Het essay — Deel I

De aannemelijkheid bereikt met de identificatie van de werkelijke of de denkbeeldige paradoxen

Legenda van de blokken

Theorie — de begripsmatige uiteenzetting Methode — opmerkingen bij de toepassing Baudelaire — de toepassing op het sonnet Samenspel
§1
· Eerste intuïtie
Theorie

De intuïtie, dat een wezenlijke afstand tussen de woorden van één en dezelfde redevoering, bij afwezigheid van elk formeel verband tussen het ene en het andere, er de samenhang van uitwist, lijkt ons gerechtvaardigd.

Methode

Maar met het woord “formeel” willen we niet beweren dat een dergelijk eenvoudig onbetwistbaar en voor de hand liggend verband, onmogelijk zou zijn in poëzie.

Toepassing op Baudelaire

Laten we echter toch twee passages bekijken die geheel los van elkaar staan: aan de ene kant «De Natuur is een tempel…» en aan de andere kant de volgende opsomming «…amber, muskus, benzoë en wierook…» Het onderling verband ervan lijkt minder hecht dan wanneer ze alle twee midden in dezelfde eerste strofe zouden voorkomen.

§2
· Tweede intuïtie
Theorie

Indien, volgens een tweede intuïtie, in eenzelfde redevoering twee tegenstellingen of schijnbare tegenstellingen die qua inhoud veel op elkaar lijken naar voren worden geschoven, de éne nadrukkelijk gepresenteerd en de andere slechts geschetst, dan verschaft de eerstgenoemde de tweede extra kracht.

Methode

Van ons gezichtspunt uit worden de woorden “schijnbare tegenstelling” in de breedste zin gebruikt. We moeten ons echter van de tweeslachtigheid ervan bewust zijn, omdat we het in zeer verschillende gevallen gebruiken, van die waarin een of andere oppervlakkige mening bestreden wordt, tot die welke betrekking hebben op de gevaren die de meest veeleisende logica loopt.

Toepassing op Baudelaire

De vermelding in de laatste verzen van het sonnet, dat wierook bedorven is, levert een tegenstelling op, want priesters die wierook gebruiken, nemen een tegenovergesteld standpunt in. Wat betreft de gedichtenbundel "Bloemen van het kwaad" waarin „Samenspel“ als vierde gedicht voorkomt, levert deze alleen al door de titel ervan een tegenstrijdigheid op, omdat gewoonlijk bloemen immers als iets zuivers uitgebeeld worden, terwijl het kwaad aan de zijde van het bedorvene wordt voorgesteld.

§3
· Doel
Theorie

De studie die we hier maken heeft als doel de twee intuïties, die zojuist zijn beschreven, op te helderen door hun inhoud te preciseren.

Methode

We zijn er echter pas na enige tijd in geslaagd deze intuïties te definiëren en het feit dat we hen als basissen beschouwen, vormt slechts een handig kunstmiddel om ons doel te beschrijven. Drie handelingen garanderen een zo doeltreffend mogelijke presentatie van die twee denkbeelden: tekstuele verschijnselen meten, en dit uitvoeren door tegelijkertijd de empirische wetenschap en de waarschijnlijkheidsberekening na te doen.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien het gedicht rijk blijkt te zijn aan vele tegenstellingen en de dichter er tegelijkertijd door de zorg wordt gedreven het veelvuldig voorkomen van een formeel verband te vermijden, biedt het bevredigende voorwaarden voor het nader uitwerken van onze uitgangspunten.

§4
· Betekenis
Theorie

Een betekenis is een idee dat door een teken wordt uitgebeeld, dat er het symbool van vormt. De betekenis “optellen” bijvoorbeeld, wordt vertaald door het woord “plus”, oftewel door (+). Symbolen drukken betekenissen uit en zij geven regels of voorwerpen aan waarvan zij het idee vertegenwoordigen.

Methode

Het dagelijks taalgebruik nodigt niet erg uit de verschillen te vatten tussen het voorwerp, het idee van het voorwerp en het woord waarmee men dit idee aangeeft. Minder schadelijk, maar toch nog enigszins vaag, blijkt de opvatting te zijn dat woorden of symbolen betekenissen bevatten, want eerstgenoemde vormen daar, geheel integendeel, slechts de tekens van.

Toepassing op Baudelaire

«Natuur» in het gedicht bestaat niet uit het idee van natuur als betekenis, en evenmin uit de natuur zelf als voorwerp. Nee: «Natuur» dient zich aan als een woord waarvan de beginletter een hoofdletter is, terwijl het in de desbetreffende zin pas als tweede woord voorkomt. 3

§5
· Werk
Theorie

Een werk dient zich als een groep woorden of, hetgeen vaker voorkomt, als een groep symbolen aan, die naast elkaar in de ruimte, of de één na de ander, in de tijd geplaatst zijn.

Methode

Zij danken hun schikking aan toeval, traditie of aan een weloverwogen doel. Door de mogelijkheid duizenden woorddelen, die om hun veelzeggend karakter gekozen zijn, met elkaar te combineren, kan men een beroep op het toeval doen teneinde een ieder geestige werken te laten samenstellen waarvan niemand in aanvang zal hebben vastgesteld hoe groot de betekenis ervan precies is [817].

Toepassing op Baudelaire

De auteur van „Samenspel“ daarentegen, liet aan anderen zo weinig ruimte om te manoeuvreren over, dat hij het sonnet onmiddellijk in 1857 afleverde, tegelijk met de complete bundel waarin het verscheen [662].

§6
· Tekst
Theorie

Een werk, evenals elk gedeelte ervan, wordt een tekst genoemd wanneer de betekenis ervan door iemand is bestudeerd, bijvoorbeeld een auteur of een uitgever, die de mogelijkheid heeft gehad hem te wijzigen. Zo iemand schept de tekst en niets weerhoudt ons van de gedachte dat één en dezelfde tekst de arbeid kan zijn van een groot aantal van zulke scheppers. Tenslotte heeft het moment van de schepping de verdienste de oorsprong te worden genoemd.

Methode

Dat alles vereist een wil die voorafgaat aan het samenstellen van het oeuvre en in ’t bijzonder een medeling die de reputatie heeft tegenstrijdig te zijn, zal slechts als zodanig beschouwd moeten worden indien men er zeker van is dat iemand dat heeft gewild. In het tegenovergestelde geval is het karakter ervan heel anders, zelfs als hij belangrijk is in bijvoorbeeld de ogen van iemand die hem door middel van z’n eigen ideeën hoopt te gebruiken voor één van z’n eigen boeken.

Toepassing op Baudelaire

Claude Pichois verwerpt de stoutmoedige theorie van Felix Leakey, die twee etappes in het ontstaan van het gedicht voorstelt, niet: Baudelaire zou eerst het tweede kwatrijn, evenals de terzets, rondom 1846 hebben geschreven, daarna zou hij het sonnet op z’n vroegst in 1852 hebben afgemaakt. Hij zou niettemin de betekenis van de huidige samenstelling al helemaal voor z’n verschijning voor ogen hebben gehad [667].

§7
· Publiek
Theorie

Het publiek van een tekst bestaat uit al diegenen die deze na de oorsprong ervan in ontvangst nemen. Dat kan zich trouwens beperken tot de auteur zelf.

Methode

Laten we echter een minder bijzonder geval bekijken: indien een schepper van een werk diegenen voor wie hij het bestemt, wil choqueren, zal hij zich een voorstelling maken van de emotie die daaruit voortkomt. Wanneer hij een raadsel wil opgeven, maar de oplossing ervan in het verborgene wil geven, zal hij over de strategie nadenken aan de hand van personen die hij gekend zal hebben; en zelfs indien hij met moeite wordt begrepen, zal hij hebben nagedacht over de mensen die het publiek zullen vormen van de tekst. En tenslotte, het werk mag dan gedurende een lange periode menig medewerker hebben gehad, de lezers ervan zullen eveneens het publiek van talrijke generaties zijn geweest. De scheppers van „Ilias“ waren, zelfs als Homerus niet bestaan heeft, de eersten die een geschreven versie gaven van de beroemde verhalen over de belegering van Troje. Sommige dichters hebben die teksten overgenomen en mettertijd dienden deze als basis voor al hun liederen. De menigten die naar hen luisterden, werden zo het publiek van het gedicht [440].

Toepassing op Baudelaire

Wat Baudelaire betreft, deze toonde zich diep teleurgesteld over de lezers wier ongelijk begripsvermogen hem schijnt te hebben verbaasd [630].

§8
· Steunpunt
Theorie

We spreken van een steunpunt wanneer een verschijnsel hardnekkig in de tekst blijft voorkomen en men het gebruiken kan om deze te begrijpen. Er bestaan drie soorten. Men vindt ze onder betekenissen, onder regels die betekenissen definiëren en vervolgens onder voorwerpen. Een definitie die betrekking heeft op wat een gezegde uitdrukt, behoort tot de eerste categorie, zodra hij vaststaat met betrekking tot de betreffende tekst; een grammaticaregel die onherroepelijk van toepassing is op bepaalde woorden uit de tekst in kwestie, behoort tot de tweede; een boomblad tenslotte, dat erin beschreven wordt en waarvan het aanschouwen klaarblijkelijk dient om het beter te begrijpen, blijkt tot de derde te horen.

Methode

Alle drie zijn ze van een heel verschillende orde. Aristoteles hanteert in „Métaphysica“ de regel die het gelijktijdig voor waar aannemen van twee elkaar tegensprekende uitlatingen in dezelfde uiteenzetting van een onderwerp, verbiedt [33]. Anderzijds behandelt Euclides in „Elementen“ een voorwerp, de driehoek, die samengesteld is uit zijden die de eigenschap bezitten dat twee ervan samen altijd groter zijn dan één [386].

Toepassing op Baudelaire

In „Samenspel“ geeft de vijfde regel, die lange echo’s oproept, voorwerpen aan die men nog altijd kan raadplegen. Wat nu de gebruiksregels van betekenissen betreft, de twee eerste regels moeten als volgt worden gelezen: «De Natuur is een tempel waar levende pilaren
Soms verwarde woorden uit loslaten…» Volgens de grammatica nu wordt het woord «tempel» door «waar» vertegenwoordigd.

§9
· Storing
Theorie

Een storing is een betekenis die voor het publiek van de tekst waarin hij wordt uitgedrukt, een ernstige moeilijkheid vormt of verwondering bij hen wekt, die niet weg te nemen is door, op welke wijze dan ook, een beroep te doen op een steunpunt.

Methode

Door liever van een “storing” dan van een “tegenstelling” te spreken, voorkomen we de indruk dat het om een onoplosbaar vraagstuk betreffende de wiskunde of de logica gaat.

Toepassing op Baudelaire

De tekst van Baudelaire krioelt van vreemde ideeën: hij roept een "Natuur-tempel", levende pilaren die een verwarde redevoering houden, symbolen die observeren, het gesprek tussen geuren, kleuren en geluiden, het bederf van wierook en het zingen van een dronkenmakende odeur op.

§10
· Bobbel
Theorie

We stellen ons het gebied van de feiten die betrekking hebben op de betekenissen van een tekst als volgt voor: aan de ene kant wordt het gevormd door de steunpunten en aan de andere kant door de niet- steunpunten of bobbels. Hoe we deze laatste ook proberen uit te leggen, het lukt ons niet: hun verschijning is niet krachtig genoeg om een ieder, door middel van een simpele redenering, van hun bestaan te overtuigen.

Methode

Gottlob Frege beweerde dat de naam “Odysseus” op niemand betrekking kon hebben, en Bertrand Russell verklaarde dat men in de logica het bestaan van eenhorens niet zou kunnen accepteren [400]-[884]. Plato had echter begrepen welk gevaar men liep wanneer men de opvatting deelde van zijn tijd, die exact op dat punt, identiek lijkt te zijn aan die van de zojuist genoemde auteurs, omdat, indien men de diepgang ontkent van de stellingen met betrekking tot een te zwakke verschijning, dan is het daarvoor in ieder geval wel vereist dat deze laatste bestaat, en dientengevolge [753]: «…bestaat, in zeker opzicht, het niet-bestaande…»

Toepassing op Baudelaire

Zo we een bobbel al het voordeel moeten toekennen dat hij uit een voorwerp bestaat, hij verschilt echter veel van een steunpunt. Het bestuderen van de teksten die Odysseus of mythologische wezens betreffen, zal dat kunnen laten zien. In het bijzonder laat een bobbel zich praktisch niet door het publiek van de tekst waarin hij wordt aangegeven, op één en dezelfde manier, zelfs niet als deze eenvoudig zou zijn, identificeren. Hoe zou bijvoorbeeld het publiek van „Samenspel“ op één en dezelfde manier hebben kunnen uitleggen waaruit het antwoorden, dat in de achtste regel wordt genoemd: «…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.», precies bestaat.

§11
· Directe formule
Theorie

Oordelen bestaat uit een begrip dat zichzelf aandient als een stellingname ten opzichte van ideeën en betekenissen, en daar komt een bewering uit voort waarvan het globale symbool de formule vormt. Deze blijkt direct te zijn zodra hierin vier groepen symbolen ieder een betekenis uitdrukken: een eerste groep voor een relatie; een tweede voor het positieve of negatieve standpunt; en de rest die men de leden van de formule noemt, voor ideeën die beide betrekking hebben op dezelfde tekst.

Methode

Men kan wel duizend relaties bedenken tussen twee betekenissen van eenzelfde boek; bijvoorbeeld: “belangrijker zijn dan”. In een dergelijk geval zouden we de leden in de directe formule niet verwisselen kunnen.

Toepassing op Baudelaire

Laten we ons de volgende bewering voorstellen: “ja, de betekenis "Natuur" is belangrijker dan die van "tempel"”. En daarna deze: “neen, de betekenis "Natuur" is niet belangrijker dan die van "tempel"”. De leden «Natuur» en «tempel» betreffen steeds dezelfde tekst; de relatie bestaat uit een betekenis; en de stellingname vindt plaats. De formules blijken dientengevolge direct te zijn.

§12
· Vakje
Theorie

Een vakje dient zich aan als een losstaand woord, van een unieke tekst, dat op één plaats hiervan wordt gegeven; en als een woord terugkomt is dat dus steeds opnieuw in de hoedanigheid van een nieuw vakje.

Toepassing op Baudelaire

In het gedicht vinden we «parfums» in de achtste regel, vervolgens in de negende, zonder een belangrijk verschil in betekenis en toch doet dat er weinig toe: men moet de vakjes onderling niet verwisselen.

Methode

De realiteit van het losstaande woord, op het intuïtieve vlak, ontgaat weining mensen en als we Roman Jakobson moeten geloven, hebben zelfs taalspecialisten er alle belang bij er niets van te veronachtzamen [466]. De talrijke woordenboeken die voor diverse talen samengesteld zijn, getuigen er overigens door hun bestaan en hun rangschikking voldoende van dat het in eerste instantie isoleren van woorden de beste methode is voor de analyse van een zin. 5

§13
· Uitspraak
Theorie

Een uitspraak is een bewering in een directe formule, waarvan de leden op zichzelf geen formule vormen. Bovendien moeten deze slechts uit vakjes of groepen vakjes bestaan, zonder dat ze herhaald worden, noch binnenin hetzelfde lid, noch in het andere. De relatie die we verbindingsstreepje hebben genoemd en die voorgesteld wordt door het symbool (–), heeft er betrekking op het samenbrengen en het scheiden van de ideeën. In combinatie met de bevestiging, met als symbool (b), in b(…–…), moeten we hem als volgt opvatten: “indien wij de gedachte van een schepper door middel van zijn tekst grondiger willen leren kennen dan door slechts te kijken naar wat de betekenissen van…en…samen uitdrukken, dan moeten wij ze eerder met elkaar in verband brengen dan ze los van elkaar zien”. Wanneer het verbindingsstreepje wordt gecombineerd met de ontkenning, uitgedrukt door het symbool (d), in d(…–…), wordt het als volgt uitgelegd: “voor wie het op kreatieve wijze opvatten van de tekst verkiest boven het slechts in aanmerking nemen van de betekenissen…en…als zijnde toevallig samen gegeven, moeten we ze eerder los van elkaar zien dan ze met elkaar in verband brengen”. Of anders is het voldoende dat we het “met elkaar in verband brengen” in de éne formule verwisselen met het “los van elkaar zien” om het essentiële in de andere te verkrijgen.

Toepassing op Baudelaire

Twee voorbeelden van een uitspraak zijn: b(Natuur–tempel), en d(Natuur–tempel). Van beide kan de waarheid in twijfel worden getrokken, maar in het debat over dit punt is het een voordeel dat we ons in ieder geval geen zorgen hoeven te maken over moeilijke interpretaties van de tekst, die we ten onrechte zouden zien als betekenissen daarin uitgedrukt en waarvan de aanwezigheid voor de schepper onomstotelijk vaststaat; door van de vakjes uit te gaan verplichten we ons tot het tegenovergestelde, tot het meest elementaire onderzoek.

Methode

Uitspraken lijken trouwens door hun eenvoud op wat Algirdas Julien Greimas bijvoegsels noemde; en we bevinden ons niet ver, maar in een ander verband, van de opvattingen van Willard van Orman Quine die de bewering als een betekenis definieerde [422]-[822]. Aristoteles had, toen hij naar voren bracht dat slechts de redenering, waarin zich het juiste of het onjuiste bevindt, niet alleen een betekenis, maar ook een bewering vormt, het verschil van deze redenering met alle andere, eveneens opgemerkt [22]. En als we deze bewering op bestudeerde wijze betrekken op gezichtspunten die misschien door geen enkel steunpunt worden gewaarborgd, maakt dat een onderzoek over de overpeinzing zelf mogelijk.

§14
· Volgorde
Theorie

De volgorde waarin we de leden van een uitspraak plaatsen, is van geen enkel belang en eigenlijk bestaat er tussen een dergelijke bewering en zijn wederhelft geen noemenswaardig verschil.

Methode

Alleen blijkt het soms gunstig te zijn de inhoud op zodanige wijze te lezen dat men de kans op een vergissing, vooral de verwarring tussen de toekenning of de weigering en de uitspraak, kleiner maakt.

Toepassing op Baudelaire

De formule b(bedorven–tempel) geeft niet het idee weer dat de tempel bedorven is, en b(tempel–bedorven) geeft dezelfde betekenis: of nogmaals, b(Natuur–tempel) verschilt niet van b(tempel –Natuur), zij het enkel wat de vorm betreft. Daarentegen wil “honden zijn zoogdieren” heel wat anders zeggen dan “zoogdieren zijn honden”. Zeker, de toekenning rechtvaardigt vaak de bevestigende uitspraak, aangeduid met de letter b, maar ze zijn daarom nog niet in het minst gelijk aan elkaar. We hoeven de toekenning slechts te observeren, om ideeën op te doen die gebruikt kunnen worden voor de analyse.

§15
· Term
Theorie

De betekenissen waartussen het verbindingsstreepje z’n taak uitoefent, vormen de termen van de uitspraak.

Methode

Zo interesseren de leden ons niet als zodanig, omdat het immers enkel om begrippen gaat.

Toepassing op Baudelaire

Wanneer wij nu noch de bevestiging, noch de ontkenning van een uitspraak kennen, kan het oordeel nooit tot stand komen op grond van twee woorden van een tekst, zoals dat hier bijvoorbeeld in b(bedorven–tempel) gebeurt.

§16
· Synoniemen
Theorie

Twee termen die bijna synoniem aan elkaar zijn, kunnen in de uitspraak waar ze deel van uitmaken, onderling niet verwisseld worden, wegens de verschillende positie die de vakjes waarmee ze uitgedrukt worden, in de tekst innemen.

Methode

We komen soms het standpunt tegen dat er geen synoniemen bestaan en toch bestaan er treffende gelijkenissen, dus komt het motief van dit principe daar niet uit voort.

Toepassing op Baudelaire

Beweren dat b(répondent–parfums) en vervolgens accepteren dat b(Correspondances– parfums), terwijl we de moeilijkheid veronachtzamen om van de ene stelling naar de andere over te stappen, zou lichtzinnig zijn (N.B. Correspondances: Samenspel; répondent: antwoorden). Zeker, de gemeenschappelijke wortel van «Correspondances» en «répondent», evenals de algehele betekenis van de tekst, maken het onvermijdelijk daartussen een parallel te trekken, maar het gelijktrekken blijft ongerechtvaardigd, omdat deze termen zodanig gegeven worden, de ene in de titel, de andere in de achtste regel, dat de verschillen ertussen, hoewel gering, toch benadrukt worden.

§17
· Hulpmiddel
Theorie

Hulpmiddelen voor een tekst zijn alle feiten die, zonder symbolen te zijn, het mogelijk maken diverse betekenissen te gebruiken als even zovele middelen om over genoemde tekst na te denken: woordspelingen, alliteraties, klankrijmen, rijmen, opvallende kwaliteit van het papier of de inkt, bijzondere lay-out; speciale verteltoon, vreemde stiltes, enzovoort. Aangezien uitspraken als leden slechts vakjes of groepen vakjes hebben, zijn ze geenszins geschikt om als hulpmiddelen dienst te doen.

Methode

De onzekerheid lijkt aanzienlijk groot wat de bedoelingen van de scheppers vis-à-vis zulke uitdrukkingswijzen betreft, tenzij het om materiaal gaat dat dateert uit de periode van oorsprong.

Toepassing op Baudelaire

We noemen verschillende gevallen in willekeurige volgorde: het blijkt onmogelijk iets zinnigs te zeggen over de betekenissen die ontstaan uit het herhaaldelijk gebruik van de “en ’s” en de “an ’s” aan het eind van het gedicht wanneer Baudelaire geuren oproept: «…Comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens,
Qui chantent les transports de l'esprit et des sens.» (…Zoals amber, muskus, benzoë en wierook,/Die de vervoeringen bezingen van geest en zintuigen.) Welke betekenis moeten we eveneens toekennen aan de N van «Natuur»? Geeft dit symbool de wereld aan of een godheid; of een vrouw, omdat de man er immers voorbijkomt? En wat zijn dan de levende pilaren? Laten we onze gedachten eens laten gaan over de volgende verzen [669]-[[1132]] in Index II (Gedichten)">[[1132]]: «Ze is verblindend als de Dageraad
En troostend als de Nacht…

Oh mystieke gedaanteverwisseling
Van al mijn zintuigen samengesmolten in één!
Haar adem maak muziek,
Zoals haar stem parfum bereidt.» Nerval schreef in ernst [551]: «Een vergoddelijkte vrouw, moeder, echtgenote, of minnares…» Anderzijds zouden volgens Michel Quesnel de «hautbois » (hobo’s) de “hauts bois” (N.B. «hautbois» en “hauts bois”, hoge bossen, zijn gelijkklinkend) uit de wouden van symbolen zijn [820]. En vervolgens wordt de teerheid van kinderhuidjes opgeroepen door het negende vers, dat begint met «Il est»; betekent dit “lait” (melk)? (N.B. de klank van «Il est» en “lait” is hoegenaamd gelijk). We zouden eveneens «encens» (wierook) kunnen splitsen in “en sang” (van bloed of bloedend) of «benjoin» (benzoë) in “bain joint” (toegevoegd bad), hetgeen alles bij elkaar genomen zou doen denken aan melk, bloed en water. En waarom zouden we tenslotte «…les transports de l'esprit et des sens.» (…de vervoeringen…van geest en zintuigen.) niet lezen als “…les transes, ports de laits pris et des sangs.” (… de trances, doorgangen van genomen melk en bloed.) en tevens «symboles» (symbolen) als “seins-bols” (borst-bollen) om daarna deze ideeën met elkaar in verband te brengen? We leggen dat alles voorlopig terzijde, evenals de interpretatie van de rijmen die toch als minder riskant bekend staat.

§18
· Illustratie
Theorie

De voorbeelden die we vinden met betrekking tot de ideeën die uit een tekst naar voren komen, vormen daar de illustraties van, maar die zouden zich niet in de uitspraken kunnen bevinden omdat hun leden slechts uit vakjes bestaan die uit de bestudeerde tekst zijn genomen.

Methode

Niettemin worden uitspraken heel vaak slechts aan de hand van sommige illustraties aandachtig beschouwd en het is dus vereist de voornaamste te kennen.

Toepassing op Baudelaire

Vlak voor „Samenspel“, midden in de bundel, komt „Elevatie“, dat over een thema van Plato gaat, voor [486]-[732]-[[1031]] in Index II (Gedichten)">[[1031]]. En onmiddellijk na ons gedicht komt een stuk poëzie waarvan de eerste twee regels als volgt klinken [[1063]] in Index II (Gedichten)">[[1063]]: «Ik houd van de herinnering aan die naakte tijden,
Wanneer de zon er plezier in schenkt standbeelden te vergulden.» Wanneer we vervolgens wat het ontstaan van „Samenspel“ betreft, verwijzen naar de Griekse literatuur, blijkt dat idee te verdedigen en dat denkbeeld komt van een heilige plaats vandaan waar, volgens Ovidius’ gezegde, levende pilaren vreemde woorden zouden hebben geuit [565]: «…De sprekende eiken van Dodone…» Daar had men een altaar gebouwd om Zeus te eren en een profeet had het op zich genomen het geritsel van de bladeren, door middel waarvan deze god geacht werd orakels te geven [486]-[487]: «…levende pilaren
Soms verwarde woorden uit loslaten…» te imiteren. Edgar Allan Poe, van wie Baudelaire veel heeft vertaald, schreef [796]: «…heilige, heilige dingen zijn eertijds door het donkere, trillende gebladerte rondom Dodone heen gehoord…» Het kon ook zijn dat de dichter dacht aan Afrika, waarvan hij een gedeelte gezien had, en waarvan Chateaubriand de wouden zag als model voor de tempels [192]-[628]- [668]-[[1127]] in Index II (Gedichten)">[[1127]]-[[1129]] in Index II (Gedichten)">[[1129]]. Baudelaire was een enthousiast liefhebber van deze auteur en, daar hij zeer geïnteresseerd was in Amerika, kon het ook zijn dat hij de geloofsovertuigingen van de "nieuwe wereld" in gedachten had. Antoine Adam toont anderzijds aan dat Esquiros, vriend van de dichter, de wereld vergelijkt met de tempel van Isis, en ook met het woud [8]-[663]-[810]. Nerval, altijd vol eerbied jegens de oudheid, vraagt [549]: «Herken je die Tempel met die onmetelijke omtrek…» Daarin weinig van Baudelaire verschillend, verklaart hij [554]«Mijn boeken, een vreemde opeenhoping van de wetenschap aller tijden…», en het gebeurt zelfs dat zijn standpunt verandert in de overtuiging, dat de maker van de tempel der werkelijkheid niet bestaat, hetgeen in tenmiste één regel voorkomt [548]: «Er is geen god voor het altaar, waarop ik het slachtoffer ben…» De tempel door Salomo gebouwd, zou een heel andere illustratie bieden. Volgens de Bijbel verklaart de koning tegen de vorst van Tyrus [116]: «Wilt u dus uw knechten opdracht geven om voor mij ceders te kappen op de Libanon.» Het verhaal wordt vervolgd [117]: «Chiram leverde Salomo zoveel ceders en cipressen als hij maar wilde…» De tempel nam vorm aan onder de leiding van de koning [118]: «Toen de muren van de tempel voltooid waren, liet hij een dak aanbrengen van balken en panelen van cederhout. De galerij, waarvan de verdiepingen vijf el hoog waren, was aan de tempel bevestigd met balken van cederhout.» Maar het vervolg van die episode past niet in onze vergelijking, want het beeld "wereld-tempel-woud" komt er nauwelijks uit naar voren [119]: «…De hele tempel werd van onder tot boven met bladgoud bedekt…» Tenzij we onze aandacht op een nieuwe passage richten [120]: «De ommuring van de binnenhof liet hij optrekken uit drie lagen op maat gehouwen steen, met daar bovenop een laag cederhouten balken.» En de Bijbel verschaft nog een traditioneel thema, dat Baudelaire gemakkelijk keeft kunnen kennen, dat van de vreugde door de natuur ervaren [123]-[133]: «…laten de bomen jubelen…» In ieder geval wil Claude Pichois ons laten zien dat we een andere bron, die van Chateaubriand, die schrijft [193]-[668]: «De wouden van de Galliërs zijn op hun beurt de tempels van onze vaders binnengegaan…» als één van de belangrijkste moeten beschouwen. Dat thema hield de gemoederen in die tijd bezig, en Balzac suggereerde het volgende landschap [73]: «…een lange boslaan die lijkt op een kathedraalgang, waar de bomen pilaren zijn, waar hun takken de gewelven vormen, aan het eind waarvan een verre, open plek, waar licht en donker zich afwisselen of de verschillende rode tinten van de ondergaande zon ons door het gebladerte heen als het ware de gekleurde ramen van het kerkkoor vol zingende vogels laat zien.» Tenslotte komt dit idee ook bij Vigny op, die het dan heeft over de zuilen van het woud en ook over wierookvaten gevormd door bloemen [964]. Wat de gedachten van Baudelaire betreft over de draagwijdte van dergelijke beelden, vestigt Claude Pichois onze aandacht op een brief die de dichter tegelijkertijd toont als iemand die de draak stak met fantasieën waarvan sommigen dachten dat hij daar het slachtoffer van was en als iemand die buitengewoon geïnteresseerd was in verheven meditaties [637]-[668]-[[1126]] in Index II (Gedichten)">[[1126]]-[[1128]] in Index II (Gedichten)">[[1128]]: «…u vraagt me dichtregels voor uw bundeltje, regels over de "Natuur", nietwaar? Over de bossen, de grote eiken, het groen, de insecten, -de zon waarschijnlijk? Maar u weet heel goed dat ik niet vertederd kan raken over planten…Ik zal nooit geloven dat "de ziel der Goden in planten woont", en zelfs als die er zou wonen, zou ik me er niet erg druk om maken, en zou ik de mijne van veel grotere waarde achten dan die van heilig verklaarde groenten…In de diepten der bossen, opgesloten onder gewelven als van consistoriekamers en kathedralen, denk ik aan onze verbazingwekkende steden, en de geweldige muziek die rolt over de boomtoppen, schijnt me de vertolking van menselijke klachten toe.»

§19
· Bron
Theorie

Het blijkt onmogelijk enkel en alleen door middel van de uitspraken, de bronnen van een tekst te vermelden, omdat we daarvoor immers woorden van buitenaf zouden moeten gebruiken, bijvoorbeeld ontleend aan teksten waarvan we veronderstellen dat de auteur ze geraadpleegd heeft. Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar de denkbeelden die de schepper van de betreffende tekst gedurende zijn leven heeft ontwikkeld of naar de omstandigheden waarin z’n gedachtenvorming plaats vond, want dan zouden in ieder geval eigennamen geciteerd worden, terwijl de formules waaruit de uitspraken bestaan, in hun leden slechts vakjes uit de geanalyseerde tekst bevatten.

Methode

Voor talrijke tijdperken schrijft men enige eeuwen later gemeenschappelijke ideeën, die zich heel snel verbreid hebben, toe aan individuele auteurs, maar dat veroordeelt het onderzoek naar de bronnen niet, op voorwaarde dat we, indien nodig, niet aarzelen die welke uit dezelfde periode zijn als een bepaald oeuvre, te beschouwen als uitingen van de sfeer van die tijd, en niet als materiaal dat de meest erkende auteurs nu juist weer zouden hebben gebruikt. In dat licht bezien blijft er niets over van de theorieën die het begrip "bronnen" in diskrediet brengen en die er bijna onvermijdelijk toe zouden leiden belangrijke uitspraken te veronachtzamen.

Toepassing op Baudelaire

Vooral privé schijnt Baudelaire veel met begrippen gemanoeuvreerd te hebben, en het was hem zelfs geoorloofd dat met betrekking tot z’n naam te doen, die, wanneer hij eenmaal weer als een zelfstandig naamwoord beschouwd wordt, de betekenis heeft van een soort rond zwaard [496]-[590]-[[1114]] in Index II (Gedichten)">[[1114]]. Aangezien hij er dol op was zich in de poëtische samenhang der dingen te verdiepen, heeft hij mogelijk, zoals Antoine Adam opmerkt, de inzichten van Schelling, weer overgenomen door Germaine de Staël, gekend [8]-[934]: «Wat is er bijvoorbeeld verwonderlijker, dan het verband tussen geluiden en vormen, en tussen geluiden en kleuren?» De dichter was eveneens geïnteresseerd in een onnoemelijk aantal tendensen betreffende de meest verheven gedachten, men neemt dan ook vaak aan dat hij in 1857 sommige vage opvattingen van Swedenborg, Maistre, Wronski en Alphonse Louis Constant, kende [8]- [377]-[662]. Marc Eigeldinger schrijft [7]-[378]-[663]: «Jacques Crépet komt de eer toe erop te hebben gewezen dat het gedicht "Les Correspondances", dat in "de Drie harmonieën" (1845) van abt Constant voorkomt, kon worden beschouwd als één van de bronnen van het sonnet "Correspondances".» En omdat daar immers geen enkele zekerheid over bestaat, citeert hij een gedeelte van de tekst om een gedachte te ondersteunen waarvoor hier geen enkele aanwijzing bestaat: «Deze wereld, samengesteld uit zichtbare woorden,
Is de droom van God;
Zijn woord kiest er de symbolen in,
De geest vervult ze met z’n vuur.» En vervolgens: «Niets is stemloos in de natuur
Voor wie weet hoe hij met de wetten ervan moet omgaan:
Kunnen de sterren schrijven
En hebben de bloemen in het veld een stem,
Uitbundig losbarstend woord in sombere nachten,
Uitdrukkingen zo rigoureus als getallen.» Claude Pichois legt de nadruk op de twee betekenissen die men voor het woord “samenspel” mogelijk acht [666]. Eén die de relaties tussen de elementen van de natuur betreft: «…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.» En één die heeft te maken met de relatie tussen de wereld en het bovennatuurlijke: «De Natuur is een tempel…» Baudelaire spreekt in een brief eensluidend over «"de universele gelijkenis"» en «het "samenspel"» [10]-[612]-[640]. Hij voegt eraan toe [379]-[641]: «…de Natuur is een "woord", een beeldspraak, een vorm, een "afgietsel"…» een soortgelijk beeld als die waar hij zo dol op is en die afkomstig zijn van schrijvers die hij graag citeert, zoals Hoffmann [9]-[12]-[439]-[607]-[693]: «…ik tref een intieme overeenkomst en verbondenheid tussen kleuren, geluiden en geuren aan. Het schijnt me toe dat al deze dingen zijn geschapen door eenzelfde lichtstraal, en dat ze voorbestemd zijn zich in een prachtig concert te verenigen. De geur van goudsbloemen heeft vooral een magisch effect op me. Die doet me in een diep gemijmer zinken en ik hoor dan als in de verte de lage en diepe tonen van de hobo.» Claude Pichois complimenteert Felix Leakey, zoals hij dat Jean Pommier doet wat het voorgaande gedeelte betreft, dat hij z’n gedachten heeft laten gaan over een pagina van Nerval, waarin men kan lezen [553]-[662]-[664]: «Alles leeft, alles handelt, alles past in elkaar…» Een passage uit Balzac toont de andere zijde van die opvatting [61]: «Volgens de verklaringen en getuigenissen van alle slaapwandelaars, vormt hun toestand een heerlijk vertoeven. Het innerlijk wezen, vrij van alle belemmeringen die, als het normaal functioneert, de zichtbare natuur met zich meebrengt, wandelt dan rond in de wereld die we ten onrechte onzichtbaar noemen. Het zien en horen functioneren dan beter dan in de zogenoemde "waaktoestand", en misschien zelfs zonder hulp van de organen die het voetstuk zijn van die lichtgevende zwaarden die men het zien en het horen noemt!» Wanneer Léon Cellier, Sainte Beuve citeert in verband met een opmerking uit 1846, onderstreept hij indirect de brede kennis die Baudelaire had van Balzacs romans [180]: «Ik heb een bezoek gebracht aan m’n libertijnse vriendje, die me de vreemdste dingen over literatuur en dichtkunst heeft verteld, maar die niettemin geestverruimend zijn, en een licht werpen op de komende generaties. Hij is weg van Balzac en verkondigt een theorie over hem die heel grappig, en daarom zo kostbaar voor me is omdat hij heel goed aansluit bij het standpunt van genoemde auteur, en me een goed inzicht in hem geeft.» We benadrukken graag, hierdoor een licht misverstand riskerend, wat Gautier, over het effect van hasjisch op de geest, schreef [409]: «…Blauwe en rode geluiden…kwamen plotseling tevoorschijn…» Hij schreef ergens anders, deze keer zonder toespeling op verdovende middelen [404]: «…ik ontdek wonderschone affiniteiten en sympathieën, ik hoor de taal der rozen…» Misschien dezelfde als die waarover Baudelaire het heeft als hij zegt [[1034]] in Index II (Gedichten)">[[1034]]: «…De taal der bloemen en stemloze dingen!» Geïnspireerd door Edgar Allan Poe, verklaarde hij [685]: «De verbeelding is een bijna goddelijke gave die…de intieme en geheime relaties tussen de dingen, het samenspel en de overeenkomsten, opmerkt.» En verderop in dezelfde studie [486]-[665]-[686]: «Dat bewonderenswaardige, onsterfelijke instinct voor het Schone doet ons de aarde en z’n taferelen als een verkleinde uitgave, als een voorspel van de Hemel beschouwen.» Edgar Allan Poe zelf schreef [8]-[665]-[792]: «De materiële wereld…komt in veel opzichten exact overeen met de immateriële…» Hij droomde van [795]: «…die "overeenkomst", waarvan de welsprekendheid, die ontegenzeglijk belangrijk is voor het voorstellingsvermogen, niets zegt tegen het gebrekkige en eenzame verstand…» Hij dacht eveneens dat hij het fundament van de wereld zo kon beschrijven [793]: «Deze materie is God». Het is mogelijk dat verschillende schrijvers uit de Renaissance die gezichtspunten hebben doorgegeven, maar het valt te betwijfelen of Baudelaire hun geschriften erg goed kende [396]. Klassieke schrijvers daarentegen hebben frekwent dergelijke ideeën naar voren gebracht [668]. Plato verhaalde van een mythe over het fabriceren van het concrete door een wonderlijk handwerksman [756]: «…de God, die had besloten de Wereld te maken, die het meest moest lijken op het mooiste der verstandige wezens en op een Wezen dat volmaakt was in alles, heeft er een uniek, zichtbaar Leven van gemaakt, dat alle Levenden die door hun natuur van dezelfde aard zijn als hij, in zich bergt.» Vreemde wereld [761]: «…Zichtbaar Leven dat alle zichtbare levenden omhult…» Plotinus, die van de pedagogische mythe overgaat op het systeem, maakt de volgende overdenking [781]«…de dingen hangen niet van elkaar af, maar in een bepaald opzicht lijken ze allemaal op elkaar. En dat is misschien wel wat het bekende gezegde: "De overeenkomst tussen de dingen handhaaft alles" inhoudt.» In dat geval [782]: «Is de wereld geen god…» En vervolgens [784]: «Dit is een unieke natuur die het heelal der levende wezens vormt; hij is dus een groot god, omdat hij het goed acht alle dingen te zijn.» Soms haalt hij de auteur aan wiens theorie hij meent uit te leggen [785]«Daarom zegt Plato deze raadselachtige woorden: "Olie wordt tot in het oneindige opgedeeld."» We kunnen de charme van deze overpeinzingen niet ontkennen, we proeven ze zonder ze te begrijpen, ondergedompeld in de plechtige zachtheid ervan [667].

§20
· Functie
Theorie

Elke stellingname over de taakuitoefening van het verbindingsstreepje in de uitspraken vormt een bevestiging of een ontkenning, en elke stellingname houdt daar waar hij zich bevindt, een uitspraakfunctie in. Als geen van beide wordt verschaft, geeft het streepje samen met de termen niet langer een uitspraak weer, maar vormt een constructie.

Methode

Deze dient zich wel aan als een betekenis, maar veronderstelt in het geheel geen oordeel.

Toepassing op Baudelaire

(Natuur–tempel) vermijdt als constructie tegelijkertijd b(Natuur–tempel) en d(Natuur–tempel), om vrij van elk oordeel een idee van de betekenissen «Natuur» en «tempel» te geven, begrippen die zelfs vrijer worden gehanteerd dan in het spel waarover verteld wordt in „het Leven van Aesopus de Frygiër“, een tekst die toegankelijk is voor elke leerling sinds de vertaling van La Fontaine [383]-[483]: «…de koning liet bepaalde fijnbesnaarde figuren die heel bedreven waren in het stellen van raadselachtige vragen, uit Heliopolis komen. Hij bereidde hun een groot feestmaal, waarvoor de Frygiër werd uitgenodigd. Tijdens de maaltijd legden ze Aesopus verschillende vraagstukken voor, onder andere het volgende. Er is een grote tempel die steunt op een pilaar die door twaalf steden wordt omgeven, waarvan elk dertig steunbogen heeft, en rondom deze steunbogen wandelen twee vrouwen achter elkaar aan, de ene wit, de andere zwart. "Jullie moeten deze vraag, zei Aesopus, niet aan mij, maar aan de kleine kinderen van ons land stellen. De tempel is de wereld; de pilaar, het jaar; de steden, dat zijn de maanden, en de steunbogen, de dagen, waar de dag en de nacht afwisselend omheen wentelen."»

§21
· Duidelijke constructie
Theorie

We bevinden ons in tegenwoordigheid van een duidelijke constructie wanneer de verwijzing naar een steunpunt er het bestaan van rechtvaardigt. Een hanteringsregel voor betekenissen die een steunpunt vormt in het bijzonder, belet elke interpreet een associatie van ideeën te veronachtzamen, terwijl het hem kan gebeuren dat hij deze niet opmerkt indien alleen bobbels hem maar een aanwijzing geven.

Toepassing op Baudelaire

Zo beschikken (antwoorden–geest) en (antwoorden–zintuigen) over geen enkele waarborg, want er bestaat geen enkel bewijs van dat Baudelaire welk verband dan ook legt tussen de bestudeerde betekenissen. Van (lange–echo’s) daarentegen blijkt dat er een duidelijk verband tussen bestaat, omdat de tekst genoeg materiaal biedt om er een niet te betwijfelen grammaticaal verband tussen de termen in kwestie uit te halen.

Methode

Het belang van de betekenissen wordt hier niet in twijfel getrokken, omdat een op zich boeiend idee met betrekking tot een uitdrukking die geen enkele duidelijke constructie bevat, heel goed bij een lezer of een luisteraar kan opkomen.

§22
· Soliditeit
Theorie

De critici van een tekst bestaan uit degenen die wederzijds de kwaliteit van hun bijdragen daaraan erkennen, en een uitspraak blijkt solide te zijn zodra deze groep niet over de middelen beschikt om aan te tonen dat hij niet juist is.

Methode

Zo, aan de ene kant, de definitie van een groep kenners voor elk domein al intuïtief blijft, deze is daarom nog niet helemaal van z’n grondslag ontdaan, en aan de andere kant bestaat het slechts naar voren brengen van sterk geargumenteerde denkbeelden niet noodzakelijkerwijze uit in herhaling vervallen.

Toepassing op Baudelaire

Behalve het terrein van goed gefundeerde nieuwe denkbeelden, ligt dat van de al eerder naar voren gebrachte, maar subtieler uitgewerkte ideeën open; zo zullen we ons kunnen afvragen of pilaren die de stem van de hemel naar de aarde overbrengen, niet in het gedicht aangegeven worden, en we zijn vrij dat te doen door ons te beroepen op woorden die tot de meest klassieke behoren, die van Vergilius [966]: «…de eik, de volwassen reus, waarvan Jupiter het bladerdak zo bewondert, en de rode eiken, die volgens de Grieken, orakels geven.»

§23
· Constructie, functie, uitspraak, soliditeit
Theorie

Men kan met betrekking tot eenzelfde constructie, de functies aan de hand van hun vermogen om op een solide uitspraak uit te monden, beschouwen.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien de tweede regel het door het laatste gedeelte ervan onmogelijk maakt d(loslaten–woorden) als solide te accepteren, blijkt functie b de enige te zijn die hier de uitspraak soliditeit kan geven.

Methode

We moeten ons er in deze zaak rekenschap van geven dat het zich afvragen of een idee door een tekst wordt uitgedrukt, niets uit te staan heeft met de taak te bepalen of de tekst de waarheid zegt, zodat het verwijzen naar voorwerpen en regels in een kritiek slechts dient om betekenissen te bepalen. Een professor die een leerboek herziet, zal er de fouten willen uitnemen, terwijl een historicus die een beroemde tekst gebruikt, er iedere wijziging van zal vermijden, zelfs wanneer daarin een steunpunt betreffende een bepaald onderdeel een onjuistheid aan het licht brengt.

§24
· Richting
Theorie

De richting van een constructie wordt bepaald door de gezamenlijke functies die deze bezit en die een solide uitspraak vormen.

Toepassing op Baudelaire

Wat betreft (Natuur–tempel) beperkt de richting zich tot b, maar betreffende (bedorven–tempel) bestaat hij uit (b, d) want b(bedorven–wierook) blijkt geheel en al onvermijdelijk te zijn wanneer we de laatste vier regels in aanmerking nemen, en vervolgens moeten we dat eerste idee in verband brengen met hetgeen we weten over de rol van wierook, wat het overstappen op het begrip tempel rechtvaardigt en in geen enkel opzicht verhindert dat we gedwongen zijn d(bedorven–tempel) eveneens als zijnde solide te erkennen.

Methode

Wanneer we ons denken de vrije loop kunnen laten gaan omdat geen enkel steunpunt in aanmerking hoeft te worden genomen, heeft het in overweging nemen van twee tegenovergestelde mogelijkheden niets buitensporigs, omdat we de beschrijving van betekenissen uitvoeren door middel van uitspraken, wat daarentegen heel moeilijk gaat bij teksten met een nauwgezette betekenis.

§25
· Richtingsmogelijkheden
Theorie

Voor een constructie zijn maar drie richtingen mogelijk: (b); (d); (b, d). Met een duidelijke constructie kan men overigens (b, d) verkrijgen. Het is voldoende een heldere tekst te hebben voor wat het verband tussen de termen betreft, maar in vragende vorm bijvoorbeeld. Ironie of aarzeling staan eveneens een dergelijke uitkomst toe: men weet dat de termen met elkaar in verband staan, maar men weet niet op welke manier.

Methode

Laten we het aftelrijmpje "ik hou een beetje, veel, hartstochtelijk, waanzinnig veel, helemaal niet van je" eens bekijken. De constructie (hou–ik) blijkt duidelijk te zijn, en toch blijken b(hou–ik) en d(hou–ik) eveneens van soliditeit voorzien te zijn. Het is evenzo met de volgende tekst: "zijn mensen beesten?" Wat betreft (mensen–beesten), verkrijgt men de bevestiging dat b(mensen–beesten) en d(mensen–beesten) beide solide zijn. Of tenslotte een scène uit een blijspel waarin een figuur tegen zijn luidruchtige buurman verklaart: "fijn was dat, dat je me de hele nacht door een serenade hebt gebracht". Hoewel de constructie (Fijn–was) duidelijk is, zal men toch de soliditeit van elk van de uitspraken die eruit voortgekomen is, moeten accepteren.

Toepassing op Baudelaire

Helaas zijn er nog steeds problemen. Moeten we nou werkelijk menen dat Baudelaire, wanneer hij in een sonnet schrijft «De Natuur is een tempel…» om vervolgens het beeld van het bederf van wierook op te roepen, geen enkel verband legde tussen deze twee passages? Daar moeten we hartelijk om lachen. Wat nu de grondgedachte betreft, dit denkbeeld is het hoofdonderwerp van de bijbelse episode over de kooplieden die uit de tempel verdreven worden [126]- [145]«Er staat geschreven: "Mijn huis moet een huis van gebed zijn," maar jullie maken er een rovershol van!» Maar naast dit thema dat betrekking heeft op de heilige plaats op een ontwijde dag, treffen we in de Bijbel dat van het Allerheiligste dat vanaf het begin door bederf wordt getroffen, aan [121]: « Juist tot die vrouwen voelde Salomo zich aangetrokken…en deze vrouwen maakten hem ontrouw: op zijn oude dag verleidden zij hem ertoe andere goden te gaan dienen en was hij de Heer, zijn God, niet meer met hart en ziel toegedaan zoals zijn vader David dat was geweest. Salomo zocht zijn heil bij Astarte, de godin van de Sidoniërs, en Milkom, de gruwelijke god van de Ammonieten. Hij deed wat slecht is in de ogen van de Heer en was de Heer niet zo trouw als zijn vader David. Zo liet hij op een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken ter ere van Kemos, de gruwelijke god van Moab, en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de Ammonieten. Voor al zijn buitenlandse vrouwen maakte hij eigen offerplaatsen, zodat zij wierook konden branden en offers konden brengen voor hun goden.» Wat „Samenspel“ betreft weten we niet of de "tempel-wereld" door Baudelaire echt wordt gezien als één die door bederf is aangetast en zoja, dan weten we evenmin of dat beeld eerder het thema van het kwaad dat vanaf het begin aanwezig is of van het tegenovergestelde idee daarvan, betreft.

§26
· Oogmerk
Theorie

Indien men er in het geheel niet meer in slaagt opnieuw een uitspraak te vinden wanneer men van een formule het eerste vak, welk dat dan ook zijn mocht, afneemt, is hij onherleidbaar en noemt men hem een oogmerk.

Toepassing op Baudelaire

Op die wijze vormt b(Antwoorden–geuren) daarvan een voorbeeld, maar b(Antwoorden elkaar–geuren) geenszins, omdat men immers, wanneer het eerste vak van het linkerlid is afgenomen, weer opnieuw op een uitspraak stuit. Geen enkele van de volgende formules komt ervoor in aanmerking in een oogmerk veranderd te worden: b(Antwoorden elkaar–geuren kleuren); b(Antwoorden elkaar–kleuren geluiden); b(Antwoorden–geuren kleuren geluiden). De uitspraken b(Antwoorden– geluiden) en b(Antwoorden–kleuren) daarentegen, zijn onherleidbaar. We zouden daar tegenin kunnen brengen dat, wanneer we vakken weglaten, we de betekenis in ernstige mate wijzigen en dat volgens het gedicht de kleuren bijvoorbeeld niet in de eerste plaats elkaar, maar, wat meer voor de hand ligt, de geuren en geluiden antwoord geven. Toch zullen we, indien we het serieus aanpakken, moeten erkennen dat niets een juiste behandeling van begrippen in de weg staat, wanneer we onherleidbare uitspraken als uitgangspunt nemen. Zo zullen we, nadat we het belang hebben aangetoond van b(Antwoorden–geuren) en b(Antwoorden–kleuren), er de nadruk opleggen dat het van belang is b(geuren–kleuren) en b(Antwoorden–elkaar) te doorgronden.

Methode

Als het essentiële in betekenissen aanwezig blijft is dat voldoende om deze vervolgens bruikbaar te maken op een hoger niveau.

§27
· Knelpunt
Theorie

Een knelpunt bestaat uit een oogmerk dat gemaakt is om een storing te beschrijven. Voor de formule van dergelijke uitspraken zal men een (r) kunnen plaatsen teneinde ze beter te kunnen onderscheiden.

Methode

Een schepper schokt het publiek vaak wanneer hij zichzelf enig geweld oplegt; we moeten dan ook niet denken dat knelpunten elke keer oppervlakkige provocaties betreffen.

Toepassing op Baudelaire

Het vreemde van hetgeen gezegd wordt over het bederf van wierook, en het oproepen van de zachtheid van geuren die tot een andere categorie behoren, brengt ons de gemengde indruk in herinnering die het volgende couplet op ons maakt [[1049]] in Index II (Gedichten)">[[1049]]: «De tijd komt aan dat iedere bloem,
Trillend op zijn stengel, verdampt als een wierookvat;
Geluiden en geuren doorkruisen de avondlucht,
-Weemoedige wals en smartelijke duizeling!»

§28
· Front
Theorie

Met betrekking tot twee termen van eenzelfde tekst waartussen geen enkel verband wordt gewaarborgd door een verwijzing naar welk steunpunt dan ook, eist het juist inschatten van hun onderlinge verhouding, dat we geen rekening houden met de verschillen in stijl die variëren van kort en bondig tot omslachtig, en dat we daarvoor alleen die woorden bestuderen die onmisbaar zijn om het wezenlijke van het tussenliggende gedeelte uit te drukken, wat erop neerkomt dat in telegramstijl weer te geven. De vakjes die hierna overblijven zijn de fronten en we spreken vervolgens af, alle vakjes die de leden vormen van solide knelpunten, op die wijze te bekijken, omdat de betekenis ervan immers slechts een beslissend karakter, exact het vereiste, kan dragen. Om de fronten probleemloos te tellen, worden de andere vakjes tussen haakjes geplaatst, of bij een mondelinge tekst, worden deze, wanneer ze schriftelijk vermeld worden, op dezelfde manier behandeld.

Toepassing op Baudelaire

Vanaf «répondent» (Antwoorden) tot «enfants» (kinderen) tellen we vijf fronten: “…Les parfums, les couleurs et les sons se répondent./////(Il) est (des) parfums frais comme (des) chairs (d')/////enfants…” (…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar. Er zijn geuren, zo fris als een kinderhuid…)

Methode

Doordat we ervoor hebben gekozen slechts oogmerken te behandelen, hebben we sommige aspecten van de betekenissen terzijde gelaten, en datzelfde gebeurt wanneer we overstappen van hetgeen de vakjes in hun totaliteit uitdrukken naar datgene wat de fronten op zichzelf betekenen, maar al die kunstmiddelen hebben tot doel uit het bestudeerde geheel het belangrijkste naar voren te halen.

§29
· Schommeling
Theorie

Wanneer we door middel van een solide oogmerk een storing beschrijven met het vermoeden er een foutieve opvatting van te hebben, heeft het knelpunt een zwak voor de intuïtie, en het onvermijdelijke karakter van het vreemde verleent integendeel kracht aan de beschrijving ervan. De schommeling van een knelpunt bestaat uit een cijferwaardering van z’n zwakte aan betekenis, en we omschrijven hem alleen indien hij toont dat hij solide is. Een minimale waarde van 1 bezittend, bestaat hij uit een product van vier hoeveelheden, waarvan elk uit een bepaald aantal mogelijkheden bestaat, al of niet voorzien van een coëfficiënt. Ongeacht welk van deze factoren dient zich, wat de schommeling betreft, aan als de tegenwaarde van een oorzaak van zwakheid aangaande het bestudeerde knelpunt.

Toepassing op Baudelaire

Ongetwijfeld blijkt rb(Natuur–tempel) een solide knelpunt van grote intuïtieve kracht te zijn; rb(bedorven–tempel) daarentegen lijdt aan een ernstige zwakte ondanks zijn uiterlijke schijn, en zij die zich al te zeker van z’n aannemelijkheid tonen, worden ervan verdacht de tekst te hebben geraadpleegd.

Methode

Aangezien storingen enerzijds per definitie moeilijk te begrijpen zijn en anderzijds niet opgelost kunnen worden door naar een steunpunt te verwijzen, want zelfs de minst hinderlijke worden door vaagheid gekenmerkt, is het gerechtvaardigd aan knelpunten die deze beschrijven, een schommeling van minimaal 1 toe te kennen.

§30
· Mogelijkheden
Theorie

Stel, we nemen een geldstuk en een dobbelsteen. Door een weddenschap af te sluiten over de uitkomst van één gooi van die twee voorwerpen, maken we ons afhankelijk van hun overeenkomst daarmee, en daar schuilt de kwetsbaarheid van alle hoop betreffende een gunstige afloop in. Aangezien het geldstuk 2 kanten bezit, zal één van de numerieke waarden waarmee het risico dat men loopt, wordt aangeduid, onmiskenbaar 2 zijn; de andere 6, omdat de dobbelsteen 6 zijden heeft. De volgende combinaties zijn mogelijk: kop-één; kop-twee; kop-drie; kop-vier; kop-vijf; kop-zes; munt-één; munt-twee; munt-drie; munt-vier; munt-vijf; munt-zes. In z’n geheel genomen, tellen we 12 mogelijkheden ((2)(6)); 2 bij het geldstuk; 6 bij de dobbelsteen. Zo vormt 12 bij een dergelijke weddenschap een numerieke tegenwaarde wat de kwetsbaarheid van de wens betreft. Het redeneren over betekenissen vertoont daar een gelijkenis mee: men vermenigvuldigt de factoren om een zwaktegraad van de knelpunten te verkrijgen omdat de samenstelling van de oorzaken dat rechtvaardigt.

Toepassing op Baudelaire

De reden waarom het uitgesloten lijkt een voorspellingsanalyse betreffende de waarde van de interpretaties uit te voeren, schuilt hierin dat de betekenissen die ze kunnen hebben, in tegenstelling tot die van het werpen van de geldstukken en de dobbelstenen, zich gedeeltelijk onvoorspelbaar tonen. Als iemand een interessante vondst doet, zelfs als deze ter discussie staat, is dat voldoende om van een bepaalde regel uit „Samenspel“ een interpretatie aan te dragen die nieuw is voor de critici.

Methode

Een gedeelte van de berekening van waarschijnlijkheden laat daarentegen tot in de kleinste details het controleerbare karakter ervan zien: Pascal en z’n medewerkers, die aan de gevolgen dachten van het idee dat twee maal zes gooien met twee dobbelstenen slechts één keer op de zesendertig gebeurt, oftewel ((6)(6)), constateerden eerst dat elk van de zes kanten van de ene om de beurt samen kan vallen met elk van de zes kanten van de andere [250]- [568].

§31
· Symbolen
Theorie

Het getal dat als schommelingsfactor gebruikt wordt, schrijft men tussen haakjes voorafgegaan door een letter die zijn herkomst aanduidt, zoals bijvoorbeeld bij t(2). Zonodig plaatsen we ook zo’n symbool voor de formule van het knelpunt waarop het betrekking heeft. De factoren en hun teken bestaan uit: (t), wat de rang betreft; (m), aangaande de speling uitgedrukt door de term in het linkerlid; (w), betreffende hetgeen de andere term verschaft; en tenslotte (s), wat de interne verwijdering aangaat.

Methode

De schommeling komt uiteindelijk als het product (tsmw) te voorschijn, met bijvoorbeeld t(2)s(1)m(2)w(1) of ((2)(1)(2)(1))=4.

Toepassing op Baudelaire

Men moet het numeriek behandelen van enkele facetten van Baudelaire’s denkwijze, door middel van een methode die de auteur niet tot in de details kende, niet als onmogelijk beschouwen. Het gaat er hier niet om een gedachtenwisseling met de dichter aan te gaan, maar slechts een goed uitgevoerde beschrijving te verkrijgen van bepaalde, door de tekst geleverde aspecten. We hoeven ons in het geheel niet verplicht te voelen te denken dat Baudelaire zich op enigerlei wijze bezig hield met de begrippen uitspraak, knelpunt of schommeling. Wanneer een grammaticus spreekt over achtervoegsels in „Ilias“, brengen de critici geenszins naar voren dat in de tijd, waarin het verhaal is ontstaan, niemand op de hoogte was van het exacte begrip achtervoegsel, en dat dientengevolge de betreffende studie zinloos is. De dichtkunst uit het Homerustijdperk verschaft een overvloed aan achtervoegsels en dat veronderstelt niets over de eventuele benaming die deze van hun scheppers ontvingen.

§32
· Rang 1
Theorie

De rang van een knelpunt stelt het aantal functies voor dat de constructie in z’n richting bekleedt, hetgeen z’n afwezigheid met zich meebrengt voor de knelpunten die geen soliditeit bezitten, terwijl hij tot 1 opklimt en met t(1) wordt aangeduid als één enkele functie daar wel over beschikt.

Methode

Het is belangrijk de andere uitspraak die uit dezelfde constructie als die waaruit het bestudeerde knelpunt is voortgekomen, te bestuderen: zodra die, zoals hijzelf, solide blijkt te zijn, zal de rang niet tot 1 kunnen stijgen.

Toepassing op Baudelaire

rb(bedorven–geest) vormt wel degelijk een solide knelpunt, maar aangezien (d) door z’n invloed op (bedorven–geest) opnieuw een solide uitspraak verschaft, kan het knelpunt dat daarmee een contrast vormt en een schokkend idee beschrijft, in ieder geval niet rang 1 krijgen.

§33
· Rang 2
Theorie

De rang wordt op 2 vastgesteld, en we duiden hem aan met t(2), zodra uit dezelfde constructie twee solide uitspraken zijn voortgekomen, waaronder het knelpunt in kwestie.

Methode

Het denkbeeld dat uit de daarmee contrasterende uitspraak naar voren komt, lijkt wat de interpretatie betreft, dezelfde waarde te hebben zodra de rang tot 2 opklimt.

Toepassing op Baudelaire

Door knelpunten van dat genre worden de meest kwetsbare uitspraken twijfelachtig; zo zal (b(bedorven–tempel)) verwerpelijk lijken volgens die of die verwachting, maar aangezien de critici geenszins de middelen verschaffen om er de absurditeit van aan te tonen, zal het debat zich voortzetten. Claude Pichois, die een opmerking van Jacques Gengoux als uitgangspunt neemt, laat zien hoe het hele gedicht zogezegd om die as met tegengestelde indrukken van het sensuele en het heilige draait [669]-[670].

§34
· Interne verwijdering 1
Theorie

De aanwezigheid bij een knelpunt van een duidelijke constructie bestaat uit de zeggingskracht van de beschreven betekenis, en de interne verwijdering wordt vastgesteld op s(1) zodra de kracht van deze indrukken de zekerheid daarvan met zich meebrengt.

Methode

Een waarde van 1 is juist omdat de schommeling nooit tenietgedaan kan worden.

Toepassing op Baudelaire

Zo is s(1)rb(Natuur–tempel) onvermijdelijk, evenals s(1)rb(gadeslaan–symbolen), terwijl we s(1) voor b(gadeslaan–wouden) zullen moeten weigeren omdat ten eerste de betekenis van “veel” exact lijkt te passen bij «wouden van», en tegelijkertijd «symbolen» dat dichter bij «Die» staat, beter bij «gadeslaan» past dan «wouden».

§35
· Drie situaties
Theorie

Wanneer de constructie van een knelpunt geen duidelijk karakter draagt, doen zich drie mogelijkheden voor die volkomen onverenigbaar met elkaar zijn: “het verband tussen de ideeën die de constructie mogelijk maken is vanaf de oorsprong zichtbaar geconstrueerd om door het publiek te worden geraden”; ofwel “de schepper van het boek had er zichzelf al een vage voorstelling van gemaakt”; of, de laatste mogelijkheid, “hij had daar niets van voor ogen staan en moet een dergelijke constructie dus naar het domein der fabels worden verwezen”.

Methode

De twee twijfelgevallen moeten. onderscheiden worden, zelfs als de discussies over een duizendtal graduaties of nuances van deze vage denkbeelden doorwoeden.

Toepassing op Baudelaire

Terwijl we ze zeker niet met elkaar moeten verwisselen, staan ze toch heel dicht bij elkaar, zo behoort (corrompus–esprit) eventueel tot het domein der illusies, maar we moeten evenmin uitsluiten dat Baudelaire eraan gedacht heeft. Aangezien vervoeringen gedeeltelijk tot het geestelijke behoren en bedorven geuren volgens het gedicht hun uitwerking vieren, lijkt een verband dat reeds vanaf de oorsprong tussen de ideeën bestaat aannemelijk. De schrijver heeft, misschien met betrekking tot dergelijke emoties, de volgende vraag gesteld [9]-[664]-[718]-[781]: «…wie heeft niet die zalige uren gekend, waarlijke feesten voor de hersenen, tijdens welke de zintuigen die dan scherper zijn, intensere gewaarwordingen opdoen en de hemel, die dan van een nog doorschijnender blauw is, op een nog diepere afgrond lijkt; de geluiden een muzikale klank hebben, de kleuren spreken en van de geuren zeeën van ideeën uitgaan?» 14

§36
· Interne verwijdering van 2 of hoger
Theorie

Om de interne verwijdering te bepalen wanneer elke duidelijke constructie ontbreekt, maken we, wat de mogelijkheden betreft die we in eerste instantie hebben geconstateerd, onderscheid tussen de eerste twee en die overblijft, en daar is enig abstractievermogen voor nodig, omdat we vooral de tweede en derde mogelijkheid het gemakkelijkst als een geheel beschouwen. Waarde 2 vormt de numerieke tegenwaarde van: “de constructie moet geraden worden”; “hij is vanaf de oorsprong vaag”. Wat waarde 1 aangaat, nu van de andere gescheiden, die vertegenwoordigt de derde mogelijkeid: “de constructie behoort tot het domein der illusie”. We voorzien nu die waarde 1 van een coëfficiënt omdat wat de constructie betreft des te eerder een vergissing begaan wordt, naarmate de termen van het knelpunt van elkaar verwijderd blijken te zijn. We bepalen het coëfficiënt als het getal dat het best het risico van een illusie weergeeft: dat der fronten die de termen van elkaar scheiden, gedeeld door 10. Hoe verder de tientallen fronten zich van de termen af bevinden, hoe minder aannemelijk de constructie lijkt. Bij een n aantal fronten is (s) dientengevolge 2+(1(n/10)). Waarde 2 komt van die twee mogelijkheden die afzonderlijk beschouwd worden, vandaan, en 1 vertegenwoordigt de derde eventualiteit, die der volledige illusie, terwijl n/10 het coëfficiënt is dat we aan deze waarde toevoegen.

Methode

Bij 30 fronten tussen de termen van een knelpunt, maar geen enkele duidelijke constructie, zal de waarde van s opklimmen tot: 2+(1(30/10)) oftewel 2+(30/10) dus (2+3)=5. En wanneer er zich 5 fronten tussen de termen van het knelpunt bevinden, zal het resultaat 2+(1(5/10)), oftewel 2+(5/10)=(2+0,5)=2,5 zijn.

Toepassing op Baudelaire

Zo zal men s(2,5)rb(corrompus–infinies) vinden, omdat (corrompus–infinies) immers niet duidelijk is en omdat vijf fronten de termen in kwestie van elkaar scheiden. Er wordt namelijk uitgedrukt dat bedorven geuren de expansie der oneindige dingen bezitten, maar dat is geenszins voldoende om (corrompus–infinies) als zeker zijnde te verklaren, en verder kunnen we het betreffende gedeelte tenslotte heel goed op de volgende wijze zeggen: “Il est des parfums…corrompus,/////riches (et) triomphants, Ayant (l')expansion (des) choses/////infinies…” (Er zijn geuren…bedorven, rijk en zegevierend, De uitbreiding van oneindige dingen bezittend…) hetgeen vijf fronten te zien geeft, waardoor de waarde 2,5 wordt.

§37
· Het evenwicht tussen de factoren
Theorie

We zijn gedwongen ons aarzelend zoeken bij het bepalen van het coëfficiënt toe te geven. Het ging erom een evenwichtige vertegenwoordiging van de factoren te verkrijgen, en bij een rang die slechts varieert van 1 tot 2, bleek het tellen van de vakjes zonder andere kunstgreep, onmogelijk, omdat de invloed van de afstand op de onaannemelijkheid van de knelpunten, dan immers zwaar overschat zou zijn geweest. Door het aantal fronten te delen door tien, verkregen we een juister beeld; het komt namelijk voor dat de talrijke kleine woordjes bij sommige schrijvers of in diverse talen, ergens anders drastisch teruggebracht worden, voorzetsels, lidwoorden of voegwoorden bijvoorbeeld, en dus leek het overgaan van de vakjes naar iets dergelijks als de fronten, geheel en al de aangewezen manier.

Methode

Deze verschillen alnaargelang de tekst, omdat een woord van weinig gewicht in de ene, beslissend wordt in de andere: de telegramstijl biedt dit voordeel dat afhankelijk van wat belangrijk is voor die of die boodschap, de gebruikte woorden veranderen. De tegenwerping dat desondanks, van de ene telegrafist naar de andere, talrijke variaties in de keus aangebracht zullen kunnen worden, lijkt gegrond, maar het lijkt ons toe dat er zienswijzen zijn die aan die meningsverschillen krachtig een eind maken. Een ieder weet wel, dat indien hem de beurt valt in een tekst de woorden aan te duiden die onmisbaar zijn voor de betekenis, hij acht zal moeten slaan op de omstandigheden die de vorm dwingen zich in inhoud te veranderen, en zo zal hij met betrekking tot “De schip heeft vlam gevat” het belang inzien van “De”. Bijgevolg moeten we aan de fronten die door de test van de telegramstijl worden bepaald diegene toevoegen die afkomstig zijn van een min of meer bedachte schrijfwijze of stijl.

Toepassing op Baudelaire

Wat het vraagstuk van het evenwicht der factoren aangaat, dat kan ook door middel van een voorbeeld nader belicht worden. Een knelpunt zoals b(répondent–chairs) laat, zonder dat het een duidelijke constructie bezit, soliditeit zien. De tekst luidt als volgt: «…Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

Il est des parfums frais comme des chairs d'enfants…» Als we onze toevlucht zouden moeten nemen tot het aantal vakjes dat zich tussen «répondent» en «chairs» bevindt, namelijk 7, zou het verschil met 2, dat de numerieke tegenwaarde van de rang en dus het veranderlijke karakter van de functie vertegenwoordigt, flagrant zijn. Dat we, alnaargelang onze wens, bevestigen of ontkennen kunnen, is niet niets: een dergelijke eigenschap verzwakt in z’n eentje aanzienlijk de betekenis, en waarde 7 blijkt veel te overheersend te zijn in verhouding tot de andere waarde die 2 bedraagt. Integendeel, door toevlucht te zoeken tot het voorgestelde coëfficiënt, wordt een beter evenwicht der factoren verkregen: 2,4 vormt een goed tegenwicht voor 2. Als we nu onze blik op het gedicht richten, brengt het thema "kinderhuidjes" dat in de betreffende passage opgeroepen wordt, andere beroemde verzen in onze herinnering [[1054]] in Index II (Gedichten)">[[1054]]: «Mijn kind, mijn zuster,
Denk eraan hoe heerlijk het zal zijn,
Daarginds heen te gaan en er samen te wonen…» En van Gautier citeren we deze beschrijving [405]: «…haar armen waren naakt tot aan de ellebogen, en ze kwamen uit een toef ronde kant te voorschijn, mollig en blank, schitterend als gepolijst zilver en van een onvoorstelbare fijnheid…» Anderzijds worden die kinderhuidjes blootgesteld aan een gemakkelijk soort brutaliteit, zoals die van de overwinning door het zwaard [144]: «Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen.»

§38
· Trede, overloop
Theorie

Soms heeft een lid van een formule in één knelpunt meerdere, eventueel heel algemene betekenissen, waarvan er één naar de storing leidt en de andere sterk genoeg zijn om ten opzichte ervan als uitvlucht te dienen. In een dergelijk geval kan men een term in twee zo breed mogelijke gedeeltes opsplitsen, één dat het knelpunt mogelijk maakt en dat de trede van de term vormt, en de rest die de overloop vormt.

Toepassing op Baudelaire

De figuurlijke betekenis van «répondent» (N.B. overeenkomen met) biedt tegengas aan rb(répondent–parfums), en zodoende behoort hij tot de overloop van de term in dit knelpunt.

Methode

De inhoud die van één bepaald woord kan variëren, kan tegelijkertijd een schokkende rol spelen, en een term kan bijna altijd beschouwd worden als een groep betekenissen; het belangrijkste blijft hier echter dat een gedeelte ervan eventueel het andere hindert bij de realisatie van eenzelfde knelpunt. We moeten er opnieuw voor oppassen dat we het opsplitsen niet beschouwen als zijnde definitief, want bij verschillende tegenstrijdigheden scheidt de grens tussen trede en overloop slechts in sommige gevallen dezelfde ideeën.

§39
· Speling
Theorie

De tweezijdigheid betreffende de leden van het knelpunt is groot genoeg om twee schommelingsfactoren vast te stellen: speling (m) van de term uitgedrukt door het linkerlid; en (w) door het andere. Het bezit van een overloop schaadt altijd de betekeniskracht en dat bewijst dat hij bijdraagt aan de schommeling. De gedachte nu die geacht wordt het knelpunt te omzeilen door een dubbelzinnigheid op een bepaalde plaats van de formule, raakt de eigenschap van een grote tegenstrijdigheid kwijt.

Methode

Aangezien de leden zich vis-à-vis elkaar bevinden, hangt de intensiteit van het contrastverschil dat van de ene term uitgaat, af van de andere, en daarom loopt het veranderen van knelpunt voor elk het gevaar de inwendige verhouding tussen trede en overloop te wijzigen.

Toepassing op Baudelaire

Het veelvuldig voorkomen van contrasten in de gedichten van Baudelaire is vaak onderstreept. Jules Lemaître schreef [98]«Ja, ik geloof dat dat wel het voornaamste streven van het Baudelairisme is: altijd twee tegenovergestelde soorten gevoelens met elkaar verenigen…» Op soortgelijke wijze zag Léon Cellier in die fijngevoelige schikking van twee tegenovergestelde inhouden, een belangrijk deel van die kunst [182]: «…de tegenpolen worden, zonder zich werkelijk met elkaar te verzoenen, dichter bij elkaar gebracht…»

§40
· Waarden van de speling
Theorie

Wanneer slechts één term van een knelpunt een overloop bezit, zijn er 2 mogelijkheden: of “het knelpunt wordt tenslotte gerealiseerd” of “het onstaat niet”. De term in kweste biedt hier dus genoeg redenen om een schommelingsfactor van 2 te rechtvaardigen: m(2) of w(2) alnaargelang het om de ene of de andere term gaat, en hij kan zeker ook beide tegelijk betreffen. De afwezigheid van een overloop maakt daarentegen factor 1 mogelijk: m(1) of w(1). Het gaat steeds om de speling van de termen die m(2)w(2) maximaal tot een waarde van 4 kan doen stijgen, en tot 1 kan dalen met m(1)w(1), terwijl de twee overige bestaande mogelijkheden m(1)w(2), m(2)w(1) die via verschillende wegen, eenzelfde waarde 2 opleveren, zich daarbij ook nog voordoen.

Methode

Aangezien een knelpunt slechts op één tekst betrekking heeft, gaat dat eveneens op voor de spelingen ervan.

Toepassing op Baudelaire

In het gedeelte tussen de titel «Correspondances» en «répondent» ontstaat met betrekking tot m(2)rb(répondent–couleurs) (antwoorden-kleuren) in de linkerterm, een lichte twijfel, omdat de figuurlijke betekenis (overeenkomen met) in lichte mate gesteund wordt door het onbetwistbaar abstracte karakter van de titel. Toch kon Baudelaire heel ver gaan in het gebruik van gewaagde denkbeelden, zoals dat onmiddellijk in de achtste regel gebeurt [9]-[664]-[717]- [781]: «Het lijkt wel of deze kleur…zelf denkt…» En nog steeds in die passage over Delacroix: «…Vaak is de indruk die men van zijn schilderijen opdoet bijna muzikaal.»

§41
· Externe verwijdering 1
Theorie

We hebben nu de vier schommelingsfactoren (t), (s), (m) en (w) bepaald. Maar naast hetgeen de solide knelpunten, door wat ze in de tekst beschrijven, zelf aan betekeniskracht in zich bergen, moeten ook nog de invloeden ondergaan in de ene tegenstrijdigheid en voortgekomen uit andere, nader bepaald worden: laten we met dat doel voor ogen de externe verwijdering (c) beschouwen; terwijl deze slechts bepaald wordt voor twee knelpunten die een term gemeen hebben en dezelfde functie bezitten, beperkt hij zich tot 1 wanneer ze een duidelijke constructie hebben, en de verwijzing naar een steunpunt ons verplicht de betekenissen ervan met elkaar in verband te brengen.

Methode

Aangezien de grenzen die de vereiste grammatica of het vocabulaire met zich mee brengen, snel bereikt zijn, gebiedt voorzichtigheid het verwerpen van dit begrip, zodra de toepassing ervan zichtbaar niet langer correct is; en dat bijvoorbeeld verschillende termen deel uitmaken van dezelfde zin, is geenszins voldoende om het verband ertussen te garanderen. Op eensluidende wijze is het mogelijk dat zich tussen twee, elkaar tegensprekende zinnen die zich naast elkaar bevinden in de ruimte of de tijd, geen enkel diep verband bevindt.

Toepassing op Baudelaire

De externe verwijdering stijgt slechts tot 1 bij afwezigheid van de minste twijfel over een dergelijke relatie, zo hebben we c(1) voor rb(levende–pilaren), rb(loslaten–pilaren), omdat elk knelpunt over een duidelijke constructie beschikt en de tekst op juiste wijze het verband tussen de beschreven beelden uitdrukt. De externe verwijdering bij rb(loslaten–Natuur) en rb(loslaten–pilaren) wordt daarentegen in ’t geheel niet op c(1) vastgesteld, zelfs niet wanneer vocabulaire en grammatica gebieden dat we vanuit het gezichtspunt van de auteur het begrip Natuur opvatten als dat van een tempel met pilaren waaruit woorden ontsnappen. Er is niets aan te doen: aangezien het eerste knelpunt geen duidelijke constructie bezit, moeten we c(1) verwerpen. Betreffende de grond der betekenissen waar het hier om gaat, het thema van de pilaren die vrijheid genieten, betekent niet automatisch dat de woorden tot nu toe opgesloten zaten. Laten we niet uitsluiten dat volgens Baudelaire alles, woorden, Natuur, symbolen, frisheid en corruptie, vrij is om te proberen een eigen kracht uit te oefenen; het denken wijkt hier in z’n zienswijze, alsof het een tijdverdrijf is, heel ver af van de gebruikelijke opvattingen die onder fysici heersen.

§42
· Externe verwijdering van 2 of hoger
Theorie

Als van twee knelpunten die over een gemeenschappelijke term beschikken, er één geen duidelijke constructie bezit, of als er door geen enkel steunpunt verband bestaat tussen de betekenissen die zij beschrijven, moeten we, om de externe verwijdering (c) te bepalen, drie mogelijkheden overwegen: “de schepper heeft het verband tussen de tegenstellingen in betekenis gelegd om door het publiek te laten raden”; ofwel “het idee daarover komt vanaf de oorsprong vaag over”; of, de laatste, “alles behoort tot het domein der illusie”. Omdat we dergelijke mogelijkheden als onderling onverenigbaar beschouwen, komen we bijna op hetzelfde schema terecht als dat aan de hand waarvan het begrip interne verwijdering wordt verklaard; bij (n) fronten tussen de niet gemeenschappelijke termen van de knelpunten, stijgt de waarde van (c) tot 2+(1(n/10)), want de twee eerste mogelijkheden laten we bij elkaar met een waarde van 2, en de numerieke tegenwaarde 1, die de mogelijkheid van totale illusie vertegenwoordigt, wordt voorzien van het coëfficiënt n/10 dat de onaannemelijkheid, die zichzelf ziet toenemen naarmate de afstand tussen de termen toeneemt, voorstelt.

Methode

Met twee fronten tussen deze laatste en onder de voorwaarden die zojuist zijn genoemd, verkrijgen we voor (c), 2+(1(2/10)) of c(2,2), en bij 25 fronten c=2+(1(25/10)), ofwel c(4,5).

Toepassing op Baudelaire

Tussen rb(corrompus–encens) en rb(corrompus–esprit) moet c(1) uitgesloten worden omdat het tweede knelpunt immers in ’t geheel niet over een duidelijke constructie beschikt. We kunnen de betreffende passage als volgt neerschrijven: “Il est des parfums…corrompus, riches et triomphants, Ayant l'expansion des choses infinies, Comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens,/////Qui chantent (les) transports (de) (l')/////esprit et des sens.” (Er zijn geuren…bedorven, rijk en zegevierend, De uitbreiding van oneindige dingen bezittend, Zoals amber, muskus, benzoë en wierook, Die de vervoeringen bezingen van geest en zintuigen.) We tellen hierin 3 fronten tussen «encens» (wierook) en «esprit» (geest), de termen die de knelpunten van elkaar onderscheiden, en met 2+(1(3/10)) is de externe verwijdering c(2,3).

§43
· Sluitstukken
Theorie

Men probeert graag een redenering te vinden die de beschrijving van een grote hindernis, die men bij het trachten te begrijpen van een boek tegenkomt, vergemakkelijkt; het gaat er nu om op dezelfde wijze te handelen met betrekking tot de knelpunten, maar aangezien de uiteenzetting taai zal kunnen lijken, is het beter er vooraf een samenvatting van te geven. Een sluitstuk bestaat uit een paar solide oogmerken, die, dezelfde functie bezittend, het mogelijk maken enigszins de ontreddering die een knelpunt veroorzaakt, weg te nemen. Elk oogmerk dat deel uitmaakt van een sluitstuk, heet een dam, en men kan het bestaan ervan aangeven door middel van een (v) die men voor de formule plaatst. Een knelpunt dat een duidelijke constructie en een sluitstuk bezit, heet een versteviging wanneer hij op zijn beurt als dam voor een ander knelpunt gebruik wordt. We kunnen vervolgens onderscheid maken tussen de sluitstukken met en zonder versteviging. Tenslotte, indien we over een versteviging beschikken, wordt die altijd op de tweede plaats vermeld, na die van de andere dam van hetzelfde sluitstuk.

Methode

Sinds de oudheid ontdoet men zich van een interpretatieprobleem door denkbeelden dichter bij elkaar te brengen, maar recente voorbeelden laten eveneens zien dat heel simpele procédés om iets uit te leggen, eenzijdigheid kunnen voorkomen.

Toepassing op Baudelaire

Claude Pichois maakt ons attent op het voorstel dat Felix Leakey heeft gedaan om een oplossing te vinden voor één van de grootste struikelblokken van het gedicht, namelijk dat, betreffende de geheimzinnige rol van de dingen die de dichter oproept [667]: «…De "verwarde woorden" en de "vertrouwde blikken" door middel waarvan onderdelen van de Natuur hun kwaliteiten aan de mens aanbieden als "symbolen", zijn niets anders dan geuren, kleuren et geluiden…»

§44
· Sluitstukken met of zonder versteviging
Theorie

Eenzelfde knelpunt kan meer dan één sluitstuk krijgen, soms van een verschillend type, daarvoor is het voldoende dat de tekst er zich toe leent. In de categorie sluitstukken met een versteviging bevinden zich de stramienen en de dijken; wat de andere betreft, deze bevat de wissels, haltes en tangen.

Methode

Voor het geval dat we nieuwe soorten sluitstukken zouden kunnen determineren, zou het nauwkeurig bestuderen van de gedachtengangen der klassieke schrijvers ons daarbij kunnen helpen.

Toepassing op Baudelaire

Bij dit onderzoek van het verliezen aan kracht van beduidenissen heeft „Samenspel“ ons, zoals bij dat van alle andere onderwerpen in het essay, middelen ter beschikking gesteld, maar ons voortdurend verontrust bezig zijn met het gedicht heeft ons wellicht ook bepaalde methodes om erin voorkomende moeilijkheden te verminderen, die gemakkelijker te bespeuren zouden zijn als we andere gedichten zouden bestuderen, over het hoofd doen zien.

§45
· Tang
Theorie

Een tang dient zich aan als een paar solide oogmerken die een term gemeen hebben, die niet voorkomt in het aan kracht ingeboete knelpunt, met bovendien voor beide een term die het wel bezit, maar die verschilt van de ene tot de andere.

Methode

Het effect van een tang komt voort uit de overeenstemming van ideeën die dammen ervan met zich meebrengen door het feit dat we rb(A–E) confronteren met vb(S– E) vb(A–S).

Toepassing op Baudelaire

Om rb(bedorven–wierook) te verzwakken, nemen we onze toevlucht tot vb(zintuigen– wierook) vb(bedorven–zintuigen). Aangezien men vaak de verschillende manieren aanhaalt waarop sensualiteit blootstelt aan corruptie, blijkt het geoorloofd vb(bedorven–zintuigen) voor te stellen, en omdat wierook fysieke emoties teweegbrengt, zou vb(zintuigen–wierook) ons in ’t geheel niet verbazen. Omdat we nu het contrast in betekenis beter begrijpen, wordt het daardoor minder scherp. Om deze keer rb(Natuur–tempel) te verzwakken vestigen we de aandacht op de gemeenschappelijke eigenschappen van de natuur en heel wat tempels: ruimte, diepte, duisternis, donkerte, licht, eenheid, geluiden, echo’s, kleuren en geuren. Waarom ook niet amber en wierook, omdat hier immers sprake is van natuurlijke essences die vroeger bij talrijke godsdiensten voor de dienst gebruikt werden? Zodat de opdracht verschillende tangen te gebruiken voor het knelpunt in kwestie, ons in ’t geheel niet moeilijk valt: vb(Weids–tempel) vb(Natuur–Weids); vb(diepe–tempel) vb(Natuur–diepe); vb(duistere–tempel) vb(Natuur –duistere); vb(nacht–tempel) vb(Natuur–nacht); vb(dag–tempel) vb(Natuur–dag); vb(eenheid–tempel) vb(Natuur–eenheid); vb(geluiden–tempel) vb(Natuur–geluiden); vb(echo’s–tempel) vb(Natuur–echo’s); vb(kleuren–tempel) vb(Natuur–kleuren); vb(geuren–tempel) vb(Natuur–geuren); vb(amber–tempel) vb(Natuur–amber); vb(wierook–tempel) vb(Natuur–wierook). Balzac schreef [74]: «Wat schenkt men God? geuren, licht en liederen, de meest pure uitingen van onze natuur.»

§46
· Wissel
Theorie

De wissel lijkt op de tang, maar enerzijds heeft het aan kracht ingeboete knelpunt niet dezelfde functie als de dammen, en anderzijds hebben deze onderling geen enkele term gemeen. Om rd(A–E) af te zwakken, wordt de positieve wissel vb(S–E) vb(A–L) gegeven; om rb(A–E) op te helderen, deze keer door middel van een negatieve wissel, maken we gebruik van vd(S–E) vd(A–L).

Methode

De creatie van de volgende tekst levert een praktisch voorbeeld op: “dicht bij de casino’s vormden de stranden voor de kinderen een uitlaatklep voor hun energie, terwijl ze wachtten op erger; het spel heeft niets van een spel”. Het knelpunt bestaat uit rd(spel¹–spel²) en de positieve wissel vb(kinderen–spel²) vb(spel¹–casino’s). Een andere zin wordt gebruikt om zonder moeite de negatieve wissel te begrijpen: “de prins wist dat zijn kracht een zwakheid vormde vis-à-vis de steden die vroeger welvarend waren en de gevangenen die tevergeefs om zijn vergeving smeekten”. Het knelpunt rb(kracht–zwakheid) wordt afgezwakt door vd(vergeving– zwakheid) vd(kracht–welvarend).

Toepassing op Baudelaire

Aangezien „Samenspel“ geen enkele ontkennende zinswending bevat, hebben we, door te kijken wat er in de tekst het dichtst bij komt, het type positieve wissel uitgekozen. De elfde regel met «andere» verschaft inderdaad een begin van een ontkenning, die de bewering dat voor Baudelaire frisheid bederf inhoudt, onmogelijk maakt [670].

§47
· Stramien
Theorie

Een stramien bezit een versteviging, hoewel het voor de rest de vorm van een tang aanneemt; en die versteviging is zelf ook weer voorzien van een tang. Om rb(A–E) af te zwakken gebruiken we vb(S–E), samen met rvb(A–S), hopend dat die versteviging op zijn beurt op de juiste wijze acceptabeler wordt gemaakt door vb(L–S) vb(A–L).

Methode

Aangezien het stramien altijd van een tang afhangt, is het nooit mogelijk dat het een eigen verdienste heeft.

Toepassing op Baudelaire

Met betrekking tot rb(bedorven–tempel), gebruiken we vb(wierook–tempel), en vervolgens rvb(bedorven–vierook) die zijn voordeel trekt uit vb(zintuigen–wierook) vb(bedorven–zintuigen), een tang die zo zijdelings zijn gunstige invloed op het behandelen van rb(bedorven–tempel) doet gelden. Maar men moet zich niet voorstellen dat de stramienen zich aanmelden zodra men dat wenst: indien men een verklaring zoekt voor rb(pilaren–woorden), vindt men vb(levende– woorden) rvb(pilaren–levende) en die versteviging zelf profiteert van de tang vb(wouden–levende) vb(pilaren–wouden) dankzij het beeld van de bomen die levende pilaren lijken, maar die hele opzet leidt tot een mislukking omdat de ombuiging in betekenis die ten opzichte van «wouden» is uitgevoerd, wanneer getoond wordt waarom volgens de verbeelding de pilaren zouden leven, er in het geheel niet in slaagt het probleem van hun spreken op te lossen.

§48
· Halte
Theorie

Haltes dienen zich aan als sluitstukken zonder versteviging door middel waarvan de moeilijkheid, in plaats van hem weg te nemen, vermeden wordt. Ten aanzien van rb(A–E) vormen we vb(S–E) vb(S–L) of bijvoorbeeld ook nog vb(A–S) vb(L–S) alnaargelang de tekst toestaat.

Methode

In ieder geval speelt de intuïtie, aangezien één van de dammen geen enkele term van het afgezwakte knelpunt meer bevat, een belangrijke rol bij het gebruik van dat type sluitstuk.

Toepassing op Baudelaire

Met betrekking tot rb(antwoorden–geuren¹) schuiven we bijvoorbeeld als halte vb(zacht–geuren¹) vb(zacht–kleuren) naar voren. Een van de redenen waarom die diverse geuren in staat zijn andere voorwerpen te beantwoorden, is dat ze een eigenschap gemeen schijnen te hebben: zachtheid. Als men éénmaal het principe begrepen heeft, is het gemakkelijk er nieuwe toepassingen voor te vinden, door andere eigenschappen te bezien: vb(fris–geuren¹) vb(fris– kleuren); vb(bedorven–geuren¹) vb(bedorven–kleuren); vb(rijk–geuren¹) vb(rijk–kleuren); vb(zegevierend– geuren¹) vb(zegevierend–kleuren). En we moeten hier steeds de term «geuren» uitgedrukt in de achtste regel, gebruiken, zelfs als de rest van het gedicht daartoe als achtergrond dient.

§49
· Dijk
Theorie

Een dijk beschikt over een versteviging, hoewel hij anderzijds de vorm van een halte heeft; en deze versteviging krijgt een tang, een wissel of een halte. Met betrekking tot rb(A–E), stellen we vb(S–E) rvb(S– L) samen, of, alnaargelang de tekst toestaat, vb(A–S) rvb(L–S).

Methode

Zo het, wat de moeilijkste pennevruchten betreft, al mogelijk blijft dat voor geen enkel raadsel daarin een verklaring wordt gevonden door middel van een sluitstuk, talrijke auteurs die begrepen wensen te worden door anderen, hebben, ondanks alles, enkele sporen van hun denkbeelden in de tekst achtergelaten, waardoor men deze door middel van diverse combinaties van ideeën terug kan vinden.

Toepassing op Baudelaire

Een uitleg van rb(gadeslaan– symbolen) blijkt niet onmogelijk, omdat Baudelaire er zozeer voor op z’n hoede was nooit een vertegenwoordiger der verlichting te worden, dat het bijna fysiek was. Een dijk zoals vb(geuren¹– symbolen) rvb(geuren¹–antwoorden) lijkt hier bruikbaar. De eerste dam is verdedigbaar omdat muskus bijvoorbeeld als symbool van sensualiteit wordt gebruikt, of de roos als dat der liefde; wat de tweede betreft, die vormt een versteviging met bijvoorbeeld als halte vb(geuren¹–zacht) vb(kleuren–zacht). Aangezien de geuren verondersteld worden antwoord te geven, kan men zich ook voorstellen dat ze in staat zijn te observeren; wel, ze maken deel uit van de symbolen: daar hebben we dus een afzwakking van rb(gadeslaan–symbolen). Ook Balzac stoeide met de hier genoemde duizelingwekkende begrippen [87]: «Toen ontwikkelde de dokter schitterende theorieën over sympathieën…Volgens hem…voedde het "geestelijk" Woord het "levende" Woord…» In een ander werk schrijft dezelfde auteur ook nog het volgende [91]: «Geluid is een verandering van lucht; alle kleuren zijn veranderingen van licht; elke geur is een combinatie van lucht en licht…» En [89]: «Geuren zijn misschien wel ideeën!»

§50
· Invloeden
Theorie

Vergeleken bij een dijk biedt een stramien het voordeel van de aanwezigheid van een term van het knelpunt in elke dam. De wederzijdse invloed tussen het, door het stramien afgezwakte knelpunt en de versteviging daarvan, is gemakkelijk te constateren door die gemeenschappelijke termen.

Methode

We beschikken hier over een waarborg tegen willekeurige vergelijkingen waarvan Jules Vuillemin het gevaar onderstreept [972].

Toepassing op Baudelaire

Het verband tussen rb(bedorven–wierook) en rb(bedorven–tempel) kan daartoe tot voorbeeld dienen.

§51
· Botsing en stroming
Theorie

Een botsing dient zich aan als een solide knelpunt dat over een duidelijke constructie of een stramien met de vereiste versteviging beschikt. Bovendien bestaat de stroming van een solide knelpunt, en dus eveneens van een botsing, uit het tegenovergestelde van zijn schommeling.

Methode

Wanneer men aan een stroming van een botsing een bepaald gedeelte van een andere toevoegt, vormt dat een middel om uit te leggen in welk opzicht het tweede knelpunt de waarneming van het eerste bevoordeelt.

Toepassing op Baudelaire

Zo bestaat de kracht van rb(bedorven–wierook) eruit de indruk die we opdoen van rb(bedorven–tempel) te beïnvloeden.

§52
· Tandem
Theorie

Twee botsingen vormen een tandem zodra in een stramien de ene als versteviging dienst doet om tot een bepaalde opheldering te leiden die zijn buurman begrijpelijker maakt en in dat geval versterken ze elkaars betekenis door wederzijdse invloed.

Methode

Dat impliceert op geen enkele wijze dat de pressie die van beide kanten uitgeoefend wordt, dezelfde waarde bereikt.

Toepassing op Baudelaire

Zo wordt de invloed van rb(bedorven– wierook) op rb(bedorven–tempel) intuïtief als aanzienlijk groter ervaren dan de wederzijdse invloed.

§53
· Versterking
Theorie

Een versterking bestaat uit een numerieke tegenwaarde van een toename in betekeniskracht, een meting die we alleen maar met betrekking tot botsingen die met z’n tweeën een tandem vormen, uitvoeren. We stellen deze waarde voor elk vast, terwijl we er respectievelijk een stroming (h) en (h’) aan toekennen, als zijnde die van de andere botsing gedeeld door de externe verwijdering, het geen (h’/c) oplevert voor die van stroming (h) en (h/c) voor zijn buurman.

Methode

Op dezelfde manier als de schommeling ons een schatting geeft van de zwakte van een betekenis, stelt de stroming, het omgekeerde daarvan, ons in staat er de kracht van te bepalen. Indien nu een invloed wordt verminderd door de afstand tussen de intuïtief aangevoelde tegenstrijdigheden, wordt het getal dat de aanvankelijke kracht vertegenwoordigt, gedeeld door de numerieke tegenwaarde van de bedoelde tussenliggende ruimte.

Toepassing op Baudelaire

Laten we nu bekijken wat rb(corrompus–encens) rb(corrompus–temple) [(bedorven-wierook) (bedorven-tempel)] aan versterking verschaft. De stroming van de eerste botsing bedraagt 1 dank zij 1/ (t(1)s(1)m(1)w(1)); met t=1 omdat de tekst zonder enige aarzeling de bedorvenheid van wierook bevestigt; s=1 door de duidelijke constructie; m=1 vanwege de uitdrukking «riches et triomphants» (rijk en zegevierend) die in staat is het gevaar uit te sluiten dat door de betekenis “letterlijk bedorven”, rb(corrompus–encens) (bedorven-wierook) niet opgemerkt wordt; tenslotte is w=1 gezien het feit dat «encens» (wierook) in de betekenis van “lof” ver op de achtergrond wordt geschoven wegens het thema «geuren» dat de betreffende passage beslaat. Tussen «temple» (tempel) en «encens» (wierook) moet men bovendien 64 fronten tellen, en de externe verwijdering klimt dus op tot 8,4 oftewel 2+(1(64/10))=2+6,4. Totaal genomen bezit de versterking in kwestie de waarde van 1/8,4=0,119, zelfs als men aan het afronden van een dergelijk resultaat de voorkeur zou moeten geven. Men kan anderzijds een blik werpen op de wederzijdse versterking, die zijn gunstige invloed uitoefent op rb(corrompus–encens), en die in dit geval afkomstig is van rb(corrompus–temple). Met 1/t’s’m’w’ als stroming van deze laatste botsing, gaan we uit van de waarden t’=2 wegens de wisselbare functie; s’=7,3 omdat 53 fronten «temple» en «corrompus» van elkaar scheiden, hetgeen uitkomt op 2+(1(53/10))=2+5,3=7,3; vervolgens is m’=1 enigszins zoals met de voorafgaande stroming; tenslotte is w’=1 wat betreft «temple», waarvan de betekenis hier elke rivaal uitsluit. Op deze manier is t’s’m’w’=(2)(7,3)(1)(1) of 14,6. Dientengevolge is de waarde van de stroming 1/14,6=0,068. En aangezien c=8,4 wordt de te bepalen versterking vastgesteld op 0,068/8,4=0,008. Het verschil tussen de twee verkregen waarden 0,119 en 0,008 lijkt evenredig te zijn aan hetgeen de intuïtie ons ingeeft, want rb(corrompus–encens) heeft niet geweldig veel te verwachten van zo’n vage botsing als rb(corrompus–temple), hetgeen met 0,008 overeenkomt. Geheel in tegenstelling daarmee, profiteert rb(corrompus–temple) ruimschoots van rb(corrompus–encens), en een waarde van 0,119 die bijna vijftien keer zo groot is als de daarvoor genoemde, past dus goed bij een dergelijke situatie.

§54
· Blok
Theorie

Een tweetal botsingen dat geen term gemeen heeft, vormt een blok zodra ze een gemeenschapelijke functie, en ze beide een duidelijke constructie bezitten, en kan, als we éénmaal elk een term hebben ontnomen, een bepaald solide knelpunt vormen; dat, zonder ook maar enigszins de trede van de geleende termen te veranderen.

Methode

We moeten niet verlangen dat daaruit dan meer dan één knelpunt voorkomt, evenmin dat het opnieuw een botsing betreft.

Toepassing op Baudelaire

Uit rb(nacht–dag) naast rb(bedorven–wierook), komt rb(bedorven–dag) voort. Zijn constructie is in ’t geheel niet duidelijk, maar men moet de soliditeit ervan niet te snel ontkennen: aangezien de nacht zowel het raadselachtige als het kwaad symboliseert, kan een verblindende helderheid ook wel de wreedheid van het zwaard voorstellen [667]-[821].

§55
· Tolk
Theorie

Een knelpunt dat is ontstaan uit een blok dank zij een geleende term, vormt een tolk, die slechts bij de gratie van het betreffende gedeelte bestaat, waar hij van de ene botsing naar de andere kan gaan, om op die manier te spreken.

Methode

Daar hij bovendien solide is, is z’n stroming bepaald.

Toepassing op Baudelaire

Voor rb(levende–pilaren) rb(antwoorden–geuren), verkrijgen we de tolken rb(levende–geuren) en rb(antwoorden–pilaren). De woorden zouden de ondergrondse pilaren na een moment van overdenking te binnen kunnen schieten, herinneringen oproepend zoals die Baudelaire ergens anders beschrijft [680]: «…het staat onomstotelijk vast dat, gelijk die vluchtige en treffende indrukken, des te treffender in hun terugkeren naarmate ze vluchtiger zijn, die soms volgen op een uiterlijk verschijnsel, een soort signaal als een klokgelui, een muzikale noot, of een vergeten geur, en die zelf gevolgd worden door een gebeurtenis die lijkt op een gebeurtenis die we al meegemaakt hebben en die dezelfde plaats innam in een al eerder onthulde keten, -lijkend op die vreemde, steeds in onze slaap terugkerende dromen,- in dronkenschap niet slechts aaneenschakelingen van dromen bestaan, maar ook hele series redeneringen, die, om gereproduceerd te kunnen worden, dezelfde entourage nodig hebben als die waarin ze zijn ontstaan.» Maar omdat het wenselijk blijft elke eenzijdige interpretatie te vermijden, kunnen we bovendien het beeld van de rotspilaren, die de kracht der natuur levend schijnt te maken, oproepen [[1144]] in Index II (Gedichten)">[[1144]]: «Ik heb lange tijd onder poorten gewoond
Die de zonnen van overzee kleurden met duizend vuren,
En die hun grote pilaren, recht en majestueus,
’s Avonds op basalten grotten deden lijken.

De deining der zee, de beelden der hemelen al voortrollend,
Mengde op plechtige en geheimzinnige wijze
De almachtige akkoorden van zijn rijke muziek
Met de kleuren van de ondergaande zon, weerspiegeld door mijn ogen.»

§56
· Stimulans
Theorie

Het bestaan van een blok heeft ten gevolge dat alle botsingen elkaars betekenis in kracht doen toenemen, waarvan de stimulans de numerieke tegenwaarde vormt, een waardebepaling die voor elk van de twee bestaat uit de stroming van z’n buurman gedeeld door de interne verwijdering van de tolk die de grootste bezit, of, indien er slechts één bestaat, door de zijne.

Methode

Elke andere, die kleiner is, is niet erg bruikbaar, wegens het feit dat de onaannemelijkste van twee zeer met elkaar verbonden ideeën, in staat is het geheel ongeloofwaardig te maken alnaargelang de aard ervan.

Toepassing op Baudelaire

Laten we nu, wetend dat de stroming van rb(corrompus–encens) (bedorven-wierook) zelf waarde 1 bezit, de stimulans bekijken die rb(nuit–clarté) (nacht-dag) op die manier krijgt. Aan de ene kant heeft b(encens–nuit) (wierook-nacht) niets knellends, want de plaatsen waar men wierook brandt voor een eredienst zijn vaak gehuld in een sfeervol schemerdonker en de betekenissen van de betreffende termen passen dus volmaakt bij elkaar. Anderzijds bezit rb(corrompus–clarté) (bedorven-dag), de enige tolk van het blok, een interne verwijdering van 3,8 wegens het feit dat 18 fronten de termen ervan scheiden, en bijgevolg stellen we de te bepalen waarde vast op 1/3,8=0,26.

§57
· Netwerk
Theorie

Het netwerk is een hoeveelheid die slechts met betrekking tot een botsing vastgesteld wordt, en het onderscheidt zich in niets van de stroming, als het geen enkele versterking of stimulans krijgt. Zo wel, dan bestaat het uit het eindresultaat van al die metingen, zodra die blijken uitgevoerd te kunnen worden.

Methode

En dezelfde botsing kan iedere keer van verschillende andere die nooit gelijk zijn, een versterking of een stimulans krijgen. Om dat te begrijpen is het voldoende te bedenken dat een bepaalde botsing met z’n twee verschillende termen, vergezeld van botsingen met heel verschillende betekenissen, waarmee hij een term, maar echter niet dezelfde, gemeen heeft, gemakkelijk nu eens hier, dan weer daar, een tandem kan verschaffen. Wat de blokken aangaat met, aan de ene kant (A–E) (S–L), en vervolgens aan de andere (A–E) (N–R), denken we licht aan een botsing van constructie (A–E) die tweemaal in kracht is toegenomen.

Toepassing op Baudelaire

Maar men moet er op rekenen dat de diverse termen vaak verschillen in hun vermogen blokken of tandems te vormen. Het kan in deze zaak nuttig zijn de gevarieerde verdeling van het vocabulaire in woorden die het concrete en woorden die het abstracte aangeven, ter sprake te brengen. Zo kunnen we ons bijvoorbeeld verschillende solide knelpunten met «bedorven», maar niet met «wierook» voorstellen. Toch zou het een illusie zijn te menen dat de ene term belangrijker is dan de andere, want aangezien de tweede term rb(bedorven–wierook) mogelijk maakt, constateren we snel hoeveel de ander aan z’n vermogen te schokken, zou inboeten, als deze weggelaten zou worden.

§58
· Tests
Theorie

Om de waarde te peilen van de begrippen waar tot nu toe sprake van is geweest, zouden we ermee akkoord moeten gaan dat er wat hen betreft een bepaalde test met de geanalyseerde tekst wordt samengesteld, en om het schuldgevoel dat we schade aan een gedicht hebben toegebracht, te voorkomen, merken we op dat, juist integendeel, de reden waarom we een dergelijk werk boven een ander voor zo’n proef verkiezen, is dat het tot nadenken stemt, en dat deze werkwijze het zo dus eer aandoet. Wat betreft de imitaties van het sonnet, die een dergelijke opdracht vraagt, deze zullen we zeker voor slappe afgietsels ervan, vol onhandigheden, houden, die zichtbaar niets gemeen hebben met de kwaliteiten van het originele.

Methode

Het blijft schijnbaar mogelijk tegen zo’n redenering in te brengen, dat een werk nooit uit andere wordt gekozen alleen maar omdat men de kwaliteiten ervan kent: dat zou veronderstellen dat de studie al gemaakt was. Door iets te gebruiken leert men de kwaliteiten ervan kennen, zegt men, wat zou betekenen dat men zich in de eerste plaats voor een tekst interesseert wegens de faam die hij geniet; als die echter blijvend is, is dat te danken aan de kracht van het oeuvre, en dus is analyse van een tekst niet mogelijk zonder deze tegelijkertijd te roemen.

Toepassing op Baudelaire

Voordat we ons tot één enkel gedicht hebben beperkt, bestond de keus uit enkele pagina’s vol zeer verschillende titels. De hinderlijke verwijzingen met betrekking tot de inhoud van verscheidene van deze gedichten, hebben ertoe geleid dat we van ze afgezien hebben, en door de vele recente, geannoteerde uitgaven van „Samenspel“, is onze keus daarop gevallen.

§59
· Veronderstelling
Theorie

De tests zullen een bepaalde, algemene veronderstelling aangaande de botsingen betreffen, en daar zou een heel bescheiden conclusie, dat moeten we toegeven, het resultaat van moeten zijn.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien de betekenis van een tekst beelden uitdrukt, lijkt een serie toetsen over de manier waarop deze gerangschikt zijn, gerechtvaardigd te zijn, en diverse aspecten van „Samenspel“ zouden voor zo’n soort onderzoek in aanmerking kunnen komen, die het ontstaan van botsingen mogelijk maken in de allereerste plaats.

Methode

Daarvoor is het voldoende een idee, dat zo eenvoudig is dat men niet eens meer weet wie het bedacht heeft, dat bovendien mankementen bezit, maar ongeëvenaard is, aan ons plan aan te passen. Wanneer we een zekere exactheid toeschrijven aan verschillende intuïtieve beweringen over verschijningen, maken we een beschrijving van de kwaliteiten ervan; maar vaak ontsnappen talrijke zaken die zich kunnen voordoen daaraan, wat deze niet erg praktisch maakt als er gehandeld moet worden. Wanneer we ons er, ondanks alles, toch op verlaten, bestuderen we de in eerste instantie opgedane indrukken opnieuw, terwijl we ze zorvuldig genoeg omschrijven om er goed gefundeerde numerieke tegenwaarden van te geven, zodat dergelijke waardebepalingen het mogelijk maken een algemene veronderstelling te maken over de relaties die in het begin het gemakkelijkst waar te nemen zijn. En om te voorkomen dat de constateringen te vaag zijn, gaan we tot tests over, terwijl we het aantal veelvoudige aspecten, waaronder degene die we bestudeerd hebben, laten afwisselen, teneinde het karakter ervan beter te kunnen bepalen.

§60
· Nabootsing, bewerking en voetstuk
Theorie

Een tekst wordt de originele genoemd, zodra men er een zo nauwkeurig mogelijke (op veranderingen na, alle aangebracht ter wille van een test), imitatie van levert, en we moeten eraan toevoegen dat het, met het oog daarop, nuttig is niet in het belachelijke te vervallen. Voordat we twee netwerken met verschillende botsingen met elkaar vergelijken, het ene dat aan de originele tekst toebehoort, het andere dat deel uitmaakt van de imitatie ervan en dat een vervorming van de eigenlijke is, plaatsen we ze eerst tegenover elkaar met alles wat er betrekking op heeft, met de uitleg, dat de botsing die de originele tekst bevat, hoort bij het voetstuk, terwijl de andere, of wat ervan afgeleid wordt, deel uit maakt van de bewerking. Daarenboven is een imitatie een nabootsing als hij geen enkele verandering van de waarden in kwestie teweegbrengt die niet overeenkomt met de veranderingen die aangebracht zijn met het oog op de uitgevoerde test. Wanneer het erom gaat het belangrijkste te noemen, worden de beide botsingen die tegenover elkaar geplaatst zijn, vermeld door ze tussen vierkante, in plaats van ronde haakjes te plaatsen, zonder twee verschillende formules, één voor het voetstuk, en één voor de bewerking, te gebruiken.

Toepassing op Baudelaire

Zo krijgen we door rb[pilaren–woorden] in één keer twee heel verschillende botsingen, de ene, die zich in de originele tekst bevindt, en de andere, die bijvoorbeeld is ontstaan uit een imitatie waarin «paroles» en «symboles» omgewisseld worden, en is het mogelijk dat de waarden t, s, m, w, van elke botsing verschillend zijn. Het begin van een dergelijke nabootsing zou er als volgt kunnen uitzien: “De Natuur is een tempel waar levende pilaren soms verwarde symbolen uit loslaten; de mens gaat er wouden van woorden door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.”

Methode

Een test die met een enkele, voor hem overbodige wijziging uitgevoerd wordt, zou daardoor soms zijn waarde kunnen verliezen. Het overgaan van een bevestiging naar een ontkenning, zou op die manier, indien het zo’n vrijblijvend karakter zou bezitten, aan alle mogelijke vergissingen blootstaan.

§61
· De te verifiëren stelling
Theorie

De veronderstelling, die we zorgvuldig zouden moeten testen, is deze: dat bij een nabootsing en zich tegenover elkaar bevindende botsingen, die van de twee het grootste netwerk bezit, eveneens beschikt over de grootste intuïtieve kracht; oftewel: dat het nooit mogelijk zal zijn twee botsingen te verkrijgen waarbij meer kracht toekomt aan de botsing van het kleinste netwerk. Die veronderstelling, de manier waarop hij geformuleerd wordt, doet er weinig toe, vervangt een andere, die eenvoudiger en algemener, maar heel moeilijk te bewijzen is: van willekeurige botsingen met een verschillend netwerk, hoort de forste bij de grootste zeggingskracht. Helaas, wanneer er geen enkel verband tussen de betekenissen bestaat, is het heel moeilijk van zeggingskracht te spreken, en de poging te generaliseren wordt daardoor lastig.

Toepassing op Baudelaire

Hoe moeten we bijvoorbeeld de kracht aan intuïtie van rb(bedorven–wierook) vergelijken met die rb(Natuur–tempel) van zijn kant toont?

Methode

Zelfs als we ons beperken tot de eerst genoemde veronderstelling, riskeert het bewijs een enkele onvolkomenheid te bevatten, want er zullen alleen voorbeelden worden gegeven die de aangedragen ideeën ondersteunen. Men zal dus altijd kunnen beweren dat andere het tegendeel ervan zouden kunnen aantonen, maar dat we ze door onze bekrompenheid niet hebben opgemerkt.

§62
· Verandering van rang
Theorie

Laten we de veronderstelling die we willen testen, nu nader bekijken. Indien een botsing van een bewerking alleen door z’n rang een kleiner netwerk krijgt dan dat tegenover hem, moet z’n zeggingskracht kleiner zijn dan die van de botsing van het voetstuk. Laten we een begin voor de nabootsing bedenken: “Zou de Natuur een tempel zijn?” Dat levert t’(2)rb(Natuur–tempel) tegenover t(1)rb(Natuur–tempel), op. En de vragende vorm is er ook debet aan dat de zeggingskracht van rb[Natuur–tempel] daadwerkelijk afneemt. Een kleiner netwerk en een geringe tegenstrijdigheid in betekenis gaan dientengevolge samen.

Toepassing op Baudelaire

We hebben de N voor “Nature” (Natuur) in de nabootsing behouden, degenen, die sinds lange tijd klassieke werken met pedagogische doeleinden veranderen, daarin in hun voorbeeld volgend: indien het niet noodzakelijk is, wijken deze niet van het aanvankelijke af.

Methode

Aangezien de beroemde klassiekers de voor de scholen aangepaste versies ervan overleefd hebben, zouden ze onze tests even goed moeten doorstaan; en we moeten niet te haastig beweren dat het het best zou zijn teksten te schrijven zonder ze ooit aan andere te ontlenen, want ze zouden er snel van verdacht worden slechts voor de betreffende analyse geschreven te zijn.

§63
· Verandering van interne verwijdering
Theorie

Een interne verwijdering die bij de bewerking groter is dan bij het voetstuk, zou, mits hij zich in een nabootsing bevindt, moeten leiden tot een geringere zeggingskracht voor de nieuwe botsing. Betreffende rb(corrompus–esprit) (bedorven–geest) maakt het stramien vb(encens–esprit) rvb(corrompus–encens) (wierook-geest, bedorven-wierook) het laatstgenoemde botsing mogelijk gebruik te maken van de tang vb(sens–encens) vb(corrompus–sens); en dat geeft het recht rb(corrompus–esprit) als een botsing te beschouwen. Als we nu eens een nabootsing zouden maken waarin rb[corrompus–esprit] in plaats van s(3,4), wat nu het geval is, s’(6) zou bezitten. Dan zou het begin ervan er zo uitzien: “La Nature est un temple où de vivants piliers laissent parfois sortir de confuses paroles; l'homme y croise l'esprit/////(de) symboles qui l'observent avec (des) regards familiers/////.” (De Natuur is een tempel waar levende pilaren soms verwarde woorden uit loslaten; de mens kruist er de geest van symbolen die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.) Door deze imitatie verder uit te breiden, zouden we tussen “esprit” (geest) en “corrompus” (bedorven) gemakkelijk aan 40 fronten kunnen toekomen, wat inderdaad (s’): 2+(1(40/10))=6 zou opleveren. Enerzijds zou zo de inkrimping van het netwerk worden verkregen met de wijziging van s(3,4) in s’(6), en anderzijds zou de vergrote afstand tussen “corrompus” en “esprit” de schok in betekenis verminderen.

Toepassing op Baudelaire

Het meetellen van de “l'” en de “se ’s” van “l'observent”, “se confondent” en “se répondent”, zou degene die ons bij het tellen van de fronten gevolgd mocht hebben, onjuist kunnen voorkomen, aangezien we anderzijds bijvoorbeeld wel rb(répondent–parfums) en niet rb(se.répondent– parfums) voor een solide knelpunt gebruiken (N.B. répondent: antwoorden; se: elkaar). Maar betreffende de definitie van een front is dat totaal niet schokkend, omdat, indien de termen van het solide knelpunt noodgedwongen uit fronten bestaan, er daarentegen niets toe verplicht dat alle fronten in een solide knelpunt plaatsnemen.

Methode

Gezien het feit dat diverse talen de telegramstijl kennen, veronderstellen we dat deze een kern bezit die heel elementair en belangrijk is voor de gedachte in het algemeen, en we willen het vermogen van een middel dat het wezenlijke van een mededeling zo goed kan doen uitkomen, niet aantasten.

§64
· Verandering van speling
Theorie

Wanneer bij een nabootsing de spelingswaarde van één botsing groter blijkt te zijn dan die van de andere, moet de zeggingskracht ervan kleiner zijn dan die van het voetstuk. Laten we ons eens voorstellen dat we w’(2)rb(pilaren–woorden) verkrijgen tegenover w(1)rb(pilaren–woorden) dank zij een nabootsing die als volgt begint: “De Natuur, waar levende pilaren soms verwarde stenen woorden uit laten ontsnappen, is de tempel waar de mens doorheen gaat…” In zo’n geval verschaft het detail “stenen woorden” een oplossing voor rb[pilaren–woorden], die de originele tekst niet biedt. De mogelijkheid wordt geboden aan natuurlijke elementen te denken die lijken op gebeeldhouwde motieven, ideeën waaraan door de beitel gestalte gegeven wordt, en op die manier, stenen woorden. Dientengevolge wordt de tegenstelling met “pilaren” in intuïtief opzicht verminderd, wel, dat is voldoende om het netwerk dat we verkregen hebben door van w(1) naar w’(2) over te gaan, teniet te doen.

Methode

Laten we degene die geneigd zou zijn een handeling die aantoont dat, indien de scherpte van het contrast verdwijnt, de schok minder wordt, wat een ieder wel weet, belachelijk te maken, als antwoord geven, dat de taak verwarring te voorkomen tussen deze manier om vanuit de botsing het contrast te verminderen en die, welke bestaat uit het vergroten van de afstand tussen de termen, moeilijker was.

Toepassing op Baudelaire

Wat betreft het idee van subtiele figuren die handige handwerkslieden in de pilaren van een kathedraal hebben gegraveerd, als het ons inspireert bij de interpretatie van het gedicht, mogen we ook wel als ander of aanvullend beeld, dat van orgelpijpen die soms een gezang als van een menselijke stem laten horen, gebruiken. Niet één van deze vergelijkingen kan de andere lang verdringen, Michel Quesnel onderstreept dan ook dat ze alle even belangrijk zijn [819]. Balzac liet zich door een soortgelijk thema inspireren [80]: «Weldra bewoog elke steen in de kerk, maar zonder van plaats te veranderen. De orgels spraken, en gaven een goddelijk concert…» Dat tot leven komen van de dingen roept licht andere, even vreemde zaken op. Dezelfde auteur schrijft ergens anders deze regels [65]: «Het orgel is ongetwijfeld het grootste, stoutmoedigste en prachtigste van alle instrumenten die het menselijk brein heeft ontworpen…Het leek wel alsof men al die heilige rijkdommen als een wierookzaadkorrel uitgestrooid had…» De geest is in staat door een kunstmiddel de machtige bekoring van een melodie die op het hoogste niveau in de dingen aanwezig is, terug te vinden. Want misschien "kijkt" alles in de wereld wel "naar" de mens! Voor de romanschrijver zijn sommige persoonlijkheden in ’t bijzonder een klankbodem voor het bovenaardse [94]-[667]«…zoals een orgel dat men aanslaat, een kerk met zijn geschal vult en de wereld der muziek openbaart door de meest ontoegankelijke gewelven in z’n lage tonen onder te dompelen, door als het licht in de teerste bloemen der kapitelen te spelen…»

§65
· Inversie van de verandering zowel door interne verwijdering als door de rang
Theorie

We stellen voor, in tegenstelling tot het voorafgaande geval, te beschrijven wat er gebeurt met een bewerking van een netwerk dat groter is dan dat van het voetstuk. Laten we door nabootsing t’(1)s’(1)rb(répondent–piliers) (antwoorden-pilaren) als resultaat nemen, tegenover t(2)s(5,6)rb(répondent– piliers), dat de originele tekst als uitkomst te zien geeft. Teneinde een dergelijk doel te bereiken, zouden we een nabootsing die als vogt begint, als middel kunnen gebruiken: “La Nature est un temple où de vivants piliers se répondent par la voix de confus symboles…” (De Natuur is een tempel waarin levende pilaren elkaar door middel van de stem van verwarde symbolen antwoorden…) Voor de botsing van het voetstuk blijkt nu een interne verwijdering van s(5,6) gerechtvaardigd door het aantal van 36 fronten tussen «piliers» enerzijds en «répondent» anderzijds: “La Nature est un temple où de vivants piliers/////Laissent parfois sortir (de) confuses paroles; (L')homme y passe (à) travers (des) forêts (de) symboles Qui l'observent avec (des) regards familiers. Comme (de) longs échos (qui) (de) loin se confondent, Dans (une) ténébreuse (et) profonde unité, Vaste comme (la) nuit et (comme) (la) clarté, (Les) parfums, (les) couleurs (et) (les) sons se/////répondent.” (De Natuur is een tempel waar levende pilaren Soms verwarde woorden uit loslaten; De mens gaat er wouden van symbolen Door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan. Als lange echo’s die zich van ver vermengen, In een duistere en diepe eenheid, Weids als de nacht en als de dag, Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.) De originele tekst geeft daarentegen het beeld van pilaren die woorden laten ontsnappen, maar er komt niet sterk genoeg uit naar voren dat ze zelf over de antwoorden tussen kleuren, geuren en geluiden beslissen. Deze keer wordt met de nabootsing rang 1 verkregen voor rb[répondent–piliers], wat het netwerk vergroot. Tegelijkertijd wordt het intuïtief met elkaar verbinden van de ideeën sterker, zodat uiteindelijk een uitgebreid netwerk en grotere tegenstrijdigheden in betekenis samen opgaan.

Methode

Hoewel het met betrekking tot een imitatie onplezierig is van welk voordeel dan ook te spreken, moeten we een oppervlakkig gestoei dat op een spel zou uitdraaien, voorkomen; we houden ons hier slechts met het onderzoek bezig en laten ons in geen enkel opzicht uit over wat de bestudeerde ideeën verder nog willen zeggen.

Toepassing op Baudelaire

Laten we, om te beginnen, er eens op letten hoe verschillend de aard van de opgeroepen voorwerpen is. Wel, omdat ook de mens nu eens rustig, dan weer uitbundig is, zou het kunnen dat hij als de broer of de geliefde van gekleurde, welriekende of klank voortbrengende voorwerpen wordt beschouwd. We zouden ons dan dus voor moeten stellen dat mensen en symbolen, die elkaars spiegelbeeld zijn, zo elkaars eigen getuigenis van het goddelijke doen toekomen. Wat slaat men anders met vertrouwde blikken gade dan hetgeen men liefheeft?

§66
· Inversie van de verandering enkel door interne verwijdering
Theorie

Het blijkt uitvoerbaar enkel de interne verwijdering kleiner te maken door middel van een nabootsing die als volgt begint: “La Nature est un temple dont sortent parfois de confuses paroles; l'homme y passe à travers des forêts de symboles qui l'observent avec des regards familiers. Comme de longs piliers/////(Qui) (de) loin se confondent, dans (une) ténébreuse (et) profonde unité, vaste comme (la) nuit et (comme) (la) clarté, (Les) parfums, (les) couleurs (et) (les) sons se/////répondent.” (De Natuur is een tempel waaruit soms verwarde woorden ontsnappen; de mens gaat er wouden van symbolen door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan. Als lange pilaren die vanuit de verte in een duistere en diepe eenheid samensmelten, weids als de nacht en als de dag, antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.) Hierdoor verkrijgen we t’(2)s’(3,6)rb(répondent–piliers) (antwoorden-pilaren) voor de bewerking, tegenover de botsing van het voetstuk t(2)s(5,6)rb(répondent–piliers). Daar komt onvermijdelijk een vergroting van het netwerk uit voort en tegelijkertijd voelt men intuïtief aan dat de tegenstrijdigheid tussen “répondent” en “piliers” groter is geworden nu deze in de imitatie minder ver van elkaar afstaan.

Toepassing op Baudelaire

Dit zich dichter bij elkaar bevinden van genoemde termen is bij lange na niet voldoende om rb[répondent–piliers] rang 1 te doen toekomen, zelfs al bestaat er in de imitatie verband tussen de beide termen, omdat het voegwoord “Comme” (Als) puur een idee van vergelijking uitdrukt en geen identificatie.

Methode

Wat men er ook van denkt als een heel boek zonder interpunctie is geschreven: niemand zal daarom willen beweren dat alle woorden er op elkaar betrekking hebben.

§67
· Inversie van de verandering door de speling
Theorie

Laten we eens proberen om de speling door nabootsing te verminderen. We stellen voor, omdat we in de derde regel het vage idee van "bomen-pilaren" aantreffen, in een bewerking, de weg die rb[levende– pilaren] deze ontsnappingsmogelijkheid biedt, af te sluiten, enkel door «wouden» uit de nabootsing te verwijderen. Het reduceren van de speling levert w’(1)rb(levende–pilaren) op tegenover de botsing w(2)rb(levende–pilaren) van het voetstuk, doordat in de imitatie enkel nog de betekenis van “kolom”, heel storend voor de relatie met «levende», overblijft. Het begin komt er nu zo uit te zien: “De Natuur is een tempel waar levende pilaren soms verwarde woorden uit loslaten; de mens gaat er voorbij door talrijke symbolen…” Op die manier wordt het netwerk met w’(1) dat w(2) vervangt, groter, en anderzijds komt, aangezien de tegenstrijdigheden in betekenis groter worden, de zeggingskracht ervan onmiddellijk sterker naar voren, ondanks het verlies aan charme.

Methode

We hebben nu factoren van de bewerking gezien, die nu eens groter, dan weer kleiner waren dan die van het voetstuk.

Toepassing op Baudelaire

Maar er is een lacune ontstaan door het feit dat er zich, wat „Samenspel“ betreft, geen enkel voorbeeld voordoet van een botsing met exact s(2), want wanneer we in het gedicht botsingen die geen duidelijke constructie bezitten, kunnen waarnemen, worden de termen ervan altijd door een of ander front van elkaar gescheiden. Maar, s’(2)rb(antwoorden–frisheid) bijvoorbeeld, zou mogelijk kunnen worden met, in plaats van de achtste en negende regel: “…antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar./////(De)/////frisheid en zachte van sommige geuren is te vergelijken met dat van kinderhuidjes…” Dan zou s’(2)rb(antwoorden–frisheid) te verdedigen zijn in een situatie die tegelijkertijd een constructie als (antwoorden–frisheid), die in ’t geheel geen duidelijk karakter draagt, oplevert, en van “antwoorden” tot “frisheid”, één term die niet als de beduidenis van een front gedefinieerd kan worden.

§68
· Schrapping van versterking
Theorie

De eerste toets van het begrip versterking zou voornamelijk kunnen bestaan uit het onderzoek naar de gevolgen van het supprimeren van een botsing die een tandem vormt met een andere. Laten we een nabootsing maken die de woorden “nardus” bevat in plaats van «wierook», en vervolgens het resultaat van die wijziging met betrekking tot het netwerk van rb[bedorven–tempel] bezien. Aangezien nu door het wegvallen van rb[bedorven–wierook] het verband tussen «bedorven», «wierook», en «tempel» verdwenen is, gaat er bijna geen enkele kracht meer uit van de tegenstrijdigheid tussen “bedorven” en “tempel”, en dat klopt volkomen met het waardeverlies van 0,119 van een versterking die zich voegt bij een stroming die slechts 0,068 bedraagt.

Methode

De berekening, die wat te uitgebreid is om hier herhaald te worden, bevindt zich in 53B.

Toepassing op Baudelaire

Wat de diepere betekenis van het gedicht met betrekking tot dergelijke vreemde opvattingen betreft, blijft het hinderlijk dat we ons niet kunnen onttrekken aan het idee van een bedorven "Natuur-tempel". Maar hoe moeten we ons de gedachten van de auteur anders voorstellen wanneer we constateren dat het begrip eenheid er een belangrijke rol in speelt? Hij schreef [677]: «Eenheid van het dierlijke, het vloeiende en van grondstof…Het idee "eenheid" achtervolgde ook Edgar Allan Poe, en die heeft dat ideaal zeker niet minder gekoesterd dan Balzac. Het is zeker dat die puur literaire figuren, als ze eenmaal goed op dreef zijn, met vreemde bokkesprongen het gebied der filosofie doorkruisen. Ze breken onverwachts uit en vinden onverwachte ontsnappingsmogelijkheden op voor hen zeer typerende wijze.»

§69
· Schrapping van stimulans
Theorie

Voor een nabootsing waarvan eens temeer «wierook» weggevallen zou zijn, zou de botsing bestaande uit de formule rb[bedorven–wierook] onmogelijk worden, en de stimulansen die daaruit voort zouden zijn gekomen, zouden niet gegeven kunnen worden. Op die manier zou bijvoorbeeld een botsing als rb[nacht–dag], ondanks de mogelijkheid gehandhaafd te blijven, doordat hij beroofd is van de steun die rb[bedorven–wierook] eraan verleende, aanzienlijk aan expressiviteit inboeten; in cijfers weergegeven zou de stimulans 0,26 minder worden, alsof deze zich nu bij de nieuwe, verzwakte uitdrukkingskracht aanpast.

Methode

De berekening uitgevoerd in 56B, rechtvaardigt die grote stimulans.

Toepassing op Baudelaire

En het verbaast ons in ’t geheel niet dat het netwerk van rb(nacht–dag) in grote mate beïnvloed wordt door rb(bedorven– wierook), een constatering die bevestigd wordt door de indruk die we opdoen wanneer we het gedicht slechts gedeeltelijk lezen. De zesde en zevende regel die het donker en het licht oproepen, geven in heel lichte mate een tegenstelling tussen de betekenis die van elk uitgaat, want het onderzoek dat in eerste instantie z’n aandacht richt op het idee van éénheid, bemerkt pas tegen het eind van het gedicht hoe belangrijk ook dat van de tegenstelling voor de betreffende auteur zou kunnen zijn [669]. Hij schijnt de nacht en de dag te onderzoeken net zoals Heine, die hij met deze woorden citeert [431]-[694]: «Wat de kunst betreft, ben ik een aanhanger van het "bovennatuurlijke". Ik ben van mening dat de kunstenaar niet al z’n types in de natuur kan vinden, maar dat de meest bijzondere, als de eigen symboliek van aangeboren ideeën, spontaan in hemzelf en op datzelfde moment ontstaan.» En vervolgens over de architectuur: «…men heeft geprobeerd achteraf de types terug te vinden in de gebladerten van de bossen, in de grotten…die types bevonden zich echter helemaal niet buiten in de natuur, maar wel degelijk in de menselijke ziel.»

§70
· Verandering van versterking door de rang
Theorie

We stellen voor een versterking die geringer is voor een bewerking dan voor het voetstuk, te bedenken, met behulp van een vergroting van de rang, mogelijk gemaakt door zo’n nabootsing dat “woorden” zich daardoor in een zin die vragend en “loslaten” in een andere die bevestigend is, bevindt. De gewijzigde rang zal dan gevolgen hebben voor rb[pilaren–woorden] die samen met rb[pilaren–loslaten] een tandem vormt, terwijl de laaste van deze botsingen voordeel geniet van het stramien vb[woorden– loslaten] rvb[pilaren–woorden]; en deze versteviging rvb zelf, staat de tang vb[symbolen–woorden] vb[pilaren–symbolen] toe. De algemeen te volgen gedachtengang is zowel voor het voetstuk als voor de bewerking, dat, indien de pilaren de vrijheid bezitten om iets te laten gebeuren, ze ook wel in staat zijn te spreken. Als we dan op die eerste gedachte voortborduren, is de volgende dat de termen “woorden” en “symbolen” heel goed samengaan. Wanneer de pilaren dus symbolen vormen, zal een keten van associaties de zekerheid verschaffen dat het tandem in kwestie bepaald is. Laten we ons dan nu een nabootsing voorstellen die rb[pilaren–woorden] rang 2 verleent en die op deze wijze begint: “De Natuur is een tempel waarin levende pilaren dingen laten verschijnen. Zouden zelfs verwarde woorden er soms uit ontsnappen?” Deze vraagstelling vermindert de door rb[pilaren–woorden] toegenomen zeggingskracht van rb[pilaren–loslaten], en aangezien tegelijkertijd de stroming die hoort bij deze laaste botsing kleiner wordt door de verandering van t(1) in t’(2), blijkt onomstotelijk dat de versterking die zich midden in het netwerk van rb[pilaren–loslaten] deed gevoelen, op zijn beurt teniet wordt gedaan. Zo gaan afnemende zeggingskracht en geringere waarde samen.

Methode

Wat het geheel van de numerieke waarden betreft, elk ervan is zichtbaar, maar ze zijn nog niet sterk genoeg om de onderlinge invloeden ervan goed te kunnen volgen.

Toepassing op Baudelaire

We merken niettemin op dat, indien de zin uit de imitatie niet onderbroken was geworden, een tweede wijziging, deze keer met betrekking tot het verband tussen “loslaten” en “pilaren”, onwillekeurig zou zijn teweeggebracht. De bevestigende zin zou gehandhaafd hebben moeten blijven om rang 1 te behouden voor de botsing die steun ontving van de versterking: rb[pilaren–loslaten].

§71
· Verandering van versterking door de speling
Theorie

We kunnen in de bewerking een speling aanbrengen die groter is dan er tegenover in het aanvankelijke gedicht, voor een botsing rb[bedorven–wierook] die een versterking kan geven aan een andere rb[bedorven–tempel], dit door «rijk» door “dik” en «zegevierend» door “gegist” te vervangen. Dan ziet “bedorven” naast z’n trede een overloop met de betekenis “lichamelijk en chemisch gezien, bedorven” verschijnen, waardoor het risico ontstaat dat rb[bedorven–wierook] onopgemerkt blijft en deze botsing die nu in de bewerking wat twijfelachtiger is geworden dan in het voetstuk, verleent daar minder zeggingskracht aan rb[bedorven–tempel]. Wel, tegelijkertijd wordt de stroming van rb[bedorven–wierook] kleiner, wat onvermijdelijk is gezien de vervanging door m’(2) van m(1), en bijgevolg ondergaat de versterking een waardevermindering die op zijn beurt het netwerk van de botsing rb[bedorven–tempel] die zijn invloed ondergaat, minder kracht verleent, waarbij uit alles blijkt dat de verminderde zeggingskracht gepaard gaat met een geringere waarde.

Methode

Een botsing die minder kracht heeft ontvangen kan bijgevolg geconfronteerd worden met een zwakkere stroming.

Toepassing op Baudelaire

Die situatie doet zich hier voor, waarbij “bedorven” twee keer voorkomt, wat, wanneer zijn tweeslachtigheid éénmaal is toegenomen, onmiskenbaar gevolgen heeft voor de twee elementen waaruit het tandem bestaat, en zo bezit rb(bedorven–tempel) in de bewerking, met een minder grote stroming dan die van de botsing ertegenover, een geringere versterking. Wat het soort bederf betreft, dat is nogal verheven, gezien de termen waar «bedorven» door vergezeld wordt, heel in ’t bijzonder: «zegevierend», «oneindige», en «wierook». Soms blijkt de overgang van het edele naar het lelijke heel klein te zijn en daar blijkt Baudelaire zich scherp van bewust te zijn wanneer hij zich ergens anders verbeeldt dat zijn gezellin verklaart [[1006]] in Index II (Gedichten)">[[1006]]: «…ik wil me dronken drinken in nardus, wierook en mirre…» Lamartine, die slechts matig door de auteur gewaardeerd werd, had eveneens, dromend over funeste figuren, onderstreept dat niets het heilige vrijwaart van een godslasterlijk gebruik [494]-[629]: «…de zonnevuren, wier vloeibare vlammen
Van de aderen der klaproos in het klein essenkruid stromen,
Zich in hun laven mengend met de tranen van het wierook,
Zetten hun zinnen in brand door een eeuwigdurende dronkenschap.» En Baudelaire, die over zichzelf mediteert als over een koning, suggereert dat de basis van ons feilen zich niet in het concrete, maar diep in het binnenste van de ziel bevindt [[1119]] in Index II (Gedichten)">[[1119]]: «De wijze in hem die goud voor hem maakt, is het nooit gelukt
Het kwaad uit z’n wezen te bannen…»

§72
· Verandering van stimulans door de rang
Theorie

Laten we een stimulans bekijken die verkleind is door vergroting van rang, verkregen door een nabootsing die als volgt begint: “De Natuur is een tempel. Laten levende pilaren er soms verwarde woorden uit ontsnappen?” Dat zou wat betreft rb[Laten–pilaren] t’(2) voor de bewerking, tegenover t(1) in de oorspronkelijke tekst, mogelijk maken; en in het blok rb[Laten–pilaren] rb[gadeslaan–symbolen] zou de tweede botsing dan voor de bewerking een geringere vergroting van zeggingskracht ontvangen dan voor het voetstuk. De nieuwe krachtsafname van de stroming van rb[Laten–pilaren], te wijten aan de overgang van t(1) naar t’(2), zou op zijn beurt de stimulans, die door deze botsing aan de andere gegeven wordt, raken, omdat hij immers van genoemde stroming uitgaat, en een dergelijke daling zou het netwerk van rb[gadeslaan–symbolen] aangaande de situatie in het voetstuk schaden. Uiteindelijk zouden verminderde betekeniskracht en verkleind netwerk samen gaan.

Methode

Laten we er nota van nemen dat de stimulans van een botsing kan afnemen zonder dat die van de andere, maar tot hetzelfde blok behorende botsing, hetzelfde doet.

Toepassing op Baudelaire

Hier behoudt rb[Laten–pilaren] in de bewerking de stimulans die hij in het voetstuk krijgt, en die waarde neemt in het netwerk zelfs in grootte toe, omdat de stroming van de botsing in kwestie een daling ondergaat. Wat de meditatie over ogenschijnlijk passieve, maar volgens sommige indrukken, over een verborgen wil beschikkende wezens betreft, die hangt in grote mate af van de sfeer die kan ontstaan. Balzac beschrijft er één die tot een heerlijk wegdromen verleidt, in de volgende regels [79]: «De dessertwijnen droegen hun geuren en hun vlammen aan, machtige filters, bedwelmende dampen die een soort intellectuele luchtspiegeling scheppen…» Maar zulke hulpmiddelen lijkt de romanschrijver, of één van z’n romanfiguren in ieder geval, niet nodig te hebben [88]: «…ik ga mezelf binnen, en daar vind ik een donkere kamer, waar de natuurrampen zich komen herhalen in een zuiverder vorm dan die waarin ze in eerste instantie aan mijn zintuigen zijn verschenen.» Dan, misschien zoals de gelovigen van een kerk zich naar een dienst haasten, zingen de kleuren, geuren en geluiden, vol serene geestdrift, in de volle natuur, voor de geest die in vervoering is. «De aarde trilde door de adem van een profeet…» schreef Nerval [550].

§73
· Verandering van stimulans door de speling
Theorie

Laten we de verkleining van een stimulans bestuderen, die we verkrijgen door een vergroting van een speling wanneer we, als we het blok rb[bedorven–wierook] rb[nacht–dag] eenmaal aandachtig bekeken hebben, voor de nabootsing “dik en gegist” in de plaats stellen van «rijk en zegevierend». Bijgevolg wordt “bedorven” twijfelachtig, wat de morele betekenis er enigszins aan ontneemt, waardoor de tegenstelling door de nauwe betrekking met “wierook” minder scherp wordt. Dat enkele verschil van m(1) met m’(2) dwingt ons een stroming die tot de helft is teruggebracht aangaande rb[bedorven–wierook] in de bewerking, te accepteren en diezelfde handeling raakt dan de stimulans die rb[nacht–dag] daarvanuit toegekend wordt, terwijl hij z’n netwerk met zich mee omlaagtrekt. Omdat aan de andere kant in intuïtief opzicht de nieuwe twijfel die “bedorven” treft, de tegenstelling waarvan hij deel uitmaakte, wegneemt, heeft dat afgescherpte contrast nauwelijks het vermogen aan de andere tegenstelling in betekenis tussen “nacht” en “dag” daadwerkelijk meer kracht te geven, zodat verzwakking van het netwerk en afname van de zeggingskracht tegelijk plaatsvinden.

Methode

Indien we als voorbeelden weinig interessante tegenstellingen gebruiken, blijken de resultaten vergelijkbaar te zijn, want er is geen enkele emotie voor nodig om de aanwezigheid van knelpunten te constateren, maar slechts het waarnemen van gezegdes die elkaar wat de inhoud betreft, tegenspreken.

Toepassing op Baudelaire

Al wie botsingen zoals rb(bedorven–wierook) en rb(levende–pilaren) van middelmatig belang acht, maar het publiek van de tekst kent, zal ze niet onbelangrijk kunnen noemen. Omgekeerd zal het, indien een botsing zoals rb(bedorven–dag) interessant lijkt, niettemin onmogelijk blijven te beweren dat hij, op het moment waarop het gedicht verscheen, gemakkelijk waar te nemen was.

§74
· Omgekeerde verandering van versterking door de speling
Theorie

We stellen voor een vergroting te bekijken van een versterking die we verkregen hebben door een verkleining van speling voor het tandem rb[pilaren–woorden] rb[pilaren–loslaten] door een nabootsing als volgt beginnend: “De Natuur is een tempel waaruit levende pilaren soms vrijuit verwarde woorden laten ontsnappen…” Aangezien de figuurlijke betekenis van «loslaten» met betrekking tot rb[pilaren–loslaten] een goed middel is de schok tussen de denkbeelden te beperken, maakt het weglaten ervan w’(1) in de bewerking mogelijk, in plaats van w(2) in het voetstuk, voor de botsing in kwestie. Omdat de stroming ervan tweemaal zo groot wordt in de bewerking, in verhouding tot het model ertegenover, ziet de versterking die op basis daarvan is berekend, zich van een toename verzekerd, zodat de botsing rb[pilaren–woorden] die positief beïnvloed wordt, een groter netwerk ontvangt. En in intuïtief opzicht komt door het wegnemen van de twijfel aangaande «loslaten» de betekenis in de tegenstelling tussen “pilaren” en “woorden” krachtiger naar voren, doordat de nieuwe intensiteit van de naburige betekenisschok de indruk verhoogt dat we de ontwikkeling mee maken van een schokkend idee. We concluderen dat de indruk van een groter contrast gepaard gaat met de vergroting van een netwerk.

Methode

We kunnen de hoop wel laten varen dat het op deze manier onderzoeken van de betekenissen van een tekst, een algemene studie vormt van de er in voorkomende gezichtspunten.

Toepassing op Baudelaire

„Samenspel“ suggereert zoveel beelden, dat we daar slechts beperkte aspecten van kunnen beschrijven.

§75
· Omgekeerde verandering van stimulans door de speling
Theorie

We stellen voor een stimulansvergroting, verkregen door een geringere speling, te observeren door middel van het blok rb[paroles–piliers] rb[répondent–parfums¹] (woorden-pilaren, antwoorden-geuren¹). Door een nabootsing die in plaats van de achtste regel “…les parfums, les couleurs et les sons se répondent par la voix…” (…geuren, kleuren en geluiden anwoorden elkaar door middel van hun stem…) bevat, wordt het mogelijk de figuurlijke betekenis van «répondent», die de botsing rb[répondent–parfums¹] minder hevig maakt, te vermijden en zodanig daarvoor m’(1) in de bewerking te verkrijgen, terwijl er tegenover, m(2) zich handhaaft. Omdat de tolken rb[paroles–parfums¹] en rb[répondent–piliers] (woorden- geuren, antwoorden-pilaren) hier buiten kwestie blijven, doet alleen de twee keer zo groot geworden stroming van de bewerking er toe, te meer daar de stimulans die tegelijk daarmee bepaald wordt, daardoor ook in waarde verdubbeld wordt, wat vervolgens het netwerk van rb[paroles–piliers] doet toenemen. Anderzijds verhoogt het idee dat het verband tussen “paroles” en “piliers” oproept, intuïtief gezien zijn vermogen te schokken door een verscherping van het conflict tussen “répondent” en “parfums¹”. De hoop het probleem te ontvluchten wordt kleiner en een groter netwerk zien we dus gerelateerd aan een zichtbaarder contrast.

Methode

Zoals voor elke kwaliteit blijkt het moeilijk te beweren dat, wanneer een numerieke tegenwaarde met twee wordt vermenigvuldigd, de betekenis ervan verdubbelt, maar ze gaan ongetwijfeld samen op.

Toepassing op Baudelaire

De kwetsbaarheid van de intuïties, betreffende de geuren en hun, in zijn verbeelding gegeven, antwoorden, waar de auteur zich aan over geeft, al datgene wat de analyse van botsingen in ideeën heel gewaagd maakt, doet aan deze andere verzen van hem denken [[1057]] in Index II (Gedichten)">[[1057]]: «De zeldzaamste bloemen
Die hun odeur mengen
Met de vage reuk van amber,
De rijke plafonds,
De diepe spiegels,
De oosterse pracht,
Alles zou er tot de ziel
In het geheim z’n
Lieflijke moedertaal spreken.»

§76
· Verandering van versterking door de verwijdering
Theorie

Laten we een grotere versterking bestuderen, ontstaan door verkleining van de interne verwijdering, betreffende het tandem rb[bedorven–tempel] rb[bedorven–wierook]. We gaan daarvoor in een nabootsing «tempel» vervangen door “gebouw”; en in de laatste regels «oneindige dingen» door “dingen van de tempel”. Op deze wijze worden aan het eind van de imitatie tempel, bederf en wierook tegelijkertijd opgeroepen met als effect een vergroting van de intuïtief aangevoelde tegenstelling. Op hetzelfde moment zal rb[bedorven–tempel] door verkleining van z’n interne verwijdering z’n stroming zien toenemen, zodat hij, terwijl hij in het voetstuk hoegenaamd niet bij machte is rb[bedorven–wierook] enige versterking te geven, daar juist tamelijk veel aan doet toekomen in de bewerking. Het al behoorlijk grote netwerk van rb[bedorven–wierook] zal dus een onmiskenbare uitbreiding kennen, op die manier solidair met de eveneens grotere zeggingskracht.

Methode

Zeker, daar is nog een realiseerbare nabootsing voor nodig, maar omdat een imitatie immers tot het domein behoort dat constant voor verbetering vatbaar is, is het verre van absurd te veronderstellen dat de zaak slechts van de inspanning die men zich getroost, afhangt.

Toepassing op Baudelaire

Zo het gedicht „Samenspel“, dank zij de originaliteit ervan al ongewijzigd en uniek blijft, het aantal mogelijkheden om er een bepaalde verandering in aan te brengen, is onbegrensd.

§77
· Verandering van stimulans door de verwijdering
Theorie

We stellen voor een verminderde stimulans te bekijken die veroorzaakt is door een vergrote interne verwijdering die rb[observent–piliers] treft, de tolk waarmee we rekening moeten houden met betrekking tot het blok rb[Laissent–piliers] rb[observent–symboles] (loslaten-pilaren, gadeslaan-symbolen), omdat de tweede rb[Laissent–symboles] die over een kleinere interne verwijdering beschikt, geen dienst doet bij het bepalen van de stimulans. Laten we ons in een nabootsing een imitatie voorstellen van de derde en vierde regel die zich helemaal aan het eind bevinden, na “sens”: “…/////(L')homme passe (à) travers (des) forêts (de) symboles qui l'/////observent avec des regards familiers.” (…de mens gaat door wouden van symbolen die hem gadeslaan met vertrouwde blikken.) Slechts één woord wordt nu weggelaten, enkel omdat het nergens betrekking op zou hebben: «y» (er). Tegenover rb[observent–piliers] met s(3,3), bevindt zich, voorzien van s’(8,2), de nieuwe botsing die voor de bewerking is gegeven als tolk van het blok met 62 fronten tussen zijn termen, “piliers” aan de ene en “observent” aan de andere kant. De voor rb[Laissent– piliers] gunstige stimulans, dientengevolge uit de tweede botsing rb[observent–symboles] ontstaan, kent een aanzienlijke vermindering, terwijl elke stroming op zich gelijk blijft. Het effect is enkel te danken aan de vergroting van de interne verwijdering van de tolk, gestegen van s(3,3) tot s’(8,2), waardoor het netwerk van rb[Laissent–piliers] getroffen wordt. Anderzijds lijkt, intuïtief gezien, het verband tussen de tegenstellingen in rb[observent–symboles] en rb[Laissent–piliers] door hun grotere onderlinge afstand, nu onaannemelijk. Aangezien de ene minder steun kan geven aan z’n buurman, die hem tegelijk met het blok ontvalt, valt het ingekrompen netwerk ervan samen met de minder grote tegenstellingen.

Methode

Deze analyse zou hetzelfde resultaat geven wat de wederzijdse invloed aangaat.

Toepassing op Baudelaire

De aan rb[observent– symboles] door rb[Laissent–piliers] toegekende hulp, neemt af omdat de tolk in kwestie immers onveranderd blijft. Wat nu de wezenlijke zin van de symbolen betreft, die echte of aan zijn geest ontsproten pilaren, laten we daarvoor de volgende passage van Balzac eens lezen [89]: «Ideeën vormen in ons binnenste een compleet systeem, vergelijkbaar met een onderdeel van de natuur, een soort bloeiwijze waarvan het procédé weer opnieuw gebruikt zal worden…»

§78
· Twee gelijktijdige maar tegengestelde veranderingen van de factoren bij een stroming
Theorie

Laten we, liever dan opnieuw enkele soortgelijke proeven te doen, de resultaten eens bekijken van de waardefactoren die afwisselend verschillen, bijvoorbeeld een groter wordende rang, met daarentegen een dalende spelingsfactor. En we stellen voor allereerst enkel een stroming te bekijken, door ons een nabootsing voor te stellen die de achtste regel vervangt: “…les parfums, les couleurs et les sons se répondent-ils de la voix?” (…antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar door middel van hun stem?) Hierdoor verkrijgen we in de bewerking t’(2)m’(1)rb(répondent–parfums), met daartegenover t(1)m(2)rb (répondent–parfums) als aanzienlijke speling, waardoor de tweeslachtigheid van de term «répondent» ontstaat (N.B. “Antwoorden” en “overeenkomen met”); wat factor t(1) betreft, die komt tegenover t’(2) te staan, die in de bewerking ontstaan is door de vragende vorm die in de nabootsing gebruikt is. Uiteindelijk zien we dat de nieuwe stroming dezelfde waarde heeft als die van het voetstuk omdat hij immers, nadat hij met 2 vermenigvuldigd is door de wijziging van m(2) in m’(1), door 2 gedeeld moet worden met het oog op de verandering van t(1) in t’(2). En, intuïtief gezien, zijn aan de ene kant “parfums” en “répondent” minder schokkend door de vragende vorm, maar komt het werkwoord “répondent” daarentegen veel intenser over, door de nadruk die er nu op de eigenlijke betekenis ervan ligt. Wanneer een wijziging een andere neutraliseert, geeft het algehele resultaat een gevoel van tegenstelling dat niet veel afwijkt van het aanvankelijke, precies zoals de numerieke waarde zich weer op het niveau bevindt dat hij aanvankelijk had.

Methode

Om het begrijpen van een nabootsing te vergemakkelijken, blijkt het soms handig te zijn een, eigenlijk overbodig, woord op een bepaalde plaats in te voegen.

Toepassing op Baudelaire

We zouden de bovengenoemde versie zo kunnen aanvullen: “…les parfums, les couleurs et les sons se répondent-ils de leurs voix confuses?” (…antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar met hun verwarde stemmen?) Omdat we hier een al te grote onhandigheid willen vermijden, zou het woord “confuses” dat nu van plaats veranderd is, tot een nieuw idee leiden, dat niets verbazingwekkends heeft, te meer daar de betekenis ervan heel goed past bij de algehele toon van de tekst, die door «comme» wordt gedomineerd [669]. De tegenstrijdige gevoelens zijn praktisch weggeëbd als we de frisheid en het bederf in de natuur in gemengde impressies opdoen. Vooral op sommige momenten [[1125]] in Index II (Gedichten)">[[1125]]: «Wanneer de sombere Venus, vanaf de donkere balcons,
Stromen muscus giet uit haar frisse wierookvaten.» Het ernstige wordt in zo’n geval, in stijl en ideeën, gecombineerd met het lichtvoetige, het is dan ook treffend te zien dat de uitdrukking «…de vervoeringen der geest en der zinnen.» bijna hetzelfde wil zeggen als deze titel van een roman van Crébillon junior: «de Dwalingen van het hart en de geest» [220].

§79
· Tegengestelde veranderingen van onderling van elkaar verschillende waarden voor een versterking
Theorie

We stellen voor een versterking te bestuderen terwijl we daarvoor, met het oog op het voetstuk, een bewerking kiezen met minder verwijdering en tegelijkertijd een grotere rang en speling. Laten we «riches et triomphants» in een nabootsing vervangen door “épais et fermentés” (dik en gegist). Op die manier wordt “corrompus” twijfelachtig, en de speling stijgt voor beide botsingen van het tandem rb[corrompus– encens] rb[corrompus–temple] van m(1) naar m’(2). Laten we anderzijds tonen hoe we de rang van de eerste botsing kunnen wijzigen: “Il est des parfums…comme l'ambre, le musc et le benjoin. L'encens saurait-il en être?” (Er zijn geuren…zoals amber, muscus, en benzoë. Wierook misschien ook?) Door deze veranderingen verkrijgen we in de bewerking t’(2)m’(2)rb(corrompus–encens) (bedorven-wierook) in plaats van t(1)m(1)rb (corrompus–encens) in het voetstuk. Tenslotte stellen we voor in de twaalfde regel «choses infinies» (oneindige dingen), te vervangen door “choses du temple” (dingen van de tempel), waardoor de interne verwijdering van rb[corrompus–temple) daalt van s(7,3) tot s’(2,5) en de externe verwijdering tussen rb[corrompus–temple] en rb[corrompus–encens] van c(8,4) tot c’(2,4). De stroming rb[corrompus– temple] bedraagt, wat de bewerking betreft, 1/t’(2)s’(2,5)m’(2)w’(1)=1/(2)(2,5)(2)=0,1 terwijl hij in het voetstuk de waarde behoudt van 1/t(2)s(7,3)m(1)w(1)=1/(2)(7,3)=1/14,6=0,068. Laten we nu de stroming rb[corrompus–encens] bekijken: die wordt voor de bewerking bepaald op 1/t’(2)s’(1)m’(2)w’(1)=1/(2)(2)= ¼=0,25 terwijl hij in het voetstuk de waarde van 1/t(1)s(1)m(1)w(1)=1 houdt. De versterking die door deze zelfde botsing aan rb[corrompus–temple] wordt verleend, wordt bepaald volgens deze stroming, maar ook aan de hand van de externe verwijdering, om in de bewerking een waarde van 0,25/2,4=0,104 en in het voetstuk 1/8,4=0,119 te bereiken. Nu moet nog het netwerk van rb[corrompus–temple] gegeven worden, of, op z’n minst, het gedeelte waarin de som van de stroming en de versterking beschreven wordt. Het resultaat in de bewerking bedraagt 0,1+0,104=0,204 terwijl het in het voetstuk 0,068+0,119=0,187 bereikt, twee getallen die dicht bij elkaar lijken te liggen. Anderzijds wordt, intuïtief gezien, een levendiger indruk van rb[corrompus–temple] opgedaan, vooral doordat de termen ervan in de nabootsting nu veel dichter bij elkaar staan, en het feit dat rb[corrompus–encens] zich nu dichter bij bevindt, zou zeker merkbaar zijn, als de vragende vorm en de tweeslachtigheid deze tegenstelling in betekenis niet zouden verkleinen. Ook hier heeft weer een soort compensatie van de wederzijdse veranderingen plaats.

Toepassing op Baudelaire

Indien we het totaal van de versterkingen en de stromingen betreffende rb[corrompus–encens] en rb[corrompus–temple], waarbij we alle voornaamste, bruikbare botsingen meerekenen, zouden willen vaststellen en bespreken, zou dat enige moeilijkheden geven door de overvloed aan indrukken en numerieke tegenwaarden die, zonder ze door elkaar te halen, bestudeerd zouden moeten worden.

Methode

Zelfs met eenvoudige, zeer beperkte voorbeelden zoals hierboven gegeven, blijft het mogelijk tegen te werpen dat we niets hebben getoond aangaande de intuïtie die we steeds weer hebben beschreven door middel van een analyse die de waarden heeft opgeleverd waarmee we hem konden vergelijken. Maar daar moet u niet verbaasd over zijn, want een onderzoek dat er in slaagt in een vaag geheel middelen te vinden om de zaken wat helderder te zien, gebruikt die onmiddellijk om de opdracht die het zich stelt, beter uit te voeren.

§80
· Tegengestelde veranderingen van onderling van elkaar verschillende waarden voor een stimulans
Theorie

Laten we met betrekking tot een blok de interne vewijdering van de tolk vergroten, maar tegelijkertijd één van de spelingswaarden verlagen. We stellen voor rb[Laissent–piliers] rb[répondent–couleurs] te bestuderen en tegelijk met dat blok, de toename in betekenis die de eerste botsing van de tweede ontvangen heeft. De stroming van rb[Laissent–piliers] (loslaten-pilaren) bedraagt ½ en de oorzaak daarvan ligt niet bij «piliers», dat beïnvloed is door «forêts» want dat zou het idee van een zekere vrijheid die de zuilen bezitten, geen schade toebrengen; de reden ligt bij de andere term «Laissent» die in figuurlijke zin de schok tempert. We kunnen voor de botsing rb[répondent–couleurs] (antwoorden-kleuren) als middel om in de bewerking m’(1) in plaats van m(2) in het voetstuk te verkrijgen, in een nabootsing een nadere omschrijving van de stem der kleuren bedenken, die de lichte twijfel van «répondent», onstaan door de figuurlijke betekenis (N.B. overeenkomen met) van die term, wegneemt. Laten we, aangezien de stroming van rb[répondent–couleurs] bijgevolg een waarde die in de bewerking verdubbeld is, krijgt, omgekeerd handelen door hem te verkleinen met behulp van beïnvloeding van de tolk die in het voetstuk al de grootste interne verwijdering rb[répondent–piliers], bezit; we stellen voor hem te vergroten door de volgende imitatie van de eerste regels: “En ce temple les piliers/////(de) (la) Nature (sont) vivants (et) laissent parfois sortir (de) confuses paroles…” (In deze tempel zijn de pilaren van de Natuur levend en laten soms verwarde woorden los…) Nu staan er nieuwe fronten tussen de termen in kwestie; laten we vervolgens de imitatie van enkel de achtste regel helemaal aan het eind, na “sens” (zintuigen) plaatsen, met bovendien fronten, “belles” (mooie), “voix” (stemmen), en “mêlées” (door elkaar klinkende), die de originele tekst niet bevatte: “…/////(Les) parfums, (les) couleurs (et) (les) sons (de) (leurs) belles voix mêlées se/////répondent.” (…geuren, kleuren en geluiden geven elkaar met hun mooie, door elkaar klinkende stemmen, antwoord.) Tussen “piliers” en “répondent” komen nu 71 in plaats van 36 fronten te staan, zodat de betreffende waarden stijgen tot respectievelijk s’(9,1) en s(5,6). De stimulans die rb[répondent–couleurs] aan rb[Laissent–piliers] geeft, bepalen we aan de hand van de stroming van de eerste van deze botsingen, 1 wat de bewerking, en 0,5 wat het voetstuk aangaat; maar ook van de grootste der interne verwijderingen van de tolken, hier 9,1 in de bewerking en 5,6 in het voetstuk. Op deze manier bereiken de stimulansen achtereenvolgens 1/9,1=0,109 en 0,5/5,6=0,089 en de waarde van het netwerk of liever gezegd, wat men er hier van ziet, kan men nu wat betreft rb[Laissent–piliers] gemakkelijk bepalen, omdat hij immers bestaat uit de stroming van de botsing plus alle waarden die ontstaan door een versterking of stimulans, wat neerkomt op ½ plus een bepaalde hoeveelheid: 0,5+0,109=0,609 wat de bewerking en 0,5+0,089=0,589 wat het voetstuk betreft, waarden die uitzonderlijk dicht bij elkaar lijken te liggen. Op het intuïtieve vlak zal de afstand tussen de tegenstellingen in betekenis de wederzijdse zeggingskracht alleen maar kunnen verminderen, maar het wegvallen van de tweeslachtigheid wat «répondent» aangaat, verhoogt het contrast tussen de begrippen. Zodat tenslotte de resultaten die zowel met betrekking tot tegengestelde ideeën, als tot een vergroting van de zeggingskracht zijn verkregen, niet veel van de aanvankelijke lijken te verschillen.

Toepassing op Baudelaire

Betreffende de antwoorden die delen tot het natuurschoon behorend elkaar geven, heeft André Ferran het thema pijn veroorzaakt of ondergaan door kleur, uitgebreid bestudeerd [181]-[395]. Baudelaire, die Delacroix en Catlin, schilder van de Indianen van Amerika, met elkaar vergelijkt, riep de klachten of de terreur op die een kleurexpert weet weer te geven en, z’n gedachten vervolgend, schreef hij [16]-[693]: «Lange tijd heb ik voor mijn raam een café gehad, voor de helft in fel groen, en voor de helft in knalrood geschilderd, wat een zoete pijn voor mijn ogen was.»

Methode

De meest betrouwbare methode om zich bewust te worden van de aspecten die onopgemerkt gebleven zijn bij het oppervlakkig doornemen van een tekst, bestaat uit het maken van dergelijke literatuurbeschouwingen, maar door de meest envoudige analyse van combinaties kan men bijna alle constructies vinden. Laten we, omdat we het n-aantal vakjes in een tekst weten, daarna dan vaststellen hoeveel combinaties van twee elementen waar deze deel van kunnen uitmaken, mogelijk zijn [977]. Vervolgens moet het eventueel belang ervan nog onderzocht worden. Laten we ons geenszins met het onderscheid tussen (AB) en (BA) bezighouden omdat de uitspraken, indien men dat wenst, omgewisseld kunnen worden. Laten we ook elk, zogezegd dubbel voorkomen van een vakje vermijden, aangezien geen enkel in beide leden van een uitspraak voorkomt. Laten we ook preciseren dat sommige constructies aan onze aandacht zullen ontsnappen, want een tekst kan een uitdrukking, samengesteld uit verschillende vakjes, bevatten, die geheel nietszeggend wordt zodra hij niet meer compleet is, en in zo’n geval zal een oogmerk in z’n formule minstens één lid dat uit meer dan één vak bestaat, kunnen bevatten. Op die genoemde uitzondering na, bestaat bij (n) vakjes, het aantal constructies uit (n(n-1))/2 oftewel ((n- 1)(n/2)). Enerzijds moet elk van de (n) vakjes in z’n reeks combinaties met elk van de andere, zichzelf vermijden, hetgeen zowel (n) en (n-1) verklaart, omdat de vakjes immers (n) bedragen en (n- zichzelf)=(n- 1). En omdat anderzijds (AB) gelijk staat aan (BA), stelt elke combinatie een relatie voor in de ene volgorde en één in de andere, zodat n(n-1) gedeeld moet worden door 2. Men moet niet tegenwerpen dat de helft niet bepaald kan worden als (n) oneven is: deze blijkt in dat geval slechts abstracter te zijn, en het vast te stellen aantal mogelijke constructies, zal nooit uit een breuk bestaan. Want als (n) oneven is, wordt het door (n-1), even, zodat we hem kunnen presenteren als (2(heel getal u)); wel, deze uit 2 bestaande waarde in (2u), waar het getal 0,5 in (n/2) mee vermenigvuldigd wordt, levert 1 op. Op die wijze vormt ((n- 1)(n/2)), waar het hier om gaat en dat zonder enige uitzondering bestaat uit 1 of meer eenheden, een heel getal wat het totaal der mogelijkheden betreft. Tweede deel: UITBREIDING VAN DE METINGEN VAN AANNEMELIJKHEID TOT ANDERE ZAKEN DAN TEGENSTRIJDIGHEDEN