Het essay — Deel III

De invloed van een idee op de relaties tussen twee andere

Legenda van de blokken

Theorie — de begripsmatige uiteenzetting Methode — opmerkingen bij de toepassing Baudelaire — de toepassing op het sonnet Samenspel
§161
· Rail
Theorie

Tot nu toe hebben we gepoogd enkele aspecten van „Samenspel“ te bestuderen door middel van draagplaatsen of nabootsingen, zonder daarbij al te veel van de te analyseren inhoud af te wijken. Zelfs als heel vrije omschrijvingen toegestaan waren, zouden ze in grote lijnen aan de intenties van de in beginsel aanwezige gedachte moeten voldoen. Toch moeten we nu verdere stappen ondernemen en onszelf nu toestaan in oorsprong aanwezige woorden te wijzigen en de grondgedachte ontrouw te zijn. Het doel de invloed van de context op elk woord beter te begrijpen, vraagt om deze nieuwe handeling, die discutabeler is dan die we tot nog toe hebben uitgevoerd. We zullen nu een tekst, of het resultaat van een verandering die deze heeft ondergaan, een rail noemen.

Methode

De draagplaatsen of de nabootsingen maken deel uit van de rails, en zelfs de simpele overgang van een bevestigende naar een negative zin is daarvoor voldoende.

Toepassing op Baudelaire

Een rail waarvan de eerste termen luiden “De Natuur is een bedorven tempel…” zal de grondgedachte van het sonnet veel te veel veranderen om een draagplaats te kunnen zijn. Hij zal ons daarentegen van grote dienst zijn bij het leren kennen van eigenschappen die ons tot nu toe ontgaan zijn door het beperkte kader waarbinnen we naar de combinaties van verschijnselen zochten. De twee botsingen rb(Natuur~tempel) en rb(tempel~bedorven) brengen elkaar schade toe bij de zojuist beschreven rail. De noot rb(Natuur~tempel) raakt het voordeel van een aannemelijkheid die 1 bedraagt kwijt, want de glijstrook van «temple» krijgt een waarde van 2, wat de aannemelijkheid van de relatie doet afnemen.

§162
· Verandering van schepper
Theorie

Bij een rail die identiek is aan de tekst, weten we onmiddellijk wie de schepper ervan is. Als de rail het oorspronkelijke boek nabootst of een ingrijpende verandering in de betekenis aanbrengt, wordt de schepper die van de pastiche of van de nieuwe creatie. De oordelen die hem betreffen hebben nu niets meer van doen met alles wat de schepper en het werk in kwestie aangaat.

Methode

Een noot met een hoge aannemelijkheidswaarde kan geen enkel steunpunt terzijde laten liggen, maar deze zijn door onszelf bedacht.

Toepassing op Baudelaire

De vergelijking tussen de waarden wordt vergemakkelijkt door het nieuwe procédé. Wat “De Natuur is een tempel en alle wierooksoorten zijn bedorven…” betreft, vertoont elk van de botsingen rb(Natuur~tempel), rb(wierooksoorten~bedorven) een variatie van 1, terwijl “De Natuur is een bedorven tempel…” aan rb(Natuur~tempel) een waarde van ½ verleent wegens rb(tempel~bedorven).

§163
· Bloksteen en uithangbord
Theorie

Met een rail die als begin “De Natuur is een bedorven tempel…” heeft, willen we de invloed van “corrompu” op rb(Natuur~tempel) bestuderen. Teneinde dat soort pressie dat door de context uitgeoefend wordt te onderzoeken, moet de analyse zich tot nieuwe onderdelen uitbreiden. De hulpmiddelen wijken onvermijdelijk af van het gewone gebruik van de teksten, en we kunnen ze bij voorbeeld tegenkomen in de vorm van een vlek op het papier of een verrassend wonderlijke stem. Als we doorgaan op de ingeslagen weg zien we dat alle ideeën die bij de gebruikelijke leestekens horen, of mondelinge uitingen waarvan deze de schriftelijke equivalenten vormen, in aanmerking komen. We erkennen het bestaan van een bepaalde klasse zaken die, als ze op de gewone manier gebruikt worden, vooral zijn samengesteld uit wat alinea’s, ruimtes tussen de regels, het wisselen van een hoofdstuk of een deel, het verheffen van een stem of een stilte willen zeggen. Aanhalingstekens, punten en komma’s horen wat de aangehaalde begrippen betreft ook bij deze groep. Ze maken samen de blokstenen uit en met de sporen vormen ze de uithangborden. We willen proberen te begrijpen op welke manier de noten bij verzonnen teksten invloed ontvangen van de uithangborden. Iedere hoofdletter van het Latijnse alfabet zal even gemakkelijk als een spoor of een term een bloksteen kunnen aanduiden.

Methode

Hoewel de inhoud soms sterk bepaald wordt door de blokstenen, bestaan er ook onduidelijke situaties waarbij dat niet zo is.

Toepassing op Baudelaire

Zonder enige wijziging in de leestekens, zouden we ten onrechte kunnen stellen dat het fragment van de volgende zin «…des forêts de symboles
Qui l'observent avec des regards familiers» (…wouden van symbolen…die hem met vertrouwde blikken gadeslaan) een wil beschrijft die aan de wouden toebehoort.

§164
· Mengelmoes
Theorie

Wanneer we een tweetal botsingen veranderen houdt dat soms in dat daaruit een mengelmoes ontstaat. Zoals rb(Natuur~tempel) rb(bedorven~wierook) dat rb(Natuur~tempel) rb(bedorven~tempel) oplevert. De wijziging tast „Samenspel“ aan, dat na verandering een rail moet verschaffen die als volgt begint: “De Natuur is een bedorven tempel...” Bij twee botsingen die een variatie van 1 bezitten en die geen enkele term gemeen hebben, verdwijnt er één en voegen we er twee andere die hetzelfde spoor hebben aan toe. De éne, rb(Natuur~tempel), blijft hetzelfde hoewel hij nu een variatie van maximaal ½ ontvangt door een glijstrook met een waarde van 2. De later samengestelde botsing, rb(bedorven~ tempel), vertoont een spoor, met of zonder wijziging, van de geschrapte botsing, rb(bedorven~wierook), en bezit een aspect dat hem met de eerste botsing verbindt.

Methode

Deze nieuwe schikking was niet in staat de identificatie van het verlenen van meer zeggingskracht door de éne tegenstelling aan de andere te vergemakkelijken, omdat de begrippen die zich hier vlakbij elkaar bevinden de aannemelijkheid doen afnemen.

Toepassing op Baudelaire

Geen enkel blok noch tandem doet zich voor met rb(Natuur~tempel) rb(tempel~bedorven) want voortaan bestaat rb(bedorven~wierook) niet meer.

§165
· Vereenvoudigde mengelmoes
Theorie

We stellen voor een vereenvoudigde mengelmoes op meer algemene wijze te beschrijven om het proces ervan beter te begrijpen. Een oud spoor, H van de botsing rb(H~L), die nu niet meer bestaat wegens het ontbreken van L, wordt dichter bij de sporen van rb(A~F) gebracht en berooft zodoende deze botsing van de variatie 1 door een veranderende context waarin de bijdrage H-F uit rb(H~F) opduikt. Op z’n minst krijgt F, die de consequenties van die relatie ondergaat, een glijstrook van 2 in rb(A~F) waarbij hij de aannemelijkheid tot ½ terugbrengt.

Methode

De term H die nu aan F vastgeklonken is, ontneemt deze een dosis serieusheid die hij nodig had om binnen rb(A~F) een hevige schok teweeg te brengen.

Toepassing op Baudelaire

De noten rb(Natuur~tempel), rb(bedorven~wierook) hebben beide een variatie van 1. Met “De Natuur is een bedorven tempel…” neemt de variatie van rb(Natuur~tempel) een hoogte van ½ aan. Aangezien de tempel onwaardig lijkt te zijn, wordt "Natuur-tempel" daardoor minder schokkend. Een overloop “geschonden heiligdom” verschijnt in de betekenis van het woord “tempel”, wat j’=2 in plaats van j=1 oplevert.

§166
· Een voorbeeld
Theorie

We beschikken over een model om de negatieve invloed van de uithangborden op de noten te bestuderen. Aan het effect dat de term “bedorven” op de variatie van rb(Natuur~tempel) heeft moet een aannemelijkheidswaarde van 1 toegekend worden. Bij een rail die begint met de woorden “De Natuur is een bedorven tempel…” heeft de combinatie “bedorven-tempel” wat het woord “tempel” in rb(Natuur~ tempel) betreft een glijstrook die 2 bedraagt tot gevolg.

Methode

Op een goede dag zouden we in staat moeten zijn de gedachtegang te volgen van een schrijver die de aspecten van de inhoud die het best de grammaticale of logische verhoudingen van de uithangborden dienen er uithaalt.

Toepassing op Baudelaire

Als de verhoudingen eenmaal veranderd zijn, gebruikt hij niet vaak dezelfde interpretaties als daarvoor, maar schijnbaar kan hij ze achter de hand houden. Als een rail zich aandient als “De Natuur is een tempel en alle soorten wierook zijn bedorven…” verkrijgen we opnieuw rb(Natuur~tempel), rb(bedorven~wierook), botsingen met een variatie van 1, omdat de noot rb(bedorven~wierook) rb(Natuur~tempel) tegen menige potentiële betekenis die in “bedorven” schuilt bescherming biedt.

§167
· Klink
Theorie

Het blijkt nuttig te zijn een bepaalde relatie tussen ideeën, de klink, die de positieve of negatieve invloed beschrijft van een aantal uithangborden, de hoop S, op een probleemnoot, de krik, te bezien. Het algemeen gebruikte symbool van de klink, (-*), wat staat voor “ten aanzien van”, wordt vervangen door (-#) wat wil zeggen “voor”, of door (-µ), vertaald met “tegen”, alnaargelang de invloed de variatie neigt te bevoordelen of te benadelen. Het juk, het perspectief, zal (-#) of (-µ) zijn. Zo zullen we het effect van «zegevierend» op rb(bedorven~wierook) bestuderen bij de interactie van (zegevierend-#rb(bedorven~ wierook)). In het andere geval zullen we ons over (-En andere,-µrb(fris~bedorven) buigen. De krik zal een aantal keren op een zo algemeen mogelijke wijze genoemd worden door middel van rw*(A~E) met “w*”, lees “w sterretje”, die de bevestiging (b) ofwel de ontkenning (d) aanduidt van de klink (S-*rw*(A~E)) waarvan we de mate van aannemelijkheid hebben bestudeerd. Met (b) staan we voor de moeilijkheid twee sporen met elkaar in verband te moeten brengen, en met (d) daarentegen om ze los van elkaar te zien.

Methode

Bij de tekst “hij heeft zijn zinloze bestaan op een dwaze manier georganiseerd” verdient de inbreng van “zinloze” aangaande de krik rb(georganiseerd~dwaze) het meer dan die van de andere uithangborden bestudeerd te worden.

Toepassing op Baudelaire

Het gebruik van paradoxen om zaken op te helderen blijkt een handige methode te zijn om verhoudingen tussen betekenissen aan ’t licht te brengen, hetgeen één van de interessante kanten van Baudelaire’s gedicht is. De inhoud ervan is echter niet tragisch, omdat het dan om een drama zou gaan veroorzaakt door een bepaalde macht die aan het oog van de slachtoffers onttrokken wordt, terwijl de dichter vooral het accent legt op het accepteren van de veranderingen die zich afspelen in de ziel [[1103]] in Index II (Gedichten)">[[1103]]: «Of het ’s nachts is en in eenzaamheid,
Of het op straat is en temidden van de massa,
Zijn schaduw danst als een fakkel in de lucht.»

§168
· Landmaat
Theorie

De hoeveelheid aannemelijkheid van een gunstige (-#), of schadelijke (-µ) klink, met een positieve (b), of negatieve (d) krik krijgt de naam landmaat. De hoop S bevat vaak één enkel spoor, maar dit is nooit afkomstig van de sporen van de bestudeerde noot rw*(A~E). Anderzijds bestaat S niet altijd uit de beduidenis van een front, omdat een bloksteen voor de formatie ervan voldoende is. Aangezien de hoop samengesteld kan worden uit verschillende elementen, zoals (-En andere,-#rd(fris~bedorven)), duiden we hem eventueel aan door middel van een groot aantal letters, bijvoorbeeld met (FRSTV-#rb(A~E)). Bovendien laten de gebruikte uithangborden soms een onderbreking toe, net als in (verwarde, vermengen- #rd(antwoorden~ geuren¹)).

Methode

De verklarende noten zouden in heel wat omstandigheden een obstakel voor de berekening vormen en dus komen ze niet voor onze metingen in aanmerking. Voor eerstgenoemde zouden we niet alleen de variatie ervan moeten meetellen, met of zonder de passage die de invloed uitoefent, maar ook de variatie van de moeilijkheid die ze ophelderen. Door talrijke heel kleine hoeveelheden te vermenigvuldigen, zouden we zo dikwijls bij een te verwaarlozen getal uitkomen dat de berekening hinderlijk zou worden voor een eerste uiteenzetting.

Toepassing op Baudelaire

Maar een bepaalde zwakke klink, zoals (-en.andere,-#rb(fris~bedorven)) moeten we wel bestuderen.

§169
· Paraaf
Theorie

Door de hoop uit de tekst te nemen wordt hier de invloed ervan nagegaan, aan de hand van de uitwerking van deze schrapping. Voor de krik verandert de waarde van de variatie zodra het wegnemen uitgevoerd is. Aangezien de presentatie van de rail ondanks genoemde verdwijning van de hoop aanvaardbaar moet blijven, komt het voor dat we soms een tekstgedeelte, de paraaf, die de uithangborden aanvult of verandert, nodig hebben om de leegte op te vullen. Daarin komen we vaak een bloksteen voorgesteld door een leesteken tegen, waardoor het geheel weer zo goed als normaal wordt. Maar deze kan ook betrekking hebben op de hele paraaf, hetgeen het geval is bij (:) nadat we (.) hebben weggenomen bij het veranderen van «…die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.

Als lange echo’s…» in “…die hem met vertrouwde blikken gadeslaan: als lange echo’s…”

Methode

Wanneer de paraaf daarentegen veel woorden bevat, vergemakkelijken we het ontstaan van neutrale noten, waardoor we beter kunnen onderzoeken hoe de tekst reageert bij een probleemnoot waarop de invloed uitgeoefend wordt. Daarom leggen we vooreerst elke studie van de invloeden op neutrale noten terzijde.

Toepassing op Baudelaire

Om de invloed van de uithangborden «die hem…gadeslaan» met betrekking tot de krik rb(symbolen~blikken) na te gaan, wordt geen enkele paraaf vereist. Door het wegnemen van de hoop verkrijgen we “…de mens gaat er wouden van symbolen met vertrouwde blikken door.” Het idee van eenvoudige vriendschap dat natuurlijke wezens bij ons oproepen doet denken aan wat de romantieken schreven die zich rondom Wordsworth schaarden en wier inspiratie Sainte-Beuve met de volgende woorden probeert te beschrijven [887]: «In deze stilzwijgende eenzaamheid, temidden van deze meren, in de schemering van deze wouden, schijnt het hun toe dat hun ziel met die van de wereld samensmelt; ze ondergaan een onzichtbare, onbeschrijflijke invloed die hen in vervoering brengt, verrukt en zuivert. Het is een mysticisme dat een bepaalde relatie heeft met het pantheïsme van Pythagoras. Voor hen biedt alles wat zichtbaar is, alles wat kan bewegen of een stem heeft, niet langer slechts duistere symbolen of aan de fantasie ontsproten emblemen, maar werkelijke onthullingen.»

§170
· Klinksoorten
Theorie

Het karakter van een klink is afhankelijk van het soort invloed dat de variatie ondergaat: het gunstige (-#) of schadelijke juk (-µ). In de krik brengt de relatie tussen de sporen deze samen (b) of scheidt ze van elkaar (d). De combinatie ervan levert (F-#rb(A~H)), (F-#rd(A~H)), (F-µrb(A~H)) en (F-µrd(A~H)) op. Een klink kan van het genre gunstig-positief (-#b), gunstig-negatief (-#d), schadelijk-positief (-µb), of schadelijk-negatief (-µd) zijn.

Methode

Indien een logicus over het symbool (d) zou spreken, zou hij enige voorzichtigheid in acht nemen alvorens ervan uit te gaan dat het om een eenvoudige ontkenning gaat. De ontkenning van “het is beter een verband te leggen tussen” is namelijk eerst “het is niet beter een verband te leggen tussen” en dan pas “het is beter een scheiding aan te brengen tussen”. Deze laatste ontkenning bestaat op die manier uit een totale ommekeer van het oordeel en we herkennen een soortgelijk proces in de verhouding tussen (-µ) en (-#).

Toepassing op Baudelaire

Wanneer “het is beter een verband te leggen tussen «bedorven» en «wierook» dan ze van elkaar te scheiden” éénmaal een gegeven is, maakt de zwakste ontkenning “het is beter «bedorven» en «wierook» niet met elkaar in verband te brengen” een aanzienlijk verschil uit met “het is beter «bedorven» en «wierook» van elkaar te scheiden”. Ten aanzien van het verderf zelf, dat komen we zelfs in de werveling van ijdele bekoorlijkheid tegen, en Baudelaire heeft alleen bewondering voor de dandy als deze wordt gedreven door een bepaalde grote weerspannigheid die de ledige geest verbant en die soms zo handig is dat Balzac ervan onder de indruk was [63]: «Hij organiseerde zijn luieren zodanig dat hij het druk had. Victurnien ging elke morgen van twaalf tot drie naar de hertogin; van daaruit troffen ze elkaar weer in het Bois de Boulogne, hij te paard, zij met het rijtuig. Als deze twee charmante partners samen gingen paardrijden, gebeurde dat altijd op een mooie morgen. De avonden van de jonge graaf werden gevuld met ontmoetingen, bals, feesten en voorstellingen. Victurnien schitterde overal, want overal strooide hij de parels van z’n geest rond, hij gaf door middel van diepzinnige woorden zijn mening over de mensen, de dingen en de gebeurtenissen: hij leek wel een fruitboom die alleen maar bloesem opleverde. Hij leidde dat soort leven waarin men misschien nog wel meer van z’n ziel verkwist dan van z’n geld, waarin de mooiste talenten begraven worden, waarin de meest rechtschapen zielen het begeven, waarin de sterkste wil verslapt.»

§171
· Jukken
Theorie

De klink van het gunstige juk (-#) heeft als elementaire betekenis: “de schepper van het boek wil dat de hoop…één der grootste invloeden is met een gunstige uitwerking op de aannemelijkheid van de krik…” Dat wordt omschreven als (F-#rb(A~H) of als (F-#rd(A~H). De klink van een schadelijk juk (-µ) kunnen we uitleggen als: “de schepper van het boek wil dat de hoop…één der grootste invloeden is die de aannemelijkheid van de krik benadelen…” Dat noteren we als (F-µrb(A~H) of als (F-µrd(A~H).

Methode

De diverse series abstracte tegenstellingen die twee aan twee bestudeerd worden leveren het eenvoudigste schema op van alle aanwezige kennis [734]-[754]. Met de klink (F-*rw*(A~H)) hebben we echter een uit drie delen bestaande relatie.

Toepassing op Baudelaire

In plaats van het nadeel dat aan rb(Natuur~tempel) is berokkend te analyseren door middel van rb(tempel~bedorven), daarbij verwijzend naar een rail die begint met “De Natuur is een bedorven tempel…” wordt “tempel” slechts éénmaal door ons geciteerd in (bedorven- µrb(Natuur~tempel)). Baudelaire slaagt er, door de permanente oproeping van het kwaad, zonder dat hij tot het uiterste gaat zoals de rail die hier gebruikt is, in een soort engelachtig, bijna belachelijk lyrisme ingewikkeld te maken [609]-[[1013]] in Index II (Gedichten)">[[1013]]: «U bent een mooie herfstlucht, helder en rose!
Maar de droefheid in mij neemt toe als het stijgen van de zee,
En laat bij het wegebben op mijn trieste lippen
De schrijnende herinnering van bitter slijk achter.»

§172
· Doublure
Theorie

Als twee klinken dezelfde krik en hetzelfde juk, maar een andere hoop hebben, zijn ze doublures van elkaar.

Methode

Met een nauwkeurig bepaalde, onveranderlijke krik, is het mogelijk enkel de hoop te wijzigen als we een aantal klinken met elkaar willen vergelijken om te zien of deze wel degelijk de meest “voor de hand liggende” zijn. De doublures maken de algemene vormen (E-#rb(A~H)), (F-#rb(A~H)),I; (E- µrb(A~H)), (F-µrb (A~H)),II; (E-#rd(A~H)), (F-#rd(A~H)),III; (E-µrd(A~H)), (F-µrd(A~H)),IV mogelijk.

Toepassing op Baudelaire

De opsomming neemt een concrete vorm aan met (Natuur-#rb(levende~pilaren)), (wouden-#rb(levende~ pilaren)),I; (Natuur-µrb (levende~pilaren)), (wouden-µrb(levende~pilaren)),II; (Natuur-#rd(levende~ pilaren)), (wouden-#rd(levende~pilaren)),III; (Natuur-µrd(levende~pilaren)), (wouden-µrd(levende~ pilaren)),IV. Voor de geest van de tijd waarin de schrijver leefde, was, zelfs buiten de uitsluitend artistieke milieus om, het begrip van een natuurlijke tempel heel courant. Een Engelse dokter gebruikte het, een twintigtal jaren voor de geboorte van Baudelaire, zelfs als titel voor één van zijn leerdichten [245].

§173
· Klink met -#
Theorie

We kunnen (, kleuren, en geluiden-#rb(antwoorden~geuren¹)) uitleggen als: het is de wil van de schepper van het boek dat de hoop «, kleuren, en geluiden» één der meest voor de hand liggende invloeden uitoefent temidden van degene die de aannemelijkheid van het verband tussen «antwoorden» en «geuren», dat moeilijkheden oplevert, bevoordelen.”

Methode

Het is niet hinderlijk zowel de op zichzelf staande uithangborden als degene die een groep vormen door middel van hoofdletters als H of R, S, T voor te stellen, omdat de context voldoende aangeeft waarop elk symbool betrekking heeft.

Toepassing op Baudelaire

Omdat de waarden van de invloeden immers door middel van het wegnemen van de hoop worden getest, wordt het bij elkaar brengen van «,», «kleuren», «,», «en», en tevens «geluiden» met het doel de invloed ervan op rb(antwoorden~geuren¹) te peilen belangrijk, want anders zouden na het wegvallen van «kleuren», «geluiden» en een aantal kenmerken die hinderlijk zijn voor de nieuwe betekenis, overblijven. Anderzijds is het nodig aandacht te schenken aan de paraaf om te bewerkstelligen dat de tekst begrijpelijk blijft. Aangezien er zodra de woorden op een verkeerde plaats gezet worden vaagheid optreedt, is het niet voldoende zich te verlaten op de enorme mogelijkheden om aan elk woord een inhoud te geven [907]. Hoewel het aan de andere kant waar is dat we met de telegramstijl de grens bereiken van hetgeen moeiteloos te begrijpen is, als we correct willen spreken moeten we die terzijde leggen, zodat de paraaf tenslotte wel gebruikt moet worden [196]-[197].

§174
· Klink met -µ
Theorie

Met de klink (-En andere,-µrb(bedorven~kinderhuid)) verkrijgen we de volgende inhoud: “de wil van de schepper van het boek heeft als gevolg dat de hoop «-En andere,» één van de meest voor de hand liggende invloeden uitoefent onder degene die de aannemelijkheid van het verband tussen «bedorven» en «kinderhuid» dat een probleem vormt, benadelen.”

Methode

Als de invloed vrij groot is, is het onvermijdelijk dat de intuïtie een belangrijke wijziging ondergaat, op het moment dat de hoop weggenomen wordt.

Toepassing op Baudelaire

In min of meer nauw verband met het hier besproken denkbeeld, wordt vaak geciteerd dat een leerling die Baudelaire gekend had deze naderhand van homoseksualiteit beschuldigde. Claude Pichois verbergt daar echter nauwelijks zijn twijfel over [588]. Het is mogelijk dat het succes van Baudelaire de jaloezie heeft opgewekt van degene die zich herinnert dat men die jongeman als modepopperig beschreef [605].

§175
· Een opeenvolging van beduidenissen
Theorie

De kabel bestaat uit een bepaald woord, een hulpmiddel, of een gewoon teken waarmee men iets wil zeggen zoals de komma of de korte stilte tussen de woorden. De voorlopige, tijdelijke of definitieve beduidenis van een kabel noemen we een tros. Uitgaande van de te bestuderen tekst, stellen we ons (n) rails voor, de tweede bevat de eerste, de derde sluit de voorgaande in, zo doorgaand tot aan het eind van het werk in kwestie. Zo denken we op nuttige, maar zeer beperkte wijze na over het ontstaan van de inhoud. De oorspronkelijke schepper zal alleen diegene van de afgemaakte tekst zijn, en we zullen een aantal andere scheppers, de opzichters, moeten vinden voor de onafgemaakte rails.

Methode

Een punt- komma vormt een kabel, terwijl de definitieve beduidenis die hij heeft een heel andere naam heeft, namelijk een bloksteen. Terwijl anderzijds de tros een soms tijdelijk karakter bezit, blijkt dat het uithangbord noodzakelijkerwijze een definitieve inhoud heeft.

Toepassing op Baudelaire

Wat de grammatica betreft, in „Samenspel“ komt na de elfde regel de tweede terzine, terwijl door de nieuwe regel een flinke tussenruimte gemarkeerd wordt, wat laat zien dat alleen het gedicht zelf niet voldoende is om de inhoud te vatten. De onderbrekingen van de tekst die de studie vergemakkelijken stellen zichzelf aan een ander gevaar bloot, namelijk de mogelijkheid van een ander einde. Zo dacht Balzac na over een aanverwant probleem [81]: «Vaak verhindert de volmaaktheid in kunstwerken de geest deze grootser te maken. Wint tijdens de rechtszitting van hen die de zaak in gedachten afmaken, in plaats van het kant en klaar te accepteren, de schets het niet van het voltooide schilderij?» De critici moeten bekennen dat het hun aan middelen ontbreekt om uit het aantal oorzaken dat te talrijk is om er een compleet overzicht van te krijgen, wijs te worden. De romanschrijver voert een musicus op in wie deze gedachte leeft [82]: «Ik zie de melodieën die tegenover elkaar staan, mooi en fris, kleurig als bloemen; ze schitteren, ze weerklinken, en ik luister, maar er is onnoemelijk veel tijd nodig om ze na te spelen.» Het geheugen blaast de ideeën of de beelden weer nieuw leven in [83]: «De godin staat stralend op uit de diepe afgronden der hersenen, ze holt naar haar prachtige kamertjes, raakt ze vluchtig aan zoals de organist de toetsen aanslaat. Plotseling komen de Herinneringen naar boven, ze brengen de rozen van het verleden, op goddelijke wijze bewaard en nog altijd fris.»

§176
· Enorme hoop in de situatie met (-#)
Theorie

Laten we met betrekking tot (F::H-#rd(R~S)) het geval (bedorven::zegevierend-#rd(andere~fris) bekijken. De betekenis ervan is: “uit de wil van de schepper van het boek vloeit voort dat de hoop die begint met "bedorven" en eindigt met "zegevierend" één van de meest voor de hand liggende invloeden uitoefent onder degene die de aannemelijkheid begunstigen van de scheiding tussen "andere" en "fris" die een probleem vormt.”

Methode

Het plausibele karakter van (H-#rd(R~S)) kan vreemd genoeg zwak blijven als de schepper van het boek in de rail, vóór (H), de kiem (F) van het idee dat rd(R~S)) aantast, heeft gelegd. In dat geval moeten we een hoop (F…H) of (F::H) die F en H met elkaar verbindt kiezen.

Toepassing op Baudelaire

Vóór «bedorven», laten de termen «antwoorden», «vertrouwde», «blikken», «gadeslaan» en «woorden» alvast iets doorschemeren van de opvatting dat zielloze wezens kwaliteiten of slechte eigenschappen bezitten. We kunnen ons gemakkelijk voorstellen dat die verwarring ontstaat door de gewoonte om bijvoorbeeld van de frisheid van de morgendauw over te stappen op zojuist ontloken bloemen. Het blijft echter moeilijk om dat gezichtspunt met zekerheid toe te schrijven aan Baudelaire die zijn bewondering voor de Maistre die de draak stak met Locke in ’t geheel niet onder stoelen en banken stak [514]-[679]: «Wat een muffe lucht!», schreef de Savooise aristocraat. Het is echter evenmin zeker dat de dichter terugdeinsde wegens de stelregel van de totale hoeveelheid, want de Engelse empirist had die humor verdiend door te verklaren dat zijn boek over het functioneren van mentale voorstellingen zijn prijs in geld waard was door de voordelen die het in het dagelijks bestaan opleverde [505]. Baudelaire’s vermaak kon ook betrekking hebben op de verwarring tussen de diepzinnige bespiegelingen van de geest en de praktijk van het dagelijks leven.

§177
· Enorme hoop in de situatie met -µ
Theorie

In het geval dat zeer veel uithangborden samen een hoop vormen, kan de beschrijving van de klink eruit komen te zien als (KL::UVWX-*rw*(J~E)), bijvoorbeeld (van symbolen::van geest en zintuigen- µrb(wouden~tempel)) wat we moeten opvatten als “het is de wil van de schepper van het boek dat de invloed van de hoop die begint met "van symbolen" en die doorgaat tot aan "van geest en zintuigen", behoort tot één der meest voor de hand liggende die de aannemelijkheid benadelen van het problematische verband tussen "wouden" en "tempel"”. Op dezelfde manier hoort bij (Er::zintuigen- #rb(Natuur~tempel)) een zeer uitgestrekte hoop.

Methode

Aangezien de uithangborden de laatste ideeën voor de kabels vormen, leveren verscheidene trossen vaak een voorlopige inhoud op die vervolgens slechts een voorbereiding op het belangrijkste blijkt te zijn geweest. Door zo’n opzet ontstaan grapjes als “-Waarom ben je niet op de laatste vergadering gekomen? -Hoe kon ik raden dat we ermee ophielden?” Het woord “laatste” heeft allereerst als inhoud “wat zojuist plaats heeft gevonden” en vertegenwoordigt vervolgens een ander idee: “wat opheft”.

Toepassing op Baudelaire

«De Natuur is een tempel…» krijgt een nieuwe inhoud op het moment dat we rb(bedorven~wierook) neer kunnen schrijven, maar het kan zijn dat de huidige analyse ongeschikt blijft om met betrekking hiertoe iets te meten.

§178
· Hoop die onderbrekingen insluit
Theorie

Als we tegelijkertijd meerdere gedeeltes van het werk moeten wegnemen, verkrijgen we (A::FGHIJK(…)N(…)TU::Z-*rw*(P~S)), bijvoorbeeld met de klink (Samenspel::Antwoorden geuren¹, kleuren, en geluiden elkaar(…)geuren²(…)Zo zacht::zintuigen-µrd(fris~kinderhuid)) die betekent: “uit de wil van de schepper van het boek vloeit voort dat de onderbroken hoop, die begint met "Samenspel" om vervolgens aan te komen bij "…Antwoorden geuren¹, kleuren, en geluiden elkaar", daarna enkel "geuren²" en "Zo zacht" erbij in te sluiten, en dan weer verder te gaan met "Zo zacht" tot aan "zintuigen", één der meest voor de hand liggende invloeden uitoefent onder degene die de aannemelijkheid van de scheiding tussen "fris" en "kinderhuid" die een moeilijkheid vormt, benadelen.

Methode

De dissociatie (-µd) benadelen houdt in dat de associatie (-#b) bevoordeeld wordt, maar aangezien de berekening van (A::FGHIJK(…)N(…)TU::Z-µrd(P~S)) evenals die van (A::FGHIJK(…)N(…)TU::Z-#rb(P~S)) de variatie van de krik vereist, is het raadzaam twee vormen te behouden, om in elke situatie van de meest voor de hand liggende aannemelijkheid gebruik te kunnen maken.

Toepassing op Baudelaire

De variatie van rd(fris~kinderhuid) zal kleiner blijken te zijn dan degene die hoort bij rb(fris~kinderhuid) en voor andere uithangborden geldt het tegenovergestelde daarvan. Met het vreedzame begin van het sonnet gerelateerd aan een bitter of demonisch eind, kan het zijn dat Baudelaire heeft willen suggereren dat de overeenkomst van het menselijke wezen met de natuurlijke wereld verstoord is geraakt. Daar hij geen erg stabiel persoon schijnt te zijn, wordt hij beschreven als iemand die een nogal verrassende politieke loopbaan heeft gekend, maar het is niet eenvoudig hem te volgen in de door ons gereconstrueerde gedachtegang die hem ertoe brengt bepaalde veranderingen te betreuren, zelfs als Barbey die bevriend met hem is geworden, zich verder zal wagen door z’n ongerustheid uit te spreken over het grote stuk land dat op enkele mijlen afstand ligt van het kasteel dat aan zijn familie toebehoort [96]: «Volledig in de ban van het streven naar financieel voordeel, lijkt onze maatschappij op een oude vrouw die haar huishouden bestuurt en die zich alleen nog maar met haar behoeften bezighoudt, terwijl ze alsmaar over hetzelfde praat: namelijk over de Verlichting. Ze begrijpt niet dat de goddelijke dingen voor de menselijke geest verborgen moeten blijven, waardoor de dichtkunst der ziel ontstaat. Die ruilt ze liever in tegen de wetenschap, die niettemin altijd onvolledig en dus maar armetierig is. Ze begrijpt ook niet dat het nutteloze, dat onze ogen in de dingen menen te zien, de poëzie der wereld vormt.»

§179
· Veralgemenisering van het klinken
Theorie

De relatie (-*), hetzij (-#) of (-µ), die in een klink zetelt blijken we niet te kunnen omwisselen want de inhoud van (rw*(A~H)-*S) zou hier geen enkele erkenning krijgen. Als de invloeden correct zijn beschreven, is de limiet van de waarde waaronder de landmaat te verwaarlozen is bereikt als deze zich onder 1/16 bevindt, dezelfde als die waaronder een variatie elke waarde verliest, en verbreden we het begrip klinken dus.

Methode

Een kracht die te verwaarlozen is maakt niettemin deel uit van het studieobject, omdat het immers zeer belangrijk is ons van illusies omtrent kennis te ontdoen [723]-[723¹].

Toepassing op Baudelaire

Zo zal de klink (mens-#rd(Natuur~tempel)) een zwakke variatie hebben wegens de krik ervan die een geringe aannemelijkheid bezit en meegerekend wordt in de landmaat. Hoeveel zal de middelbare scholier gebogen over een opstel met als onderwerp de relatie "kunstenaar-wereld" wel niet geschreven hebben alvorens een dichter te worden? [[1081]] in Index II (Gedichten)">[[1081]]: «Hoe vaak moet ik m’n belletjes laten rinkelen
En je voorhoofd kussen, triest karikatuur?
Om de oplossing te vinden, geheimzinnig raadsel,
Hoeveel pijlen, oh mijn pijlkoker, moeten eerst verloren gaan?

We zullen onze ziel door subtiele complotten verslijten,
En we zullen menig zwaar geraamte vernietigen,
Alvorens het grote Schepsel te aanschouwen
Naar wie het hels verlangen ons met snikken vervult!»

§180
· Landmaat=((lading)(variatie))
Theorie

De landmaat, ofwel de mate van aannemelijkheid verkregen door een klink, bestaat uit het product van de variatie van de krik, met of zonder hoop, en een andere grootte, de lading, die 1/t*s*q*e*p*f*z*g*j* bedraagt. De hoeveelheden die in de noemer voorkomen heten stempels. Als we een invloed zoeken die de variatie groter maakt, hanteren we bij de berekening het juk (-#), en bij de bepaling van een handeling die deze vermindert wordt daarentegen (-µ) gebruikt.

Methode

Ten aanzien van eenzelfde juk, verschilt de aannemelijkheid alnaargelang de hoop de variatie doet stijgen of afnemen, of geen verandering teweegbrengt, en in dat opzicht doet het er weinig toe of de krik gepresenteerd wordt met (rb) of (rd). Het gevaar bestaat echter dat het verschil niet waar te nemen valt als de te waarderen variatie gering blijkt te zijn.

Toepassing op Baudelaire

De klink (symbolen-#rb(woorden~groen)) levert niettegenstaande het grappige effect van de relatie tussen de termen een krik met een tamelijk vage betekenis op. Dat floers van de noot dat aan invloed blootstaat schaadt onmiddellijk de waardebepaling omdat het getroffen element ons totaal onbekend is. De auteur heeft, op het moment dat hij het boek schept, een heel ander doel voor ogen, terwijl hij bovendien de woorden rangschikt met het doel er iets moois van te maken [496]-[590]-[[1114]] in Index II (Gedichten)">[[1114]]: «…Om me te oefenen in het avontuurlijke schermen, trek ik er alleen op uit,
En bespeur in elke hoek het toeval van de rijm,
Struikelend over woorden als over keien,
Terwijl ik op lang gedroomde versregels stuit».

§181
· Toezicht houden
Theorie

De lading in de landmaat bevat negen stempels. Daarvan hangen de hoeken t*, s* enkel af van de globale intuïtie van de klink. Anderzijds moeten de monitoren q*, e*, p*, f*, z*, g*, j* in de gaten houden wat de componenten van de krik overkomt als de hoop geschrapt wordt. Ze dragen de naam van de component wiens lot ze vertegenwoordigen, vergezeld van de vermelding “ster” zoals voor z* die de toets beschrijft waar (z) aan onderworpen wordt.

Toepassing op Baudelaire

We stellen voor de klink (geuren-#rb(fris~kinderhuid)) te bestuderen. Als de hoop eenmaal weggelaten is, moet de variatie van rb(fris~kinderhuid) wel stijgen, want nu wordt de relatie in de krik door onzekerheid getroffen. De veronderstelling van een moreel risico kon niet verhinderen dat er aan het vrouwelijk lichaam talrijke verdiensten toegekend werden [115]: «Koning David was op hoge leeftijd gekomen. Hoewel men hem met dekens toedekte, kon hij het niet meer warm krijgen. Zijn hovelingen zeiden tegen hem: "Laat ons een jong meisje voor u zoeken, mijn heer en koning…"» Baudelaire, die zich tot een vriendin wendt, roemt die kracht op zijn beurt [[1108]] in Index II (Gedichten)">[[1108]]: «De stervende koning David zou gezondheid
Aan de weldadige uitwerkingen van je betoverde lichaam gevraagd hebben!»

Methode

De aanwezigheid van een steunpunt bij deze illustratie behoedt de critici voor een vergissing, maar over het algemeen zijn we van dit voordeel beroofd, zelfs als het raadzaam is altijd na te gaan of er één bestaat.

§182
· Koppelstuk
Theorie

Het is nodig dat we hier een regel instellen: het koppelstuk. Als de hoop eenmaal is geschrapt, blijft de variatie van de krik soms dezelfde terwijl sommige componenten veranderd zijn. Laten we ons daarom eens heel simpel voorstellen dat de variatie (h), in tegenwoordigheid van de hoop, een waarde heeft van 1/qepfzgj=1/(1)(1)(1)(1)(1)(g)(j) met g=1 en j=2. Hij bedraagt dus 1/((g)(j))=1/((1)(2))=½. Soms verkrijgen we h’=1/(1)(1)(1)(1)(1)(g’)(j’)=1/((2)(1))=½ zonder de hoop. Voor welke situatie dan ook waarin de variatie gelijk is met of zonder de hoop, gaan we ervan uit dat er niets is veranderd. Dit oordeel, het koppelstuk, houdt in dat we ervan uitgaan dat geen enkele component een verandering heeft ondergaan.

Methode

Wat de juistheid betreft ontbreekt het ons hier zichtbaar aan middelen die ons in staat stellen een zeer geringe wijziging mee te tellen wanneer de globale waarde gelijk blijft. We bestuderen heel ingewikkelde facetten van het functioneren van de geest, en nemen het heen en weer flitsen ervan waar buiten elk bevredigend begrip om [748]. Zelfs de mededeling dat de hoop de variatie doet stijgen of dalen is te beperkt omdat die variatie immers met behulp van de hoop is vastgesteld [101]. Jean-Pierre Dumont en vóór hem Victor Brochard zijn erin geslaagd te laten zien dat de analyse van de verschijnselen die deel uitmaken van de stoffelijke wereld zich grotendeels op die wijze heeft ontwikkeld, met de aanvaarding dat de kennis beperkt is [167]-[287]-[288]. De geleerde, die aan takken der wetenschap gewend is waar een onberispelijke rigorositeit heerst, moet niet menen dat gebrek aan juistheid gelijk staat aan technische observatie. Die maakt het mogelijk om bij dezelfde gegevens steeds een gelijk resultaat te verkrijgen. Daarin ligt de kern van de rigueur en zodoende wordt het mogelijk de eerste hardnekkige verschijnselen vast te stellen met betrekking tot een gebied dat zowel vaag als nieuw is. Handelen zonder te begrijpen, vooral als het begrippen betreft, werkt op den duur echter verlammend, zodat we een bekwamere hulp bij ons nadenken nodig hebben. Die vinden we in de vorm van de rekenkunde waarbij moeilijk iets anders dan goed of fout gebruikt kan worden en die zich goed voor metingen leent.

Toepassing op Baudelaire

We stellen voor de klink (geuren¹- #rb(geuren²~répondent)) (geuren¹-/-geuren²-antwoorden) met «parfums» ontleend aan de achtste en vervolgens aan de negende versregel eens te bezien. Wanneer de krik een botsing is, bestaat de waarde van de glijstroken, met hoop, uit g=1 en j=2 want de beduidenis “in evenwicht brengen” vormt een overloop met betrekking tot «répondent» (antwoorden). Zonder hoop wordt de krik een probleemnoot zonder botsing. De glijstroken bestaan uit g’=2 en j’=1 omdat de term «répondent» met z’n dubbele betekenis meer problemen met zich mee brengt dan «parfums» als het om eenvoudig commentaar gaat. Het koppelstuk moet er dus voor zorgen dat alles verloopt alsof we de waarden g=1, j=2 gehandhaafd hadden. Het risico dat een wijziging van de analyse als een ingrijpende verandering van de tekst beschouwd wordt lijkt te groot te zijn om een andere keus te kunnen toestaan.

§183
· Twee aanvullende groottes
Theorie

De gemeten invloed moet zeer overtuigend zijn want het ontbreekt ons aan kennis om inzicht te krijgen in de overige invloeden. Dat brengt ons ertoe om de hoeken te bepalen, twee groottes behorend bij de groep van de stempels, die het terzijde leggen van de meest ondefinieerbare invloeden als zijnde te verwaarlozen, vergemakkelijken. Om te beginnen moeten we aangaande klinken die moeilijk te begrijpen zijn een waarde van 2 in de noemer van de lading aantreffen. Zodra we intuïtief aanvoelen dat de doublure van de klink wat de krik betreft zwaarder weegt dan de klink zelf, kan dezelfde berekening toegepast worden.

Methode

Een doublure die echter zo overtuigend is dat die in ’t geheel niet bedreigend is voor de klink en het feit in aanmerking genomen dat de intuïtie die vóór de berekening al aanwezig is, onzeker blijft, dat bij elkaar maakt een groot aantal rivalen mogelijk.

Toepassing op Baudelaire

De klink (-En andere,-#rb(bedorven~fris)) lijkt van het eerste ogenblik af min of meer absurd. De auteur, met z’n gevoel voor corruptie, huldigde met recht de meester die in Gautier huisde [4]-[5]-[407]: «…In Sevilla in het grote ziekenhuis,
Toont men twee vreemde schilderijen van Juan Valdes Léal.
Deze Valdes, de Young der schilderkunst,
Bezat de geheimen van de dood en het graf;
Net zoals Titiens liefde uitging naar schitterende kleuren,
Hield hij van groene tinten, van matte bleke tonen,
Het bloed uit de wond en de etter uit zweerplekken,
Van de in gescheurde kleren gehulde martelaren verspreid liggend op draagbaren,
De verrotte lijken, en, gelegen op een zilveren schaal,
Tussen gestold bloed, het hoofd van Johannes de Doper…» Het begrip geheim doet ons ook denken aan één van de dingen die Baudelaire voortdurend zorgen baarde [406]: «Jij vindt niets minderwaardig van hetgeen wij verachten;
Geen enkel vod wordt door jou, Ribera, weggegooid:
Het echte, altijd het echte, dat is je enige devies!

En je verstaat de kunst om
Die drie afzichtelijke monsters, terreur van de kunst der Oudheid,
De Pijn, de Armoede en het Sterfelijke, met een merkwaardige schoonheid te omkleden.

…Hoe kom je, Ribera, aan dat vernietigende instinct?
Door welke tand ben je gebeten, wie maakt je zo razend,
Om de mens zo de nek om te draaien en te vermorzelen?

Wat heeft de wereld je toch aangedaan, en, welke geheime vijand wordt er, in die hele slachting,
Door jou onder dreiging van klappen vervolgd?
Welke belediging heb je ondergaan om zoveel bloed te vergieten?» Degene die Baudelaire eer toebrengt vergelijkt eveneens twee schilders met de volgende woorden [408]: «Jouw monniken, Lesieur, zijn slappe figuren bij hen vergeleken.
Zurbaran van Sevilla heeft hun met extase vervulde ogen en hun zieke hoofden,
Beter weergegeven dan jij,

De goddelijke duizeling, de begeestering door het geloof
Die hen met een koortsachtige helderheid doet stralen,
En hun vreemd angstaanjagend aanzien.»

§184
· Platte hoek
Theorie

De stempel t* is een platte hoek en deze benadeelt de numerieke waarde van de situatie waarin de klink intuïtief gezien zo twijfelachtig lijkt dat hij elk belang verliest met betrekking tot het voorschrift een van de meest overtuigende te zijn. Daarom is t*=2; als de kracht in kwestie daarentegen onmiskenbaar aanwezig is houdt dat in dat t*=1 is.

Toepassing op Baudelaire

De klink (wouden-#rb(levende~pilaren)) valt zo’n grote helderheid ten deel dat een platte hoek van 1 vereist is, zoals die ook voor (Natuur-#rb(levende~pilaren)) onmisbaar blijkt te zijn.

Methode

Indien we niet zeker van onze zaak zijn, is het raadzaam achter het doel te komen dat de schepper van het boek nastreeft, terwijl we daarbij van alle beschikbare documentatiemateriaal gebruik maken, want ernaar gissen door middel van een vermeende gelijkgezindheid met de auteur brengt het gevaar van algemene of persoonlijke illusies met zich mee. Dilthey heeft terecht beklemtoond dat de theoretische vervanging kenmerkend is voor de disciplines die het resultaat van een reflectie bestuderen, maar het lijkt gewaagd aan te nemen dat die werkwijze hun een zekere superioriteit verleent vergeleken met diegene die hun onderwerp zuiver van buitenaf analyseren, zoals de fysica waarbij de geleerde het zonder ook maar enige identificatie met z’n materiaal klaarspeelt [281]-[282]. We moeten de critici raadplegen om het risico te beperken dat we een vergissing begaan wanneer we ons in de plaats stellen van de schrijver en menen hem te begrijpen.

§185
· Ruwe hoek en doublure
Theorie

Als volgens onze intuïtie een doublure van de klink een veel invloedrijkere hoop ten deel valt dan laatstgenoemde, bereikt de ruwe hoek s* niveau 2. Maar s*=1 wanneer de hoop wat de kracht ervan betreft op z’n minst gelijk is aan die van de klinken van dezelfde krik.

Methode

De exactheid van de omschrijving van de klink, aangaande één der “meest overtuigende” invloeden, vereist dat we de hopen met elkaar vergelijken. Aan de intuïtie betreffende de hoeken komt echter totaal geen getal aan te pas, omdat de berekening waarbij zowel s* als t* gebruikt wordt niet uitgevoerd zou kunnen worden als deze het resultaat ervan daarin mee zou tellen. De hoeken worden evenmin bestudeerd na verwijdering van de hoop, maar intuïtief enkel aan de hand van de aanvankelijke tekst.

Toepassing op Baudelaire

Zo werpen we eerst een vluchtige blik op de klinken (zegevierend-#rb(bedorven~wierook) en (rijk-#rb(bedorven~wierook) om voor elk ervan te zien of de andere soms geen doublure is met een veel grotere aannemelijkheid dan hijzelf. Er is vaak gezegd dat de geur van haschisch en wierook zoveel op elkaar lijken. Verderf gaat zelfs zover dat het ons vermogen ons in het dagelijks leven te oriënteren aantast, vooral als het van een verdovend middel afkomstig is. De manier waarop we onderscheid maken tussen de voorwerpen en de verandering daarvan wordt beïnvloed. Het komt waarschijnlijk tot stand door de verhouding te wijzigen tussen hetgeen op elkaar lijkt en wat verschillend is, voornamelijk met betrekking tot de ruimte. Anderzijds moet er een verandering bestaan in de verhouding tussen de wijzigingen die als intern en die als extern worden ervaren, voornamelijk wat de tijd betreft [24]. Baudelaire beschrijft gaarne enkele effecten van de producten die zo’n uitwerking hebben [75]-[654]: «De proporties tussen de tijd en het wezen worden verstoord door de onnoemelijke hoeveelheid gevoelens en ideeën en de intensiteit ervan. In een uur tijds leef je meerdere mensenlevens. Dàt is precies het onderwerp van "de Huid van de wilde ezel". De verhouding tussen de organen en het genot is zoek. Van tijd tot tijd verdwijnt de personaliteit. De objectiviteit die sommige pantheïstische dichters en de grote komieken voortbrengt neemt een zodanige vorm aan dat u niet meer in staat bent u van de andere wezens te onderscheiden. U bent nu een boom die ruist in de wind en die de natuur plantenmelodieën laat horen.»

§186
· Stersneden
Theorie

De stempels q* en e* nemen het monitoraat voor de sneden (q) en (e) voor hun rekening. Als er bij situatie (-#) een stijging van de snede ontstaat door het wegvallen van de hoop, laat dat zien dat deze de hoeveelheid (q) of (e) laag hield, zodat we daaruit moeten concluderen dat de stersnede q*=1 of dat e*=1. Het is voldoende dat een term die nooit deel van een botsing heeft uitgemaakt en waarvan de interpretatie een spil waard is, verwijderd wordt om de snede q=1 te veranderen in q’=2, of de andere snede e=1 in e’=2. Als de grootte van de snede in kwestie gelijk blijft, blijft de stersnede waarde 1 behouden. Slechts bij een afname van de snede wanneer de hoop verdwijnt komen we q*=2 of e*=2 tegen. Daar bij (-#) een waardevermindering van de snede ontstaat als we de hoop schrappen, moeten we daaruit wel de conclusie trekken dat dankzij de uithangborden waaruit deze bestaat (q) of (e) een hoge waarde behielden en dus de variatie schade toebrachten. Als het woord “kleine” uit de zin “De grote kleine Natuur is een tempel…” eenmaal geschrapt is, bereikt de linkersnede van rb(N~Natuur) een hoogte van 1 want de term “grote” die door toedoen van “kleine” teniet was gedaan is opnieuw beschikbaar om de N in de krik uit te leggen.

Methode

De stersneden volgen met een wisselende gewilligheid de veranderingen van de variatie, omdat in het geval van het juk (-#) de stijging van q=1 tot q’=2 immers als gevolg heeft dat q*=1 is, precies zoals q=1=q’, het handhaven van de bestaande situatie, zou doen.

Toepassing op Baudelaire

Bij (de stem van de godheid- #rb(N~Natuur)) en een rail die begint met ”In de Natuur vormt de stem van de godheid een tempel…” verkrijgen we q=1 doordat “godheid” een toelichting op de N geeft zonder dat de beduidenis van het woord “godheid” tot een botsing behoort. Op het moment dat de hoop eraan onttrokken wordt verkrijgen we q’=2, omdat het begrip van een onbekende macht de krik rb(N~Natuur) een dienst verleende, en dat resultaat rechtvaardigt dat q*=1. De natuurlijke echo brengt onze gedachten bij de spelonken van de angstaanjagende of de prachtige inwijdingen van menige sekte uit de Oudheid, die bij het licht van het vuur de hoogste waarheid naar boven meende te brengen door een gevoelsimpulsie waartegen de liefhebbers van het daglicht zich soms verzetten [747]-[749]. 84

§187
· Stersneden aangaande de situatie -µrd
Theorie

Bij het gebruik van het juk (-µ) als de afwezigheid van een hoop een verkleinde snede oplevert, is q* of e* 1 waard. Indien we daarentegen met een stijging te maken hebben, bereikt q* of e* 2. Bij een snede die geen enkele verandering heeft ondergaan, blijft de stersnede een waarde van 1 behouden.

Methode

De invloeden die door middel van deze metingen zijn bestudeerd blijven beperkt tot hetgeen zich in de tekst bevindt. Zo wordt iedere, zojuist vrijgekomen, kracht betreffende de fysische en sociale omstandigheden van de formulering uitgesloten van het onderwerp van analyse. De zin "Venus is gesluierd" kan geïnterpreteerd worden alsof het om een vrouw, om de godin of om een planeet gaat, dat hangt helemaal af van de context waarin we ons bevinden. Maar hier wordt alleen een indirecte toegang tot dat domein geleverd door de critici die het werk onderzoeken.

Toepassing op Baudelaire

Met een rail die begint met de woorden “De majestueuze Natuur is een tempel…” wordt de klink (majestueuze-µrd(N~tempel)) verkregen. Door de hoop te schrappen wordt de snede N verhoogd van 1 tot 2. Dat bewijst dat “majestueuze” de aannemelijkheid van de krik bevordert en dus moeten we accepteren dat q*=2. Hoe het ook zij, de variatie zal zo laag zijn dat het algehele resultaat niet briljant kan zijn. Het grandioze aspect van de natuurverschijnselen speelt een rol bij het begrip "Natuur-tempel". Seneca beschrijft het gevoel dat dan ontstaat [914]: «Als je bij een oud, zeer hoog woud aankomt, een heilig bos waar je door de veelvoud en het in elkaar slingeren van de takken de lucht niet meer ziet, doen je de grootte van de bomen, de eenzaamheid van de plek, en het indrukwekkende schouwspel van die zo ontzettend donkere en uitgestrekte schaduw midden in het open land je denken aan de aanwezigheid van een god. Deze indrukwekkende, geheimzinnige plaats op diep uitgeholde rotsen maakt deel uit van een opgehangen berg. Die plek is niet door mensenhanden gemaakt, natuurkrachten hebben die enorme uitholling veroorzaakt: men wordt bevangen door het gevoel van een religieus raadsel. We eerbiedigen de bron van de grote rivieren; altaren kenmerken de plaats waar een ondergrondse rivier plotseling is opgeweld. We brengen natuurlijke bronnen eer toe. De donkere kleur, de onpeilbare diepte van het water hebben sommige meren een heilig karakter gegeven.»

§188
· De sterstok bij -#
Theorie

De sterstok p* doet als monitor dienst voor (p), de stok van de krik. Dan is bij (-#), wanneer de hoop eenmaal van de rail is verwijderd, als de stok niet verandert, p*=1. Als p=1 gevolgd wordt door p’=2, dan is p*=1. Als p=2 gevolgd wordt door p’=1, dan is p*=2.

Methode

Aangezien de stok bij botsingen een waarde van 1 bereikt, is het soms om de sterstok vast te stellen, voldoende om zich af te vragen of de afwezigheid van de hoop de krik de status van botsing geeft of dat hij deze tenietdoet.

Toepassing op Baudelaire

Het uithangbord “probleem” in “…De man, wat een probleem vormt, gaat er voorbij door wouden van geuren…” maakt het mogelijk aan rb(wouden~geuren¹) een waarde van p=1 toe te kennen, want de rail deelt zelf mee dat er een moeilijkheid ontstaat. Als we “, wat een probleem vormt,” éénmaal hebben weggenomen, wordt p’=2 een vereiste en blijkt dus voor de klink (, wat een probleem vormt,-#rb(wouden~geuren¹)) de conclusie p*=1 onvermijdelijk te zijn. Voor wie de culturele bagage van de auteur in grote lijnen bestudeert, zal merken dat de relatie "geuren-wouden" niet als onbelangrijk beschouwd moet worden, ondanks de reputatie die hij als liefdesdichter in de moderne stad heeft verworven. Zeker Robert Kopp onderstreept terecht onze onwetendheid omtrent de precieze inhoud van de schoolprogramma’s van die tijd, maar we vermoeden dat die uitgebreid was wat de menswetenschappen betreft [482]. Het feit dat de jongelui de mogelijkheid hadden zich te ontwikkelen door middel van de kennis der leraren, waar indirect gebruik van werd gemaakt tijdens de lessen, moet ook onderstreept worden [594]-[597]. De jonge latinist moest tijdens het Algemene Concours het in verzen geschreven «Philopoemen op de Nemeïsche Spelen» behandelen en Claude Pichois maakt melding van een evenement in 1836, namelijk wanneer de toekomstige kunstenaar, geboren in 1821, voor het eerst een 3° prijs heeft gewonnen [596]-[790]. Hij vat de onderscheiding «van 17 augustus 1836» voor de leerling Baudelaire, uitgereikt door het voortgezet onderwijs ditmaal, als volgt samen [596]: «1° prijs voor Latijnse verzen; 2° prijs voor het vertalen vanuit het Grieks; 3° prijs voor het vertalen in het Latijn; 3° prijs voor het vertalen in het Grieks; 3° prijs voor tekenen; 1° prijs voor de Engelse taal.» Hoewel de dichter al snel een grote behoefte voelde zich in het wereldse leven te storten, vertoont zijn geheugen zonder twijfel de kenmerken van zijn voorliefde voor de studie van de klassieke vakken [99]. Plinus, die van het ene onderzoek naar het andere wou overstappen, leidt het als volgt in [768]: «Tot nu toe hebben we ons enkel bezig gehouden met de geuren die in de wouden voorkomen. Elk daarvan was opzichzelf al heerlijk. Onze hang naar luxe heeft ons ertoe gebracht ze allemaal met elkaar te vermengen, en daarvan één geur te maken. Zo werden de parfums uitgevonden. De naam van de uitvinder is bij dit gebruik niet bewaard gebleven. Ten tijde van de oorlog van Troje bestonden ze nog niet en wierook werd bij de offerandes niet gebruikt. Men kende alleen nog maar het gebruik om boomtakjes te verbranden…Toch was rozenwater al bekend, omdat dit in de Ilias immers ook als kostbare olie genoemd wordt.» Dezelfde auteur laat zien hoe de verfijning successievelijk toeneemt [773]: «…de luxe, die zichzelf erop voorstaat de natuur te hebben overwonnen door parfums te creëren, heeft met de stoffen, eveneens de bloemen uitgedaagd die hun waarde aan hun kleuren ontlenen.» Diezelfde tendens [772]«…ontwikkelde zich zozeer dat nog slechts kransen van aan elkaar bevestigde bloemblaadjes op prijs werden gesteld, en vervolgens kransen uit India of uit streken die nog verderop lagen. Want het summum van elegance is kransen van nardus aan te bieden of van naar parfum geurende veelkleurige zijdestof.»

§189
· De sterstok bij -µ-
Theorie

Bij (µ), met een stok waarvan de waarde daalt op het moment dat men de hoop wegneemt, is p*=1, en als die waarde toeneemt is p*=2. De afwezigheid van een verandering levert p*=1 op.

Methode

Indien in het geval dat een hoop die getuigt van een bepaalde ernstige moeilijkheid eenmaal uit de weg is geruimd, andere uithangborden dezelfde rol vervullen, blijft een stok met een waarde van 2 mogelijk.

Toepassing op Baudelaire

Bij (indringende-µrb(dingen~oneindige)), wanneer een rail de woorden “…die de zich uitbreidende en indringende kracht der oneindige dingen bezit…” gebruikt, is de hoop geenszins in staat de krik de status van een botsing te geven. Maar door het wegvallen van “indringende” zou “uitbreidende” opheldering over de noot kunnen verschaffen, waardoor het opnieuw onmogelijk zou worden een botsing te verkrijgen. Omdat anderzijds geen enkel probleem waardoor p=1 mogelijk zou worden wordt gesignaleerd, moeten we ons er wel bij neerleggen dat p=2=p’, hetgeen rechtvaardigt dat de sterstok p*=1. Men is hevig geboeid door de psychologische krachten in die tijd, een tijdperk waarin de ontdekkingen van Galvani grote indruk hadden gemaakt [253]-[589]. Omdat parfum het lichaam binnendringt, leidt het tot de meest zoete vervoeringen. De persoon raakt in een triomfantelijke stemming, hij wordt wulps, lui en dronken in dezelfde mate als hij daarvoor energiek, hard en onverbiddelijk met betrekking tot z’n eigen wensen was. De innerlijke kracht is gebruikt door de positieve tegenhanger van hetgeen het martelen of het noodlot op negatieve wijze teweegbrengen. Daar was Balzac hevig in geïnteresseerd [69]: «Als we ijzer met een bepaalde intensiteit beslaan of er herhaalde druk op uitoefenen kunnen we de vorm ervan veranderen, de ondoordringbare moleculen ervan, gezuiverd en egaal gemaakt door de mens, vallen uiteen; en, wanneer metaal niet langer één geheel vormt, heeft het niet meer dezelfde weerbaarheid. De hoefsmeden, de slotenmakers, de egsmeden, alle arbeiders die voortdurend dit metaal bewerken geven daar dan één van hun technische benamingen aan: "het ijzer is geweekt" zeggen ze, gebruikmakend van een omschrijving die alleen gebruikt wordt voor hennep, waarvan de ontbinding door weken verkregen wordt. Wel! De menselijke ziel of, als u dat liever heeft, de drievoudige energie van het lichaam, het hart en de geest bevindt zich in een gelijksoortige situatie als die van het ijzer, door het herhalen van bepaalde schokken.» Balzac schrijft dat het tegenovergestelde proces, van verslagenheid naar triomferende strijdlust, even onbegrijpelijk is [68]: «Wat mij betreft, hernam de dokter, ik durf niet meer aan te geven waar de limiet ligt van de door nervositeit ontstane kracht. Om hun kinderen te redden, worden trouwens op die manier leeuwen door moeders gemagnetiseerd, kruipen ze via kroonlijsten waar katten zich ternauwernood staande kunnen houden, naar de plek van de brand, en verdragen de martelingen van sommige bevallingen. Daar schuilt het geheim in van de gevangenen en de galeiboeven die pogen de vrijheid te heroveren…We kennen de omvang nog niet van deze overlevingsdriften, ze horen bij de kracht van de Natuur, en we weten niet uit welke voorraden wij ze putten!» Prarond heeft verhaald hoe Baudelaire, die z’n geestverwantschap met de romanschrijver benadrukte, hem over hun spontane gesprek, dat mogelijk verzonnen was, had verteld [604]: «Balzac en Baudelaire liepen over de boulevard (van de linker Seineoever), elk in tegenovergestelde richting. Baudelaire stond stil voor Balzac en begon te lachen alsof hij hem al tien jaar kende. Balzac hield staande alsof hij een oude vriend tegenkwam die hij sinds jaren niet gezien had. En deze twee zielen, die elkaar in een oogopslag herkend en vervolgens gegroet hadden, liepen samen op, babbelend, discussiërend en verrukt over elkaar, terwijl ze niet van hun wederzijdse verbazing bekwamen.» 86

§190
· Het stersteunstukje
Theorie

Het stersteunstukje f* fungeert als monitor van het steunstukje van de krik. Bij (-#) en evengoed bij (-µ), als de groottes voor en na het wegnemen van de hoop gelijk zijn, verkrijgen we f=f’ en dientengevolge f*=1. We zien dat in de situatie (-#) waarin f=1 vervangen wordt door f’=2, de in aanvang gebruikte rail de krik bevoordeelde, zodat f*=1 vaststaat. Indien f=2 verdreven wordt door f’=1 moeten we erkennen dat de aanvankelijke situatie de variatie afremde, wat rechtvaardigt dat f*=2. In het geval van (-µ), indien f=2 verdrongen wordt door f’=1, is f*=1. Als daarentegen f=1 het onderspit delft door f’=2, dan is f*=2.

Methode

We herinneren eraan dat (f) de helderheid van het verband tussen de sporen van de krik controleert en dat een vleugje ironie voldoende is om f=2 te verkrijgen. Dat doet zich voor bij rb(ik~gek) gebruikt met betrekking tot de rail “ik ben gek te denken dat ik zo ben”. Een vragende vorm levert eveneens f=2 op, wat we zien bij rb(hij~maakt.klaar) dat een onderdeel vormt van “maakt hij zich klaar?”

Toepassing op Baudelaire

We stellen voor f* aangaande (wierook-#rb(bedorven~tempel)) te bestuderen. Aangezien elk steunpunt ontbreekt om op heldere wijze de uithangborden «bedorven» en «tempel» met elkaar in verband te brengen moeten we stellen dat f=2. Omdat «wierook» immers totaal niets te maken heeft met de afwezigheid van een scherp zichtbare relatie tussen de sporen van de noot is f’=2 en is dientengevolge f*=1. De gedachtelijn “wierook- bedorven-tempel” bestaat wel, maar het verband tussen de twee laatste begrippen ontbreekt het aan een steunpunt. In staat om goden te doen zwichten, is wierook een heilzaam middel dat men tegen ziektes of misdaden gebruikt. Ten tijde van de rampen van Thebe, als Oedipe aan de macht is, begeven de smekelingen zich naar de altaren [921]«…En de stad is vol met wierook,
vol lof- en klaagzangen.»

§191
· De interne sterruimte bij -#
Theorie

We moeten nog bepalen, allereerst bij (-#), of de hoop een rol speelt met betrekking tot de interne ruimte van de krik. Nadat we deze hoop geschrapt hebben verkrijgen we (z’) in plaats van (z). Als z=z’ dan is de interne sterruimte z* 1 waard. Indien z

Methode

In het geval dat het invloed uitoefenende uithangbord uit een bepaalde bloksteen bestaat, zoals «: » of «.», geldt daarvoor exact hetzelfde als voor een spoor.

Toepassing op Baudelaire

Bij (y-#rb(Nature~homme)) (er-/-Natuur-mens), aangezien de noot, als «y» (er) éénmaal is verdwenen, een interne ruimte van 2+(1(10/10))=3=z’ in plaats van z=1 daarvóór laat zien, dit wegens het onderbreken van de gedachtegang, staat het vast dat de waarde van z* 1 betreft. De relatie “Natuur- mens” herinnert ons aan de opvatting volgens welke men aan de vrouwelijke helft de natuurlijke pool bij uitstek van het paar “man-vrouw” toekent, terwijl Baudelaire er menigmaal in slaagde deze opvatting op poëtische wijze te veranderen [[982]] in Index II (Gedichten)">[[982]]: «De verdrietige bui die even bij je opkomt
Wordt verpletterd door de blakende gezondheid
Die als een helder licht
van je armen en je schouders opstijgt.»

§192
· De interne sterruimte bij -µ-
Theorie

Nu moeten we onze aandacht wijden aan de grootte die we verkregen hebben door de interne sterruimte z* in het geval van (-µ), een schadelijk juk. Na de hoop weggenomen te hebben, speuren we naar de gevolgen daarvan voor de interne ruimte. Als daar z’

Methode

Omdat we consequent willen zijn moeten we de manier van tellen die we voor (z) gebruikt hebben wel handhaven als we ons over z* buigen omdat geen enkele nieuwe ernstige moeilijkheid zich immers voordoet. Dus is z*=1 of z*=2+(1(n/10)). Als de wijze waarop we de berekening uitvoeren constant zou veranderen, zouden we al gauw ons vertrouwen in de arbeid die we verricht hebben verliezen.

Toepassing op Baudelaire

Bij (y-µrb(Nature~homme)) (er-/-Natuur-mens), aangezien de krik, als «y» (er) éénmaal verdwenen is, een waarde vertoont van z’=2+(1(10/10))=3 in plaats van z=1 daarvóór, constateren we dat «er» deze bevoordeelde. Omdat we nu immers het schadelijke karakter van de invloed willen bepalen, moeten we de gevolgtrekking maken dat z*=3. De sterke relatie in de tekst tussen “mens-Natuur” maakt dat er zo weinig kans is dat er zich een vergissing hieromtrent voordoet dat er betreffende de klink nauwelijks enige aannemelijkheid bestaat, terwijl z*=3 een belangrijke bijdrage levert aan deze moderator van de waarde. De man over wie Baudelaire spreekt begrijpt mogelijk niets van de symbolen, ondanks het feit dat deze doordat ze een afspiegeling van z’n grondgedachten zijn, hem vertrouwd voorkomen. De Maistre dacht aan een ontwikkeling van die duizenden duistere aanwijzingen die in de werkelijkheid zijn achtergelaten [52]-[516]: «Men kan zich van het universum een beeld vormen dat geheel en al juist is door zich het als een groot natuurhistorisch museum dat onder een aardbeving heeft geleden voor te stellen: de deur staat open en is kapot, er zitten geen ramen meer in, hele kasten zijn omgevallen, andere hangen nog aan scharnierpennen die elk ogenblik los kunnen laten; schelpen zijn in de zaal van de mineralen gerold, en een kolibrienest is terechtgekomen op de kop van een krokodil. Maar welke dwaas zou ook maar een ogenblik twijfelen aan de eigenlijke opzet ervan, of menen dat het pand in die toestand werd gebouwd? Alle grote massa’s vormen een geheel; in de kleinste scherf van een ruit zien we deze gelijk helemaal voor ons…de orde is even zichtbaar als de wanorde; en alles wat door een funeste kracht is gebroken, vervormd, bevuild of verplaatst, wordt door het oog dat in die uitgestrekte tempel der natuur rondkijkt, moeiteloos in de oude staat teruggebracht. Sterker nog, kom eens dichterbij, dan zult u al een hand onderscheiden die reparaties aanbrengt: een paar balken worden ondersteund, temidden van het puin heeft men wegen vrijgemaakt, en, temidden van deze verwarring, heeft een grote groep "gelijksoortigen" al hun plaats ingenomen en staan tegen elkaar aan.»

§193
· Enorme spillen
Theorie

We stellen voor de belangrijkste zwakheid aangaande z* te behandelen bij een klink die (-#) of (-µ) beschrijft. Wanneer we bij rb(papierkleur~groen) een groene bladzijde tussen alle andere die gewoon wit zijn hebben, moet de hele rail meegeteld worden om de interne ruimte te kunnen bepalen. Indien deze (n) fronten bevat, is (z) 2+(1(n/10)) waard. Als we de hoop R of RSTUVWXYZ, bestaande uit (m) fronten, wegnemen, moet dezelfde afstand bewaard worden op het moment dat we (z’) bepalen, wat z’=2+ (1(n/10)) oplevert, dit met het doel het te verwaarlozen karakter van (m) betreffende de onveranderd gebleven uithangborden aan te geven.

Methode

Dat heeft dan ongetwijfeld z*=1 als resultaat omdat we wel weten dat z=1=z’ is en aan de monitor z* door een stabiele component altijd een grootte van 1 toegekend wordt.

Toepassing op Baudelaire

Indien de hoop bestaat uit een spil in de vorm van een “papierkleur”, staat het gezien het feit dat wat de klink (papierkleur-#rb(pilaren~groen) betreft, de afstand tussen de sporen “groen” en “pilaren” dezelfde blijft als we de hoop wegnemen, opnieuw vast dat z*=1. De schepper van een verzonnen tekst tracht dikwijls een onthutsend symbolisch element bij zijn publiek in te voeren, maar daarvoor neemt hij zijn toevlucht niet noodgedwongen tot een hulpmiddel. Nerval was er een kei in om de grens van het geestelijke evenwicht op een sobere manier aan te geven [553]-[664]-[781]: «…de vorm- en levenloze voorwerpen schikten zich uit zichzelf naar de berekeningen van mijn geest; uit combinaties van stenen, hoekfiguren, spleten of openingen, boombladvormen, kleuren, geuren en geluiden zag ik een tot dan toe onbekende harmonie komen.»

§194
· Lier
Theorie

De twee sterglijstroken hebben een bijzonderheid die hen van de andere monitoren onderscheidt. Die bestaat namelijk uit een regel die de berekening van de landmaat betreft, maar die veel meer consequenties heeft dan het koppelstuk. Het betreft, indien dit nodig is, het weer in evenwicht brengen van de beschrijving der verschijnselen. Deze opzet, die we een lier noemen, bestaat eruit de hoop te schrappen om vervolgens twee presterglijstroken G* en J* te bepalen en dan elk van deze groottes G* en J* met t* s* te vermenigvuldigen om g* en j* te verkrijgen.

Methode

De ongelukkige situatie van hopen die niets te maken hebben met de eigenlijke beduidenis die we aan de sporen van de krik hebben toegekend, maar die g=g’ of j=j’ opleveren, laat zien dat een compensatie nodig is. Het kan echter niet bij die verandering alleen blijven, want wanneer we g*=G*t*s* of j*=J*t*s* eenmaal voor g=g’ of j=j’ hebben gebruikt, zijn we gedwongen deze handelwijze te veralgemeniseren om te bewerkstelligen dat er geen enkele andere abnormaliteit ontstaat. Tenslotte moeten we de groottes t* en s*, die we in de landmaat al een keer in de vorm van (t*s*) meegeteld hebben, opnieuw meerekenen als g* en j*. Met t*s*=2 bij G*=1=J* vinden we op die manier ((t*s*)g*j*)=((2)(2)(2))=8.

Toepassing op Baudelaire

De klink (oneindige-#rb(bedorven~ wierook)) laat twee presterglijstroken G*=1=J* toe door middel van de constante g’=g, j’=j wegens «oneindige», die er ondanks een mogelijke theologische connotatie, nauwelijks in slaagt enige invloed uit te oefenen op de betekenis van rb(bedorven~wierook). De ruwe hoek s* van deze klink is 2 waard omdat «zegevierend», gezien de morele beduidenis ervan, intuïtief gezien veel beter in staat lijkt invloed op de botsing in kwestie uit te oefenen. Het gegeven t*=1, s*=2, en vervolgens g*=G*s* en j*=J*s* maakt het nu mogelijk te accepteren dat s*g*j*=(2)(2)(2)=8 is en dus een aannemelijkheidsgraad van maximaal ⅛ bezit wat de uitwerking betreft die «oneindige» heeft op rb(bedorven~wierook). Het begrip van oneindigheid dat Baudelaire gebruikt zal eveneens de aandacht van de interpreet trekken. Het is interessant te weten of de schrijver perfect op de hoogte was van het debat van die tijd over het bestaan van atomen [255]-[256]. Wanneer hij bepaalde parfums noemt die «…De uitbreiding van oneindige dingen bezittend…» lijkt hij dit heel onopvallend in het denkkader te doen waarbinnen men de oneindige deelbaarheid als een feit beschouwt. Maar de vluchtige aard van de geurende deeltjes brengt hem er eventueel toe om er in een rappe hyperbool over te spreken zoals over heel minuscule zaken, buiten elke metafysica, vijandig jegens de ideeën over atomen, om. Een van zijn andere gedichten fungeert als getuige van zijn opvatting [[1038]] in Index II (Gedichten)">[[1038]]: «Er bestaan zware parfums waarvoor elke stof
Poreus is; -het lijkt wel of ze door glas heen dringen.» De toespeling op “samenspel” van zijn kant heeft iets van een weddenschap over een onpeilbare wereld, maar Baudelaire bereikt zo’n grote diepte door zich niet aan allerlei onbelangrijke gedachtestromen te onderwerpen, dat menig geleerde in dit denkbeeld dat van een natuurlijke wet terugvindt [666]. De dingen mogen dan in wezen uit één enkele identieke grondstof bestaan, overeenkomsten verbinden menig tot een hoofd- of subcategorie behorend voorwerp, waarvan vormen en groottes variëren, maar het essentiële onveranderd blijft.

§195
· De linkersterglijstrook bij -#
Theorie

Bij g*, aangetast door het juk (-#), ontvangt de presterglijstrook G* onvermijdelijk een waarde van 1 wanneer de afwezigheid van de hoop de glijstrook doet toenemen terwijl deze de variatie schade toebrengt, en ook als hij deze situatie in geen enkel opzicht doet verslechteren. We moeten daarentegen instemmen met G*=2 indien het wegvallen van de hoop, door een verkleinde glijstrook, gunstig is voor de variatie. De sterglijstrook wordt vervolgens vastgesteld door het product G*t*s*=g*.

Methode

In de gevallen dat we het koppelstuk voor (g) en (j) moeten gebruiken, komen we uit bij G*=J*=1 omdat ((g)(j))=2=((g’)(j’)) immers wordt gezien als een indirect bewijs van onveranderlijkheid, hetgeen neerkomt op g’=g en j’=j.

Toepassing op Baudelaire

Een rail waarin «zegevierend» niet meer voorkomt, heeft als resultaat dat g’=2 aangaande rb(bedorven~wierook) en niet langer g=1 zoals in de huidige tekst, want van nu af aan maakt “biologisch afgebroken” als overloop van “bedorven”, van de ideeën deel uit. Nu moeten we betreffende (zegevierend- #rb(bedorven~wierook)) tot G*=1 besluiten. Parfum wakkert als het ware de dierlijkheid van onze blik aan [[1018]] in Index II (Gedichten)">[[1018]]: «Mooie poes, kom op mijn verliefde hart;
Trek de nagels van je poot in,
En laat me wegduiken in je mooie ogen
Die een combinatie van metaal en agaat zijn.

Als mijn vingers naar hartelust
Je hoofd en je soepele rug strelen,
En mijn hand dronken van plezier
Je hete lichaam betast,

Zie ik in gedachten mijn vrouw…» Ergens anders schrijft Baudelaire over die verre maar vertrouwelijke wezens [[1021]] in Index II (Gedichten)">[[1021]]: «Hun vruchtbare lendenen zitten vol betoverende vonken,
En gouden stipjes, zo fijn als zand,
vormen een vage sterrenhemel in hun geheimzinnige oogappels.» Het gaat opnieuw over een dier als de miskende humorist schrijft [[1015]] in Index II (Gedichten)">[[1015]]: «Er kuiert in m’n hoofd,
Als ware het zijn eigen huis,
Een mooie, sterke, zachte en charmante poes rond…»

§196
· De linkersterglijstrook bij -µ-
Theorie

Aangezien wat bij het juk (-µ) wordt bestudeerd de schadelijke invloed betreft, zijn we gedwongen een presterglijstrook G* te accepteren die een waarde van 1 krijgt bij elke situatie die (g’), de glijstrook verkregen door schrapping van de hoop, verder omlaaghaalt dan (g), die we in tegenwoordigheid van diezelfde hoop hebben verkregen. Wederom verkrijgen we onvermijdelijk G*=1 wanneer de verandering de waarde van de glijstrook niet aantast. Mocht echter door de afwezigheid van de hoop (g’) een hogere waarde dan (g) ontvangen, dan is daarentegen G*=2 vereist. Uitgaande van die eerste gegevens, levert het product van G* en de twee hoeken t* en s* dan de sterglijstrook g* op.

Methode

Een onderzoek uitvoeren naar de tegenwoordigheid van iets door middel van de afwezigheid is een heel klassieke werkwijze die gedurende het uiterst geleidelijke proces naar abstract of concreet van begin tot eind toegepast wordt, omdat elk van deze eenheden die elkaar begeleiden immers geen toestand maar wel degelijk een overgang is, zoals hoog en laag [175]-[176]. De wiskundigen uit de oudheid lieten zien welke verhouding bestaat tussen enerzijds de diagonaal van het vierkant en anderzijds één van de zijden, daarbij veronderstellend dat elke uitkomst die afweek van een heel getal of een verhouding van hele getallen onmogelijk was, om iedereen te dwingen het irrationele aspect van getallen toe te geven [583]. De naturalisten uit de IIIe eeuw voor Jezus Christus vatten het idee op dat als iets leeft het iets meetbaars consommeert door de ervaring met een dier wiens gewicht wordt gemeten, en dat men opnieuw weegt nadat het zich na een lange vastentijd van alle uitwerpselen heeft ontdaan [249].

Toepassing op Baudelaire

Indien we het uithangbord «comme» (zo…als) uit de negende versregel (Il est des parfums frais comme des chairs d'enfants… [Er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid…]) wegnemen, is het enige wat overblijft “Il est des parfums frais des chairs d'enfants…” (Er zijn geuren fris kinderhuid…) of met een paraaf die een inkorting aanbrengt “Il est des parfums frais de chairs d'enfants…” (Er zijn geuren fris kinderhuid…) Het probleem rb(chairs~parfums²) (kinderhuid-geuren²) dat voortaan praktisch niet meer bestaat, brengt met zich mee dat de glijstrook g’=2=j’ is terwijl eerst g=1 en j=2 terecht waren. De klink (comme-µrb(chairs~parfums²)) (zo…als-/-kinderhuid-geuren²) is dus G*=2 waard en sanctioneert dusdanig de vergroting van de glijstrook. Indien nu de hoop in «comme des» (zo…als een) verandert, levert de rail “Il est des parfums frais chairs d'enfants…” (Er zijn geuren fris kinderhuid…) en wordt het probleem rb(chairs~parfums²) (kinderhuid- geuren²) een botsing. De verandering toont aan dat de methode van het laten wegvallen er wel degelijk in slaagt enige helderheid aan te brengen. De inhoud van de versregels in kwestie brengt ons ertoe ons de zege door de overwinnaars gevierd tijdens bandeloze banketten voor te stellen. Liefde en leger vulden elkaar vroeger tijdens de meest gebruikelijke mannelijke bezigheden op het vlak van de sociale vaardigheid aan, hetgeen het met elkaar in verband brengen van de begrippen vrouw en oorlog rechtvaardigt. Don Juan zegt [536]: «We proeven iets onnoemelijk zachts bij het veroveren, door middel van talloze eerbetuigingen, van het hart van een jonge schoonheid, bij het zien van de minuscule vorderingen die we dag na dag maken, bij het bestrijden, door vervoeringen, tranen en zuchten, van de onschuldige kuisheid van een ziel die moeite heeft zich over te geven, bij het stap voor stap tegengaan van alle kleine uitingen van weerstand die zij ten opzichte van ons aan de dag legt…en wat dit betreft heb ik de ambitie van een strijder, die onophoudelijk van overwinning naar overwinning vliegt, en er niet toe kan komen te besluiten zijn wensen in te perken.»

§197
· Botsingen en niet-botsingen
Theorie

Voorgaande analyse levert hetzelfde resultaat op voor j*. Maar we moeten preciseren dat in elke berekening die uitgaat van een niet uit een botsing bestaande noot waarvoor bovendien het product (g)(j) beneden de waarde van 4 blijft, (g) en (j) door solidariteit met elkaar verbonden worden. Dientengevolge leidt g=1 tot j=2 en j=1 tot g=2. Als de hoop eenmaal weggenomen is, ontstaat dezelfde soort relatie voor g’ en j’, als ook dan blijkt dat ((g’)(j’))<4 is en zolang de krik niet het karakter van een botsing aanneemt.

Methode

De talrijke verschillende situaties hebben steeds als doel te begrijpen wat de voornaamste zienswijze van de schepper van het gedicht is en daarenboven ook nog een leidraad voor ongeacht welke aan de fantasie ontsproten tekst te vinden. Cournot schreef aangaande de waarschijnlijkheidsleer dat het grote aantal gevolgen in staat is om [215]«…de hoeveelheid invloed, hoe klein ook…te tonen van de steeds terugkerende en onveranderlijke oorzaken, zoals dat onophoudelijk het geval is op het terrein van de natuurlijke verschijnselen en de gebeurtenissen op het sociale vlak.» De volgende standpunten van de wiskundige-filosoof zetten ons aan tot nadenken [216]: «In de rigoureuze taal die past bij de abstracte en absolute waarheden van de wiskunde en de metafysica, is iets mogelijk of niet: er bestaan geen gradaties van mogelijkheid of onmogelijkheid. Maar wanneer het mogelijk is dat gebeurtenissen zich, door proefneming of ondervinding in het dagelijks leven, tegensteld aan de verwachtingen voordoen en wanneer ze zich inderdaad voordoen, afhankelijk van de toevallige combinaties van bepaalde oorzaken en onafhankelijk van de ene test tot de andere, bij andere onveranderlijke oorzaken of omstandigheden die samen het geheel der proeven bepalen, is het normaal elke gebeurtenis te bekijken alsof hiervoor de situatie des te geschikter is of een des te grotere kans heeft om zich voor te doen, in de dagelijkse werkelijkheid of langs de weg van het experiment, naarmate hij zich vaker herhaalt tijdens een groot aantal proeven. De mathematische waarschijnlijkheid wordt dan de mate van de "fysieke mogelijkheid" en de ene omschrijving kan in plaats van de andere gebruikt worden. Het voordeel van eerstgenoemde is dat het op een heldere manier het bestaan aangeeft van een relatie die niet afhangt van onze wijze van oordelen en waarderen, van persoon tot persoon verschillend, maar die tussen de dingen zelf bestaat: een verband dat door de natuur gehandhaafd wordt en dat we waarnemen als de proeven zich dikwijls genoeg herhalen om de gevolgen van toevallige en onregelmatige oorzaken te compenseren…» In wezen vormen de fluctuaties van voorbijgaande aard, die doordat ze de daadwerkelijke relaties tussen de uithangborden verdringen, die dikke mistlaag van hoogst verwarrende oorzaken die onze berekening bemoeilijkt. Maar naargelang we meer proeven doen verdwijnt langzaamaan het gros van alle door zwakheid en tegenstrijdigheid ongefundeerde gevoelens, en zo blijven de landmaat en de variatie over als middelen om de daadwerkelijke grondgedachte te vinden.

Toepassing op Baudelaire

Wanneer uit „Samenspel“ gedistilleerd moet worden wat Baudelaire heeft willen zeggen, brengen de critici het meest genoemde antwoord naar voren omdat de ons van oorsprong bekende betekenis waar de veelvuldige interpretaties om draaien, onveranderlijk blijft. Uit de wolk van uiteenlopende meningen, waarvan sommige onverenigbaar lijken, komt een hoofdtendens te voorschijn, die de wil blijkt te vertegenwoordigen van de schepper van het boek, en waar we al een eeuw lang niet om heen kunnen. Zelfs aan provocaties met een vrolijk karakter, die ons dikwijls in verwarring brengen, kunnen we een inhoud geven [[1083]] in Index II (Gedichten)">[[1083]]: «In een stuk vette grond vol slakken
Wil ik zelf een diep gat graven,
Waar ik ontspannen mijn oude botten kan neerleggen…» Geamuseerd brengt de dichter in zijn woorden dezelfde hardheid aan als die we in menig schilderij tegenkomen [[1139]] in Index II (Gedichten)">[[1139]]: «Herinner u, mijn ziel, het voorwerp
Dat we zagen op die mooie, zo zachte zomermorgen:
In de bocht van een pad een afschuwwekkend lijk
Op een keienbed…»

§198
· Platte hoek van een klink bij -#
Theorie

Laten we nu rustig opnieuw elk onderdeel van de berekening van de landmaat bekijken, afwisselend bij juk (-#) en (-µ). Eerst bestuderen we de platte hoek waarbij een gunstige invloed (-#) een rol speelt aangaande de klink (-En andere,-#rb(bedorven~fris)). De sporen «bedorven» en «fris» lijken tegengesteld aan elkaar te zijn door «andere», zodat het absurd is om te zien of deze term een positieve invloed op het verband tussen de eerste twee heeft. Dit is precies het soort situatie waarin het besluit dat t*=2 van toepassing is.

Methode

Zeker, het blijft mogelijk naar voren te brengen dat we door het in fragmenten verdelen van een tekst de indruk hebben dat er helderheid is ontstaan. Onze intuïtie die een rol speelt bij details zal als argument inderdaad aanvoeren dat het begrip klink per definitie een indeling vraagt die de inhoud geweld aandoet. Zo’n oordeel zou er echter toe leiden dat we eveneens alle losse woorden wegens de oppervlakkigheid ervan zouden verwerpen omdat de loop die het geweten neemt immers nooit welk richtingsbord dan ook zou gebruiken om zich te oriënteren. Nu, het blijkt dat de gedachte een groot aantal hardnekkige hier en daar voorkomende verschijnselen, woorden of getallen, accepteert, om de werkelijkheid zo dicht mogelijk te naderen. Zelfs als onze methodische geest de voortgaande lijn waarneemt, wordt deze in pedagogisch opzicht gedwongen onder geen voorwaarde de gebruikelijke indeling uit te schakelen. Als we bijvoorbeeld de rekenkunde nemen, wendt hij zich eerst af van de ononderbroken stroom eenheden door er gedeeltes in aan te brengen. Zo vereenvoudigt men de elkaar onmiddellijk opvolgende getallen tussen 1 en 4, als we die pas leren, door middel van het schema 1, 2, 3, 4 [100].

Toepassing op Baudelaire

We moeten erkennen dat door de betekenis van de uithangborden «fris» en «bedorven» een mengeling ontstaat, die in het gedicht, dat we uit het hoofd kennen, z’n invloed doet gelden op heel de rest. Er ontstaat opnieuw een soort fusie van ideeën in de vage herinnering die iemand van het gedicht heeft. Dat verplicht hem echter geenszins om de verschijnselen aangaande de meest voor de hand liggende beduidenis van de tekst te negeren, omdat de schepper ervan immers zelf deze discontinue eenheden heeft gewild en ze bovendien in twee verschillende versregels heeft aangebracht.

§199
· Platte hoek van een klink bij -µ-
Theorie

Het is niet moeilijk een situatie te verkrijgen waarin we over een platte hoek met een waarde van 1 beschikken. Zo geldt voor (-En andere,-µrb(bedorven~fris)) ongetwijfeld dat t*=1 is. Het valt heel gemakkelijk te begrijpen dat vooral het woord «andere», maar nog veel meer de hele hoop, de aannemelijkheid van een relatie tussen «bedorven» en «fris» benadeelt.

Toepassing op Baudelaire

Lucain wil, met zijn beschrijving van een koningin, het nageslacht een erg geval van verderf als voorbeeld geven [508]: «Schandelijk genoeg brengt ze de hele nacht met de door haar verleide rechter door. Toen men eenmaal door de aanvoerder van de vrede was verzekerd en deze door middel van geweldige cadeaus was betaald, werd de vreugde over zo’n grote gebeurtenis gevierd, en Cleopatra legde een luxe aan de dag die zo enorm en opvallend was als de Romeinse samenleving nog nooit had meegemaakt. Het gebouw zag er nu uit als een tempel, zoals men die in een nog zedelozer tijdperk zelfs niet zou bouwen…» De overwinnaar treft een zelfde soort blaam [509]: «Cesar leert de rijkdommen van de kaalgeroofde wereld te verspillen…»

Methode

Men zal het niet helemaal eens zijn met de toevlucht tot de hoeken omdat die de eenheid tussen de stempels verhinderen. De berekening van t* en s* vormt met het opnieuw introduceren van de hoeken in de sterglijstroken een serie handelingen die wantrouwen opwekt. Toch hoeven dit soort noodoplossingen ons geenszins angst in te boezemen, hoewel sommigen ze verbannen of er op humoristische wijze mee omgaan [808]. Ondanks onze wens alles onmiddellijk volkomen te willen begrijpen, eisen zelfs de exacte vakken een voorbereiding die afwisselend uit concreet¹-abstract¹- concreet²-abstract² enzovoort, bestaat. Met dit verschil dat de deductie erin slaagt de voorafgaande pijnlijke handeling te rechtvaardigen [246]. Het abstracte krijgt nu jegens het concrete de billijkheid van een vereenvoudigde samenvatting waardoor we zelf minder hoeven na te denken [177]. Maar behalve dat deze technische werkwijze gemakzucht bij het studeren in de hand werkt, vormt hij ook één van de wegen naar kennis [248]. Aristoteles, die met name het tweede punt is toegedaan, ziet het doorvoeren van het abstracte als volgt [23]-[23¹]-[31]-[32]-[32¹]-[32²]: «…je moet beginnen met een aantal gelijksoortige, onveranderlijke exemplaren te bestuderen en uitzoeken welk element al die eenheden met elkaar gelijk hebben. Vervolgens moet je net zo doen met een andere groep exemplaren, die, hoewel ze van hetzelfde genre zijn als de eerste, onderling iets specifieks gemeen hebben, maar iets typisch verschillends hebben dat ze van de eerste onderscheidt. Wanneer je voor de tweede groep éénmaal vastgesteld hebt welk element ze allemaal gelijk hebben, en als je dat ook voor de andere hebt gedaan, moet je nagaan of de twee groepen, op hun beurt, iets gemeen hebben, totdat je één enkele omschrijving hebt gevonden, want dat wordt dan de definitie van het object.»

§200
· Ruwe hoek 2
Theorie

We stellen voor om (rijk-#rb(bedorven~wierook)) te bestuderen teneinde de ruwe hoek ervan te bepalen. De term «rijk» heeft een beduidenis die zowel bij «bedorven» als bij «wierook» past, maar om verschillende redenen. Hij vormt dus een uitstekende middenweg van de sporen, wat erop neerkomt dat de tegenstelling uitgevlakt wordt, deze houdt echter stand, want hij verkrijgt een variatie van 1. Het blijkt dat «zegevierend» in de doublure (zegevierend-#rb(bedorven~wierook)) doeltreffender is, want door bij te dragen aan de morele inhoud van «bedorven», speelt hij een rol in de pressies die een botsing met een variatie van 1 met zich meebrengen. Dientengevolge duiden we de ruwe hoek van (rijk-#rb(bedorven~ wierook)) aan met s*=2.

Methode

Het verwijzen naar de variatie die de krik verkregen heeft brengt geen enkel gevaar met zich mee want s* draagt daar niet aan bij.

Toepassing op Baudelaire

In de bestudeerde situatie lijkt «zegevierend» toevallig in verband te worden gebracht met «wierook» omdat militaire bedrijvigheid immers hoegenaamd niets te maken heeft met het gebruik van geuren. De relatie tussen wierook en luxe spreekt daarentegen voor zich. De Bijbel veroordeelt weelde omdat de zucht ernaar onverzadigbaar lijkt te zijn [136]-[158]: «Laat de onaanzienlijke gelovige trots zijn op zijn hoge waarde, en de rijke op zijn nederige staat, want hij zal vergaan als een bloem in het veld. Als de zon gaat branden en het gras door de hitte verdort, valt de bloem af en is het gedaan met zijn schoonheid. Zo zal ook de rijke vergaan terwijl hij volop met zijn zaken bezig is.» We moeten ook niet rekenen op een verborgen overwinning [148]: «Niets is verborgen dat niet onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden. Alles wat jullie in het duister zeggen, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie binnenskamers in iemands oor fluisteren, zal vanaf de daken bekend worden gemaakt.» De impliciete ontkenning van de Godheid lijkt niet ver af te staan van de rivaliteit ermee [129]-[132]«Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God.»

§201
· Ruwe hoek 1
Theorie

We gaan nu de ruwe hoek van (zegevierend-µrd(bedorven~wierook)) bestuderen. We komen al gauw tot de slotsom dat wanneer het niet met elkaar in verband brengen van de sporen «bedorven» en «wierook» benadeeld wordt, dat dan inhoudt dat dit de relatie ertussen bevoordeelt. De rekenkunde toont ons dat de dingen niet zo eenvoudig zijn, maar dat het dient om in intuïtief opzicht voorlopig eerst -µb met -#b te vergelijken. Dan blijkt dat gezien het feit dat (rijk-#rb(bedorven~wierook)) minder aannemelijk is dan (zegevierend-#rb(bedorven~wierook)), daardoor de doublure (rijk-µrd(bedorven~wierook)) evenmin dezelfde waarde heeft als (zegevierend-µrd(bedorven~wierook)). Daar geen enkele doublure de klink (zegevierend-µrd(bedorven~wierook)) voorbij streeft, wordt laatstgenoemde op het intuïtieve vlak een ruwe hoek van s*=1 toegekend.

Methode

Die bewerkelijke opzet waarin de berekening niet steeds gelijk opgaat met de intuïtie stelt ons verlangen om onmiddellijk de absolute finesses te proeven, waaraan door de kennis dikwijls niet voldaan wordt, onherroepelijk teleur. Het tegenstrijdige karakter van de kennis maakt het echter mogelijk dat die onhandige berekening die het verschijnsel in schema brengt, als deze volgt op een lange serie van andere die nog afwijkender zijn, erin slaagt onze geest tot waarnemingen te brengen die door de nauwkeurigheid ervan, alles wat daarvóór was bedacht in het niet doen verdwijnen.

Toepassing op Baudelaire

Als de landmaat van (zegevierend-µrd(bedorven~wierook)) evenveel waard was als die van (zegevierend- #rb(bedorven~wierook)) zou de eerste gedachte die bij ons op was gekomen bevestigd zijn, maar dat zou een belemmering wezen voor het ferm bekrachtigen van de weigering van de relaties die de auteur heeft willen leggen: “bedorven-wierook”, “levende-pilaren”, “Natuur-tempel”, “Antwoorden-geuren¹”. Al die beelden bij elkaar doen denken aan een tekst van Maturin [528]-[603]: «De tamarijn, de kokosboom en de palmboom lieten hun bloemen ronddwarrelen, verspreidden hun geuren en lieten hun takjes op het hoofd van de trillende, vrome jonge vrouw terechtkomen, naarmate zij de ruïnes van de pagode naderde. Die tempel was vroeger een massief, vierkant gebouw geweest, midden tussen de rotsen gebouwd, die zich door een vrij veel voorkomende gril van de natuur in de Indische Oceaan midden op het eiland bevonden en die waarschijnlijk door een vulkaanuitbarsting ontstaan waren. De aardbeving, die de tempel omvergeworpen had, had de rotsen en de ruïnes door elkaar gegooid, zodat deze nog slechts één vormeloze massa vormden en zowel van de onmacht van de natuur als van de kunst schenen te getuigen, gevijld door de macht die hen heeft gemaakt en die beide kan vernietigen. Aan de ene kant zag men zuilen vol tekens van het hiërogliefenschrift; aan de andere stenen die de kenmerken van een onoverwinnelijke macht droegen. Stervelingen, zei die macht, jullie vormen woorden met de beitel, ik schrijf slechts met het vuur. Op sommige plaatsen boden de overblijfselen van het monument het schouwspel aan van de afschuwwekkende slangen waar Shiva op had gezeten; op andere groeide de roos tussen de rotsspleten, alsof de natuur de bekoorlijkste van haar kinderen had willen sturen om onder de mensen haar tedere theologie te prediken.»

§202
· Stersnede bij -#
Theorie

Een tekst die begint met de woorden “De enorme en kleine Natuur is een tempel…” maakt een linkersnede van q=2 mogelijk met rb(N~Natuur). Als we “en kleine” weglaten moeten we daarentegen overgaan tot q’=1. Op dezelfde wijze vertoont (en kleine-#rb(N~Natuur)) een stersnede van q*=2. De term “enorme” doet inderdaad als borg dienst voor de spil N zodra we “en kleine” uit de rail verwijderen. Enerzijds was het gevolg van die hoop dat hij de gehele explicerende inhoud van N teniet deed. Anderzijds zou de tegenstelling rb(enorme~kleine) de reddende uitleg onmogelijk gemaakt hebben, omdat de borg van een spil z’n reputatie immers niet in een botsing op spel moet zetten.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien de N een hoofdletter is, denken we daarbij al gauw aan iets immens.

Methode

Het oordeel volgens welke, buiten de gevallen om waarin een steunpunt de termen met elkaar verbindt, de afstand ertussen bepalend is voor de intensiteit van de onderlinge relatie ervan, heeft iets gemeen met de manier waarop Hume, op fantasierijke alswel grappige wijze, op het metafysische vlak speculeerde over het functioneren van de geest, zijn buitengewoon grote wantrouwen op dit bied ten spijt [251]-[465]. Omdat Newton aangetoond had dat de aantrekkingskracht tussen lichamen in de ruimte afneemt met het kwadraat van de afstand ertussen, deed de filosoof een poging om dit net eender toe te passen met betrekking tot de gedachten [262]-[464]-[555]- [556]: «Het is zeker dat de afstand de intensiteit van elk idee doet afnemen, ongeacht waar we het over hebben…» Hume sprak in eerste instantie over dingen als een huis of een boom, en dit punt hebben we enigszins gewijzigd om de inhoud van de woorden gebruikt in bepaalde omstandigheden, te vatten. Hij voegde eraan toe [464]: «De gedachte aan welk onderwerp dan ook doet de geest licht afdwalen naar iets wat er aan verwant is; maar slechts de daadwerkelijke aanwezigheid van een voorwerp is in staat om hevig onze aandacht te trekken.»

§203
· Stersnede bij -µ
Theorie

Stel dat iemand die het gedicht bekijkt aan de linkerkant van boven naar beneden “COULEURFAITSON” (KLEURMAAKTGELUID) leest, bestaande uit de serie letters C, O, U, L, E, U, R, F, A, I, T, S, O, N die de veertien regels bij elkaar produceren. De spil die uit dat literaire spel voortkomt bevindt zich nu in de noot rb(C…O…U…L…E…U…R…F…A…I…T…S…O…N~nuit) (K…L…E…U…R… M…A…A…K…T…G…E…L…U…I…D-nacht) en van dit bedenksel vinden we een aanvaardbare afspiegeling terug in «Correspondances», «confuses», «forêts de symboles», «confondent», «profonde unité», «répondent» (Samenspel, verwarde, wouden van symbolen, vermengen, diepe eenheid, antwoorden). Zo krijgt rb(C…O…U…L…E…U…R…F…A…I…T…S…O…N~nuit) (K…L…E…U…R… M…A…A…K…T…G…E…L…U…I…D-nacht) een snede van q=1. Als we de hoop van (Correspondances …confuses…forêts de symboles…confondent…profonde unité…répondent-µrb(C…O…U…L…E…U…R …F…A…I…T…S…O…N~nuit)) (Samenspel…verwarde…wouden van symbolen…vermengen…diepe eenheid…antwoorden-/-(K…L…E…U…R…M…A…A…K…T…G…E…L…U…I…D-nacht)) eenmaal hebben laten vervallen, bereikt de snede q’ een grootte van 2, hetgeen erin resulteert dat de linker stersnede q*=2 is.

Methode

Daar het doel van (-µ) bestaat uit het opsporen van de middelen om de krik te schaden, leidt de zichtbaar gunstige invloed van de hoop tot de conclusie dat er een ongunstige invloed van een bedroevende kwaliteit in het spel is, wat een stersnede met een waarde van 2 rechtvaardigt.

Toepassing op Baudelaire

Diderot schreef over een blind meisje [277]: «Als ze hoorde zingen, onderscheidde ze "bruine" en "blonde" stemmen.» Een andere keer, in een schalksere bui, snijdt hij hetzelfde probleem aan in het gezelschap van een vermetele buurvrouw [274]: «Herinnert mevrouw zich soms een zekere zwarte Hindoestaanse geleerde, zeer bijzonder, half normaal, half gek? -Ja, die herinner ik me…op een dag heb ik hem voorgesteld een menuet van geluiden in een menuet van kleuren te vertalen; dat lukte hem buitengewoon goed.» Dat soort instrument kan ook door andere dan gewijde handen gespeeld worden [275]: «Uw grote zus gaat naar het bal; maar u gaat naar de kerk, nietwaar…-Precies; en daarom wil ik dat je iets heel moois voor me speelt. -Nou! antwoordde het dienstmeisje, neem uw jurk van vuurrood tule, en ik zal de rest van de begeleiding ophalen…U zult het zien, juffrouw…samen met uw Boheemse topazen oorbellen.doet dat wonderen…»

§204
· Sterstok 2
Theorie

De sterstok p* verkrijgt een waarde van 2 in de situatie (-#) wanneer de krik, indien de hoop eenmaal is uitgeschakeld, een stok p’ ontvangt met een waarde van 1, terwijl we in het begin p=2 verkregen. Een rail als “…de bleek-vraag van de geuren die de huid bij overwinning kleurloos maken dringt zich op…” levert (bleek--#rb(kleurloos~overwinning) op, waardoor p*=2 mogelijk wordt. De grootte van p=2 kunnen we weerleggen door middel van de originele rail omdat de inhoud van het woord “vraag” door het grapje z’n kracht verliest. Is de hoop eenmaal weggenomen, dan wordt deze term echter een echt kenmerk van een probleemnoot, wat p’=1 tot gevolg heeft.

Methode

Alleen de status van botsing levert het voordeel van een stok die 1 waard is op zonder dat de tekst daarvoor een speciale garantie geeft.

Toepassing op Baudelaire

De overwinning van het begeerlijke vlees lijkt een mogelijke oplossing te geven voor het woord «zegevierend» door Baudelaire gebruikt aan het eind van de eerste terzine. Toch kan dit idee op twee manieren uitgelegd worden, want overwinningen kun je op jezelf behalen of ten opzichte van anderen. In beide gevallen denken we daarbij aan de nauwe verwantschap tussen parfum en de liefdesfilter. Een soortgelijke versie van deze interpretatie heeft de losbandigheid tot onderwerp die de gedachten van de leiders bij elkaar brengt, soms in de grootste slechtheid [67]: «Begenadigd met een immense macht over zachtmoedige personen, worden deze door hen aangetrokken en vermorzeld. Dat is groots, dat is mooi in z’n soort. Het is de vergiftige plant met die vele kleuren die de kinderen in de bossen fascineert. Het is de poëzie van het kwaad.»

§205
· Opnieuw een sterstok 2 maar met een juk -µ
Theorie

Als we de landmaat van de klink (en wierook-µrb(bedorven~tempel)) bepalen moeten we het oude stramien rb(bedorven~tempel) vb(wierook~tempel) rvb(bedorven~wierook) vb(zintuigen~wierook) vb(bedorven~zintuigen) dat gebaseerd was op «wierook» schrappen. Wanneer de hoop weggenomen is, valt alles uiteen omdat de krik de status van botsing immers verliest. Het gevolg is dat de stok van rb(bedorven~tempel) van waarde 1 overgaat naar waarde 2. Daar p’=2 in plaats van p=1 komt, zou de sterstok 1 waard zijn bij een klink met het juk (-#). Maar vanuit het gezichtspunt (-µ) beschouwd, moeten we echter vaststellen dat p*=2 is.

Methode

Indien zich in het begin geen enkel solide knelpunt voordoet, zal geen enkele botsing door een stramien kunnen ontstaan.

Toepassing op Baudelaire

Van de noot rb(geuren²~kinderhuid) gaat niets tegenstrijdigs uit, deze blijft dus een probleem van ondergeschikt belang ondanks de voor de hand liggende mogelijkheid van rb(geuren²~kinderhuid) vb(kleuren~kinderhuid) rvb(geuren²~kleuren) vb(zacht~ kleuren) vb(geuren²~zacht). Aan de andere kant bezit het knelpunt rb(bedorven~geest) soliditeit, maar het vluchtig gepresenteerde stramien rb(bedorven~geest) vb(wierook~geest) rvb(bedorven~wierook) vb(zintuigen~wierook) vb(bedorven~zintuigen) lijkt niet juist te zijn want vb(wierook~geest) vb(zintuigen~ wierook) doet aan een tegenstrijdigheid denken. De grote verleider fascineert door de intelligentie die in werking is gesteld om een uitzonderlijke doelstelling na te jagen. Baudelaire die in Don Juan liever de koppige vasthoudendheid ziet dan een moedeloos er zich bij neerleggen, stelt zich de stoutmoedige libertijn als volgt in de hel voor [228]-[229]-[231]-[[1030]] in Index II (Gedichten)">[[1030]]: «Sganarelle eiste lachend zijn loon op,
Terwijl Don Luis aan alle doden die langs de oevers dwaalden
De stoutmoedige zoon die zijn witte voorhoofd bespotte toonde
Door met trillende vinger naar hem te wijzen.

Rillend omdat ze in de rouw was, scheen de kuise en magere Elvira,
Die dichtbij de ontrouwe echtgenoot, tevens haar geliefde, stond,
Hem om een laatste glimlach te vragen
Met daarin de tederheid van zijn eerste liefdesverklaring.

Kaarsrecht in z’n harnas, stond een grote stenen man
Aan de werkbank en sneed de zwarte stroom;
Maar de kalme held over zijn lange degen gebogen
Keek naar het spoor in het water en deed alsof hij niets zag.»

§206
· Stersteunstukje met juk -#
Theorie

Wanneer we bij de klink (-Et d'autres,-#rd(verts~corrompus)) (-En andere,-/-groen-bedorven) de hoop schrappen, blijft “…verts comme les prairies, corrompus…” (…zo groen als weiden, bedorven…) over, hetgeen de inhoud verandert. Zo ontvangt het steunstukje (f’) een waarde van 2 want saamhorigheid tussen het tweetal "verts-corrompus" (groen-bedorven) behoort nu tot de mogelijkheden. De overgang van f=1 naar f’=2 billijkt f*=1 bij het juk (-#).

Methode

Als het steunstukje een waarde van 1 bezit, wil dat zeggen dat het spit van een noot, wat het trouw blijven aan de tekst betreft, alleen maar bepaald kan worden door (b), of in het tegengestelde geval door (d), maar geenszins door beide naar keuze.

Toepassing op Baudelaire

Door de in eerste instantie aanwezige rail wordt alleen (d) toegelaten, wegens de woorden «…zo groen als weiden, -En andere, bedorven…» Beroofd van de hoop, verschaft de tweede tekst de mogelijkheid om ons een hecht verband tussen de opgesomde geuren voor te stellen of andersom, een hiaat daarin. Baudelaire hecht er veel waarde aan geen gedachte over te nemen die al door anderen is gebruikt, maar die grote ambitie komt hem duur te staan, omdat hij zo dus niet over een al van tevoren bedachte stijl beschikte die al voorkwam in een van de duizenden voorbeelden die in die tijd gepubliceerd werden. Omdat hij zichzelf die moeilijkheid kwalijk nam, meent hij dat hij hier een facet van de corruptie herkent [[1076]] in Index II (Gedichten)">[[1076]]: «O luie monnik! wanneer zal ik toch in staat zijn
Van het levende schouwspel van mijn droevige ellende
Het werk van mijn handen en mijn oogappel te maken!»

§207
· Stersteunstukje met juk -µ
Theorie

Wanneer het weghalen van «er» in de derde regel de relatie tussen «mens» en «tempel» losser maakt, heeft de noot rb(mens~tempel) te lijden van de geringere samenhang van de inhoud en stuiten we op f’=2 dat f=1 vervangt. In de klink (er-µrb(mens~tempel)) verschaft de wijziging het bewijs dat de hoop «er» de krik bevoordeelt. Aangezien het juk (-µ) is, dat wil zeggen het vooruitzicht van de negatieve aard van «er», blijkt de mislukking nu een feit te zijn. Het stersteunstukje, dat de kwalijke uitwerking van die hoop in „Samenspel“ meet, ontvangt een waarde van f*=2.

Methode

We merken al snel dat de interne verwijdering ook verandert door schrapping van de hoop. De demonstratie van talloze voorbeelden moet ons hiervan overtuigen totdat we uiteindelijk kunnen concluderen dat het volkomen vaststaat. Daar het gebrek aan rigueur hier de mogelijkheid van een dergelijke werkwijze verhindert, moeten we dit mankement verhelpen door middel van het herhalen van bepaalde handelingen. We blijven ons met tegenzin laten leiden door ons gevoel, oneindig veel meer als de eerste wiskundigen die de zekerheid testten van hun theorie, die de geïrriteerde Plato als volgt beschrijft [750]: «…ze geven altijd de dingen in hun hoedanigheid van practici en met het oog op de praktijk weer…»

Toepassing op Baudelaire

Wanneer de hoop «er» eenmaal is weggelaten, komt de nieuwe tekst te voorschijn: “De Natuur is een tempel waar levende pilaren soms verwarde woorden loslaten; de mens gaat door wouden van symbolen…” De indeling in zinnen die in puur grammaticaal opzicht een eenheid vormen heeft als effect dat deze een simpele naastelkanderplaatsing worden die geen enkel verband meer garandeert met de rail en dat (z’) dus bepaald wordt door het tellen van de fronten tussen “tempel” en “mens”. De plaats die in het gedicht beschreven wordt doet denken aan die van de tuin van Eden waar het kwaad van de bloem en de mannelijke zwakheid plaatsvonden [104]: «God…liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad…God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij hield hem het volgende voor: Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven…De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.»

§208
· Sterruimte met juk -#
Theorie

De klink (.-#rb(couleurs~chairs)) (.-/-kleuren-huidjes) veronderstelt dat we de punt aan het eind van de achtste regel weglaten. Dit brengen we ten uitvoer om (z’) te bepalen terwijl we daarbij gebruik maken van de paraaf “:”. De interne verwijdering bestond uit z=2+(1(7/10))=2,7 en hij daalt tot z’=1 als de hoop «.» aan de rail onttrokken wordt. In de onveranderde tekst, verhindert de punt aan het eind van de zin het directe contact tussen de begrippen «chairs» (kinderhuid) en «couleurs» (kleuren). De inkrimping van de ruimte na het schrappen van de hoop getuigt van deze invloed, zodat we moeten vaststellen dat de grootte van z*=2,7 is.

Methode

We kunnen zeggen dat de toegevoegde paraaf de rail zodanig wijzigt dat de test bestaande uit het wegnemen van de hoop volkomen overbodig wordt. Omdat een nieuw element iets aan de inhoud toevoegt, zou elke proef achterwege gelaten moeten worden. Het is echter beter zo klein mogelijke parafen te gebruiken, zonder evenwel na te laten de diverse situaties met elkaar te vergelijken, omdat we immers over niets beters beschikken om een verschijnsel te testen.

Toepassing op Baudelaire

De rail die bestond uit «…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.

Er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid…» wordt “…antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar: er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid…” en het komt nu meer over als een vergelijking tussen de glans van de huid en de geur. In verscheidene talen wordt een meisje, als het om een liefdesverklaring gaat, aangeduid met namen die we gewoonlijk voor een kind gebruiken. De in een flits voltrokken onthulling oefent een aantrekkingskracht uit die des te groter is naarmate er verrassing in het spel is, een proces dat Baudelaire tot een openhartig compliment aan het adres van een bedelaarster brengt [[986]] in Index II (Gedichten)">[[986]]«…met rood haar,
In wier jurk de gaten
Armoe laten zien
En tegelijk schoonheid…»

§209
· Sterruimte met juk -µ
Theorie

Wanneer we «y» (er) in de derde regel wegnemen, verliest de noot rb(homme~Nature) (mens- Natuur) de interne ruimte z=1 die vervangen wordt door een andere z’=2+(1(10/10))=3. De aanvankelijke schikking van de termen bevoordeelt het contact “homme-Nature” (mens-Natuur), het opspeuren van schadelijke invloed ondervindt hier dus een moeilijkheid. Dientengevolge mogen we de klink (y- µrb(homme~Nature)) (er-/-mens-Natuur) een interne sterruimte van z*=3 toekennen.

Methode

Aangezien de stempel die gebruikt wordt voor het monitoraat voor de afstand het privilege krijgt een hogere waarde dan 2 te kunnen ontvangen, blijkt hij in staat te zijn een landmaat in z’n eentje tot het niveau van het klinken te stuwen. Bij ver uit elkaar liggende sporen bereiken we, in een zeer lange tekst, moeiteloos z*=2+(1(141/10))=16,1.

Toepassing op Baudelaire

Door het wegnemen van «y» (er) mondt de berekening van z=1 uit in z’=2+(1(8/10))=2,8 aangaande rb(homme~temple) (mens-tempel) omdat de fronten «est» (is) en «temple» die meegeteld werden met rb(homme~Nature) (mens-Natuur) dit voortaan niet meer worden. De mens zou een keus kunnen maken tussen een leven waarvan de symbolen die de natuurlijke wereld hem biedt deel uitmaken of één waarin hij die negeert. Iets dergelijks beeldt Plato uit door middel van een mythe [752]: «Proclamatie van de maagd Lachésis, dochter der Behoefte. Vergankelijke zielen, u gaat een nieuwe carrière beginnen en zult opnieuw geboren worden als een sterfelijk wezen. U zult niet door een godheid uitgeloot worden, u zult zelf uw godheid uitkiezen. De eerste die door het lot zal zijn aangewezen kiest het eerst het leven waaraan hij noodzakelijkerwijs verbonden zal zijn. Wat de deugd betreft, deze heeft geen meester; een ieder zal er in meerdere of mindere mate één hebben, alnaargelang hij deze eert of verwaarloost. Ieder is verantwoordelijk voor zijn keus, er is geen sprake van een godheid.» Zo bezien zouden we, door onze ideeën, vanaf het begin op de hoogte zijn van alles wat ons over komt. Baudelaire verwoordt zijn geestestoestand in de volgende versregels [[1145]] in Index II (Gedichten)">[[1145]]: «Daar heb ik in rustige wulpsheid geleefd,
Temidden van de azuurblauwe hemel, de golven en de pracht,
En de naakte slaven, geheel van geuren doordrongen,

Die m’n voorhoofd met palmbladen verfristen,
En wier enige zorg het was
Dieper in het smartelijke geheim dat mij deed wegkwijnen door te dringen.» Denkbeeldige bohémien die hij is, begrijpt de dichter degenen die in alles een afspiegeling van een mythe zien. Immer bereidt de godin gestaag de nieuwe dag voor [[1012]] in Index II (Gedichten)">[[1012]]: «…In tegenwoordigheid van die reizigers die toegang hebben tot
De vertrouwde hel der toekomst.»

§210
· Sterglijstroken 1
Theorie

De krik van (tempel-#rb(bedorven~wierook)) ondergaat geen enkele glijstrookverandering wanneer de hoop verdwijnt. Aangezien de aard van deze component, met en zonder de hoop, altijd een presterglijstrook 1 oplevert, wordt hiermee bevestigd dat de waarde van G*=1. Die conclusie geldt eveneens voor J*=1, toegekend middels j’=j. In de onderhavige situatie, maakt de zeer evidente botsing rb(corrompus~encens) g=g’=1=j=j’ mogelijk, wat neerkomt op G*=1=J*. Om de grootte van g* en j* te bepalen zullen we de vermenigvuldiging van de twee hoeken t* en s* met de voorbereidende waarden G* en J* uit moeten voeren in de tweede fase van de berekening.

Methode

We weten hoe we bij genoemde berekening moeten handelen zonder dat we dat hebben aangetoond, maar de basisen van de meest voor de hand liggende logica schijnen ook bewijsvoeringen te zijn geweest [580]. U moet daarbij denken aan moeizame identificaties die de eerste beginselen bevatten: “die keien lijken op dunne schijven; die dunne schijven lijken op kiezelstenen; die keien lijken op kiezelstenen”. Aristoteles brengt naar voren dat [29]: «…indien we geen enkel gevoel hadden, we evenmin iets zouden kunnen leren of begrijpen…»

Toepassing op Baudelaire

Met de klink (wierook-#rb(bedorven~tempel)) zouden we een heel ander resultaat vinden voor de sterglijstrook van de rechter term, want de relatie tussen «bedorven» en «tempel» zou verbroken worden door de schrapping van de hoop. De term «wierook» is nodig om van rb(bedorven~tempel) een overweegbare beschrijving van Baudelaire’s ideeën te maken, maar «temple» is daarentegen totaal nutteloos om rb(bedorven~wierook) aannemelijkheid te verlenen. Als we het veroordelen van parfums van dichtbij bekijken, merken we dat we daarbij verschillende graden van strengheid kunnen aantreffen. Socrates staat zichzelf niet toe ze te gebruiken [980]. Plinus hanteert de meest strenge regels [769]: «En tegenwoordig, rechtvaardige goden! zijn er burgers die ze door hun dranken mengen, en ze stellen de bitterheid ervan zò op prijs dat hun lichaam zowel aan de binnen- als aan de buitenkant van de geur geniet die op die wijze verspreid is. Het is bekend dat Lucius Plotius, broer van Lucius Plancus die tweemaal consul en rechter was geweest, verbannen door de Drieman, zich in zijn schuilplaats in Salerno verried door de geur van zijn parfum, een uitspatting die voldoende was om zijn verbanning geheel op te heffen. Wie kon inderdaad de dood van dergelijke mensen onverdiend vinden?»

§211
· Berekening van 7 stempels
Theorie

We stellen voor een begin te maken met de complete berekening van de landmaat, teneinde een algeheel overzicht te verkrijgen. Bij een rail die aanvangt met “De Natuur is een bedorven tempel…” is het geoorloofd de aannemelijkheid van (bedorven-µrb(Natuur~tempel)) te onderzoeken. De invloed levert geen enkele moeilijkheid op voor degene die ernaar op zoek is, dus is t*=1. Daarbij vergeleken lijken de doublures heel zwak, dus is s*=1 overtuigend. De sporen hebben het karakter van termen en bijgevolg is q*=e*=1, daar kan niets verandering in brengen. Aangezien de krik een botsing blijkt te zijn en deze door het schrappen van de hoop geenszins teniet wordt gedaan, is p*=1. Daar het verband binnenin de krik zowel hecht als ongewijzigd blijkt te zijn indien we de hoop wegnemen, is f*=1=z*. We verkrijgen provisorisch 1=t*=s*=q*=e*= p*=f*=z* en dus eveneens ((t*)(s*)(q*)(e*)(p*)(f*)(z*))=1.

Methode

We hebben dit mengelmoes verkregen door gewijzigde uithangborden die afkomstig zijn van een paar botsingen met een variatie van 1 en zonder gemeenschappelijke term, samen te persen.

Toepassing op Baudelaire

Wegens deze manipulaties en het gebruikmaken van een berekening, hoe armetierig deze ook is, met betrekking tot menig in een gedicht samengeraapt verschijnsel, zouden we beschuldigd kunnen worden van een bepaald, op naïeve wijze verdedigd utilitarisme, indien het verre doel om het functioneren van de menselijke geest beter te begrijpen niet in aanmerking zou worden genomen. De slimme Gautier protesteerde als volgt [403]: «Ik zou eerder aardappelen dan rozen weigeren, en volgens mij is er maar één utilitarist ter wereld in staat een tulpenbed met de grond gelijk te maken om er kool voor in de plaats te planten.»

§212
· Linker sterglijstrook
Theorie

Voor de rail “De Natuur is een bedorven tempel…” bestaat de rest van de berekening van de landmaat verworven door (bedorven-µrb(Natuur-tempel)) uit het vaststellen van de hoeveelheid die we verkregen hebben door de sterglijstroken. Omdat (t*s*)=(1)(1)=1, komt daaruit voort dat exact in dit geval g*=G*. Inderdaad is g*=G*t*s* en dus is g*=G*(1)(1)=G*. Dientengevolge moet alleen de waarde van G* voor de linker sterglijstrook bepaald worden. De term “bedorven” kan geen schade aan het absolute karakter van “Nature” toebrengen. Het weghalen van de hoop, die als getuige gebruikt is, verandert niets aan dit onderdeel van de krik, dus moeten we bij g’=g accepteren dat G*=1=g*.

Methode

Ondanks de pijnlijke manoeuvres om de tekst te veranderen kan de huidige berekening betreffende aan de fantasie ontsproten werken literair genoemd worden, zelfs indien de studie bovendien betrekking heeft op iets dat ongeschreven is gebleven. Behalve dat wij hiermee getuigen van een absolute serieusheid, brengen we met deze benaming tevens hulde aan de als middelen gebruikte getallen, zodoende de fysicus navolgend.

Toepassing op Baudelaire

De verandering die het gedicht ondergaat maakt het doel ervan nog intenser, ondanks het feit dat Baudelaire het bijna altijd als een plicht lijkt te beschouwen om er een paradoxale tint aan te geven [678]: «De illuminaten waren de meest bewonderenswaardige mensen aller tijden geweest. Waarom moeten ze voor hun grootheid gestraft worden? Was hun streven niet hoogst edel? Zal de mens voor eeuwig zo beperkt zijn dat één van zijn faculteiten zich slechts ten koste van andere kan ontwikkelen? Als het coûte que coûte willen weten van de waarheid een grote misdaad is, of op z’n minst tot grote fouten kan leiden, als domheid en onbekommerdheid een kwaliteit en een garantie voor evenwicht zijn, denk ik dat we heel toegeeflijk moeten zijn voor die beroemde schuldigen, want, als kinderen van de XVIIIe en de XIXe eeuw, kan diezelfde slechte eigenschap ons allemaal aangerekend worden. Dat zeg ik zonder schaamte, want ik voel dat het voortkomt uit een diep gevoel van medelijden en tederheid. Edgar Allan Poe, een dronkaard, arm, achtervolgd, een paria, heb ik liever dan een rustige en "eerbare" Goethe of W. Scott. Met plezier zou ik van hem en van een bepaalde klasse mensen zeggen wat de catechismus van onze God zegt: "Hij heeft veel geleden voor ons." We zouden op zijn graf kunnen schrijven: "U allen die geestdriftig hebt geprobeerd de wetten van uw bestaan te ontdekken, die het oneindige hebt willen bereiken, en wier onderdrukte gevoelens een afschuwelijke troost in de wijn der liederlijkheid hebben moeten zoeken, bidt voor hem. Zijn gezuiverde lichaam zwemt nu tussen de wezens van wie hij het bestaan vermoedde, bidt voor hem die ziet en weet, hij zal voor u opkomen."»

§213
· Rechter sterglijstrook
Theorie

Om de landmaat van (bedorven-µrb(Natuur~tempel)) vast te stellen moeten we eerst nog de stempel j* vinden. Omdat we immers weten dat (t*s*)=(1)(1)=1, noteren we dat j*=J*(1)(1) en daaruit voortvloeiend dat j*=J*. De krik rb(Natuur~tempel) maakt het mogelijk dat de glijstrook j=2, want door de hoop doet zich de mogelijkheid voor om aan de schok van de contrasterende inhoud te ontkomen. Een bedorven tempel is veel minder tempel dan is gesteld aan het begin van het sonnet. Op het moment dat “bedorven” vervalt, levert de situatie de glijstrook j’=1 op. Dat toont aan dat de hoop schade toebracht aan de krik ervan. Aangezien het doel dat (-µ) aangeeft het opsporen is van een slechte variatie die meegebracht wordt door de hoop, is J*=1=j* acceptabel.

Methode

We gebruiken ((t*)(s*)(q*)(e*)(p*)(f*)(z*))=1 om g*=1=j* uit te rekenen, en zo komt het resultaat ervan uit op ((t*)(s*)(q*) (e*)(p*)(f*)(z*)(g*)(j*))=1.

Toepassing op Baudelaire

Ten gevolge hiervan bezit de klink (bedorven-µrb(Natuur~tempel)) een lading van 1/1 bij de rail die begint met “De Natuur is een bedorven tempel…” Baudelaire houdt van de ontroering die in het verderf huist omdat die ons dwingt dit hinderlijke aspect van ons gevoel onder ogen te zien, een aspect dat Sappho als deze gecharmeerd is van een jongen, lange tijd vóór hem en op andere wijze heeft aangehaald [2]-[660]- [899]-[[1068]] in Index II (Gedichten)">[[1068]]: «Het lijkt me dat die daar de gelijke van de goden is, de man die tegenover je, heel dichtbij naar je zo zachte stem luistert

En die betoverende lach die, dat zweer ik, mijn hart in m’n borstkas heeft doen smelten, want zodra ik je maar even waarneem, ben ik niet meer in staat nog een woord te articuleren;

Integendeel, mijn tong breekt, en, onder mijn huid glijdt plotseling een subtiel vuur; mijn ogen staan wezenloos, m’n oren suizen,

Het zweet stroomt van mijn lichaam, een rilling trekt door me heen; ik word groener als het gras, en, het scheelt maar weinig of ik sterf…» Baudelaire, expert in duistere hartstochten, was ook in staat over koude wreedheid te dichten [[1004]] in Index II (Gedichten)">[[1004]]: «Ik ben zo mooi, o stervelingen, als een stenen droom,
En mijn borst, waaraan de één na de ander zich heeft bezeerd,
Is gemaakt om de dichter
Een eeuwige liefde zo stemloos als materie te inspireren.»

§214
· De variatie met of zonder hoop
Theorie

We moeten nu, om een numerieke waarde te geven aan de verschijnselen, een andere manier instellen om de landmaat te berekenen, alnaargelang de klinken een gunstig (-#) of een schadelijk (-µ) juk bezitten. In beide gevallen is de variatie vermenigvuldigd met de lading afkomstig van de krik, maar bij een hoop betreffende (-#), en zonder met betrekking tot (-µ). Bij (bedorven-#rb(Natuur~tempel)) hebben we de variatie nodig die Baudelaire’s tekst «De Natuur is een tempel waar levende pilaren…» aan de botsing toekent. De noot rb(Natuur~tempel) is nu een variatie van 1 waard, zoals rb(Natuur~tempel) betreffende (bedorven-µrb(Natuur~tempel)) ontstaan uit “De Natuur is een bedorven tempel…”

Toepassing op Baudelaire

We hebben hier vaak het begin en het eind van het sonnet gebruikt, hoewel het vooral geroemd wordt om de achtste regel «…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.» Men moet er echter niet uit opmaken dat we iets tegen de algemeen aanvaarde zienswijze hebben. Het is alleen dat de botsingen die hier het voornaamste doel van het onderzoek vormden, namelijk die met een variatie van 1, ons meer mogelijkheden voor de uiteenzetting boden dan de andere, zoals rb(antwoorden~geuren¹) die slechts een aannemelijkheid van ½ heeft.

Methode

Van beide aspecten van de vermenigvuldiging, ((lading)(variatie voor de krik met hoop)) enerzijds en ((lading)(variatie voor de krik zonder hoop)) anderzijds, kan eventueel een opheldering gegeven worden die laat uitkomen dat aangaande (-#) het numerieke product van de lading en iets anders betrekking heeft op een relatie die hetgeen we daadwerkelijk verkregen hebben bevoordeelt, en dat het ons wanneer we het toepassen op een onderdeel dat een schadelijke handeling ondergaat, als we (-µ) beogen, integendeel dwingt om ons te bedienen van de referentie betreffende de weggenomen verschijnselen. Gewoonlijk maken we tijdens een dergelijk proces net zo’n deling als wanneer je vijf broden onder tien mannen moet verdelen, namelijk (5/10)=½ voor elk. Hier draaien we, omdat we niet op die wijze te werk kunnen gaan, want het gevaar zou te groot zijn gezien bijvoorbeeld het feit dat (0,5/0,005)=100, de verhouding om en vermenigvuldigen we met de denkbeeldige variatie.

§215
· vergelijking tussen klinken
Theorie

We richten ons nu op het vergelijken van de landmaten die we verkregen hebben door de klinken (rijk-#rb(bedorven~wierook)) en (zegevierend-#rb(bedorven~wierook)). Voor de platte hoeken doet zich geen enkel obstakel voor bij het inventariseren van eventuele invloeden van «rijk» en «zegevierend» die rb(bedorven~wierook) zouden ondergaan. De schepper heeft opzettelijk enkele nuances van «bedorven» gegeven door andere beelden te gebruiken. We noteren dus t¹*=1=t²*, en geven zo met (¹) en (²) de relatie aan tussen de klinken met respectievelijk de hoop «rijk» en «zegevierend».

Methode

De meting van aannemelijkheid vraagt om het nemen van een beslissing die we vaak omwille van de goede smaak proberen te vermijden, zodat we van deze gelegenheid gebruik maken om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren. De meting biedt bovendien verschillende lagen zekerheid, die met name bestaan uit 1, ½, ¼ en ⅛, en zet ons dus aan om rustig na te denken, ervan overtuigd zijnde dat we bij het geven van ons oordeel niet overmoedig moeten zijn.

Toepassing op Baudelaire

Behalve wanneer beide klinken dezelfde landmaat hebben, beslissen we of de ene klink aannemelijker is dan de andere, maar we wegen daarbij de levensvatbaarheid van de ideeën in kwestie zorgvuldig af. Baudelaire heeft de twee begrippen «rijk» en «zegevierend» nauwkeurig met elkaar in evenwicht gebracht. In eerste instantie lijkt het allergrootste gevaar de hebzucht te zijn, maar bij nader inzicht schijnt de zucht naar overwinning meer algemeen te zijn. We denken hierbij aan Achilles, omdat deze zoon van een onsterfelijke immers één enkel leven voor zichzelf moest uitkiezen, het saaie lange of het heldhaftige korte [443]. Balzac kiest voor een brandende hartstocht die de held in kwestie een ramp bezorgt waarbij hij uit elkaar valt als een vat dat een of andere stof met een enorme reactie bevat waardoor er elke keer een gat in valt [57]-[78]-[91]. De energie waardoor hij gedreven wordt is de motor van zijn vervoering en zijn vreugde en wordt tegelijk met z’n lichaam opgebruikt.

§216
· Ruwe hoek van de met elkaar vergeleken invloeden
Theorie

We bepalen nu met betrekking tot dezelfde klinken (rijk-#rb(bedorven~wierook)), (zegevierend- #rb(bedorven~wierook)) hoeveel de waarde van de ruwe hoek bedraagt. Met «zegevierend» lijkt het beeld van zedelijk bederf scherper te worden, waardoor de botsing in kracht toeneemt en een hoge variatie krijgt. Daarentegen past «rijk» zowel bij het begrip wierook dat uit talrijke heerlijke geuren bestaat als bij dat van een bedorven mens. Dit woord neemt tevens de rol op zich van een tussenpersoon die de sporen van het probleem met elkaar verbindt. De botsing bereikt dus ondanks die term «rijk» een variatie van 1, hetgeen niet te danken is aan de uitwerking ervan. Bijgevolg blijkt het gunstige effect van «rijk» geringer te zijn als die van «zegevierend». Zo verschaft de ruwe hoek een eerste onderscheid tussen de invloeden, met s¹*=2 en s²*=1.

Methode

Deze hinderlijke omweg van de strategie met de hoeken is niets vergeleken bij hoe het zou zijn als we ons zouden bedienen van de drie appreciaties "waar", "niet waar" en "mogelijk", bij het bepalen van de omvang van elke invloed [582]-[584]. Het begrip "mogelijk" dat waarden als ½, ¼ en ⅛ vervangt, brengt een serie raadsels met zich mee omdat we moeiteloos "waar" en "mogelijk" van elkaar onderscheiden maar veel minder "niet waar" en "onmogelijk".

Toepassing op Baudelaire

We hebben de voorkeur gegeven aan een eenvoudige berekening waarbij alleen "waar" en "niet waar" voorkomt, maar dan moeten we vervolgens wel van dit schema afwijken om het aan de situaties die we in „Samenspel“ tegenkomen aan te passen.

§217
· Overal sneden 1
Theorie

De aanwezigheid van termen in de krik rb(bedorven~wierook) waar de twee invloeden betrekking op hebben brengt met zich mee dat de sneden hetzelfde niveau vertonen: q¹=q¹’=q²=q²’=1=e¹=e¹’=e²=e²’. De toekenning van deze numerieke waarden heeft als gevolg dat q¹*=e¹*=1=q²*=e²*.

Methode

Elke bepaling ziet er zo simpel uit dat het risico ontstaat te menen dat een kind de was kan doen. Maar dat is niet zo omdat de beslissing van tijd tot tijd genomen wordt door zich te baseren op de kritiek en daarvoor is het nodig dat men over een algemene visie beschikt.

Toepassing op Baudelaire

Iemand die op de hoogte is van de samenhang tussen de verschillende tijdperken zal de werken die Baudelaire of een andere schepper van een boek bestuderen beter begrijpen en zal vervolgens in staat zijn de componenten of de stempels met meer precisie te meten. Rousseau schreef [876]: «Welke emotie maakt voor mij
In deze verrukkelijke tempel
Waar mijn vroomheid me binnen leidt,
Al mijn zintuigen zo kostbaar?
Schitterende verlichting,
Doeken van een meesterhand,
Geuren bestemd voor de Goden…»

§218
· Met elkaar vergeleken stokken
Theorie

Het schrappen van «rijk» en «zegevierend» verandert niets aan de status van botsing die de krik rb(bedorven~wierook) heeft verkregen. Er komen stokken als p¹=p¹’=1=p²=p²’ uit voort die op hun beurt weer sterstokken als p¹*=1=p²* aangaande de klinken (rijk-#rb(bedorven~wierook)), (zegevierend-# rb(bedorven~wierook)) mogelijk maken.

Methode

De te bestuderen relaties verstoren slechts even het wegdromen bij het lezen van deze beroemde versregels want de berekeningen blijven simpel en jagen enkel degenen die niet getracht hebben ze uit te voeren angst aan.

Toepassing op Baudelaire

Intuïtie en gewoonte komen al snel het verstand te hulp als we een doodgewone probleemnoot moeten onderscheiden van een botsing, waarvan de stok onvermijdelijk 1 waard is, zoals rb(bedorven~wierook), waaraan, als hij door «zegevierend» vergezeld wordt, bovendien een variatie van 1 toegekend kan worden. Anderzijds is deze term voldoende om de overmoed op te roepen die het overheersen verschaft als de vooruitzichten van genot groter worden. Deze situatie zet minder vaak tot de uitdaging van de zeden aan en geeft enkele onvoorzichtigen de moed om zich temidden van anderen te profileren als uitzonderlijke figuren die er berucht om zijn dat ze zich niet aan de normen van de samenleving houden [[1071]] in Index II (Gedichten)">[[1071]]: «Wat willen die voorschriften van wat goed of fout is van ons?»

§219
· Steunstukjes en interne ruimtes
Theorie

Teneinde door te gaan met de vergelijking tussen de landmaat die deel uitmaakt van (rijk- #rb(bedorven~wierook)) en degene die hoort bij (zegevierend-#rb(bedorven~wierook)), moeten we de steunstukjes en de interne ruimtes bestuderen. Het wegnemen van de hoop zou voor geen van beide klinken de termen van de krik in grammaticaal opzicht van elkaar kunnen scheiden. Zo blijft het woordverband onaangetast doordat “wierook” steeds vergezeld wordt door het bijvoeglijk naamwoord “bedorven”. Het resultaat daarvan is z¹=z¹’=1=z² =z²’. Anderzijds hebben we een duidelijke constructie (bedorven~wierook) omdat d(bedorven~wierook) in elk van de situaties die zich plotseling kan manifesteren, met of zonder «rijk», of met of zonder «zegevierend», afwijkt van de rail. Bijgevolg is f¹=f¹’=1 =f²=f²’. Aangezien we tweemaal een bewijs van deze stabiliteit hebben aangetroffen, mogen we stellen dat z¹*=z²*=1=f¹*=f²*.

Methode

Bij een vragende vorm in een tekst, kan het lot van (z) verschillen van dat van (f).

Toepassing op Baudelaire

“Is wierook bedorven?” levert z=1 op en tevens f=2 betreffende rb(bedorven~wierook) want d(bedorven~wierook) blijft mogelijk. Men heeft Baudelaire er vaak van beschuldigd, net als bij een spel, voor verrassingen te willen zorgen, maar door middel van een overdreven beschrijving van de slechte krachten van de ziel. Doordat de lezer te veel opzienbarends heeft beleefd, zouden zijn gedachten steeds om een nieuwe prikkel vragen. Sainte-Beuve haalt bij zijn overpeinzing over de ontvangst die men een beroemd auteur bereidt, de verwachtingen van zijn tijdgenoten aan [888]: «In een tijd waarin alle sensaties ons onverschillig laten en waarin het lijkt alsof we de meest eenvoudige manieren om iets te beschrijven en om ontroering teweeg te brengen hebben uitgeput, in een tijd waarin de brede paden van de natuur en van het leven bekend zijn, en waarin de kuddes imitatoren die haastig de sporen van de meesters navolgen niet tot veel meer in staat zijn dan wolken verstikkend stof te doen opwaaien, toen we alle redenen hadden te menen dat we wat de kunst betreft alles al gezien hadden, en dat er ongetwijfeld nog veel te veranderen en bij te stellen was, maar er niets echt nieuws meer te ontdekken viel, verscheen Hoffmann, die op de grens van het zichtbare en aan de rand van de werkelijke wereld, ik weet niet welke duistere, geheimzinnige en tot nu toe onopgemerkt gebleven plek heeft gevonden waar hij ons heeft geleerd bijzondere weerschijningen van het licht op aarde, vreemd gevormde schaduwen en subtiel raderwerk te onderscheiden, en tevens een geheel andere, onbekende kant van de gebruikelijke zienswijzen en menselijke bestemmingen waaraan we geheel gewend waren. In zijn beste verhalen, waarin hij echt inventief en origineel is, slaagt hij erin, door middel van spontane en zeer interessante vergelijkingen, door een bijna bovennatuurlijke combinatie van omstandigheden die zich in het echt bijna zouden kunnen voordoen, alle vezels van ons verstand die neigen tot bijgeloof in opwinding te brengen en te strelen, zonder ons koppige gezonde verstand al te veel te schokken; wat hij ons nu vertelt kan ons ongetwijfeld via menselijke methodes uitgelegd worden, en heeft niet beslist de tussenkomst van een verheven principe nodig; maar hoewel ons gezonde verstand natuurlijk niet tot stilzwijgen is gebracht, en zich er altijd nog op kan beroemen dat het tenslotte de oplossing vindt, is er iets in ons dat deze pijnlijke en simpele uitleg onwillekeurig verwerpt, en dat liever de geheimzinnige oplossing kiest waarvan de illusie ons van ver als vanachter een wolk wordt aangeboden.»

§220
· De linkersterglijstrook
Theorie

We stellen voor met betrekking tot (rijk-#rb(bedorven~wierook)), (zegevierend-#rb(bedorven~ wierook)) de sterglijstroken g¹* en g²* te bepalen. Wanneer aan de ene kant «rijk» uit de tekst is genomen, is er niets in de glijstrook (g¹’) van rb(bedorven~wierook) aangaande (g¹) veranderd, hetgeen G¹*=1 met zich meebrengt. Als aan de andere kant «zegevierend» is geschrapt, moet de morele inhoud van het woord «bedorven», die als trede dienst doet, een overloop accepteren die “chemisch is aangetast”, waardoor de glijstrook g²’=2 ontstaat hetgeen weer G²*=1 oplevert omdat dat immers een hoop laat zien die in aanvang heel gunstig voor de krik was. Nu is dus om verschillende redenen G¹*=1=G²*. Aangezien g¹*=G¹*t¹*s¹* en omdat t¹*s¹*=(1)(2), verkrijgen we g¹*=(1)(1)(2)=2. Anderzijds is g²*=G²*t²* s²* wat met t²*s²*=(1)(1) uitmondt op g²*=(1)(1)(1)=1. Alles bij elkaar bereiken de te vast te stellen waarden een niveau van g¹*=2, g²*=1.

Methode

Twee uithangborden die veel weg hebben van een noot lijken verdeeld te worden door de hoeken, afhankelijk van hun vermogen om een tegenstrijdige betekenis te vormen.

Toepassing op Baudelaire

Zonder «zegevierend» zou rb(bedorven~wierook) een variatie hebben die kleiner is dan rb(Natuur~tempel), een uitwerking die tot het nadenken over de precieze omvang van de kracht die de betreffende term uitoefent aanzet. Wat de inhoud betreft, zijn voor de schepper van het boek de bewegingen die we met het lichaam uitvoeren even belangrijk als die we met de wapens maken [[1009]] in Index II (Gedichten)">[[1009]]: «…Ze had alleen haar rinkelende juwelen omgehouden,
Door die rijke uitdossing zag ze er uit als een overwinnaar
Zoals de slaven van de Moren in hun gelukkige dagen.

Als die door metaal en steen schitterende wereld
Tijdens een dans z’n snelle, spottende geluid lanceert
Ben ik verrukt…» Soms is de glans van de huid als strategie voldoende [[1000]] in Index II (Gedichten)">[[1000]]: «Ik wil je, o tedere tovenares,
Vertellen van alle bekoorlijkheden die je jeugd sieren;
Ik wil je jouw schoonheid beschrijven,
Waarin jeugdigheid versmelt met volwassen ernst.»

§221
· Verrassende stabiliteit
Theorie

In de noot rb(bedorven~wierook) die de twee invloeden die we hier met elkaar vergeleken hebben ondergaat, blijft de term die zich rechts bevindt op het eerste gezicht ongevoelig voor de krachten die elk van de uithangborden, «rijk» en «zegevierend», op de entourage uitoefent. Door deze hoedanigheid is j¹=1=j¹’ zoals j²=1=j²’ is. De beduidenis “plantaardige parfum afkomstig uit de Oriënt bestemd voor een traditioneel religieus gebruik” verdraagt nauwelijks de veelvuldige interpretaties in de te bestuderen rails, met of zonder hopen, en door zo’n constante mogen we stellen dat J¹*=J²*=1; j¹*=J¹*t¹*s¹*=(1)(1)(2)=2; j²*=J²*t²*s²*=(1)(1)(1)=1.

Methode

Zo’n woord, dat ons in het begin helpt een werk te begrijpen, wisselt van taak als het zich in een andere context bevindt. Eens zal een waarlijke doctrine van de context dit verschijnsel dat de studie ervan zo hardnekkig belemmert waarschijnlijk wel ophelderen.

Toepassing op Baudelaire

Het publiek dat uitgaat van het begrip «wierook» ziet de dichter de hiërarchie van de parfums omverwerpen, zoals hij zich ergens anders verzet tegen de gebruikelijke inhoud van het woord "liefde" [[1053]] in Index II (Gedichten)">[[1053]]: «Wat dit hart zo diep als een afgrond nodig heeft,
Dat bent u, Lady Macbeth, hoogst misdadige ziel,
Droom van Eschyle ontstaan in het klimaat van de Zuid-Westen winden;

Of jou, grote Nacht, dochter van Michel Angelo,
Die je voor Reuzenmonden gemaakte charmes
Vreedzaam in een rare vorm drukken.»

§222
· Gevolgtrekking betreffende de lading
Theorie

De lading wordt bepaald volgens t¹*=1=t²*, q¹*=1=q²*, e¹*=1=e²*, p¹*=1=p²*, f¹*=1=f²*, z¹*=1=z²*, G¹*=G²*=1=J¹*=J²* met de uitzonderingsgevallen s¹*=2, s²*=1. De totaalwaarde van (rijk-# rb(bedorven~ wierook)) bereikt dus een niveau van 1/(s¹*)(G¹*s¹*)(J¹*s¹*)=1/(2)(2)(2)=⅛. Met uitzondering van de stempels s¹*, g¹*, j¹* is de waarde van de andere voor deze klink 1. Wat de lading betreft van (zegevierend -#rb(bedorven~wierook)) deze bedraagt 1 met in de noemer enkel hoeveelheden die uit 1 bestaan. We kunnen dit ook kortweg noteren als 1/t¹*s¹*q¹*e¹*p¹*f¹*z¹*g¹*j¹*=1/(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(2)(2)=⅛ en 1/t²*s²*q²* e²*p²*f²*z²*g²*j²*=1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1)=1.

Methode

Omdat de glijstroken deel uitmaken van de categorie stempels die het meest uit de betekenissen voortkomen en het minst uit de vormen van buitenaf, is het logisch om met betrekking daartoe de hoeken, twee stempels waarvan de grondslag enkel te danken is aan de inhoud, opnieuw te introduceren.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien de term «rijk» door een mengeling van geestelijke en stoffelijke voorstellingen de tegenstelling verzacht aangaande rb(bedorven~wierook), laat deze een invloed zien die door de variatie 1 schade toegebracht wordt, terwijl «zegevierend» de begrippen zichtbaar verlegd naar het conflict tussen scrupules en immoraliteit. De kracht van de woorden die tegelijk met de wierook verspreid worden herinnert aan een overwinning op de dood die afkomstig is uit bronnen voorkomend in twee beschavingen die Nerval tegelijk weet te gebruiken [552]: «…Ik droomde in de grot waar de zeemeermin rondzwemt…

En, tweevoudige winnaar zijnde, zwom ik de Acheron over:
Terwijl ik op de lier van Orpheus
Om beurten de zuchten van de heilige en de kreten van de fee imiteerde.»

§223
· De gemeenschappelijke variatie
Theorie

Nu moeten we ons tot de variatie wenden om vervolgens de landmaat te verkrijgen, die het resultaat is van de vermenigvuldiging van eerstgenoemde met de lading. Omdat beide klinken de krik rb(bedorven~wierook) gebruiken blijkt maar één berekening van de variatie, die 1 bedraagt, nodig te zijn.

Toepassing op Baudelaire

In paragraaf 53 hebben we deze waarde 1 uitgebreid uitgelegd. Daar de tegenstrijdige inhoud van rb(bedorven~wierook) één der paradoxen in de tekst vormt die het moeilijkst ontkend kunnen worden, hebben we die als model gebruikt bij het controleren van de andere metingen.

Methode

Verschillende handleidingen, die ons bij de hier betreffende verbastering van de waarschijnlijkheidsberekening leiden, kwamen tot de slotsom dat deze werkwijze om het uiteindelijke bewijs op te schorten terwijl we het vooruitzicht ervan al gebruiken, juist is. Archimedes heeft Eratosthenes de verdere, op concrete wijze uitgevoerde ontwikkeling van dit denkbeeld als volgt uitgelegd [18]-[765]: «Omdat ik, zoals ik al zei, merk dat je hard studeert, dat je de vragen betreffende de filosofie opvallend goed beheerst en dat je het wiskundig onderzoek aangaande nieuwe problemen die zich voordoen op zijn juiste waarde weet te schatten, heb ik het nuttig geacht…je de specifieke eigenschappen te beschrijven van een methode die je in staat zal stellen bepaalde mathematische stellingen door middel van de mechaniek te benaderen. Maar ik ben ervan overtuigd dat je dat hulpmiddel zelfs kunt gebruiken voor het demonstreren van stellingen… want het is gemakkelijker de demonstratie in elkaar te zetten na eerst door middel van deze methode wat kennis over de studieobjecten te hebben vergaard dan zonder de minste kennis onderzoek te doen.»

§224
· Vergelijking van de landmaten
Theorie

Om de waarde van de landmaat te verkrijgen moeten we de lading vermenigvuldigen met de variatie. Voor de klink (rijk-#rb(bedorven~wierook)) bestaat het resultaat van deze berekening uit ((variatie¹)(lading¹)) ofwel ((1)(⅛))=⅛; en voor (zegevierend-#rb(bedorven~wierook)) is dat ((variatie²) (lading²))=((1)(1))=1. De aannemelijkheid dat de schepper van het gedicht «zegevierend» opzettelijk zo’n dimensie heeft gegeven dat dat tot een accentuering van rb(bedorven~wierook) heeft geleid blijkt acht keer zo groot te zijn als voor «riches».

Methode

Vaak merkt de auteur de intuïtieve tegenwaarde ervan slechts vaag op, bij vlagen of op het moment dat hij de tekst afmaakt. Van tevoren ontstaan door een onwillekeurig proces talrijke beelden, maar dat is niet voldoende om iets tegen de hier betreffende berekening in te werpen. In een laatste wilsuiting mengt de schepper van het gedicht namelijk alle ideeën die van hemzelf of van anderen afkomstig zijn door elkaar.

Toepassing op Baudelaire

De vluchtige helderziendheid verandert in een vertroebeling van de begrippen, zoals dat bij genot het geval is [[1110]] in Index II (Gedichten)">[[1110]]: «Mijn onbezorgde liefste, wat is het aangenaam,
Om zoals een stof kan glitteren,
De huid van je mooie lichaam,
Te zien schitteren!» Na diep nagedacht te hebben komen tientallen ideeën bij hem naar boven [[996]] in Index II (Gedichten)">[[996]]: «Met haar wiegende, parelmoerkleurige rokken,
Lijkt het zelfs als ze loopt of ze danspassen maakt,
Zoals die lange slangen die eerbiedwaardige acrobaten
Boven aan hun stokken ritmisch heen en weer bewegen.»

§225
· De invloed van «andere»
Theorie

Laten we de voor (-En andere,-µrb(bedorven~fris)) verkregen landmaat berekenen. De hoop verzet zich met de heftigheid van een steunpunt tegen de krik, en, omdat hij immers de schadelijke invloed op deze noot vertegenwoordigt, vormt de klink voor ons geen probleem, zodat de platte hoek een waardering van t*=1 ontvangt. Bovendien moeten we, aangezien geen enkele doublure een hoop bezit die het kan opnemen tegen «-En andere,» eveneens accepteren dat s*=1.

Methode

Teneinde de scherp omlijnde definitie van s* intact te laten, is het noodzakelijk dat de doublures een aanzienlijk verschil vertonen, met bijgevolg hopen die zich sterk van elkaar onderscheiden.

Toepassing op Baudelaire

In dat geval bestaat «-En andere,» dan geenszins uit een hoop die van «andere» gescheiden is en de klink (andere-µrb(bedorven~fris)) is geen doublure van (-En andere,-µrb(bedorven~fris)). Laten we aangaande de tegenstelling die spreekt uit «andere», ons eens voorstellen dat deze niet ontdaan is van een verschil. Dan zou de unieke werkelijkheid, "Natuur-tempel", het ontstaan mogelijk maken van elementaire geuren, en vervolgens zouden uit de steeds intenser wordende vermenging daarvan, bedorven parfums ontstaan. Het concrete of het slechte zou slechts die ontwikkeling zijn die veel later uit het enkelvoudige of het goede zou voortkomen, en als het ware een afbeelding waarop dat laatste zoekgeraakt zou zijn. Het absolute zou in de periferie verloren gaan, omdat we hier met een gebied van contrasterende uitersten te maken hebben, maar tevens met talrijke eenheden die zich in de middenstrook tussen het goede en het kwade zouden bevinden. Plotinus schrijft over de Enige [788]-[789]: «…als we in zijn richting kijken, zien we ons einde en onze rust; onze stem is niet langer onzuiver en wij voeren werkelijk een dans vol inspiratie rondom hem uit.» Plato die moest oppassen wegens zijn opvattingen van de metafysica of de astronomie uitte zich als volgt [763]: «Daar moet ik het dus met je over hebben, maar door middel van raadsels, om zodoende, als deze brief op aarde of ter zee iets over komt, te voorkomen dat als iemand hem leest, hij er iets van begrijpt. Het is als volgt: alle wezens bewegen in een baan rondom de Koning van het Universum; hij is het einde van alle dingen, en aan hem is alle schoonheid te danken…»

§226
· q*\e*\p* en f* bij (-En.andere,-µrb(bedorven~fris))
Theorie

Wat (-En andere,-µrb(bedorven~fris)) aangaat is q=q’=1=e=e’ onvermijdelijk doordat, met of zonder hoop, de sporen het karakter van termen hebben. Daar komt uit voort dat q*=1=e*. De tekst maakt geen enkele melding van een probleem zoals we dat in de krik aantreffen en het wegnemen van de hoop verandert daar niets aan. Dientengevolge is p=2=p’, hetgeen met zich meebrengt dat p*=1. Omdat b(bedorven~fris) de tekst tegenspreekt kunnen we stellen dat f=2 correct is. Wanneer «-En andere,» eenmaal geschrapt is, laat “Er zijn frisse parfums…zo groen als weiden(…)bedorven, rijk en zegevierend…” zowel rb(bedorven~fris) als rd(bedorven~fris) toe en blijkt f’=2 dus juist te zijn. Tenslotte heeft dit onveranderlijke element als resultaat dat f*=1.

Methode

Ofschoon b(A~E) door het trouw blijven aan de rail een veel hogere waarde dan d(A~E) blijkt te hebben, is f=1 wat b(A~E) betreft. Als het steunstukje van b(A~E) bepaald moet worden maar alleen d(A~E) opgaat, moet f=1 uitgesloten worden en blijft f=2 bijgevolg de enige mogelijkheid.

Toepassing op Baudelaire

Baudelaire laat de stijl van zijn toneelstukken afwisselen tussen corruptie en frisheid, terwijl hij daarbij geholpen wordt door een bepaalde herinnering of gebeurtenis. De naïeve toon hierbij speelt z’n eigen rol [[1117]] in Index II (Gedichten)">[[1117]]: «Ik ben als de koning van een regenachtig land…» Als het nodig is gebruikt hij dezelfde woorden als die van een kind dat gekoesterd wordt en die we aandachtig in ons opnemen, maar waarin een ondertoon van ernst aanwezig blijft [[1113]] in Index II (Gedichten)">[[1113]]: «Ligt de dienstmeid met haar goede hart op wie u jaloers was
-Te ruste onder een eenvoudig stukje gras?-
We hadden haar al een paar bloemen moeten brengen.
De doden, die arme doden hebben hevige pijnen;
En als de melancholieke Oktoberwind rondom de grafstenen,
De takken van de oude bomen breekt,
Moeten ze de levenden die lekker warm onder hun lakens slapen,
Wel erg ondankbaar vinden…»

§227
· z*\g* en j* bij dezelfde klink
Theorie

Betreffende de interne ruimte van de krik in (-En andere,-µrb(bedorven~fris)) accepteren we dat z=1 omdat de samenhang van de woorden “fris-bedorven” geen enkele twijfel lijdt: «Er zijn geuren…En andere, bedorven…» Als de hoop «-En andere,» geschrapt wordt, lezen we “…fris…groen als de weiden…bedorven, rijk en zegevierend…” Er bestaat hier een onderling verband tussen de bijvoeglijke naamwoorden “fris” en “bedorven” dat z’=1 mogelijk maakt. In beide gevallen beschikken we over een, hoewel niet hetzelfde, steunpunt, waardoor een intense relatie verzekerd is. Het feit dat de monitor z*=1 is komt voort uit de numerieke bepaling z=1=z’. De glijstroken (g), (j) aangaande de krik rb(bedorven~fris) blijken rampzalig te zijn vanuit het oogpunt van de hoop bekeken, hetgeen g=2=j oplevert in ((g)(j))=4. Zonder «-En andere,» wordt de probleemnoot scherper. De status van botsing wordt niet verkregen, omdat de rail geen paradox oplevert maar een soort inventaris van “…geuren…fris…zacht…groen… bedorven, rijk…” Bovendien schijnt het ons toe dat een tandem die ten voordele werkt van rb(bedorven~fris) moeilijk gevormd kan worden dankzij het verband met rb(bedorven~wierook) omdat wierook nauwelijks de reputatie heeft van een frisse geur. Bijgevolg neemt de krik de gedaante aan van een gewoon probleem, dat ((g’)(j’))=2 oplevert. Aangezien de term “bedorven” een lijst komt verstoren die tot nu toe probleemloos was, is g’=1 gerechtvaardigd, zodat j’=2 wel moet volgen. Uit j=2, j’=2 vloeit voort dat J*=1. Anderzijds constateren we dat g=2, g’=1 is, wat een hoop laat zien die ongunstig is voor de krik. Eenzelfde soort situatie met het juk (-µ) van de klink, dat van de negatieve invloeden, verschaft dan G*=1.

Methode

Het schrappen van de hoop kan de gedachte van de schepper van het boek ernstig aantasten maar een vergelijking met wat die aanvankelijk inhield blijft mogelijk.

Toepassing op Baudelaire

Zelfs een parodie blijft afhankelijk van datgene waarmee de spot gedreven wordt, precies zoals een stoutmoedige interpretatie houvast vindt in een onderdeel van de tekst. Zo kunnen we ons bijvoorbeeld voostellen dat het sonnet een boswandeling beschrijft die uitloopt in een wandeling op het platteland en tijdens welke de liefde het plezier naar een climax brengt. Of, heel verschillend daarvan, we mijmeren over de gelovigen die temidden van weiden afgebeeld op de gebrandschilderde ramen, in de kerk waar het klokkenspel zich vermengt met de gezangen in extase geraken. Chateaubriand schreef [193]: «De christelijke architect… heeft door middel van het orgel en de bronzen versieringen…de gotische tempel zelfs voorzien van het geluid van de wind en de donder die diep in de bossen rolt.»

§228
· Tenslotte de landmaat
Theorie

De lading heeft een waarde van 1 betreffende de klink (-En andere,-µrb(bedorven~fris)), doordat (1/t*(1)s*(1)q*(1)e*(1)p*(1)f*(1)z*(1)G*(1)t*(1)s*(1)J*(1)t*(1)s*(1))=(1/t*(1)s*(1)q*(1)e*(1)p*(1)f*(1)z*(1)g*(1) j*(1)) is. Dat resultaat zorgt nauwelijks voor verrassing omdat de hoop als werktuig om de inhoud van de noot rb(bedorven~fris) aan te vallen gerechtvaardigd lijkt te zijn. De variatie van deze krik moet op zijn beurt berekend worden, op omgekeerde wijze als de algehele vermenigvuldiging van de componenten die we verkregen hebben in het geval van afwezigheid van de hoop. Deze bestaan uit de waarden q’=1=e’; p’=2=f’; z’=1=g’; j’=2. Het product daarvan, ((q’)(e’)(p’)(f’)(z’)(g’)(j’)), wordt dus ((1)(1)(2)(2)(1)(1)(2))=8 wat een variatie oplevert van h’=⅛ die leidt tot de uitkomst (((lading)(variatie))=((1)(⅛))=⅛=landmaat) die verre van onbeduidend is.

Methode

De zaken zouden er anders hebben uitgezien als het ging om een klink voorzien van -#rd, waarbij (h) vermenigvuldigd werd door de lading. Hier moet daarentegen de invloed gemeten worden met een veranderde tekst als basis.

Toepassing op Baudelaire

Van nu af aan wordt het bederf na de frisheid genoemd zonder dat we de tegenstelling echt aangeven. De ontrouw aan de dichter blijft gedeeltelijk, want deze laatste veronderstelt een kwaad dat vergezeld gaat van een scherpe keuring die ertoe aanzet direct de verloren onschuld weer op te sporen [[1107]] in Index II (Gedichten)">[[1107]]: «Levenslustige engel, kent u de angst,
De schaamte, de wroeging, de snikken, de moeilijkheden,
En de vage kwellingen van die afschuwelijke nachten
Die het hart samenknijpen als een stuk papier dat we verfrommelen?» Het verlangen geeft de illusie hier toegang, hetgeen Balzac met de volgende woorden beschrijft [59]: «…haar gestalte kwam slank op hem over, fijn als een zwaluw. De dronkenmakende zachtheid van haar ogen, het tere, zijdeachtige oppervlak van haar huid waaronder hij het bloed had menen te zien stromen…hij herinnerde zich alles…»

§229
· Twee klinken bij situatie -µ
Theorie

We nemen een rail die er als volgt uitziet: “La grande Nature est un temple…” (De grote Natuur is een tempel…) Daarvan uitgaand doen we een poging om (grande-µrb(N~temple)) (grote-/-N-tempel) te confronteren met (corrompus-µrb(frais~parfums²)) (bedorven-/-fris-geuren²) terwijl we daarbij “parfums” op dezelfde manier gebruiken als in de eerste regel van de terzinen. Aangezien de twee klinken absurd lijken, zijn er genoeg redenen die ons veroorloven te stellen dat t¹*=2=t²*. Enerzijds kan “grande” het probleem van het theologische aspect van de relatie “N-temple”, dat bij rb(N~Nature) minder groot zou zijn geweest, niet nadelig beïnvloeden. Anderzijds trekt “corrompus” de verhouding “frais-parfums” geenszins in twijfel, omdat de beide reuksoorten, bedorven en fris elkaar niet uitsluiten.

Methode

De hoeken zorgen voor het filteren van rare ideeën. Dit lijkt veel op de situatie met de spillen, waarbij door middel van de sneden, de neiging om overal verband tussen te leggen beperkt wordt.

Toepassing op Baudelaire

We moeten met betrekking daartoe aantekenen dat de tradities zo’n grote verscheidenheid bezitten dat voor elke dichter slechts de overmatige keus een moeilijkheid vormt. We kunnen bijvoorbeeld horen dat met «La Nature» een vrouw bedoeld wordt, door de N en het woordgeslacht. Dan dat haar parfum een verderfelijke invloed heeft. Hesiodus getuigt met betrekking hiertoe van een belangrijke gedachtestroom [435]: «Met aarde vormde de beroemde Kreupele een wezen dat er precies zo uitzag als een kuise maagd, volgens de wil van Kronos’zoon…En toen Zeus, in plaats van iets goeds, dat zo schone kwaad had geschapen, bracht hij het daar waar zich goden en mensen bevonden, prachtig uitgedost door de Maagd met de zeegroene ogen, de dochter van de sterke god; en de onsterfelijke goden en de sterfelijke mensen raakten in vervoering bij het zien van die valstrik, diep en zonder een ontsnappingsmogelijkheid, bestemd voor de mensen.» 104

§230
· Twee ruwe hoeken bij situatie -µ
Theorie

Wat de ruwe hoek betreft van (grande-µrb(N~temple)) (grote-/-N-tempel) lijkt “La” (De) rb(N~ temple) meer te benadelen dan “grande”, wat s¹*=2 tot gevolg heeft. Inderdaad zou de naam van godin Natuur, die in een tempel eer toegebracht wordt, helemaal geen lidwoord moeten hebben. Aangaande de tweede klink (corrompus-µrb(frais~parfums²)) (bedorven-/-fris-geuren²) moet s²*=1 genoteerd worden omdat de invloed die de doublure (autres-µrb(frais~parfums²) (andere-/-fris-geuren²) ontvangt niet groter is dan die wij bestudeerd hebben.

Methode

Hoewel de sporen en de uithangborden niet identiek zijn, verschaft het vormen van de hopen op verrassende wijze de mogelijkheid de aannemelijkheid van de klinken met elkaar te vergelijken.

Toepassing op Baudelaire

De schepper van het boek, die de ontelbare inspiratiebronnen die zijn verbeelding hem heeft geschonken leegzuigt, is in staat met grote snelheid het evenwicht tot stand te brengen in de beelden die uit zijn tekst spreken, maar de commentator heeft helaas, in de onwetendheid van een oorspronkelijk gezichtspunt, het uiterst geringe voordeel van de methodologische vasthoudendheid om vele mogelijkheden het licht te doen zien. Bovendien worden de inspanningen van de critici bij het oriënteren van het onderzoek vergemakkelijkt doordat men op de hoogte is van een uitgesproken voorliefde voor de paradox. Parallel hiermee denken we aan een herinnering van een oude kennis die, met een wreedheid van geheugen die soms bitter maakt, schrijft [913]: «Voor mij, en voor veel van onze studiegenoten, was het een omgekeerde hersenpan!» Claude Pichois laat zijn lezer zien hoe deze inzicht kan krijgen in de wisselende realiteit waarin de man leeft die deelneemt aan de revolutionaire beweging van 1848 en die het gebruikelijke begrip vooruitgang bestrijdt, wat mogelijk het resultaat kan zijn van een corruptie die reëler is dan die van de sensualiteit [276]-[627]: «Baudelaire is meer dan wie ook of minstens net zo veel als Nerval iemand die constant z’n bewondering op iets of iemand anders richt. Polyphilus! Hij liefkoost de ideeën om ze vervolgens te verwerpen.» Barbey, van wie hij zei dat hij een geestverwant van hem was, vreesde dat er een tijd zou komen die [95]: «…ten doel had alle braakliggende grond en alle wildgroei zowel van de aardbodem als uit de menselijke ziel te doen verdwijnen.» De aftakeling strijdt echter tegen een kracht die zich in de wil bevindt [97]: «…de verbeelding zal nog zeer lange tijd de grootste realiteit zijn die er in het leven van de mensen bestaat.»

§231
· Linker stersneden
Theorie

De linkerstersneden van (grande-µrb(N~temple)) (grote-/-N-tempel) en (corrompus-µrb(frais~ parfums²)) (bedorven-/-fris-geuren²) ontvangen de benamingen q¹* en q²*. Gezien het feit dat de N door “grande” een zinvolle inhoud krijgt en dat deze in geen enkele botsing voorkomt, kunnen we niet anders dan bepalen dat q¹=1. Als de hoop eenmaal is weggenomen constateren we dat q¹’=2, hetgeen bij het juk (-µ), q¹*=2 onvermijdelijk maakt, omdat de stijging immers toont hoezeer “grande” de krik bevoordeelt, terwijl we op zoek zijn naar een schadelijke invloed. Omdat bij de andere klink “corrompus” de allure van een term heeft, zou het schrappen van de hoop geen verandering hebben kunnen brengen in het niveau van de snede, waaruit resulteert dat q²=1=q²’, en tenslotte dat q²*=1.

Methode

De moeilijkheid om te begrijpen wat het is om zich te verzetten tegen de aard van een probleem, wanneer we de uitwerking van de hoop bestuderen, verdwijnt bijna in het geval van q*, e*, f*, z*, want de vormen houden de informatie langer vast dan de inhoud.

Toepassing op Baudelaire

Maar het idee van Baudelaire onderzoeken om het verband in betekenis te vatten tussen de aantrekkingskracht betreffende de reuk, het zien of het horen, blijft enigszins gevaarlijk. Een intuïtief vastgesteld gemiddelde van wat het publiek denkt levert de beste oplossing op, omdat de schepper van een boek immers in de huid kruipt van degenen die hij meer gevoeligheid wil bijbrengen. De schrijvers uit hetzelfde tijdperk leren de commentator om zich een dergelijke benadering eigen te maken. Murger schrijft op de volgende manier twee regels die een uitnodiging voor een feestje inhouden [544]: «Om half 9, zal de heer Alexander Schaunard, een volleerd kunstenaar, "de Invloed van het blauw op de kunst", een symfonie waarin geluiden nagebootst worden, op de piano spelen.» De andere dialoog, die van de tempel, hield Stendhals aandacht vast [941]: «De grote verdienste van mevrouw Bonnivet stond boven de kwaadsprekerij. Haar verbeelding hield zich slechts met God en de engelen bezig, of hoogstens met sommige wezens, die halverwege God en de mens stonden, en die…op enige afstand van ons hoofd zweven. Vanuit die verheven, doch nabije plek, "magnetiseren ze onze zielen"…»

§232
· Rechter stersneden
Theorie

De rechterstersneden e¹*, e²* beogen «tempel» bij (grote-µrb(N~tempel)) en «geuren» wat (bedorven-µrb(fris~geuren²)) betreft. We ontkomen niet aan het feit dat e¹=1=e¹’ en eveneens dat e²=1=e²’ is, want de termen in kwestie verliezen niets van hun aard als de hoop weggehaald wordt. Omdat de componenten met en zonder hoop gelijk blijven, wordt het niveau van de stersneden e¹*=1, e²*=1.

Methode

Van de monitoren onderwerpen alleen g* en j* zich niet aan deze regel die hun een waarde van 1 verschaft als de betreffende grootte volkomen stabiel blijft. Dat komt doordat de hoeken t* en s* deze regelmaat soms verstoren op het moment dat ze bij de berekening hun intree doen. G* en J* bereiken daarentegen een niveau van 1 wat respectievelijk g’=g, j’=j betreft. Maar bij g*=G*t*s*, j*=J*t*s* doet zich een complicatie voor wanneer t*s*=2 of t*s*=4.

Toepassing op Baudelaire

Dit kunst- en vliegwerk dat dient om de verschijnselen niet smadelijk te verloochenen, is niet geheel gerechtvaardigd, dat moet toegegeven worden. Een tweede obstakel, deze keer met betrekking tot de specialist op het gebied van de literatuur, een groot geleerde, een kenner, komt voort uit het feit dat hij een amateur die geen ervaring heeft met manuscripten „Samenspel“ ziet gebruiken zonder dat hij de oorspronkelijke stukken heeft geraadpleegd. Maar een verdeling van de inspanningen, die wenselijk is, is er debet aan dat de één zich op intelligente wijze over de eerbiedwaardige boekvellen in de bibliotheken buigt om een uitgave uit te werken, en de ander zich verlaat op de daarin gemaakte aantekeningen met het doel een bepaald nieuw onderzoek uit te voeren.

§233
· Stokken, steunstukjes, en ruimtes
Theorie

De sterstok van elk der klinken ontvangt een grootte van 1, omdat er geen verandering optreedt in de componenten p¹, p² wanneer de hoop verdwijnt en dat uitmondt op p¹’, p²’. Geen enkel probleem verkrijgt de status van botsing en er wordt niets bijzonders waargenomen, wat als gevolg heeft dat p¹=2=p¹’ en p²=2=p²’, waarna deze twee resultaten p¹*=1=p²* opleveren. Bij rb(N~tempel) lijdt het verband tussen “N-Natuur” geen enkele twijfel, hetgeen leidt tot f¹=1=f¹’ gezien het feit dat “Natuur” de beginletter N behoudt, of “grote” nu blijft of niet. Eenzelfde soort stabiliteit maakt f¹*=1 bij (grote-µrb(N~tempel)) mogelijk. Deze situatie is ongeveer gelijk voor (bedorven-µrb(fris~geuren²)) omdat, of er nu een hoop is of niet, tussen de beide sporen immers een intense relatie bestaat die f²=1=f²’ en vervolgens f²*=1 met zich meebrengt. We hebben zojuist gezien dat tussen de termen van de interne sterruimtes intense relaties bestaan want 1=z¹=z¹’=z²=z²’ komt voort uit 1=f¹=f¹’=f²=f²’ zodat z¹*=1=z²*.

Methode

De nauwe samenhang van de woorden die door z=1 verlangd wordt blijkt minder veeleisend te zijn dan de verplichting van het logisch verband waar f=1 om vraagt. Dus als f=1 dan is z=1. Het omgekeerde is niet acceptabel omdat “heeft hij geslapen” z=1 bij b(hij~geslapen) oplevert, maar slechts f=2 bij d(hij~geslapen), b(hij~geslapen) omdat die beide op hetzelfde moment opgaan. Het zinsverband “hij-geslapen”", dat voldoende voor de samenhang is, ontbreekt het aan kracht als er een reden aangedragen moet worden waarom d(hij~geslapen) niet mogelijk is.

Toepassing op Baudelaire

Daar de N de term “Natuur” toebehoort, zou d(N~Natuur) een totaal onwaarachtige beschrijving van “De grote Natuur is een tempel…” zijn. We hebben dus b(N~tempel) nodig en dat maakt f¹=1 mogelijk. Op eendere wijze wordt d(fris~geuren²) uitgesloten door «Er zijn geuren, zo fris…» hetgeen f²=1 vereist. De zowel gevaarlijke als heilige werkelijkheid, die de menselijke bijdrage absorbeert, doet aan deze regels van Chateaubriand denken [189]: «Het oude en riante Italië bood me haar enorme hoeveelheid meesterwerken aan. Met wat voor een heilige en poëtische afschuw dwaalde ik niet in die uitgestrekte gebouwen die door de kunst aan de godsdienst waren gewijd rond! Wat een doolhof van pilaren! Wat een opeenvolging van bogen en gewelven…Op een dag was ik naar de top van de Etna geklommen, een vulkaan die midden op een eiland staat te branden. Onder me zag ik de zon opkomen aan de onmetelijke horizon beneden me, aan m’n voeten Sicilië teruggebracht tot een punt, en de zee ver weg uitgerold in de ruimte. Met dat uitzicht loodrecht boven het tafereel, schenen de rivieren me nog slechts geografische lijnen op een kaart toe; maar terwijl mijn oog aan de ene kant al die dingen zag, dook het aan de andere kant in de krater van de Etna, waarvan ik de brandende ingewanden ontdekte, tussen wolken zwarte stoom…en zo is me m’n hele leven een zowel onmetelijke als onzichtbare schepping voor ogen gebleven, met naast me een gapende afgrond.»

§234
· Sterglijstroken met elkaar vergeleken
Theorie

Nu moeten we de sterglijstroken g¹*, j¹*, g²* en j²* bepalen van de klinken (grote-µrb(N~tempel)), (bedorven-µrb(fris~geuren²)). Aangezien het de krikken ontbreekt aan de letters waarvan het bestaan van de botsingen afhangt, bestaat de waarde van de producten ((g¹)(j¹)) en ((g²)(j²)) uit 2 of 4. De reden van de N is ons onbekend, we kunnen hem dus ruimschoots als een probleemnoot betitelen. Daar vloeit uit voort dat, met betrekking tot rb(N~tempel), de glijstroken ((g¹)(j¹))=2 zijn. We besluiten aan de N, die de moeilijkheid vormt, een waarde van 1 toe te kennen, wat ertoe leidt dat ((g¹)(j¹))=((1)(2))=2. Hier komt geenszins verandering in door het schrappen van “grote” en dus is ((g¹’)(j¹’))=((g¹)(j¹))=((1)(2))=2. Bijgevolg is G¹*=1=J¹*. Daar t¹*=2=s¹*, bereiken we niveau G¹*t¹*s¹*J¹*t¹*s¹*=(1)(2)(2)(1)(2)(2)=(4)(4)=16=g¹*j¹*. Wat (g²) en (j²) aangaande rb(fris~geuren²) betreft, deze ondergaan de gevolgen van de buitengewone zwakte van deze noot. We zien inderdaad niet in wat ons zou kunnen storen in het idee dat van een bepaald soort parfum frisheid uitgaat, zelfs indien een ander tot slechtheid leidt. In numeriek opzicht heeft dat als resultaat dat ((g²)(j²))=((2)(2))=4 is. Als we de hoop zouden wegnemen, zou dat geen probleem veroorzaken, hetgeen ((g²’)(j²’))=((g²)(j²))=((2)(2))=4 oplevert. Een soortgelijke onveranderlijkheid verschaft G²*=1=J²*. Vervolgens kan elk van deze twee presterglijstroken vermenigvuldigd worden met t²*s²*, wat voor de tweede klink, met t²*s²*=(2)(1), resulteert in een hoeveelheid die bestaat uit G²*t²*s²*J²*t²*s²*=(1)(2) (1)(1)(2)(1)=(2)(2)=4=g²*j²*.

Methode

Het klinken vereist dat we slechts de waarden lager dan 1/16 niet mee laten tellen.

Toepassing op Baudelaire

De eventuele personificatie van de Natuur, die de N zou aanduiden, doet eerst denken aan de dierenwereld, vreemd, zacht, rustig of verschrikkelijk. Omdat Toussenel Baudelaire één van z’n werken had aangeboden, antwoordde de dichter hem enige tijd later [640]: «Er zijn woorden die lijken op die van de grote meesters…zoals: "Elk dier is een sphinx"…» Germaine de Staël schreef [939]: «Hoe kan men de dieren aanschouwen zonder dat men zich verbaast over hun mysterieuze bestaan? Een dichter noemde ze "de dromen van de natuur waarvan het ontwaken eruit wordt vertegenwoordigd door de mens." Met welk doel zijn ze geschapen? Wat betekenen die blikken waar een donkere wolk voor lijkt te hangen, waarachter vandaan een idee zich wenst te manifesteren? Welk verband bestaat er tussen hen en ons?» Baudelaire, het lichaam van een vrouw bewonderend, pakt het net andersom aan [[1111]] in Index II (Gedichten)">[[1111]]: «Onder de zware last van je luiheid
Beweegt je kinderhoofd
Zich met de loomheid
Van een jonge olifant…» Een andere keer schrijft hij [[1003]] in Index II (Gedichten)">[[1003]]: «Je armen die voor vroegrijpe herculessen zouden kunnen doorgaan
Zijn de sterke rivalen van glanzende boa’s,
Gemaakt om je geliefde tegen je aan te pressen, koppig en met kracht
Alsof je van hem een afdruk wilt maken in je hart.»

§235
· Te verwaarlozen landmaten
Theorie

Aangaande (grote-µrb(N~tempel)) resulteren de metingen in een product van hoeken en monitoren t¹*s¹*q¹*e¹*p¹*f¹*z¹*g¹*j¹*=(2)(2)(2)(1)(1)(1)(1)(4)(4)=128 en dit getal leidt tot een lading van 1/128. Anderzijds vertoont de lading, met betrekking tot (bedorven-µrb(fris~geuren²)) een hoogte van 1/t²*s²*q²* e²*p²*f²*z²*g²*j²*=1/(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1)(2)(2)=⅛. Iedere berekening voor de variatie (h¹’) van rb(N~tempel) zou tevergeefs zijn omdat 1/128 onder de grens van het klinken ligt. Maar de zaak ligt anders voor rb(fris~geuren²) want ⅛ blijkt niet te veronachtzamen te zijn. De variatie 1/q²’e²’p²’f²’z²’g²’j²’ is jammer genoeg slechts ⅛ waard wegens ((p²’)(g²’)(j²’)), zozeer lijkt het probleem in de rail denkbeeldig te zijn. De aan- of afwezigheid van de hoop doet hier niets ter zake en h²=h²’. De termen leveren q²’=1=e²’ op; het stilzwijgen van de tekst over het ter sprake gebrachte probleem garandeert p²’=2; de degelijkheid van het grammaticale verband verschaft f²’=1=z²’. De genoemde variatie van ⅛ maakt een landmaat mogelijk van ((⅛)(⅛))=1/64, een waarde die onder de 1/16 ligt. Geen enkele van de landmaten slaagt er dus in om waardering te oogsten.

Methode

De hoeken en de variatie vormen de kern van de redenering voor een geval als dit.

Toepassing op Baudelaire

De aanvankelijke intuïtie, samen met de berekening, zorgt ervoor dat we aandacht schenken aan de details in het gedicht die dikwijls verwaarloosd worden. Het gebruik van een loep maakt het mogelijk in insecten of planten verschillende dingen te zien die anders niet waargenomen konden worden, maar een dergelijke oefening leert ons ook om beter te kijken als we geen instrument hebben.

§236
· Nieuwe klink
Theorie

We stellen voor de klink (zo…als een-µrb(geuren²~kinderhuid)) te bestuderen. Het intuïtief begrijpen van de werking die uitgaat van «zo…als een» spreekt vanzelf, wetend dat het hier gaat om het uitvlakken van een tegenstelling, waardoor het geoorloofd wordt te stellen dat t*=1 is. De ruwe hoek vertoont een soortgelijke zekerheidsgraad, want het zou vergeefse moeite zijn uithangborden te zoeken die verondersteld worden nog schadelijker te zijn voor de krik, dientengevolge is s*=1. Wanneer de hoop eenmaal is weggenomen blijven de sneden gelijk, omdat de sporen het karakter van termen hebben en zouden dat alleen kunnen verliezen indien «zo…als een» zou vervallen, waaruit resulteert dat q*=1=e*.

Toepassing op Baudelaire

De tederheid van het plezier dat een fijne geur ons verschaft roept die "vrouw-tuin" op waarin de dichter het gevoel had het slachtoffer te zijn van het spotten om hem heen door de werkelijkheid [[984]] in Index II (Gedichten)">[[984]]: «Zowel de lente als het groen
Hebben zò mijn hart vernederd
Dat ik de brutaalheid van de natuur
Op een bloem gewroken heb.

Zo zou ik op een nacht,
Als het uur der wulpsheid slaat,
Als een lafaard geruisloos
Naar de schatten die jou toebehoren willen kruipen…» De auteur, die zijn verbeelding verder uitspint, behoudt grotendeels hetzelfde gezichtspunt. Diep in zichzelf bewaart hij menige herinnering van toen hij scholier of beginnend dichter was, om zichzelf als het ware te exploïteren als een steengroeve waarin je niveaus van verschillende aard aantreft [619]-[636]-[649]-[650].

Methode

De klink die we ontleed hebben lijkt op één der klinken die we hiervoor hebben bestudeerd. Bij de imitatie van de berekening der waarschijnlijkheid lijkt het nuttig te zijn onophoudelijk de uithangborden die al behandeld zijn weer te bekijken. Het toeval, ofwel het zich op bepaalde momenten afspelen van gebeurtenissen die hun beslistheid slechts tonen als ze eenmaal talrijk zijn, varieert in grootte omdat de algemene strekking immers zichtbaar wordt na afloop van bepaalde situaties waarvan het aantal wisselend is. In het onderhavige geval waarin de wolk van minuscule oorzaken de voornaamste tendens grotendeels verhult, is het raadzaam op elke regel waaruit fermiteit spreekt terug te komen. Of ze nou slecht of goed zijn, de ideeën met betrekking tot de teksten vormen de feiten die het zouden kunnen winnen van de commentator. Temidden van die overvloed, vertegenwoordigen de beste ideeën die ons te binnen schieten de hoofdgedachte, namelijk die de bedoelingen die de auteur van oorsprong heeft gehad weergeeft. Waardeloze verzinsels daarentegen beschouwen we als onregelmatigheden die weggenomen moeten worden [217]. We wisselen de inhoud af, om te voorkomen dat we de intuïtie missen die ons in staat stelt een verband te leggen tussen een groot aantal numerieke waarden die we toekennen aan de relaties tussen voorstellingen. Betreffende invloeden die in de diverse passages van het sonnet, intuïtief gezien, op elkaar lijken, is het heel positief dat onze conclusies, aangaande de numerieke waarde, helemaal, of bijna, gelijk zijn, omdat we daardoor zeker van onszelf zijn bij het onderling vaststellen van de verschillende manieren om de aannemelijkheid te meten. Als we in dezelfde omstandigheden echter merken dat we steeds erg van mening veranderen, houdt dat in dat ons standpunt in deze materie nog te oppervlakkig is en ons niet in staat stelt de criteria voor de metingen correct vast te stellen.

§237
· Sterstok 1 bij -µ
Theorie

Er voltrekt zich een ingrijpende verandering als we «zo…als een», de hoop van de klink (zo…als een-µrb(geuren²~kinderhuid) van de tekst afnemen. Er ontstaat onmiddellijk een botsing die de gewone probleemnoot uitschakelt. De rail kan “Er zijn geuren fris: kinderhuid…” met een paraaf die slechts bestaat uit “:” worden, of bijvoorbeeld “Er zijn geuren fris, kinderhuid…”, deze keer met een paraaf bestaande uit een komma, of zelfs “Er zijn geuren fris kinderhuid…” indien we weigeren een bepaalde paraaf te gebruiken. In deze drie stadia van de rail is p’=1 aangaande rb(geuren²~kinderhuid) omdat elke botsing immers uitloopt op een stok van dat type. In het begin blijkt de geldende waarde p=2 te zijn bij de probleemnoot rb(geuren²~kinderhuid) die van bescheiden afmeting is en bovendien over geen enkel naburig woord beschikt dat in staat is om onze aandacht te richten op de belemmering die genoemde probleemnoot vormt voor een helder begrip. We constateren dat de geldende waarde in het begin bestaat uit p=2, met een probleemnoot rb(geuren²~kinderhuid) van bescheiden afmeting, die bovendien over geen enkel naburig woord beschikt dat in staat zou zijn om de aandacht te vestigen op het feit dat de betekenis van genoemde probleemnoot niet helder is. Daaruit moeten we wel concluderen dat de krik door de hoop benadeeld wordt gezien het feit dat p=2, zodra de termen “zo, als een” wegvallen, verandert in p’=1. Maar aangezien het juk het karakter van (-µ) heeft, behoort deze schadelijke invloed tot het soort waarnaar we op zoek zijn, met het gevolg dat p*=1.

Methode

De stok alleen kan de stroming van een solide knelpunt dat het karakter mist van een botsing terugbrengen tot het tussenresultaat van de berekening, en blijkt dus van essentieel belang te zijn voor de toegang tot de variatie.

Toepassing op Baudelaire

De hierboven genoemde verzonnen rail wekt onze verwondering door de storing een "huid-geur" te fabriceren, terwijl Baudelaire deze vergelijking in z’n eigen tekst slechts terloops noemt. Germaine de Staël schreef [934]: «Elke plant, elke bloem bevat het volledige systeem van het universum; een fractie van het leven houdt de eeuwigheid in zich verborgen, het zwakste atoom bestaat uit een wereld, en de wereld is misschien slechts een atoom. Elk deel van het universum lijkt een spiegel te zijn waarin de ganse schepping zichtbaar is, en we weten niet wat de meeste bewondering wekt, de gedachte, die altijd dezelfde, of de vorm, die altijd verschillend is.»

§238
· Steunstukjes en ruimtes
Theorie

Laten we de waarde vaststellen van de stempels f* en z* die horen bij (zo…als een-µrb(geuren²~ kinderhuid)). Om te beginnen hebben we een steunstukje 2 nodig omdat b(geuren²~kinderhuid) en d(geuren²~kinderhuid) dezelfde waarde hebben: «geuren» wordt namelijk van «kinderhuid» gescheiden door «zo fris als een» in twee aan elkaar tegengestelde versies. Ten eerste “…geuren en een kinderhuid moeten met elkaar in verband worden gebracht…” en daarna “…geuren en een kinderhuid moeten los van elkaar gezien worden…” Als we over een kunstbloem spreken, zeggen we toch dat ze eruit ziet “als een” bloem, met de vergelijking en het onderscheid dat daarbij hoort. Er bestaat dus geen enkel steunpunt dat d(geuren²~kinderhuid) of b(geuren²~kinderhuid) verhindert en daar komt f=2 uit voort. Wanneer we «zo… als een» uit de achtste regel nemen, is b(geuren²~kinderhuid) de enige mogelijkheid die die ingrijpende verandering overleeft, zodat f’=1 is. Van de situatie waarin f=2 is komen we in die waarin we f’=1 aantreffen, waardoor aangetoond wordt dat de hoop «, zo…als een» in staat is rb(geuren²~kinderhuid) schade toe te brengen, omdat de aannemelijkheid van de noot aannemelijker wordt op het moment dat hij zich terugtrekt. Maar het juk (-µ) brengt ons er nu net precies toe om de ongustige werking van de hoop te bestuderen, en dientengevolge is het stersteunstukje f*=1. De interne ruimte van rb(geuren²~kinderhuid) vereist een hoogte van 1 want de twee termen lijken door de vergelijking van de auteur nauw met elkaar verbonden te zijn. Dit begin dat z=1 oplevert zet zich voort in z’=1 als het gedeelte «zo…als een» eenmaal is weggenomen, omdat een soort samensmelting van ideeën voortaan immers de voorgaande stand van zaken vervangt. De voortzetting van deze ontwikkeling moet daarom wel z*=1 tot resultaat hebben.

Methode

Vooral wanneer de componenten niet veel veranderen, blijkt het nuttig te zijn even snel over "dezelfde krik" met en zonder hoop te praten, die dan z=1 en vervolgens z’=1 oplevert. Maar als we heel rigoureus willen zijn, nu de rail is veranderd, zouden we moeten meedelen dat we nu een nieuwe noot moeten beschrijven.

Toepassing op Baudelaire

De relatie tussen parfum en huidkleur behoort tot het domein der “associatie” ofwel “horizontale overeenkomsten”, om dit denkbeeld zonder voorzorgsmaatregelen te formuleren [666]. Het gaat om het samensmelten van gewaarwordingen die we van het begin tot nu toe ondervinden, enkel op het menselijke vlak, terwijl de “verticale overeenkomsten” een prominentere rol hebben omdat deze «…de mens de weg wijzen naar God…» zegt Claude Pichois, zo voor zijn lezerspubliek een traditie samenvattend [666]. Laatstgenoemde heeft echter een aanvullende verklaring nodig, die we aan Louis Ménard moeten overlaten, één van degenen die toen ze nog heel jong waren gesprekken met Baudelaire hebben gevoerd [624]: «De moderne wetenschap, […] die het bestaan van de mineralen uitlegt door middel van de verwantschap tussen de dingen, alsof dat woord een feit zou verklaren, glimlacht minachtend om de Grieken die zich inbeeldden dat zich in elk van de eiken van Dodone een Woudnimf bevond, en een Zeenimf in elke zeegolf; toch bevatten de opvattingen uit de Oudheid een juistere kijk op het leven in het heelal dan al onze levenloze abstracties bij elkaar, en hebben bovendien het voordeel dat ze de schilder- en de beeldhouwkunst types aan de hand doen. Waar wij krachten en principes zien, zagen de oude volken goden; wij noemen aantrekkingskracht wat zij Venus noemden; het is een kwestie van woorden, en het één is niet helderder dan het andere. Alnaargelang de verschillende vormen die we aan dezelfde ideeën geven, formuleren we natuurwetten en creëren we kunstwerken. Ik geloof dat het toegestaan is dat we tegelijkertijd de mening van Newton zijn toegedaan en die van Phidias.» Een soortgelijke overdenking brengt deze vreemde figuur ertoe het volgende te schrijven [625]: «De ideale tempel waar ik mijn gebeden laat horen
Is de tempel waar alle Goden wonen die de wereld gekend heeft.»

§239
· Sterglijstroken bij -µ
Theorie

Laten we de waarde vaststellen van g* en j* betreffende (zo…als een-µrb(geuren²~kinderhuid)). We moeten beginnen met G* en J*, het stel presterglijstroken, en daarna de uitkomst van de vermenigvuldiging van elk daarvan met t*s* bepalen. In de tekst is rb(geuren²~kinderhuid) de status van botsing niet waard, wat uitsluit dat ((g)(j))=1 is. Door het middelmatige niveau van de moeilijkheid moet ((g) (j))=4 ten onrechte wel bij een onderschatting uitkomen. Uiteindelijk is «kinderhuid» moeilijker te begrijpen dan «geuren», dus valt j=1 te verdedigen. Er resulteert uit dat ((g)(j))=((2)(1))=2 is. Het schrappen van de hoop uit de negende regel brengt de krik ertoe zich in een botsing te veranderen, met als gevolg dat ((g’) (j’))=1 onvermijdelijk zou kunnen worden. De situatie “Er zijn geuren fris, kinderhuid…” brengt openlijk een schok teweeg en bijgevolg verdienen de glijstroken inderdaad de niveaus g’=1=j’. Het verschil in waarde tussen g=2 en g’=1 levert het resultaat G*=1 want het juk (-µ) heeft betrekking op de ongunstige invloed, precies die wordt uitgeoefend door «zo…als een» gezien g=2 dat afsteekt tegen g’=1. Wat de andere sterglijstrook aangaat, is de grootte J*=1 op zijn plaats, als we het onveranderlijke karakter van j=1=j’ in aanmerking nemen. Dankzij de hoeken t*=1=s* behouden g* en j* de waarden verkregen door G* en J* omdat g*=G*t*s*=((1)(1)(1))=1=J*t*s*=j*.

Toepassing op Baudelaire

Het beeld dat van de huidjes opgeroepen wordt en waardoor we de parallel zien-ruiken mogen trekken, maakt zijdelings ook nog die met het voelen mogelijk. Opgemerkt dient te worden, dat «frais» (fris) en «Doux» (zacht) slechts uit één lettergreep bestaan. Laten we ons dan nu eens voorstellen dat Baudelaire aarzelt of hij “doux comme” (zo zacht als) in de negende en “Frais comme” “Zo fris als” in de tiende regel zal plaatsen, om de opeenvolging van voelen-horen-zien door middel van de relaties tussen zacht-huidjes, fris-hobo’s, groen-weiden scherper te doen uitkomen.

Methode

Het gebruik van t* en s* en het opnieuw inzetten van deze hoeveelheden voor g* en j* komt erop neer dat in de lading 1/t*t*t*s*s*s* dienst doen. Dit zou gebillijkt kunnen worden door het feit dat twee krachtsgroepen, één voor t*t*t* en een tweede voor s*s*s* elk eventueel over een drietal vermogens beschikken die zich steeds gelijk ontpoppen om de aannemelijkheid te verhogen of te verlagen. We zouden moeten stellen dat t*=1 wanneer de invloed niet absurd, ook t*=1 wanneer deze niet belachelijk en eveneens t*=1 als die niet verdacht lijkt te zijn. Aangezien er zich tussen de verschillende redenen een onmiskenbaar verband bevindt, zou dit een resultaat opleveren van t*t*t*=1. Omdat de tegenhangers ervan, absurditeit, belachelijkheid en een twijfelachtig karakter een zelfde soort verbondenheid met elkaar vertonen, zouden we als deze zich voordoen daaraan een waarde van t*t*t*=8 moeten toekennen. Wat nu de ruwe hoeken betreft, zou een klink s*=1 opleveren als hij blijkbaar onmisbaar is voor de nauwkeurigheid, tevens s*=1 als dit het geval is voor de correctie en ook s*=1 als dit geldt voor de helderheid. In geval van afwezigheid van deze onwrikbaar met elkaar verbonden eigenschappen zou de grootte s*s*s*=8 zijn.

§240
· Variatie en landmaat bij -µ
Theorie

De waarde van de lading bestaat uit het omgekeerde van het globale product van de groottes t*, s*, q*, e*, p*, f*, z*, g* en j*, wat neerkomt op een verhouding van (1/t*s*q*e*p*f*z*g*j*)=(1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1) (1)(1))=1/1. De variatie (h’) van rb(geuren²~kinderhuid) is gebaseerd op de componenten q’, e’, p’, f’, z’, g’, j’ die ons al bekend zijn door de discussie over de stempels. Ze bestaan uit 1=q’=e’=p’=f’=z’=g’=j’. De synthese levert (q’e’p’f’z’g’j’)=((1)(1)(1)(1)(1)(1)(1))=1 op en vervolgens een variatie van (1/(1)(1)(1)(1)(1) (1)(1))=1/1, die uitmondt in een landmaat die bestaat uit ((lading)(variatie))=((1/1)(1/1))=((1)(1))=1 aangaande (zo…als een-µrb(geuren²~kinderhuid)), met de aantekening dat deze aannemelijkheid met een waarde van 1 tot het domein der intuïtie behoort.

Methode

Indien we (h) in plaats van (h’) met de lading vermenigvuldigd hadden, zou de uitkomst slechts ((1/1)(1/(1)(1)(2)(2)(1)(2)(1)))=((1/1)(1/(2)(2)(2)))=⅛ zijn geweest, een waarde die de sterk aanwezige wil van de schepper van het boek onderschat zou hebben. Dus we moeten, als we de noodzaak van het juk (-µ) eenmaal hebben erkend, de waardering van elke klink van dat type op de volgende manier bepalen: ((lading)(variatie verkregen zonder hoop)) terwijl de aannemelijkheid van de andere klinken, van het genre (-#), echter wordt vastgesteld door middel van ((lading)(variatie verworven door handhaving van de hoop)).

Toepassing op Baudelaire

De klink (bedorven-µrb(Natuur~ tempel)), waarvan we de landmaat in paragraaf 214 hadden uitgerekend, bezit een aannemelijkheid die bestaat uit ((lading)(variatie van rb(Natuur~tempel) zonder de hoop))=1. Als we voor deze invloed daarentegen de berekening ((lading)(variatie van rb(Natuur~tempel) met de hoop)) gebruikt zouden hebben zou hij slechts een niveau van ((1)(½))=½ toegekend hebben gekregen. Vierde deel: AANNEMELIJKHEID DER ANALOGIEËN