempel) verkrijgt een waarde van 1, dankzij (Samenspel-/Natuur-/mysterie-/tempel) berustend op twee relaties, na toevoeging van “mysterie”, van het type “leiboom-site”: “Natuur-Samenspel”, “tempel-mysterie”. Om ü=2 te verkrijgen, wijzigen we de situatie door een rail met de inhoud “Van de Natuur gaat geen enkel Samenspel uit: dat is door ons bedacht…”

Toepassing op Baudelaire

Maar zelfs in dat geval, zou het publiek geaccepteerd hebben dat het door mensen opgevatte idee getuigt van dingen die, hun mogelijkheden te boven gaand, in staat zijn [[1080]] in Index II (Gedichten)">[[1080]]: «Op een avond met alom mystieke roze-blauwe kleuren…» met hun aanwezigheid verwondering te wekken.

Methode

Een vestinggracht 1 vereist twee parallellen, en het geijkte voorbeeld (ouderdom-/avond-/leven) laat zien dat het voornaamste idee betreffende de duffel, bestudeerd in de alinea over de stadsmuur, niet altijd voldoende is om die te vinden. Soms is het om dit te bereiken nodig er een element aan toe te voegen. Bij “avond-leven” laten we het bij de gegeven termen, maar “dag-avond” vraagt om een aanvulling.

§289
· Variatie van de vestinggracht van een confrontatie
Theorie

Bij (hobo’s-/geuren²) krijgt de vestinggracht (ü) een waarde van 1 want “zacht-geuren²” en “bariton- hobo’s” vormen elk een koppel samengesteld uit een site en zijn leiboom. De inning (bariton-/hobo’s-/ zacht-/geuren) is een voorbeeld van de vergrote confrontatie. Om een resultaat van ü=2 te behalen hebben we een rail nodig die luidt als volgt “Er zijn, tegengesteld aan geuren, wezens zo zacht als hobo’s…”

Methode

Zowel de vestinggracht als de sluippoort spelen een rol bij de inning, omdat deze een gedetailleerde omschrijving bevat, die jammer genoeg op geen enkele wijze wordt bewezen. De denkbeeldige betekenis blijft heel fragiel, en fungeert voor de interpreet slechts als hulpmiddel. Een metafoor is nog moeilijker te begrijpen, omdat daarin immers geen plectrum vermeld wordt.

Toepassing op Baudelaire

In plaats van hobo’s kunnen we in het geluid en het ritme van de eerste terzine even goed menen het carillon te horen, en dan uitkomen bij een bedorven persoon [[1024]] in Index II (Gedichten)">[[1024]]: «Gezegend de klok begenadigd met een stemgeluid vol kracht
Die, ondanks haar ouderdom, energiek en gezond,
Trouw haar godsdienstige roep uit…

In mìjn ziel zit een barst…»

§290
· Variatie vande vestinggracht van een metafoor
Theorie

De vestinggracht van (Natuur./nacht) ontvangt een waarde van ü=1 want we kunnen ons gemakkelijk voorstellen dat de schepper van het boek een parallel ziet in de duffel (Natuur-/verwarde-/ nacht-/vermengen). Om een hoogte van ü=2 te verkrijgen roepen we de hulp in van een rail die bijvoorbeeld de volgende passage bevat: “…lange echo’s die zich van ver vermengen, in een diepe, natuurlijke eenheid, die wedijvert met de weidse nacht…”

Toepassing op Baudelaire

Het duister kan betrekking hebben op lange uren arbeid of angst, maar eveneens op feesten waarop mensen vuren aansteken, en vooral op het hemelgewelf dat door Homerus verheerlijkt wordt [444]: «Waarom dwaalt u zo, van schip tot schip en in het kamp, alleen midden in de heilige nacht rond?» In 1835-36 had Baudelaire veelvuldig te maken met het Griekse heldendicht omdat de leraar in kwestie de 27 e augustus door zijn superieuren immers werd verweten «dat de Griekse les het hele jaar uit niets anders bestond dan uit Homerus» [595].

Methode

Een waarde van torentje 1 vereist een veelkleurige mengeling van de begrippen en een vestinggracht van 1 heeft als verplichting dat de schepper van het boek hen zorgvuldig een plaats heeft willen geven. De interpreet doorloopt honderden verschillende gevallen door middel van bewerkelijke woordschikkingen om zo de talrijke eisen op te sporen die aan beeldspraken verbonden zijn. Denk eens aan de wiskunde als basisfysica, waarbij men in de cirkel tegelijk een afspiegeling kan zien van de zon, de maan, de doorsnee van een boom, van de cirkels op het water als er een steen in valt.

§291
· Variatie van de sluippoort voor een inning
Theorie

Aangaande de inning (,Natuur-/wouden-/tempel-/pilaren) aarzelen we wat betreft de sluippoort ÿ=2 omdat ons twee beelden voor ogen komen, elk uit drie onderdelen samengesteld: enerzijds “aarde”, «wouden», “hemel”; anderzijds “vloer”, «pilaren», “dak”. Twee elementen, «wouden» en «pilaren», leggen het verband met de andere. Om ÿ=2 aannemelijker dan in het gedicht te maken, is het voldoende om een der gedeeltes te veranderen in “De wezenlijke Natuur van de tempel…” Door deze wijziging, heeft het woord “Natuur” voortaan de betekenis van “essentie”: “eigenlijke aard van iets”, “onderwerp van definitie”. Nu verdwijnt de beduidenis “natuurlijke wereld”, basis voor de indeling “aarde-wouden-hemel” die bijdroeg tot de illusie ÿ=1, naar de achtergrond van onze gedachten.

Methode

De inning (,zolder-/huis-/top-/berg) bestaat uit een soortgelijke parallel als die we zojuist bestudeerd hebben, eveneens met drie onderdelen, die we in beide koppels aantreffen.

Toepassing op Baudelaire

Niet zozeer in staat hoog en laag met elkaar te verbinden, is de echo, eerst in de bergen of de wouden, als medium, toch van invloed geweest op de architectuur, zoals Plinius schrijft [777]: «Ook in Cyzica, heel dichtbij de poort die de "Poort van Thracië" genoemd wordt, vangen zeven torens de tegen hun muren ketsende woorden op en vermeerderen ze. De Grieken noemden dit wonder echo. Dit verschijnsel ontstaat door de natuur, meestal in omsloten valleien; hier is het toeval; in Olympia, is het het menselijk vernuft dat het heeft aangebracht in de galerij die men de naam "heptaphone" heeft gegeven, omdat hij zeven maal hetzelfde geluid weerkaatst.»

§292
· Variatie van de sluippoort voor een transplantatie
Theorie

De sluippoort (ÿ) van (,Samenspel-/Natuur-/tempel) kan, als we veronderstellen dat hiermee bedoeld wordt (,Samenspel-/Natuur-/mysterie-/tempel) geen andere waarde krijgen dan ÿ=2. Dat komt doordat het onmogelijk is om, uitgaande van de relaties “Natuur-Samenspel” en “tempel-mysterie”, de beeldspraak die de transplantatie vormt, een dubbele serie met elk drie onderdelen te construeren. Het is daarentegen mogelijk om ÿ=1 te verkrijgen met behulp van een rail die zo begint: “Het Samenspel tussen de hemel en de Natuur, wordt uitgevoerd door middel van de honderd pilaren van de tempel.” Aangezien het bovenste gedeelte in verband staat met het onderste, onderscheiden we drie niveaus, waarvan het tweede het middelste gedeelte is dat de beide andere met elkaar verbindt.

Methode

In verzonnen teksten, bestaat de inhoud hoofdzakelijk uit bobbels en niet uit steunpunten, waardoor ÿ=1 enkel gebillijkt wordt door ons de behandelde rangorde voor te stellen, zonder enige andere verificatie.

Toepassing op Baudelaire

Samenspel bestaat niet alleen op stichtelijk gebied [[1088]] in Index II (Gedichten)">[[1088]]: «Door je geur naar een behaaglijk warm oord gebracht,
Zie ik een haven vol zeil en mast
Nog geheel vermoeid door de golven der zee,

Terwijl de geur der groene tamarinden,
Waarmee de lucht wordt vervuld en waardoor mijn neusholte zwelt,
Zich in mijn binnenste met het zingen der zeelieden vermengt.»

§293
· Variatie van de sluippoort voor een confrontatie
Theorie

De confrontatie (,geuren²-/hobo’s) verlangt een sluippoort ÿ=2 want de relaties zoals “geuren²- reukvermogen” en “hobo’s-gehoor” die billijk zijn, zijn niet in drie onderdelen ingedeeld. Een resultaat van ÿ=1 vraagt om een gradatie, die gerealiseerd kan worden door toevoeging van “…onder de geuren van gemiddelde intensiteit, waarvan sommige zacht als hobo’s zijn…” De nieuwe rail mondt aangaande de geuren uit in de definitie van drie niveaus: bedorven, neutrale en heilige.

Methode

Hier wordt de redenering praktisch tot aan het eind geconcretiseerd door een kwalitatieve gradatie om voor de duffel te resulteren in een sluippoort van 1.

Toepassing op Baudelaire

Omdat het al snel een zware opgave wordt om de gedachtegang van Baudelaire weer te geven als we daarvoor het heden als uitgangspunt nemen, zijn we af en toe geneigd om van de dubbelzinnigheid van het sonnet gebruik te maken om de houding van de schepper van het boek te simplificeren door hem te vergelijken met een figuur van Balzac aldus omschreven [86]: «Die man, wiens grootste vermaak het was om anderen de regels en principes die hijzelf aan zijn laars lapte op te leggen, sliep ’s avonds in na de uitroep "misschien!"»

§294
· Variatie van de sluipport voor een metafoor
Theorie

Verdient de duffel (,Natuur./tempel) een sluippoort van ÿ=1? Het lijkt mogelijk te zijn de metafoor uit te werken tot (,Natuur-/wouden-/tempel-/pilaren), wat zou resulteren in de relaties “wouden-Natuur” en “pilaren-tempel” met de mogelijkheid van 3 niveaus “hemel-wouden-aarde” enerzijds en “God-pilaren- tempel” anderzijds. Toch is het verband tussen «Natuur» en «wouden» te gering, waardoor de voorkeur uitgaat naar ÿ=2. We kunnen een situatie die zo’n keus bevordert waarbij de waarde bestaat uit ÿ=2, tot stand brengen door de beschrijving als volgt te preciseren: “…de mens gaat er door wouden van symbolen of voor een groot aantal tekens langs…” Dat zou schade toebrengen aan de beduidenis “bomen” en zou het idee om “wouden” als verbinding te zien tussen de grond en zijn tegenpool de hemel nog minder aantrekkelijk maken, waardoor het begrip van een driedelige orde kwetsbaarder wordt.

Methode

De voorwaarden voor de sluippoort vereisen zo’n grote oplettendheid dat voor de opzettelijke verandering van de details ervan niet zozeer een rijke fantasie, dan wel een heel precies voorstellingsvermogen belangrijk is.

Toepassing op Baudelaire

Nergens in de tekst worden de bomen met nadruk genoemd, daarom valt het enigszins te verdedigen als hun aanwezigheid ontkend wordt. We beschikken enkel over de herinnering die de schepper van het boek aan zijn cultuur heeft overgehouden en waardoor hij het bos spontaan associeert met alles wat menselijk is, om tegen dat oordeel in te gaan. Op dezelfde wijze beschrijft Hesiodus twee strijders [436]: «Net als wanneer vanaf de hoge top van een grote berg rotsblokken op elkaar vallend naar beneden storten, hoge, langharige eiken bij honderden tegelijk neerslaan, dennen en populieren met dikke wortels bij honderden tegelijk afbreken, en zelf hard tot op de vlakte naar beneden rollen; zo stortten ze zich, hard schreeuwend op elkaar…»

§295
· Kanteel van de inning
Theorie

We stellen voor nu complete bogen te berekenen voor elk type duffel. Laten we allereerst de inning (:’echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) bestuderen. Het lijkt alsof de termen heel ver uit elkaar liggen, maar door het krachtige grammaticale verband wordt dit probleem helemaal opgelost: «Als lange echo’s die zich van ver vermengen…Antwoorden…kleuren…elkaar.» Als gevolg daarvan blijft de interne ruimte van alle springplanken 1 en dus krijgt de kanteel eveneens een waarde van ä=1.

Methode

De werkelijke afstand bepaalt niet alles in deze berekening, omdat het argument van de logica zwaarder weegt dan welke afstand ook tussen de fronten van een noot.

Toepassing op Baudelaire

Het schokte Plinus totaal niet wanneer men aan dingen een menselijk karakter toeschreef [776]: «Er zijn strenge kleuren, maar ook uitbundige.»

§296
· Stadsmuur van de inning
Theorie

Om het idee van de inning (:’echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) te ontvouwen, is een heel couplet nodig. Het kost dan ook geduld om de clou van het denkbeeld af te wachten: «Als lange echo’s die zich van ver vermengen…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.» Er zijn vier punten die onze aandacht vragen: het is niet moeilijk te constateren dat de overdenking een parallel inhoudt; de kiosken bestaan enkel uit termen; deze hebben in het sonnet dezelfde volgorde als in de inning; een andere sluiskolk zou minstens één kiosk verloren doen gaan. De waarde van de stadsmuur ë=1 staat hierdoor onomstotelijk vast.

Methode

Aangezien we pas begrijpen wat de termen willen zeggen na, en niet tijdens, het doornemen van de tekst, schaadt niets van alles wat we aan verkeerde voorstellingen kunnen hebben door ons slechts op een gedeelte van het gezegde te baseren, de hier gebruikte betekenis.

Toepassing op Baudelaire

De parallellen “echo’s-kleuren” en “vermengen-antwoorden” staan pas vast als de moeilijkheid in de passage «…In een duistere en diepe eenheid,
Weids als de nacht en als de dag…» uit de weg is geruimd. Dankzij het tussendeel wordt gesuggereerd dat het gesprek der voorwerpen zo vaag is, dat de indruk van rare verzinsels is voorkomen. Philostratus beschreef op de volgende manier een schilderij [576]: «Daar zie je de Waarheid gekleed in een witte jurk; daar bevinden zich ook de deuren die toegang geven tot de dromen. Want om het orakel te raadplegen, moet men slapen. De Droom zelf wordt voorgesteld met een gezicht waaruit een rustig vertrouwen spreekt; hij draagt een witte jurk over een zwarte heen; de nacht en de dag behoren hem namelijk beide toe.»

§297
· Torentje van de inning
Theorie

Het torentje van (:’echo’s-/vermengen-/kleuren) heeft een waarde van ï=1 doordat een verscheidenheid aan begrippen uit (kleuren./antwoorden) voortkomt.

Methode

Gezien het feit dat er immers geen middel bestaat om de dingen definitief in te delen, blijkt het moeilijk te zijn een geheel van denkbeelden voorgoed als divers te bestempelen. Alleen een algemeen goedgekeurde bevestiging hiervan die dateert uit het betreffende historische tijdperk maakt het mogelijk zo’n beslissing te nemen.

Toepassing op Baudelaire

We brengen opnieuw de impressie van mengeling ontstaan rondom 1857 door “kleuren- Antwoorden” tot stand, terwijl we daarbij proberen ons niet onbewust het hele publiek als mensen die allemaal bezeten zijn van kunst voor te stellen. Volgens Heine hebben de esthetische kwaliteiten hun verwantschap die zich doet gelden als de omgeving de innerlijke gevoeligheid beïnvloedt, aan één en hetzelfde principe te danken [430]: «Geluiden en woorden, kleuren en vormen, vooral wat zichtbaar is, zijn echter slechts symbolen van het denkbeeld, symbolen die ontstaan in de geest van de kunstenaar wanneer hij bezield is door de heilige geest der wereld…Ik hecht er vooral het hoogste belang aan dat het symbool, de geheime betekenis ervan niet in aanmerking genomen, bovendien de zintuigen aan zijn persoonlijke charme onderwerpt…is de kunstenaar altijd volkomen vrij in de keus en de schikking van zijn geheimnisvolle bloemen?» De woorden «échos», «confondent», «couleurs», «répondent» (echo’s, vermengen, kleuren, antwoorden) hebben een aspect dat rond van vorm is, zonder dat we weten, zo ingewikkeld is het om dat te bepalen, waardoor de keus van deze combinatie wordt geleid. Het beeld van de cirkel ontstaat in tegenwoordigheid van iets vrouwelijks, maar doet ook denken aan dat grote oog dat de zon is. Het verlicht, bemint, bestuurt, bewaakt de stervelingen als een god. De gouden kleur ervan midden op de dag, de bloedrode of koperen kleur bij zonsop- of zonsondergang, weerspiegelen de aardse goederen, zoals anderzijds het bedrieglijke zilver van de ster die de slaapwandelaar gewoonlijk aanschouwt. Elke soort verlichting vult zijn buurman aan om de verandering te benadrukken van het dagelijkse levensritme, waarop de instrumenten die voor het tijdsignaal moeten zorgen, zoals gongen of de slingers van een klok, gebaseerd zijn.

§298
· Vestingmuur van de inning
Theorie

Om bij een sierlijke analogie, aangeduid met (:), een vestingmuur van ö=1 te verkrijgen, wordt vereist dat die nergens voor een redenering wordt gebruikt. Zo schijnt ö=1 noodzakelijk te zijn voor de inning (:’echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) omdat de tekstuele grondslagen van deze duffel meer een beeld oproepen dan dat ze een bewijsvoering vormen.

Methode

Een wetenschappelijk woordgebruik staat in geen enkel opzicht voor een argumentatie in, zo belangrijk is de vorm. Als we bijvoorbeeld “de jeugd verhoudt zich tot het leven als de opperhuid tot de onderhuid” nemen, is dat in geen enkel opzicht overtuigend.

Toepassing op Baudelaire

Mocht het in een dichter opkomen een bewijsvoering te willen leveren, dan moeten we ons afvragen hoe het publiek dat opvat. Wat Baudelaire aangaat, hij had, zijn nieuwsgierigheid ten spijt, die pretentie niet, omdat hij er zich van bewust was dat hij, om op het vlak der begrippen te vorderen zonder daarover het overzicht te verliezen, slechts over een deel van de benodigde toepassingsmogelijkheden beschikte. Hoogbegaafd als hij was, was hij enkel bereid een omvangrijke intellectuele arbeid te verrichten om vorderingen te maken op het gebied der letteren, en zelfs op dat punt hadden de opvoedkundige gewoontes van die tijd een zekere verzadiging tot gevolg [[1124]] in Index II (Gedichten)">[[1124]]: «Allen baardeloos in die tijd, sleepten wij,
Gehurkt op de oude, eiken banken,
Gladder en glimmender dan de schakels van een ketting,
Dag na dag gepolijst door de huid van een mens, droef,
En gebogen onder de vierkante hemel der eenzaamheid,
Waar het kind, tien jaar lang, de zure melk der studie proeft, -onze verveling voort.»

§299
· Vestinggracht van de inning
Theorie

Er wordt onherroepelijk een vestinggracht van ü=1 toegekend aan (:’echo’s-/vermengen-/kleuren-/ Antwoorden) omdat Baudelaire zowel voor «echo’s» als voor «kleuren», een leiboom beschrijft, met een site die daaruit voortkomt: «vermengen», en «Antwoorden».

Methode

Het is niet erg waarschijnlijk dat twee relaties van het type “leiboom-site” zonder een bepaalde bedoeling op geringe afstand van elkaar zijn geplaatst, ondanks het feit dat er uit respect voor beeldspraken uit de gevoelige sector der kunst wordt vereist dat de logica daarbij een onbeduidende rol speelt.

Toepassing op Baudelaire

In een gesprek, wisselen de stemmen elkaar, voor korte of langere tijd, af, zoals hier het geval is met de vele echo’s. Dat idee houdt de suggestie in dat de dingen die onze waarneming bereiken niet scherp van elkaar te onderscheiden zijn. De komma aan het eind van de vijfde regel, bij de interpunctie daterend uit 1857, benadrukt deze toelichting waar het eind van het kwatrijn uit bestaat, door middel van het begin ervan, maar hij ontneemt tevens een impressie van doorstroming verschaft door «confondent
Dans» (vermengen-In), daar waar de regels 5 en 6 elkaar opvolgen. Die begrippen en klankeffecten gaven de dichter heel wat stof tot nadenken. Plotinus zei [787]: «…iedereen wil intelligent zijn en beroemt zich erop het te zijn; het bewijs, zijn de gevoelens, die ernaar streven kennis te worden…» Helaas, wat we aan de ene kant winnen, verliezen we aan de andere. Germaine de Staël schreef vanuit haar verbanningsoord [932]: «…het mooie doet ons denken aan een onsterfelijk en goddelijk bestaan: herinnering en spijt leven tegelijkertijd in ons hart.» Voor het minste of geringste gevoel dat ons schoonheid kan schenken zoeken we een reden op. De verwarring neemt toe door het model dat, bij de verwezenlijking van onze meest tere gevoelens, over de inspiratie van het samenspel, vormen, kleuren, geuren en geluiden heerst [[997]] in Index II (Gedichten)">[[997]]: «Zoals het azuur der woestijnen en het sombere zand,
Beide ongevoelig voor het menselijk lijden,
Verandert ze als de lange lijnen van zware zeegolven,
Onverschillig van gestalte…En in die vreemde, symbolische natuur
Waar beide zijn: de ongeschonden engel en de sfinx uit de oudheid,

Waar niets anders is dan licht, diamanten, staal en goud,
Schittert voor altijd, als een nutteloze ster,
De kille majesteit van de onvruchtbare vrouw.»

§300
· Sluippoort van de inning
Theorie

Voor (:’echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) komt alleen een sluippoort van ÿ=1 in aanmerking omdat de begrippen in kwestie immers niet uit drie of meer delen bestaan, wat voor een vormbare duffel ofwel een duffel voorzien van (‘), een groot voordeel is.

Methode

Een vindingrijke interpreet is steeds in staat ons ervan te overtuigen dat de dingen uit twee elkaar opvolgende niveaus bestaan, maar als hij er nog een niveau aan toe wil voegen stuit dat op moeilijkheden.

Toepassing op Baudelaire

Echo’s en kleuren verhouden zich niet trapsgewijs tot elkaar. De amateur moet, als hij de wens laat varen om de tekst naar eigen inzien te manipuleren, erkennen dat hij de gehoopte indeling niet aantreft. In plaats van een ongefundeerde rangschikking te verzinnen, kan men beter door middel van historisch onderzoek een licht op het werk werpen. In de poëzie van Baudelaire ontdekken we dan een voorliefde voor herhaling, zoals we die ook van gezangen kennen, een gebruikelijk onderdeel dat aan de echo doet denken [414]-[587].

§301
· Resultaat van de boog aangaande een inning
Theorie

Om de aannemelijkheid vast te stellen van de sierlijke, vormbare inning (:’echo’s-/vermengen-/ kleuren-/antwoorden) hoeven we slechts het omgekeerde van het product van de ons bekende bakens uit te rekenen. Dat levert de zes gegevens ä=1, ë=1, ï=1, ö=1, ü=1 en ÿ=1 op en daaruit resulteert een boog van 1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1. Omdat het, in intuïtief opzicht, immers gaat om de meest in het oog springende analogie die in het gedicht wordt beschreven, is de hier uitgevoerde berekening billijk. Wanneer het nu gaat om dezelfde inhoud (;’echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden), maar van het abrupte, vormbaare type, komen we uit bij een waarde van 1/(1)(1)(1)(2)(1)(1)=½ terwijl we ons daarbij baseren op ä=1; ë=1; ï=1; ö=2; ü=1 en ÿ=1. De sierlijke, harde versie van (:,echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) bereikt een hoogte van 1/(1)(1)(1)(1)(1)(2)=½, waarbij de boog is berekend aan de hand van ä=1; ë=1; ï=1; ö=1; ü=1 en ÿ=2. De combinatie van abrupt en hard (;,echo’s-/vermengen-/kleuren-/antwoorden) tenslotte zou niet meer dan 1/(1)(1)(1)(2)(1)(2)=¼ bedragen als resultaat van de daarmee samengaande waarden ä=1; ë=1; ï=1; ö=2; ü=1 en ÿ=2.

Methode

De interpreet die gedreven wordt door de wens aan de weet te komen welk element blijk geeft van de grootste aannemelijkheid, wordt op het moment dat hij een keus maakt uit één van de vier soorten, sierlijk-vormbaar, abrupt-vormbaar, sierlijk-hard, abrupt-hard, door de gevolgde methode ongemerkt dichter bij de tekst gebracht.

Toepassing op Baudelaire

De echo kan als een geschikt symbool van de analogieën beschouwd worden, omdat dit fenomeen ook uit een herhaling bestaat, en de auteur compliceert dit idee door de laatste regels, waarin, met betrekking tot overeenkomsten, een ongerustheid wordt gesignaleerd die veel weg heeft van die Edgar Allan Poe kenbaar had gemaakt toen hij het volgens Baudelaire had over [681]: «…de hallucinatie, die eerst plaats voor twijfel laat, al gauw overtuigd en redenerend als een boek is…de mens zo in de war dat hij zijn pijn uit door gelach.» Overvloed brengt geen enkele oplossing [[1089]] in Index II (Gedichten)">[[1089]]: «Rubens, rivier der vergetelheid, tuin der luiheid,
Hoofdkussen van frisse huid waar men niet liefhebben kan,
Maar waar het leven toestroomt en voortdurend beweegt,
Zoals de lucht in de hemel en de zee in de zee…»

§302
· Kanteel van de transplantatie
Theorie

De kanteel van de transplantatie (:,autres-/expansion-/choses) (andere-uitbreiding-dingen) blijkt een waarde te hebben van ä=2+(1(5/10))=2+(5/10)=2+0,5=2,5 omdat de springplank b(autres~choses) (andere-dingen) immers recht heeft op een interne ruimte die 2,5 bedraagt. Het is waar dat de logische verbinding die we maken om de beduidenis «…d'autres…Ayant l'expansion des choses infinies…» (…andere…De uitbreiding van oneindige dingen bezittend…» te realiseren, de onderbreking bestaande uit «…corrompus, riches et triomphants…» (…bedorven, rijk en zegevierend…) uitschakelt. Maar aangezien de link “autres-choses” (andere-dingen) minder voor de hand ligt dan “forêts-observent” (wouden- gadeslaan) als voorbeeld gebruikt in paragraaf 34, blijft deze relatie ontoereikend voor z=1, en is dientengevolge ä=1 eveneens onjuist. Nu moet het aantal fronten tussen «autres» (andere) en «choses» (dingen) geteld worden. Omdat het resultaat 5 is, bedraagt de waarde onvermijdelijk 2,5. Om het meten van de afstand tussen de termen te vergemakkelijken, stond in paragraaf 36 ook het voorbeeld “corrompus-infinies” (bedorven-oneindige), erg veel lijkend op “autres-choses” (andere-dingen), en daaraan was eveneens een waarde van 2,5 toegekend.

Methode

Het verschaffen van voorbeelden behoort tot één van de onvermijdelijke taken, wanneer er een zekere wijze van meten met inbegrip van een deel, zelfs gering, dat bestaat uit een van tevoren afgesproken veronderstelling, ingevoerd moet worden.

Toepassing op Baudelaire

Als producten die bestaan uit zeer geringe, zwevende deeltjes, en die frivole bezigheden in de hand werken, bezitten deze van de rechte weg afgedwaalde parfums toch de goede eigenschap dat ze het gevoel voor schoonheid verhogen. Deze weekmakende vloeistoffen, die op de overwinning volgen, zetten aan tot sensuele vermaken, die door een behoefte aan compensatie in een uitbarsting van geweld veranderen. Tacitus veroordeelt die slappe houding [950]: «Steeds was het de woede der goden, steeds was het de razernij der mensen, steeds was het de behoefte aan misdadigheid, die hen tot onenigheid dreef.»

§303
· Stadsmuur van de transplantatie
Theorie

De stadsmuur van (:,andere-/uitbreiding-/dingen) heeft het mankement van een twijfelachtige parallel. Aangezien de dichter aan verderfelijke parfums en «dingen» hetzelfde vermogen tot uitbreiding toekent, is het onvermijdelijk tot een resultaat van ë=2 te komen.

Methode

Door middel van de stadsmuur, waarderen we het gebruik van de termen, hun volgorde, het impact van hetgeen ze beschrijven, en de analogie die ze, door het in relatie brengen van diverse eigenschappen in de stijlfiguur, vertonen.

Toepassing op Baudelaire

De relatie “oneindige-uitbreiding” aan het einde van het sonnet vormt een stimulans, alsof Baudelaire, op het moment dat de christelijke visie op de wereld dreigt te verdwijnen, ons aan de ambitieuze theorie die aan het begin in de kwatrijnen wordt vermeld, wilde herinneren. Om te voorkomen dat een stoutmoedig idee ten overstaan van het kluwen van goed en kwaad niet stand houdt, beval Plotinus aan meer te mediteren [787]: «Als we het zijn en het leven verachten, getuigen we tegen onszelf, en tegen onze eigen gevoelens; en als we afkerig zijn van het met de dood verweven leven, dan is het door elkaar halen van die twee weerzinwekkend, en niet het echte leven.)

§304
· Torentje van de transplantatie
Theorie

Omdat het onaannemelijk lijkt dat in (:,andere-/uitbreiding-/dingen) sprake is van een mengsel van zeer verschillende begrippen, bereikt het torentje de waarde ï=2. De zaken die in de transplantatie worden behandeld behoren inderdaad tot hetzelfde domein, dat van uitzonderlijk subtiele dampen.

Methode

We zijn gedwongen elk vaststaand oordeel, als het gaat om het weinig exacte gebied van denkbeeldige teksten, tientallen keren te bestuderen, want vaak heeft de meest aannemelijke betekenis van een passage daaruit raakvlakken met de andere interpretaties.

Toepassing op Baudelaire

Het hemelse oneindige zou, om onduidelijke redenen, de bedorven geuren binnen kunnen dringen. Jacques de Voragine roemde bijvoorbeeld de wonderbaarlijke geur van het lijk van de apostel Marcus [969]: «…Venetiaanse koopmannen, die naar Alexandrië waren gekomen, waren er, na veel smekingen en beloftes, in geslaagd de twee priesters die het lichaam bewaakten over te halen het door hen te laten meenemen en naar Venetië te brengen. Maar toen het lichaam uit het graf werd getild, verspreidde zich zo’n geur over Alexandrië dat alle mensen zich afvroegen waar die geurige zachtheid vandaan kwam.» Reeds vanaf het tijdperk van Baudelaire, voerde menig persoon die meer wou weten over het reukorgaan experimenten uit, en Louis Ménard, die de auteur wel haschisch heeft geleverd, verenigde het wetenschappelijk belang met godsdienstige aspecten [257]-[588]- [589]-[860]. Luttele jaren daarvoor, beschreef Germaine de Staël als volgt de opwinding die door een verontrustende gedachte teweeggebracht werd [935]: «Het intellectuele idealisme maakt van de wil, die uit de ziel bestaat, het middelpunt van alles: het principe van het fysieke idealisme is het leven. De mens slaagt er zowel door de chemische wetenschap als door de redenering in op het hoogste niveau een analyse uit te voeren; maar het leven ontsnapt hem door de chemie, zoals het gevoel hem ontsnapt door de redenering.» De smaakstoffen die in het laboratorium gemaakt worden zullen die discussie weer doen oplaaien, maar de beeldspraken die kenmerkend zijn voor het dagelijks leven zijn veel prozaïscher, getuige de woorden van jongelui in een boek van Murger [257]-[261]-[412]-[413]-[545]: «…vrouwen zijn bloemen, je moet hun te drinken geven. Laten we hun te drinken geven! Ober! ober!»

§305
· Vestingmuur van de transplantatie
Theorie

De vestingmuur van (:,andere-/uitbreiding-/dingen) bereikt een hoogte van ö=1 omdat deze stijlfiguur nergens ook maar de geringste poging onderneemt om een relatie tussen twee oordelen te leggen.

Methode

Om een abrupte duffel, ofwel een duffel voorzien van (;),ongeloofwaardig te maken, is het voldoende dat de betekenis ervan door een grove fout aan het wankelen wordt gebracht. Zo doet bijvoorbeeld “(2/1=4/2)=>(2=4)” aan (;2-/1-/4-/2) een vestingmuur van ö=2 toekomen.

Toepassing op Baudelaire

De auteur van „Samenspel“ loopt het gevaar van zo’n vergissing niet, omdat hij zich vanaf het begin aan dichtkunst overgeeft. Toch schijnt men soms om harmonie goed te kunnen doorzien en interpreteren diep te moeten graven. Plato heeft geprobeerd dit te onderzoeken door te mediteren over Heraclitus’ opvatting van het muzikale akkoord [726]: «Eenheid, zei hij…"ontstaat doordat die zich afzet tegen zichzelf…"» Baudelaire stelt zich voor dat de schoonheid van het geluid voortduurt [[1050]] in Index II (Gedichten)">[[1050]]: «De viool trilt als een droevig hart…De herinnering aan jou glanst in mij als een monstrans!»

§306
· Vestinggracht van de transplantatie
Theorie

De juiste vestinggracht voor (:,andere-/uitbreiding-/dingen) wordt bepaald aan de hand van de inning (:,andere-/uitbreiding-/dingen-/binnendringen) waarvan het laatstgenoemde idee een betekenis is die niet expliciet door de tekst vermeld wordt. De uitbreiding bestaat uit een hoedanigheid van «andere» geuren, en anderzijds hebben de «dingen» waarover in de twaalfde regel wordt gesproken, zo goed als zeker het binnendringen als eigenschap. De twee stellen “andere-uitbreiding” en “dingen-binnendringen” vormen dientengevolge “leiboom-site” relaties die betreffende het gezichtspunt van de schepper van het boek billijk zijn, waardoor ü=1 mogelijk is.

Methode

Als uiteindelijk alleen de transplantatie beoordeeld wordt, dient het uitbouwen ervan tot een inning enkel om de strekking te onderzoeken, niet om het de exegeet die een vergissing begaat nog moeilijker te maken.

Toepassing op Baudelaire

De uitbreiding van heerlijke geuren die zich verspreiden kan vergeleken worden met harmonieën die ons de adem benemen, of met sieraden die onze blik gevangenhouden. Ze tonen de begaafdheid aan van degenen die al dat moois ontwerpen, zo gekoesterd door Baudelaire, maar tevens barst een pronkerige triomf los waar oproer het gevolg van is. Plinius, die het beste met de Staat voorheeft, verbant daarom alle luxe [774]: «De misdaad die de mensheid het meeste heeft geschaad, is begaan door degene die het eerst goud aan zijn vingers droeg…»

§307
· Sluippoort van de transplantatie
Theorie

De sierlijke, harde transplantatie (:,andere-/uitbreiding-/dingen) moet wel een sluippoort van ÿ=1 hebben, omdat de uitbreiding van de «dingen», zoals het sonnet die beschrijft, immers bij het derde niveau van een waar gegeven ingedeeld kan worden. Er wordt een quasi nihile kracht waargenomen, vervolgens een middelmatige, en tenslotte een oneindig grote. Anderzijds behoort, als we grove producten nemen, daarna fijnere, en als laatste die eindeloos blijven doordringen, de werking van de hier genoemde geuren tot de hoogste klasse waarover de kwaliteiten beschikken. Bij een inburgering 3 van elke serie graduaties, is er sprake van een speld, en is een sluippoort van ÿ=1 billijk.

Methode

De interpreet zoekt in de context bijval voor het idee dat de werkelijkheid zich vanuit het gezichtspunt van de auteur zo indeelt. We kunnen “gevoel voor rivaliteit maakt deel uit van het karakter” niet in niveaus indelen, terwijl “rivaliteit is het diepste wezen van de mens, genegenheid vormt het centrale deel, beleefdheid de buitenkant” uit een gradering samengesteld kan worden.

Toepassing op Baudelaire

De dichter wil, in het sonnet, laten zien hoe het goede het kwade verbergt, door de aandacht van zachte naar andere geuren te leiden. Baudelaire merkt dat Edgar Allen Poe zich om dezelfde waarheid bekommert [683]: «In de mens, zegt hij, schuilt een mysterieuze kracht waar de moderne filosofie geen rekening mee wil houden; en toch zullen, zonder deze onvermelde kracht, zonder deze hoogstbelangrijke karaktertrek, een massa menselijke handelingen onuitgelegd, onverklaarbaar blijven. Die handelingen zijn slechts aantrekkelijk "omdat" ze slecht, omdat ze gevaarlijk zijn; ze hebben de aantrekkingskracht van de afgrond. Deze primitieve, onweerstaanbare kracht, is de natuurlijke Perversiteit, die er debet aan is dat de mens voortdurend tegelijk moord en zelfmoord pleegt, moordenaar en beul is…» De alerte lezer werpt een blik op Amerika [684]: «…niet zonder enige voldoening zie ik dat enkele wrakstukken van de oude wijsheid weer bij ons terugkomen uit een land waarvan we dat niet verwacht hadden.»

§308
· Resultaat van de boog aangaande een transplantatie
Theorie

De boog betreffende (:,andere-/uitbreiding-/dingen) ontvangt een waarde van (1/äëïöüÿ), het omgekeerde van (äëïöüÿ). Het resultaat van de bakens ziet er als volgt uit: ä=2,5; ë=2; ï=2; ö=1; ü=1 en ÿ=1. Daar komt (1/(2,5)(2)(2)(1)(1)(1))=1/10=0,1 uit voort. Intuïtief gezien, betreft deze constatering in plaats van een analogie, ongetwijfeld veel meer een evocatie, met een vrij grote afstand tussen de woorden en een geringe mengeling van de begrippen. De «oneindige dingen» doen ook denken aan producten met een intense verdamping net als parfums, en de relatie “andere-dingen” vraagt een lichte inspanning.

Methode

Alleen een ingrijpende verandering van de inhoud maakt een echte duffel mogelijk, dus de intuïtie en de boog van 0,1 stroken op bevredigende manier met elkaar.

Toepassing op Baudelaire

De aannemelijkheidswaarde van 0,1 wekt nauwelijks verwondering, want een poëtische tekst kan menige bescheiden analoge betekenis hebben. Baudelaire zou de «oneindige dingen» met duivelse handelingen kunnen vergelijken. Maar, hoewel we ons soms voorstellen dat de schepper van het boek in een voortdurende toestand van ongerustheid wacht op de uitleg van goddelijke en satanische raadsels, lukte het hem zich hieromtrent in te houden, wanneer het hem in artistiek opzicht niet van nut was. Sommige bewonderaars van Edgar Allen Poe verdienden het het voorwerp te zijn van de door hem gemaakte bespotting [178]-[683]: «De aanhangers van Swedenborg feliciteren deze met zijn "Magnetische Onthulling", vergelijkbaar met die naïeve Illuminaten die vroeger de auteur van de "Verliefde Duivel" als een spion van al hun geheimen nauwlettend in het oog hielden; ze bedanken hem voor de grote waarheden die hij juist heeft verkondigd, -want ze hebben ontdekt (o controleurs van oncontroleerbare zaken!) dat alles wat hij heeft gezegd absoluut waar is;- hoewel ze hem er eerst van verdachten, bekennen die brave lieden, dat hij maar iets verzonnen had.»

§309
· Kanteel van de confrontatie
Theorie

De kanteel van de confrontatie (:’geuren²-/weiden) zou geen andere waarde kunnen hebben dan ä=1 omdat het nauwe grammaticale verband in «Er zijn geuren…groen als weiden…» elke poging om de beide termen van elkaar te scheiden immers zinloos maakt.

Toepassing op Baudelaire

De groene kleur vormt een contrast met het rood van een bloedbad, dat Homerus zo dikwijls heeft beschreven [450]: «Het zwaard wordt helemaal warm van het bloed en in de blik van het slachtoffer overheerst de gewelddadige dood en het onontkoombare lot.»

Methode

In proza ontbreekt het de metafoor aan helderheid; in poëzie blijkt de inning te nadrukkelijk te zijn; ook heeft men bezwaren tegen het plectrum van confrontaties; de transplantatie heeft eigenlijk geen uitzonderlijke kwaliteiten, maar bezit een bepaald evenwicht, waardoor “ouderdom is de avond van het leven” geschikt is om als voorbeeld te dienen voor het geheel der analogieën [38].

§310
· Stadsmuur van de confrontatie
Theorie

De stadsmuur ë=1 aangaande (:’geuren²-/weiden) wordt dankzij vier punten verkregen: een parallel die overtuigend is, ofschoon er geen sprake is van gelijkheid of identitieit; kiosken die termen bevatten; deze staan in dezelfde volgorde als in de tekst; een plectrum, «als», dat in «Er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid,
Zo zacht als hobo’s, zo groen als weiden…» maakt dat “geuren²-weiden” meer als een confrontatie dan als een metafoor op ons overkomt.

Methode

Als we voor elk van de voorwaarden voor een stadsmuur van 1 een verschillend baken moesten hanteren, dan zou het, voor een juiste berekening, ook nodig zijn om evenveel bakens te hebben als er springplanken zijn. In plaats van enkel de kanteel, zou dat, bij de inning (E-/F-/H-/R), neerkomen op zes waarden, betreffende de afstanden E-F; E-H; E-R; F-H; F-R; H-R.

Toepassing op Baudelaire

De toon van de eerste terzine vervult slechts degenen die coûte que coûte een Baudelaire willen die het platteland verafschuwt met verbazing, terwijl heel wat gedichten ervan getuigen dat de auteur een veelzijdige smaak heeft, met name die over Amsterdam of Venetië gaan [[1059]] in Index II (Gedichten)">[[1059]]: «De ondergaande zon
Zet de velden,
De kanalen, de ganse stad,
In een paarsgouden glans,
-Ieder dommelt in
Omgeven door dit warme licht,

Daarginds is alles slechts orde en pracht,
Weelde, rust en wellust.»

§311
· Torentje van de confrontatie
Theorie

Ten aanzien van het torentje van (:’geuren²-/weiden) doet zich een moeilijk probleem voor. Omdat weiden een geur verspreiden, wordt het zich vermengen van aan elkaar tegengestelde begrippen in twijfel getrokken, temeer daar gras vaak groen van kleur is. Toch heeft Baudelaire een andere opvatting: “de "groene" reuk van het parfum is als het frisse groen in de wei”. Zuurheid, in de zin van de smaak van een groene appel, laat op de reuk een indruk achter die dan vergeleken kan worden met die we bij het zien van grasland hebben opgedaan, vooral in het voorjaar, als het nog heel jong is. In dat geval vermijden we “groene geuren zijn als groene weiden”, en verkrijgen een interessante beeldspraak: “zure geuren zijn als groene weiden”. Het torentje ï=1 lijdt nu geen enkele twijfel, omdat het alleen maar afhangt van de mengeling van zeer verschillende betekenissen.

Methode

Als een aanvankelijk weinig nauwkeurige exegeet, stelt elk van ons zich vaak voor dat hij beroemde schrijvers gemakkelijk begrijpen kan als hij op de hoogte is van de wetenschap, omdat men er van uitgaat dat zij het met name zijn die eraan bijgedragen hebben.

Toepassing op Baudelaire

In het begin menen we dat «…geuren…groen als weiden…» bij lange na niet dezelfde soort intellectuele gedachtegang bevat als «…geuren…zacht als hobo’s…» Pas erna, wat niet anders kan wanneer de termen eenmaal samengesteld zijn, als we de tekst helemaal in ons opgenomen hebben, dringt de strekking: “de prikkel die het reukorgaan ontvangt komt overeen met een schittering voor de ogen” tot ons door.

§312
· Vestingmuur van de confrontatie
Theorie

Doordat hij deel uitmaakt van het sierlijke genre, is het voor de duffel (:’geuren²-/weiden) om de vestingmuur ö=1 te garanderen, voldoende dat er in de context geen argumentatie voorkomt. Aangezien „Samenspel“ geen enkele uiteenzetting bevat, staat ö=1 inderdaad vast.

Methode

We zouden onmogelijk kunnen aantonen dat elke confrontatie gelijk staat met een poging tot bewijsvoering. Omdat nu de inning met zijn logische formulering de basis vormt van de andere parallellen aangaande beduidenissen, berust alles erop. Hoewel zeer gestructureerd, verschaft (ouderdom-/leven-/avond-/dag) toch geen enkel motief voor zijn eigen inhoud.

Toepassing op Baudelaire

Meer in het algemeen zou het valse hoop zijn van mythes en literaire werken een systeem te verwachten, want deze noemen slechts onderwerpen in plaats van ze te bestuderen. Baudelaire, van wie men zegt dat hij enkel van de stad houdt, spreekt over zijn hart alsof dat verlangt naar die andere wereld [[1026]] in Index II (Gedichten)">[[1026]]: «…Het is een gebied dat zo kaal is als de Noordpool;
-Noch dieren, noch beken, noch groen, noch bossen!»

§313
· Vestinggracht van de confrontatie
Theorie

De vestinggracht ü=1 voor (E-/H) is terecht, indien we relaties van het type “leiboom-site” E-F en H- R kunnen leggen, waarbij F en R denkbeeldig zijn. Met (:’geuren²-/weiden) verkrijgen we “geuren²- zuurheid”, “weiden-schittering”, zodat ü=1 billijk is.

Methode

De verzonnen begrippen, die niet in de tekst voorkomen, tasten de waarde vastgesteld door middel van de vestinggracht enigszins aan, omdat er immers dingen van buitenaf aan toegevoegd worden. Daarom moeten we in gedachten nagaan of het verkregen resultaat constant blijft wanneer we F en R, de twee extra beduidenissen, op verschillende manieren interpreteren.

Toepassing op Baudelaire

In het begin levert (geuren²-/zuurheid-/weiden-/schittering) een basis op, en vervolgens dragen we andere voorbeelden die stroken met de aard van de auteur aan. Aangezien aangename geuren in verband staan met diverse procédés om het lichaam voor het hiernamaals te conserveren, komt daar wat het aardse bestaan betreft, onmiddellijk een prestige uit voort waarover Ovidius het volgende zegt [566]: «…er bestaat één vogel, eentje maar, die zichzelf vernieuwt en voortplant; de Assyriërs noemen hem de feniks; hij leeft noch van granen noch van planten, maar van wierookdruppels en amoomsap. Nauwelijks is het einde van zijn vijf eeuwen lange bestaan aangebroken, of hij bouwt, neergestreken op de takken of de heen en weer wiegende top van een palmboom, met zijn nagels en snavel waar geen enkel vuiltje aan te bespeuren valt, een nest. Daarin verzamelt hij kaneel, sprietjes borstelgras en rossige mirre; daar gaat hij op liggen en beëindigt zijn leven temidden van welriekende geuren. Dan wordt er, zegt men, uit het vaderlichaam, opnieuw een…feniks geboren…»

§314
· Sluippoort van de confrontatie
Theorie

De sluippoort van de sierlijke, vormbare confrontatie (:’geuren²-/weiden) bereikt een hoogte van ÿ=1 omdat geen enkele trapsgewijze verdeling van de inhoud over drie of meer niveaus hier valt waar te nemen. Om zich een voorstelling te maken van de inning (:’geuren²-/zuurheid-/weiden-/schittering) is geen enkele echte graduatie vereist. De kleur groen hoort als één geheel bij weiden, en de reuk van zuurheid vormt geen onderdeel van de genoemde geuren.

Toepassing op Baudelaire

Zoals Homerus met nadruk zegt, als hij Hera en Zeus beschrijft, gaan liefde en groen vaak samen [446]: «…onder hen, tovert de goddelijke aarde een lieflijk gazon tevoorschijn, frisse lotussen, safraan en hyacinten, een dicht geweven, zacht kleed, zo dik dat ze de harde grond niet voelen.»

Methode

Daar inning, transplantatie, confrontatie en metafoor analogieën zijn, zou het bestuderen van maar één soort duffel onze taak vergemakkelijken. Toch zou dit niet in details treden het vergeten van beslissende karaktertrekken in de hand werken, vooral het noemen van het plectrum, wel of niet verplicht, en het aantal kiosken voor elk genre.

§315
· Resultaat van de boog aangaande een confrontatie
Theorie

Het resultaat voor de confrontatie (:’geuren²-/weiden) levert ä=1, ë=1, ï=1, ö=1, ü=1 en ÿ=1 op. Dat leidt onherroepelijk tot de uitkomst (1/(1)(1)(1)(1)(1)(1))=1, een boog die, eenmaal het misverstand waardoor men even een banaliteit in deze tekst ziet uit de weg geruimd, heel goed met de intuïtie overeen lijkt te komen.

Methode

Aangezien deze berekening zich doet gelden op een moment dat de schepper van het boek zijn gedachten bij de termen heeft die het publiek moet aantreffen, is het volkomen zinloos eventuele twijfels toe te laten zolang we het eind van het gedicht niet kennen.

Toepassing op Baudelaire

Een onzekere situatie waar we echter onmogelijk omheen kunnen, betreft Baudelaire zelf, die men dikwijls heeft afgeschilderd als iemand die zo goed als niets om weiden gaf, terwijl hij menig natuurlijk facet van de wereld roemt [[1011]] in Index II (Gedichten)">[[1011]]: «De troep waarzegsters met hun schitterende koolzwarte ogen
Is gisteren op weg getogen, met hun kinderen
Op hun rug, of hun onstuimige, hongerige monden
Hebben de altijd ter beschikking staande schat van hun hangende borsten gevonden.

De mannen onder hun glanzende wapenuitrusting lopen
Naast de wagens waarop de hunnen bij elkaar zijn gekropen,
Hun ogen kijken, zwaar en moe door de droevige spijt
Over illusies, vervlogen, de hemel af.

Vanuit de diepte van zijn zanderige kuil,
Herhaalt de krekel, die ze voorbijkomen ziet nu luider zijn lied;
Cybele, die van ze houdt, maakt alles groener,

Laat water uit de rots stromen en maakt van de woestijn een bloementuin…»

§316
· Kanteel van de metafoor
Theorie

De kanteel van (:’wouden./symbolen) (forêts-symboles) is vanzelfsprekend ä=1 omdat het gezegde «wouden van symbolen» (forêts de symboles) de beide termen in nauw contact met elkaar brengt.

Toepassing op Baudelaire

Het eren van een bosschage omdat men meent dat er een goddelijke kracht ageert, vormt een energieke uiting van de nederige vroomheid die door Cicero op prijs gesteld wordt [201]: «De "Heilige bossen" op het platteland berusten op hetzelfde principe; en men moet zich ervoor waren deze godsdienst, die der Huisgoden, die via onze voorouders, zowel aan de leidinggevenden als aan het personeel, is overgebracht en waarvan iedereen op de landgoederen en op de boerderijen op de hoogte was, niet te verwerpen.»

Methode

Een metafoor kan onmiddellijk bij het waarnemen van de samenhang daarin een kanteel van 1 krijgen, maar ook bij een situatie waarin tussen de termen aanvankelijk geen relatie lijkt te bestaan, mits het logische verband een dwingende reden vormt. Zo kennen we bijvoorbeeld ä=1 betreffende (liefde./beving) toe aan “de grote liefde, met haar eindeloze tederheid, haar grote vreugde, en daarnaast haar onenigheden, haar rivaliteiten die door arbeid of spel steeds weer de kop opsteken, met bij tijd en wijle haar verdriet -die vooral funest zijn voor de personen die de, over het algemeen, weinige consequenties niet willen erkennen van de meest korte scheiding, van het even op elkaar moeten wachten- al die dingen die het dagelijks leven elk moment voor mensen die erg close zijn reserveert, beving hem”. Een onmiskenbare samenhang in “liefde-beving” neemt de afstand tussen deze termen weg, waardoor een berekening volgens de formule 2+(1(n/10)) van de interne ruimte van b(liefde~beving) overbodig wordt.

§317
· Stadsmuur en torentje van de metafoor
Theorie

De analogie (:’wouden./symbolen) (forêts-symboles) zou geen andere stadsmuur dan die van 1 kunnen hebben. Het is haast niet mogelijk dat de schepper van het boek het gezegde «forêts de symboles» (wouden van symbolen) heeft gebruikt zonder dat hij daar goed over heeft nagedacht, omdat vóór 1857, in de Franse taal, de uitleg «complex en onontwarbaar geheel» met betrekking tot deze beeldspraak, immers praktisch niet voorkwam, in tegenstelling tot deze [841]: «…grote hoeveelheid lange, dicht op elkaar staande voorwerpen…» In intuïtief opzicht, levert de parallel dus geen enkel bezwaar op. Anderzijds hebben de kiosken termen die de oorspronkelijke volgorde respecteren, en geen enkele term met een belangrijke taak wordt weggelaten. We stellen voor nu bij het baken ë=1, om dezelfde redenen, het torentje ï=1 te voegen, omdat het dooreenmengen van de begrippen betreffende «wouden van symbolen» ongetwijfeld is opgevallen [394].

Toepassing op Baudelaire

Het voorstellen van pilaren of symbolen als levende wezens roept een traditie op, Plinius was daarmee bekend, volgens welke stenen weer aangroeien [778]: «En behalve de andere wonderen die we niet ver hiervandaan in Italië aantreffen, vertelt ons Papirius Fabianus, een zeer ervaren natuurkundige, hebben we de marmergroeven waar het marmer weer aangroeit, en de steenhouwers beamen zelf dat die uitgravingen van de bergen zichzelf weer aanvullen.»

Methode

Aangezien het torentje 1 een mengeling van de inhoud vereist, moet gekeken worden wat het beste oordeel is als een vondst twee takken van wetenschap betreft die daarvoor gescheiden waren. Dat was het geval met de astronomie die het gebied van de fysica raakte [251]. Maar die moeilijkheid lijkt niet onoverkomelijk omdat in een dergelijk geval immers een bewijs, gebaseerd op steeds terugkerende verschijnselen, naast de aanvankelijke tegenwerpingen wordt gelegd, en op die manier de reden aanvoert voor de gelegde relatie, die voortaan niets meer uit te staan heeft met een metafoor. 140

§318
· Vestingmuur en vestinggracht van de metafoor
Theorie

Er staat niets in de tekst dat iets van een bewijsvoering met betrekking tot (:’wouden./symbolen) weg heeft. Aangezien het hier gaat om een duffel met de status van een vormbare, sierlijke metafoor, is het ontbreken van elke poging tot redeneren in zijn voordeel, met een vestingmuur van ö=1. De waarde van de vestinggracht die aan (:’wouden./symbolen) wordt toegekend, wordt bepaald aan de hand van de denkbeeldige inning (:’wouden-/warwinkel-/symbolen-/veelvoud). Hoewel de begrippen “warwinkel” en “veelvoud” zijn bedacht, zien we dat de “leiboom-site” relaties “wouden-warwinkel” en “symbolen- veelvoud” die daaruit voortkomen, ü=1 tot gevolg hebben, omdat ze vrij dicht bij de tekst blijven.

Toepassing op Baudelaire

Chateaubriand, terug van zijn verblijf in het buitenland, had van de symboliek van wouden een precieze voorstelling, en beeldde met deze herinneringen voor ogen, in zijn literaire beschrijving de harmonie tussen een religieus kerkhof van de missie in Amerika en de bossen daaromheen uit [187]-[188]-[593]: «Deze boomstammen, van een rode met marmerachtig groen gemêleerde kleur, waar tot aan de toppen geen enkele tak aan groeide, leken op hoge pilaren, en vormden het peristyle van die aan de doden gewijde hof; er klonk een religieus geluid, dat wel iets weg had van het doffe gebrul van een orgel onder de gewelven van een kerk; maar toen we ons helemaal aan het eind van het kerkhof bevonden, hoorden we nog slechts de lofzang van de vogels die ter ere van de doden een eeuwig feest vierden.»

Methode

Gezien het verschil tussen “…de lofzang van de vogels…” en het gezegde “het zingen van de vogels is als een lofzang”, zou men denken dat de inspanning om de confrontatie te onderscheiden van de metafoor, zinloos is. Met betrekking tot “ouderdom is een avond”, zullen sommigen zelfs niet aarzelen ronduit te zeggen dat “is” uit een plectrum bestaat. Maar deze redenering loopt spaak, omdat “is” in plaats van de vermetelheid aan te tasten deze doet toenemen, terwijl in “ouderdom is als een avond” , het woordje “als” de stoutmoedigheid vanzelfsprekend afzwakt.

§319
· Sluippoort van de metafoor
Theorie

Daar een sluippoort van 2 voor een vormbare metafoor een indeling van de begrippen in drie niveaus of meer vereist, moet aan (:’wouden./symbolen) wel ÿ=1 toegekend worden. De verschillende aspecten van (:’wouden-/warwinkel-/symbolen-/veelvoud) zijn inderdaad niet in drieën verdeeld. Het verband tussen «symbolen» en “veelvoud” roept nauwelijks eenzelfde soort indeling op als “morgen- middag-avond” ter opheldering van (ouderdom-/leven-/avond-/dag). Op dezelfde wijze zou de relatie tussen «wouden» en “warwinkel” niet kunnen behoren tot het type graduatie als “kindertijd-volwassenheid- ouderdom” dat met enig voorstellingsvermogen van dezelfde inning deel kan uitmaken.

Toepassing op Baudelaire

Baudelaire was geïnteresseerd in de hartstochten die in de wildernis heersen [641]: «…ik heb heel vaak gedacht dat gevaarlijke, afschuwwekkende beesten wellicht alleen maar de "slechte gedachten" van de mens waren die bezield zijn geworden, belichaamd zijn, in levende materie zijn veranderd. -De hele "natuur" neemt dan ook aan de erfzonde deel.»

Methode

Terwijl van de bakens de sluippoort de gradering van de begrippen controleert, houdt het torentje het dooreenmengen ervan in het oog. Bij “het instinct van de beesten” is er totaal geen sprake van een mengeling van verschillende beduidenissen. Het is onmogelijk “het verstand van het rund” trapsgewijze in drie categorieën in te delen. Maar “de kindertijd van het rund” voldoet aan beide criteria.

§320
· Resultaat van de boog aangaande een metafoor
Theorie

De bakens van de vormbare, sierlijke metafoor (:’wouden./symbolen) blijken te bestaan uit de waarden ä=1, ë=1, ï=1, ö=1, ü=1 en ÿ=1. De boog bereikt hierdoor een niveau van 1/äëïöüÿ=(1/(1)(1)(1)(1) (1)(1))=1, wat overeen lijkt te komen met de intuïtie.

Toepassing op Baudelaire

Op plaatsen waar de mens heeft gebouwd, deinzen we er in onze onzekerheid vaak voor terug om menige "boom-pilaar" te identificeren [504]. Chateaubriand aarzelt niet, hij maakt gebruik van de gelegenheid geschapen door de denkbeeldige avonturen van een bezoeker voor wie Spanje heel belangrijk is [190]: «Het kwam in hem op naar de tempel van de God van Blanca te gaan, en de Meester van de natuur om raad te vragen. Hij vertrekt, en komt aan bij de deur van een oude moskee die door de gelovigen is veranderd in een kerk. Met een door droefheid en vrome eerbied bewogen hart, treedt hij de tempel binnen die vroeger zijn God en zijn vaderland toebehoorde. Het gebed was net ten einde: er was niemand meer in de kerk. Tussen de talrijke pilaren die op de boomstammen van een in rechte rijen aangeplant bos leken heerste een heilige duisternis.»

Methode

Tenslotte wordt onze aandacht gevestigd op het feit dat het plectrum “leken op” zo in het oog springt, dat we mogen stellen hier meer met een confrontatie (pilaren-/stammen) dan met een metafoor (pilaren./ boomstammen) van doen te hebben. Deel vijf: KORTE STIJLFIGUREN