Het essay — Deel II

Uitbreiding van de metingen van aannemelijkheid tot andere zaken dan tegenstrijdigheden

Legenda van de blokken

Theorie — de begripsmatige uiteenzetting Methode — opmerkingen bij de toepassing Baudelaire — de toepassing op het sonnet Samenspel
§81
· Spoor, spil
Theorie

Aangezien talrijke teksten geen enkele tegenstrijdigheid bevatten, willen we het type meting dat we tot nu toe gepresenteerd hebben, uitbreiden om sommige interpretaties ervan eveneens op numerieke wijze te kunnen waarderen. Om dat te bereiken moeten we bijna alle opvattingen die we eerder naar voren hebben gebracht, generaliseren en begrippen die we eerst hebben laten varen uit angst voor irrationaliteit, opnieuw bestuderen. Het begrip hulpmiddel hadden we tijdelijk terzijde gelegd omdat het gevaar bestond de auteur iets toe te schrijven wat in werkelijkheid een idee van de interpretator was. Maar nu kunnen we stellen dat een spoor een term vormt of ook wel de beduidenis van één van die zeer bijzondere hulpmiddelen: namelijk die zichtbaar een bruikbaar idee voor de betreffende situatie aanbrengen. Een spil is zo’n beduidenis, zodat termen en spillen samen de totaliteit der sporen vormen. Soms gaan we bovendien door met het hanteren van het begrip “term”, maar op uitgebreidere wijze, voor elk idee dat, ontleend aan de onderzochte tekst, in een denkbare uitspraak plaats kan nemen, terwijl we het nou juist, op het moment dat we over dat idee spreken, in een ander verband dan dat van de uitspraak gebruiken. We mogen dan wel overeengekomen zijn dat een hulpmiddel inderdaad een spil bezit wegens het feit dat uit alles blijkt dat de schepper een beduidenis heeft willen aangeven, maar we moeten deze vaak nog wel zien te vinden. Indien het anderzijds niet zeker is dat een hulpmiddel een beduiding heeft, kan het onmogelijk voor een spil doorgaan.

Methode

Het lelijke papier waarop men één of ander slecht gedicht drukt loopt het gevaar geen hulpmiddel met een spil te zijn, want de kans bestaat dat de auteur dit papier niet zelf heeft gekozen.

Toepassing op Baudelaire

De N van «Natuur» bezit een spil, maar deze blijft moeilijk aan te wijzen omdat beide gezichtspunten, namelijk van het bovennatuurlijke en van een persoon, twijfel oproepen, ofschoon nieuwe denkbeelden een bepaalde benaderingswijze van het absolute kunnen opleveren, die hier voldoening moet kunnen schenken. Het zou ons in ieder geval onjuist toeschijnen van een betekenis te spreken die als symbool N heeft en als inhoud “het absolute”: rest ons dus het een toespeling of, eenvoudiger, een “beduidenis” te noemen, zoals we zeggen dat een schilderij iets voorstelt. Dat verhindert de uitdrukking “de spil "N"” geenszins zelf een betekenis te hebben, want in dat geval geven we zichtbaar het voorwerp van een gedachte aan door middel van een regelmatig terugkerend teken.

§82
· Noot, variatie
Theorie

We stellen voor het gebruik van de hoofdletters van het Latijnse alfabet uit te breiden, als symbool van elk element of geheel van elementen dat we uit een tekst hebben genomen. Een noot verbindt een toelichting met een spoor of bestaat uit een relatie tussen sporen, zonder herhaling, steeds zodanig dat de critici de inhoud absoluut niet kunnen verwerpen, omdat deze in geen enkel geval in strijd is met een bepaald steunpunt. De noot wordt vaak weergegeven door middel van b(A~E) of d(A~E) met A en E als sporen, terwijl (b) daarbij de bevestiging voorstelt en (d) het symbool van de ontkenning. Bij b(A~E) betekent de noot: “om te proberen de tekst te begrijpen is het beter om, zoals de schepper ervan in oorsprong zelf ook heeft gedaan, A en E met elkaar te verenigen, dan ze van elkaar te onderscheiden”. En d(A~E) houdt in: “om te proberen de tekst te begrijpen is het beter om, zoals de schepper ervan aanvankelijk ook heeft gedaan, A en E van elkaar te onderscheiden dan ze met elkaar te verenigen”. Er bestaan drie soorten noten: de probleemnoot, de verklarende noot en de neutrale noot. Een variatie is de numeriek weergegeven aannemelijkheid van een neutrale of probleemnoot, alsook van een paar verklarende noten eventueel bestaande uit tweemaal dezelfde noot.

Methode

Botsingen vormen bijzondere noten waarvan de stroming de variatie vormt en waarvan de sporen de vorm van termen hebben en een relatie bestaande uit een solide knelpunt dat gemakkelijk te identificeren is.

Toepassing op Baudelaire

Terwijl het storende aspect van b(Nature~temple) en b(corrompus~encens) op gepaste wijze gewaardeerd wordt, bieden andere noten zoals b(longs~échos) of b(Correspondances~répondent) daarmee geen enkel vergelijkbaar element, omdat de ene een beschrijving lijkt te geven van wat denkbaar is temidden van de normale werkelijkheid van bergen of diepe valleien, en de andere de ideeën, tot uitdrukking gebracht door twee woorden, met elkaar verenigd door middel van een gemeenschappelijke wortel. Het lijkt zo aannemelijk dat het dichter bij elkaar brengen van die beduidenissen van de auteur afkomstig zijn, dat men verbaasd zou zijn te vernemen dat de waarde ervan ver van 1 afligt. Aangaande b(Correspondances~répondent) moeten we eveneens erkennen dat de finesses van de etymologie op zich niet speciaal bestudeerd zijn in de onderhavige studie, omdat het klassieke gebruik ervan eenvoudigweg mogelijk blijft. Om het gebruik van de bronnen der etymologie toe te lichten is de titel van de bundel "Bloemen van het kwaad" een uitmuntend voorbeeld, want een verzameling teksten op een bepaald vlak heet een «"bloem"lezing» omdat deze de "bloemen" ervan moet presenteren [831].

§83
· Probleemnoot
Theorie

Een probleemnoot is belast met het beschrijven van een bepaald obstakel dat het begrijpen van een tekst op ernstige wijze hindert als het om een botsing gaat, maar soms ook op een onschuldige manier. Indien het echter op een zeer vage wijze gebeurt, is het nooit aanvaardbaar, zodat b(weids~eenheid) niet mogelijk is. De uitdrukking «…de dag met de snelle voeten…» die Pindarus gebruikt om op dubbelzinnige wijze over de dag te spreken waarop de wedstrijd plaats vindt en de hardlopers hun krachten meten in Olympia, zal daarentegen door b(dag~voeten) als een moeilijkheid beschreven worden, maar niet als een erg grote omdat uit de rest van de tekst blijkt dat het roemen van een atleet het doel van het gedicht vormt [720]. Vergeleken bij botsingen hebben noten dus het voordeel dat ze zowel op de meest geringe als op de meest grote moeilijkheden betrekking hebben. Het denkbeeld dat een “god-dag” met grote passen voortschrijdt door middel van een lichaam dat groter is dan dat van mensen, blijft op de achtergrond, zodat het effect van de stijl op die manier gehandhaafd wordt en het vertegenwoordigd kan worden door een noot die geen botsing is.

Methode

We kunnen eventueel hetzelfde idee gebruiken voor een verklarende noot, ook nog wel voor een neutrale, maar de belangrijkste variatie moet toekomen aan degene die van de drie intuïtief gezien het aannemelijkst is.

Toepassing op Baudelaire

Op gelijke wijze neemt de kunstenaar z’n toevlucht tot woordcombinaties als «donker licht» [212]-[432]. Het sonnet van Baudelaire staat zelf b(nacht~dag) toe, die de eigenschap van een botsing aan de tegenstelling heeft te danken. Minder hinderlijk is b(mens~tempel); het is geen botsing, want de begrippen kunnen zonder moeite met elkaar in verband worden gebracht; alles wordt echter ingewikkelder als we nadenken over b(Natuur~tempel) die ons iets nieuws leert: dat het verband tussen mensen en een tempel niets gewoons meer heeft als het een gebouw betreft dat ze niet zelf hebben gemaakt. De heilige Augustinus spreekt over hermetische werken terwijl hij daarbij een soortgelijk beeld gebruikt [51]: «…onze aarde is de tempel der wereld!» Cicero verwijst naar een evenzo voorzichtig geformuleerd idee [200]: «Ik ben van mening dat er zich tempels in de steden zouden moeten bevinden en schaar me niet aan de zijde van de Wijzen bij de Perzen die, zegt men, Xercès aanzetten tot het verbranden van de tempels in Griekenland, omdat ze volgens hen goden voor wie alle ruimtes open en toegankelijk moeten zijn en wier tempel en woning het hele universum is, binnen hun muren opsloten.»

§84
· Verklarende noot
Theorie

Een verklarende noot moet, hierbij soms helaas aan het irrationele grenzend, een probleemnoot belichten; bijgevolg kan hij geen stelling nemen tegen de tekst, noch in vaagheid vervallen, wat geen enkele opheldering zou brengen. Als twee verklarende noten zich in één en dezelfde interpretatie van het gecommentarieerde werk bevinden, kunnen ze op de duur niet tegenstrijdig blijven; het is daarentegen mogelijk dat de ene de andere uit het vage haalt, waardoor deze bedreigd zou worden als hij alleen geweest zou zijn. Daarnaast merken we dat er een zekere rivaliteit bestaat tussen de inhoud van een verklaring en het probleem dat hij behandelt. De verklarende noot lost echter nooit definitief iets op, hij beperkt zich tot het belichten van een onderdeel van de moeilijkheid waar we mee te kampen hebben als het om andere problemen dan botsingen gaat en tot het voorkomen van de indruk van totale absurditeit wat deze betreft. De dam staat model voor een verklaring, maar een verklarende noot is niet altijd een dam. Omdat een sluitstuk niettemin het typische raamwerk vormt waarbinnen het ophelderen van problemen bij teksten waarin de verbeelding overheerst plaats vindt, tellen we de aannemelijkheden van de dammen bij elkaar op teneinde een variatie te vinden, of verdubbelen we ook wel de aannemelijkheid van een geïsoleerde verklaring om zijn variatie te verkrijgen. De mate van aannemelijkheid die door de totale operatie om de inhoud toe te lichten gevonden wordt, bestaat uit een product van numerieke waarden: dat wil zeggen door de probleemvariatie met de verklaringsvariatie te vermenigvuldigen. Een goed idee dat een nauwelijks merkbare moeilijkheid verklaart, vormt daarmee namelijk een geheel dat van twijfelachtig belang is.

Methode

Als we een bepaald getal met een kleiner vermenigvuldigen, brengt dat de totale waarde omlaag en geeft zo een goed gemiddelde van het geheel.

Toepassing op Baudelaire

Om de indruk van willekeur die b(bedorven~wierook) ons geeft wat te verminderen, is de dam b(wierook~zintuigen) voldoende, want we worden daarbij automatisch geholpen door het andere deel van de tang b(bedorven~zintuigen). We verdubbelen dus de mate van aannemelijkheid verkregen door b(wierook~zintuigen) om de variatie ervan te verkrijgen en het is zinloos ons nog bezig te houden met b(bedorven~zintuigen). Bij b(antwoorden~ geuren¹) daarentegen gaat er van de halte b(geuren¹~zacht) b(kleuren~zacht) zo veel eensgezindheid uit, dat we dit paar dammen nodig hebben om de botsing in kwestie toe te lichten. Dus in plaats van een waarde te verkrijgen voor b(geuren¹~zacht) en één voor b(kleuren~zacht), verkrijgen we door middel van de som van de annemelijkheden van deze dammen één enkele variatie voor het gehele sluitstuk.

§85
· Neutrale noot
Theorie

Een neutrale noot verkrijgt een goede variatie als de ideeën die hij bevat het niet toelaten gemakkelijk een probleem- of een verklaringsnoot te vormen. Zo bestaan b(longs~échos) (lange-echo’s) of b(chairs~enfants) (huid-kinderen) uit stevige neutrale noten, die heel veel weg hebben van wat men courant constateringen noemt.

Methode

Aangezien aan de verbeelding ontsproten teksten heel zelden overgaan tot opsommingen of bewijzen, bestaat een heel groot deel ervan uit bobbels en spillen en niet uit steunpunten, dat we nu op talrijke manieren kunnen interpreteren, alle pogingen van de critici om de inhoud ervan te bepalen, ten spijt. Het vastleggen van een betekenis wordt hierdoor erg bemoeilijkt, want wat een beginnend criticus als een beschrijving beschouwt van een bepaald onderdeel van een werk, neemt voor een geroutineerd iemand al snel de vorm aan van een probleem of een toelichting.

Toepassing op Baudelaire

Zelfs b(fris~geuren¹) die de negende versregel lijkt te beschrijven kan in de halte b(fris~kleuren) b(fris~geuren¹) dienen om b(antwoorden~geuren¹) te verklaren. Om zich bij tekstverklaringen tegen het overschatten van de rol van constateringen te beschermen, is het dus nuttig onderscheid te maken tussen probleemnoten, verklarende noten en neutrale noten, zelfs als de zaak op het eerste gezicht vreemd lijkt, omdat het in teksten waarin iets aangetoond wordt, heel gangbaar is de constatering te gebruiken om een probleem te beschrijven of uit te leggen.

§86
· Nivellering en klinken
Theorie

Om het herkenbaar maken van noten te vergemakkelijken, kunnen we een (r) plaatsten voor de formules van degene die een probleem vormen, een (v) voor die een verklaring bevatten, en een (o) voor die neutraal zijn. Het onderling krachtiger maken van de noten zal slechts in aanmerking worden genomen als ze tot hetzelfde type, namelijk (r), (v) of (o), behoren. Door middel van een systeem, het klinken, zal geen enkele variatie geteld worden, als deze zelf, zonder vermenigvuldiging met een andere waarde, kleiner is dan 0,062 of 1/(2)(2)(2)(2). Ondanks deze voorzorgsmaatregel is deze analyse in het geheel niet geschikt voor de berekening van waarschijnlijkheden, omdat de afmetingen groter kunnen zijn dan 1. We moeten dus, door middel van wat we de nivellering zullen noemen, in de praktijk deze waarde 1 met betrekking tot elk resultaat dat eerder verkregen is, in ere herstellen. De berekening van waarschijnlijkheden zal, in theoretisch opzicht, niettemin ver boven alles uit, de huidige telling van aannemelijkheden blijven, zelfs met dergelijke hulpmiddelen.

Toepassing op Baudelaire

Een botsing zoals rb(bedorven~ wierook) met een stroming die 1 bedraagt, zou als hij éénmaal meer kracht ontvangen had dankzij rb(bedorven ~ tempel) waarmee hij een tandem vormt, een netwerk dat groter is dan 1 moeten hebben, zelfs als hij nergens anders steun van zou krijgen. Omdat dit onaanvaardbaar is, spreken we enerzijds van een stroming en anderzijds van een versterking die onafhankelijk daarvan ontvangen wordt: zonder deze bij elkaar op te tellen, wat op een getal groter dan 1 zou neerkomen.

Methode

In 53B hebben we zo’n berekening gemaakt, toen we aan een versterking de waarde 0,008 toekenden. Wiskundigen hebben zich van talrijke beperkingen die schadelijk waren voor hun kennis ontdaan, maar moeten er ook op toezien deze laatste te verdedigen. Diverse nuttige ontdekkingen, waarvan we, als we een blik in het verleden werpen, zien dat ze door middel van steentjes gebruikt werden bij het landmeten of inventariseren van voorwerpen, hebben het tellen, vervolgens het bewijzen van het resultaat en veel later, een zekere beheersing van het kansspel mogelijk gemaakt, zodat het aan de getallen opnieuw om een, in eerste instantie twijfelachtige, dienst vragen, in dit geval het verklaren van een tekst, in de grond als redelijk beschouwd moet worden, zolang de gebruikelijke rol van de getallen door het verwarren van de denkbeelden niet in gevaar komt [248]-[250]-[568]-[832]-[842].

§87
· Componenten
Theorie

Als een noot een solide knelpunt blijkt te zijn, staat het niet onomstotelijk vast dat de variatie de stroming ervan is, behalve als die noot uit een botsing bestaat. Bij een noot die geen botsing is, maakt de variatie het mogelijk beter de eventuele zwaktes van de aannemelijkheid ervan te bespeuren dan de stroming dat doet bij botsingen, die door de helderheid ervan meer zekerheid bieden omtrent het bestaan van een relatie die de schrijver heeft willen leggen. Elke variatie bevat zeven hoeveelheden, q, e, p, f, z, g, j, de componenten genoemd; met de laatste vier kunnen we het idee dat we al gebruiken bij de factoren t, s, m en w die de schommeling uitdrukken, veralgemeniseren. Door middel van de eerste twee, (q), (e), kunnen we het vertrouwen meten dat we in de eventuele spillen hebben en de derde heeft als taak de selectie te vervangen die met betrekking tot botsingen wegens de precieze definitie ervan uitgevoerd wordt.

Methode

De solide knelpunten die er niet in slagen als botsingen aangemerkt te worden wegens de vaagheid die hen omringt, moeten het filtreren door component (p) ondergaan, maar omdat de sporen ervan de status van een term hebben, geldt in alle gevallen wat genoemde knelpunten betreft, dat q=e=1. De noten die geen uitspraak doen en die één en soms twee spillen bezitten, zullen daarentegen, omdat ze geen botsingen zijn, een waardering van p=2, maar ook van q=2 of e=2 kunnen krijgen.

Toepassing op Baudelaire

De tegenstelling rb(vivants~piliers) (levende-pilaren) zal een variatie van 1/qepfzgj=1/fzgj=1/tsmw krijgen, want het gaat om een botsing. Maar b(homme~parfums¹) (mens-geuren¹) zal de componenten q=e=1 ontvangen, hoewel een streng onderzoek aangaande de componenten p, f, z, g, j van de variatie nodig zal zijn. De relatie b(n~parfums²) (n-geuren²) tenslotte, die over de opmerkelijke neusklanken gaat die, naar het schijnt, de laatste versregels kenmerken, zal niet meer dan een waardering van 1/qepfzgj kunnen krijgen, waarvan enkel e=1 onmiddellijk toegekend zal worden doordat «parfums» een term is. Het feit dat het reukvermogen belangrijk is in het werk van de auteur verandert niets aan die principes, omdat spillen vaak te kampen hebben met tweeslachtigheid, maar dit verhindert ons geenszins b(n~parfums) als zeer interessant te beschouwen [669]. Over de herinnering die mettertijd door een werk achtergelaten wordt, schreef Baudelaire de volgende versregels, daarbij mogelijk geïnspireerd door Phaedrus [573]-[[1039]] in Index II (Gedichten)">[[1039]]: «Soms als we een kist uit het Verre Oosten openmaken,
Waarvan het tegenstribbelende slot knarst en knerpt,

Of zomaar een kast in een verlaten pand
Waarin een eeuwenoude geur van spinnewebben en duisternis hangt,
Treffen we een oud en vergeeld parfumflesje vol souvenirs aan,
Waaruit plots een springlevende, bij ons terugkerende ziel opveert.»

§88
· Baan en draaimolen
Theorie

De baan van een noot bestaat uit de variatie ervan plus alle waarden die we dankzij de diverse krachten hebben verkregen. Wat de draaimolen betreft, deze kan uit ongeacht welk gedeelte van de baan bestaan, dankzij de variatie en één waarde die door ontvangen kracht is verkregen. Maar in beide gevallen kan de berekening, als deze boven het getal 1 dreigt uit te komen, wegens de vereiste nivellering niet doorgevoerd worden. Voor de variaties (h) en (h’) van de noten, waarvan de één kracht ontvangt en de ander kracht geeft, bedraagt de draaimolen h+h’ waarbij hoeveelheid (k), de externe ruimte, de afstand die er tussen de sporen bestaat, aangeeft. Wat de verklarende noten betreft, die we bij twee tegelijk bestuderen, volgen baan en draaimolen hetgeen er met de variatie gebeurt en op die manier moeten we dus steeds een tweetal totaalsommen in aanmerking nemen. In plaats van h+(h’/k), moeten (k) we h+((i/k) +(i’/k’)) rekenen.

Methode

Grootte (k) heeft praktisch de rol van (c), de hoeveelheid die gebruikt wordt voor de versterking van de botsingen. Het idee blijft hetzelfde: dat de afstand van de termen of sporen een beslissende invloed heeft op geschriften die geen zichtbare kracht bezitten.

Toepassing op Baudelaire

De kwaliteiten van een niet wetenschappelijke tekst als „Samenspel“ worden gevormd door de grote mate van aandacht die de schepper ervan aan het geven van een oordeel wil geven, ondanks de afwezigheid van iedere uiting van een beslissing van zijn kant, maar zo’n oordeel wordt heel dikwijls niet expliciet in het geschrift vermeld. Baudelaire toont in het sonnet heel wijdlopig zijn intuïtie voor elkaar aanvullende kwaliteiten, zodat de éne door de andere benadrukt wordt: door het begrip corruptie bijvoorbeeld slagen we er beter in dat van frisheid te begrijpen. Soms kiest de dichter ervoor dat op helderder wijze te suggereren [[1078]] in Index II (Gedichten)">[[1078]]: «Vertel me eens, vlucht je hart af en toe weg, Agaat?
Ver van de zwarte oceaan der weerzinwekkend vuile stad
Naar een andere oceaan waar de pracht,
Blauw, helder en diep als de zuiverheid van een maagd, losbarst…

Maar is het groene paradijs van de kinderpret,
Het hollen, de liedjes, de zoenen, een bloemboeket,
De afstervende muziek van violen achter de heuvels,
De wijnkannen, ’s avonds, verscholen in de bosjes…

Is dat onschuldige paradijs vol vluchtig plezier,
Al verder hier vandaan dan India en China?
-Kan ons klaaglijk schreeuwen het terug doen keren?
En kunnen we dan met zilveren stemmen, het weer tot leven brengen…»

§89
· Spit
Theorie

Wanneer een noot zowel van de bevestiging als van de ontkenning beroofd is, ontstaat er een spit dat, indien de noot overeenkomt met een uitspraak, een constructie wordt.

Methode

Botsingen vormen noten, maar wanneer we willen laten weten dat de berekeningen die met betrekking tot de aannemelijkheid ervan uitgevoerd moeten worden, niet dezelfde als die van de noten zijn, kunnen we doorgaan met het teken (–) voor zulke tegenstellingen aangaande de strekking te gebruiken, terwijl we ze voor het gemak noten noemen. Het gebruik van hetzelfde woord voor dingen die op een bepaald vlak iets anders voorstellen is soms alleen hinderlijk in het taalgebruik en dan blijkt het dus handig te zijn als we het zonodig kunnen omzeilen. Als we exact de verschillen moeten aangeven wordt een gemeenschappelijk woord snel een probleem, daarom vermijden we in het bijzonder een spit een constructie te noemen, of ongeacht welke noot, een botsing.

Toepassing op Baudelaire

Zoals de oogmerken aangaande «hobo’s» en «geuren» b(hobo’s–geuren²) d(hobo’s–geuren²) de constructie (hobo’s–geuren²) gebruiken, bezitten de noten b(hobo’s~geuren²) d(hobo’s~geuren²), beide het spit (hobo’s~geuren²); daar houdt echter de vergelijking mee op, want rb(N~ Natuur), rd(N~Natuur) bijvoorbeeld, kunnen heel goed het spit (N~Natuur) met elkaar delen, maar met betrekking tot welke uitspraak dan ook is dit onmogelijk, omdat N in beide voorkomt. De toespeling op de hobo’s in de tiende versregel is vaak becommentarieerd door de volgende passage van Balzac [12]-[84]: «Heeft de hobo niet de macht om in alle geesten beelden van landelijke taferelen te voorscijn te halen…» De romanschrijver laat deze verklaring echter voorafgaan door heel andere woorden van een personage dat zich tegen een dergelijke gedachte verzet: «…u hebt me vaak over de kleur van de muziek gesproken, en over wat die schilderde; maar ik zal u, in mijn hoedanigheid van analist en materialist, bekennen dat ik me altijd opstandig voel door de pretentie van sommige enthousiastelingen die ons willen doen geloven dat de muziek met zijn tonen schildert. Is dat niet hetzelfde als wanneer de bewonderaars van Raphaël zouden beweren dat hij met kleuren zingt?» Een opmerking die het volgende antwoord met zich meebrengt: «U valt over enkele woorden, dat is alles.» Baudelaire heeft zijn standpunt zelf behoorlijk aan het wankelen gebracht, omdat hij over de opvattingen van één van zijn figuren schrijft [659]: «…dat absolute materialisme stond niet ver af van het meest zuivere idealisme.»

§90
· Stelling
Theorie

Bij een spit (A~E) bestaat de stelling uit de zes noten die we daarop kunnen vormen, want we moeten er ((2)(3)) rekenen door de mogelijkheden (b) en (d), plus drie soorten noten, namelijk (r), (v) en (o): rb(A~E), rd(A~E), vb(A~E), vd(A~E), ob(A~E), od(A~E). De som van de variaties die we voor de stelling hebben verkregen, zou op 1 moeten uitkomen, maar door de onvolmaaktheid van de berekening komen we vaak hoger of lager uit. De nivellering verhelpt het eerste probleem, maar het tweede blijft zonder remedie.

Methode

Men moet niet verwonderd zijn over dergelijke tekortkomingen, want teksten waarin beelden een groter deel beslaan dan bewijzen, bezitten geenszins de mooie eenvoud van het vierkant of de cirkel, waarvan de wiskundige bestudering in het algemeen geen problemen oplevert. Het is dus nauwelijks acceptabel om naar voren te brengen dat de berekening van de aannemelijkheden van de interpretatie nutteloos is door dat soort mankementen. Vaak leveren stelregels met betrekking tot voorspellingen niet zozeer de beminnelijke afspiegeling van een voorwerp dat voor allen toegankelijk is, als wel de minst kwalijke reconstructie op van een aantal verschijnselen behorende bij een tijdperk dat samen met de andere een zichtbare eenheid vormt.

Toepassing op Baudelaire

De stelling voor (Natuur~tempel) totaliseert een som variaties die zonder nivellering meer dan 1 zou bedragen, omdat die van rb(Natuur~tempel) die een stroming vormt, precies 1 bedraagt.

§91
· Schijf en el
Theorie

Een schijf bestaat enkel uit noten en de mate van aannemelijkheid ervan, weergegeven door de el, wordt berekend aan de hand van de variaties aangaande de elementen waaruit hij samengesteld is. Als één van de noten een verklarende noot is, hebben we de probleemnoot, waarvan we hebben afgesproken dat hij de eerste zal vergezellen, nodig om een vollediger overzicht te verkrijgen dan de variatie ons verschaft. Soms moeten de waarden bij elkaar opgeteld worden, zoals bij h+(h’/k): een dergelijke draaimolen kan zonder hulp van buitenaf een schijf meten als de noten maar probleem- of neutrale noten blijven. Maar als het niet om een steunverlening gaat, moet de vermenigvuldiging toegepast worden; bijvoorbeeld bij twee noten, een probleem- en een verklarende noot, en tevens bij noten waar geen bepaald verband tussen bestaat. Volgens het principe van de nivellering zou de el niet meer dan 1 bedragen wat de waardering van de grootste kracht ervan betreft, maar het klinken is er in ’t geheel niet op van toepassing omdat dit enkel de variaties betreft.

Methode

We zouden daarom moeten proberen het getal vast te stellen waaronder geen enkele meting van aannemelijkheid meer serieus genomen zou moeten worden, maar het ontbreekt ons nog aan voorbeelden die voldoende verscheidenheid bieden om in alle zekerheid te kunnen vaststellen waar die grens ligt. Het gebruik van drie decimalen geeft in ieder geval aan dat de hoeveelheden onder de 0,001 weinig vertrouwen inboezemen.

Toepassing op Baudelaire

Wanneer we met betrekking tot talrijke gevallen gemerkt zullen hebben dat een bepaalde interpretatie die intuïtief gezien beter is dan een andere wat het weergeven van Baudelaire’s ideeën betreft, gepaard gaat met een kleinere el, zullen we op rigoureuzere wijze besluiten dat de waarden in kwestie niet langer dezelfde inhoud hebben als wij daarin zoeken; helaas hebben zulke precieze gevallen zich tot nu toe in ’t geheel nog niet voorgedaan.

§92
· Externe ruimte
Theorie

Als we een probleemnoot tegenkomen die de variatie 1/qepfzgj bezit, en een verklarende noot, die we daarop uitgeprobeerd hebben, met een variatie van 2(1/q’e’p’f’z’g’j’), wordt de externe ruimte (k) tussen beide noten, weergegeven door 2(1/q’e’p’f’z’kg’j’). Indien de schijf enkel de beide genoemde noten bevat, bereikt de el (1/qepfzgj)(2(1/q’e’p’f’z’kg’j’)). Bij twee verklarende noten met een variatie die uit een som bestaat, hebben de afstanden (1/q’e’p’f’z’kg’j’)+(1/q’’e’’p’’f’’z’’k’g’’j’’) als resultaat en de el resulteert in (1/qepfzgj)((1/q’e’p’f’z’kg’j’)+(1/q’’e’’p’’f’’z’’k’g’’j’’)).

Methode

De noodzaak om afzwakking en afstand met elkaar te verbinden heeft niets verwonderlijks, want als een probleem bijna vergeten wordt op het moment dat de termen verschijnen die de opheldering ervan verschaffen, verliest deze een groot gedeelte van z’n kracht. Dezelfde verzwakking doet zich voor wanneer de moeilijkheid ver na wat hem in de tekst minder problematisch maakt komt, want het is lastig het ene punt met het andere te verbinden.

Toepassing op Baudelaire

Als we rb(bedorven~wierook) willen commentariëren door middel van vb(Natuur~tempel), met het argument dat wierook beschouwd kan worden als een trouwe bezoeker van de natuurlijke tempel, die ondanks z’n slechte gedrag er toch bij hoort, moeten we toegeven dat de scheiding van de termen «Natuur» en «tempel» enerzijds en «bedorven» en «wierook» anderzijds, dit bemoeilijkt. Het is ook mogelijk dat Baudelaire de dichtkunst de rol van geuren in de gedachtewereld heeft willen laten spelen en vervolgens door z’n eigen liefdesverdriet op ideeën is gebracht die het lijden ons inspireert en die hem aan bedorven geuren doen denken; maar hij zonderde zich niet in droefheid af, omdat hij immers voor zichzelf in de stijl van de meest schalkse student het volgende grafopschrift bedacht [610]-[[1022]] in Index II (Gedichten)">[[1022]]: «Hier rust wie, doordat hij te zeer beminde de snollen,
Jong nog afdaalde in het koninkrijk der mollen.»

§93
· Moeilijkheid die als opheldering gebruikt wordt
Theorie

Dat een botsing in staat blijkt te zijn het effect van een andere te versterken, verhindert sommige ideeën die in eerstgenoemde aanwezig zijn, geenszins diezelfde naburige botsing af te zwakken. Verstevigingen bijvoorbeeld dienen om van bepaalde tegenstellingen in beduidenis een opheldering te geven, maar zo’n voordeel maakt het in ’t geheel niet onmogelijk de aandacht erop te vestigen en ze op die wijze meer kracht te geven. Om dat te begrijpen moeten we vermijden dat we onze denkbeelden aangaande oppervlakkige invloeden enerzijds, door elkaar halen met diepere bedoelingen anderzijds. Een bepaald verband kan de geest slechts zijdelings bezighouden, terwijl een ander, in lichte mate daaraan tegenovergesteld, ons onmiddellijk opvalt. De ingewikkeldheid die ontstaat bij het schikken van de inhoud, zet ons ertoe aan soms een vreemde weg te volgen: eerst denken we slechts aan de storende kanten van de botsingen en daarna menen we dat de ene van de andere een opheldering geeft.

Methode

Zelfs als zich dat beslist niet voortdurend voordoet, is het toch noemenswaardig, want het brengt het gevaar met zich mee dat we denken dat tegenstellingen en de ophelderingen ervan zoveel verwardheid bevatten, dat niets daaromtrent begrijpelijk is.

Toepassing op Baudelaire

Om de tegenstelling rb(bedorven~tempel) te verklaren, nemen we onze toevlucht tot vb(wierook~tempel) rvb(bedorven~wierook) vb(zintuigen~wierook) vb(bedorven~zintuigen), twee zijn echter al voldoende om het grootste deel van de opheldering te verschaffen: vb(tempel~wierook) vb(zintuigen~wierook). In dat geval vermijden we tegelijk met de verwarring van onze handeling, dat we wat wrevelig worden doordat we een tegenstelling hebben die een andere verklaart. Maar om die tegenstrijdigheid rb(bedorven~wierook) weg te nemen, is het ook mogelijk een beroep te doen op vb(antwoorden~geuren¹) die zich bedient van de termen van rb(antwoorden~geuren¹) met het idee dat alle volgelingen, inclusief die het meest van de juiste leer afdwalen, aan de werelddienst deelnemen. Zo beantwoorden ze aan elementen die anders zijn dan zijzelf, om een god, de eenheid of het grote heelal te eren. Een andere illustratie van de tekst is ook mogelijk: de tempel zou die van het geheugen, moeder der muzen zijn, die in stand gehouden zou worden door de levendige werkwijzen die kunstenaars ontplooien en waar goed en kwaad elkaar zouden antwoorden te midden van het schone. Om te besluiten stellen we voor aan de wereld te denken als aan een immense haven waar de vuurtorens de nieuwe kunstenaars leiden [103]-[490]-[608]-[[1096]] in Index II (Gedichten)">[[1096]]: «…Delacroix, -meer van bloed, bespookt door slechte engelen,
Schaduwrijk door een altijd groen dennenbos omgeven,
Waarin, onder een trieste hemel, vreemde muziekkorpsen
Als een onderdrukte zucht van Weber voorbijgaan;

Die vervloekingen, die lasteringen, dat klagen,
Die extase, die schreeuwen, dat gehuil, die "Te-Deums",
Vormen een echo, die een duizendtal doolhoven doen weergalmen;
Het is een goddelijk opium voor sterfelijke harten.

…Het is een vuurtoren die zijn licht werpt over een duizendtal citadellen…

Want dit lange gebrul dat voortrolt van eeuw tot eeuw
En komt sterven aan de rand van uw eeuwigheid
Is werkelijk de beste getuigenis, Heer
Die wij van onze waardigheid kunnen geven!» De twee gedichten „de Bakens“ en „Samenspel“ zouden vanuit dit perspectief gezien dezelfde strekking hebben, reden te meer om aan te nemen dat schilders en musici elkaar antwoorden. Dichters, elegante vrouwen en dandy’s zouden volgens deze niet erg aannemelijke uitleg allen door geuren voorgesteld kunnen worden. De betekenis “lof” die mogelijk is voor «wierook» en die eerder, zoals we gezien hebben in 53B, op die manier niet bruikbaar was, zou in deze illustratie zinvol zijn, omdat Baudelaire wil suggereren dat lofuitingen, hoe wenselijk ook, de inspanningen op een bepaalde wijze schade toebrengen.

§94
· Vermenging
Theorie

Door middel van een handeling die we de vermenging zullen noemen, zullen we in plaats van eenzelfde variatie in een schijf tweemaal mee te tellen wegens het dubbel gebruik van een opheldering, bijvoorbeeld de éne keer met dit en vervolgens met dat probleem, deze, indien de beweegredenen om de onderdelen te bepalen dezelfde blijven, bij de berekening van de el slechts éénmaal meerekenen.

Methode

De externe ruimte wijzigt zich veelvuldig zonder dat de variatie verandert, omdat, daar de noot hetzelfde blijft, het gebruik ervan voor het kracht verlenen aan of het verklaren van diverse woorden, een verandering teweegbrengt in de afstand tussen de termen in kwestie en andere. De twee externe ruimtes kunnen zich bovendien tegelijkertijd wijzigen: die de opheldering beoogt, berekend naar de afstand tot de termen van de verklaarde noot en die de impuls betreft en berekend wordt vanaf de ene verklarende noot die de andere verklarende noot kracht geeft.

Toepassing op Baudelaire

Zo zal vb(antwoorden~geuren¹) dienen om rb(Natuur~tempel) en rb(bedorven~wierook) te verklaren, want in beide gevallen draagt hij het begrip aan van gelovigen die volgens het kerkceremonieel antwoord geven als ze geroepen worden en, aangezien de afstand van «Natuur» tot «Antwoorden» en tot «wierook» verschilt, kan de ruimte niet even groot blijven. Laten we, als een nieuwe opheldering van rb(bedorven~wierook), ons nu de noot vb(bezingen~geuren¹) voorstellen: deze zal eveneens kracht geven aan vb(antwoorden~geuren¹), en we zullen onderscheid moeten maken tussen k en k’, de ene voor de opheldering van rb(bedorven~wierook), de andere voor de impuls aan vb(antwoorden~geuren¹). Het idee van zo’n wereld waar alle dingen levend zijn, wekt verwondering op; Balzac, die vaak heel tweeslachtig was, deed hier en daar een paar stappen in de richting van een dergelijk denkbeeld [93]: «Maar dan is de Wereld eeuwigdurend, maar dan is de Wereld God!» Voor wie weigert de gebruikelijke inhoud van de woorden te veranderen, is de volgende oplossing wat gemakkelijker te accepteren, namelijk de weidse Natuur als een goddelijk werkstuk beschouwen en één van Cicero’s oratoren, kiest voor dat standpunt [198]: «…als je een ruim en mooi huis ziet, ben je niet geneigd te denken, zelfs als je de bouwmeester niet kunt zien, dat het door muizen en wezels gebouwd is…»

§95
· Externe ruimtes bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

De externe ruimte (k) wordt, samen met de componenten, met name gebruikt voor het meten van een impuls zoals (1/qepfzgj)+(1/q’e’p’f’z’kg’j’) oftewel h+(h’/k), of van een schijf die slechts een probleem- en een verklarende noot (1/qepfzgj)(2(1/q’e’p’f’z’kg’j’)) bevat, wat neerkomt op h(2(i/k)) en tenslotte voor een combinatie van beide weergegeven door h((2i/k)+2(i’/k’k’’)) ofwel (1/qepfzgj)((2(1/q’e’p’f’z’kg’j’)+2(1/q’’ e’’p’’f’’z’’k’k’’g’’j’’))). In laatstgenoemde situatie vertegenwoordigt (k) de waarde van de externe ruimte tussen een verklarende en een probleemnoot; elders speelt k’ eenzelfde soort rol, maar met betrekking tot de tweede verklarende noot en k’’ tenslotte geeft de afstand aan tussen de beide verklarende noten, die elkaar kracht geven.

Methode

De hoeveelheid aannemelijkheid die bestaat uit 2(i/k) oftewel 2(1/q’e’p’f’z’kg’j’) is wegens (k) niet langer een variatie, maar hij heeft ook niet de status van een el die geacht wordt op z’n minst een waarde van h(2(i/k)) of 1/qepfzgj(2(1/q’e’p’f’z’kg’j’)) te bezitten; dus 2(i/k) bestaat slechts uit een voorlopige meting die altijd bij de berekening van de aannemelijkheid van een schijf gebruikt wordt.

Toepassing op Baudelaire

Hoewel rb(Natuur~mens) opgehelderd wordt door vb(mens~gaat), de uitwerking ervan is te danken aan de geringe afstand tussen de termen in kwestie. Wat deze manier van de werkelijkheid doorkruisen van de mens betreft, zijn we licht geneigd aan een reis te denken die iedereen maakt zonder de bedoeling ervan te begrijpen, maar Claude Pichois nodigt ons uit de mogelijkheid van een andere, minder voor de hand liggende inhoud niet uit te sluiten: met de mens zou hier in de eerste plaats de dichter bedoeld worden [667].

§96
· Beperking
Theorie

Aangezien een tegenstelling binnenin een schijf onaanvaardbaar is, brengt dat ons ertoe teksten waarvan bekend is dat ze onsamenhangend zijn, hetgeen trouwens zeer sporadisch lijkt in een gebied waar de verbeelding overheerst, omdat de verhoudingen tussen de betekenissen immers te veel tweeslachtigheid vertonen om redeneerfouten er zonder aarzelen uit te lichten, bij onze studie terzijde te leggen. Bovendien zullen we elk contrast met de betreffende tekst, zoals zich dat bijvoorbeeld bij b(fris~andere) voordoet, vermijden. We willen eveneens voorkomen dat de cirkel zich praktisch sluit als we om een bepaald gevoel van absurditeit dat door rb(levende–pilaren) bezit van ons neemt, van ons af te schudden, onze toevlucht zouden nemen tot het gebruik van vb(wouden–pilaren) vb(levende–wouden), om vervolgens een opheldering van rb(wouden–pilaren) proberen te verkrijgen door middel van vb(levende–pilaren) vb(wouden–levende). Nu we éénmaal (~) in de diverse formules die hier van toepassing zijn, aanvaard hebben, komt de serie er als volgt uit te zien: rb(levende~pilaren) vb(wouden~ pilaren) vb(levende~wouden) en daarna: rb(wouden~pilaren) vb(levende~pilaren) vb(wouden~levende). Wel, het is erg hinderlijk dat het probleem van de levende pilaren opgehelderd wordt door het begrip van de "woud-pilaren" dat weer opgehelderd wordt door dat van de levende pilaren. Toch wordt een dergelijke samenstelling die beter weergegeven wordt door rb(A~E) vb(F~E) rb(F~E) vb(A~E) of vaker nog, door rb(A~E) vb(F~H) rb(F~H) vb(A~E), slechts als hij zich in één en dezelfde schijf bevindt, daaruit verwijderd.

Methode

Het doel van zulke voorzorgsmaatregelen is tenslotte te beschrijven hoe de inhoud van een woord of tekst wordt bepaald, maar we zijn ons er ook van bewust dat die ons zou kunnen ontsnappen, want elke analyse die verstandelijk beredeneerd is, wordt geconfronteerd met het gevaar bekritiseerd te worden door de lezers, zo gauw deze trachten te doen wat in eerste instantie geen deel van hun handelwijze lijkt uit te maken [524]. Rotsen en wolken kunnen daarentegen niet lezen wat er over hen geschreven wordt teneinde te proberen het tegenovergestelde daarvan uit te voeren. Het is dus gepast zich niet te verwonderen over het feit dat vooraanstaande personen een duizendtal argumenten hebben bedacht die moeten aantonen dat de zorgvuldig overdachte benadering van menselijke activiteiten weinig gemeen heeft met de kennis van een verschijnsel [281]-[282].

Toepassing op Baudelaire

Het beperken van de vreemde indruk die rb(wouden~pilaren) op ons maakt, houdt ook in dat we bedreigd worden door vb(wouden~symbolen), want het gevaar bestaat dat vervolgens rb(wouden~symbolen) verklaard wordt door middel van vb(pilaren~symbolen) vb(wouden~pilaren). We zouden echter de rol van de term «wouden» niet openlijk kunnen ontkennen en het zou kunnen dat hij zelfs een belangrijke illustratie van het gedicht verstrekt. In 1853 werd er door Denecourt, een liefhebber van Fontainebleau, een eik naar Baudelaire vernoemd. Volgens Raymond Poggenburg [798]: «De aankondiging verschijnt op die datum in de “Guide de la forêt”, achtste editie.» Het bos waarin wezens leven die als symbolen voorgesteld worden, zou eventueel dat van het geheugen van grote figuren kunnen zijn. Die persoonlijkheden zouden nieuwe gedachten ontwikkelen en zouden net als de pilaren van een gebouw de voorbije tijden tegen de vergetelheid beschermen. Aangezien ze duurzame bouwwerken ondersteunen, zouden ze op hun beurt recht hebben op veel respect, zoals de twee figuren die volgens Ovidius de goden ontvingen [562]: «…zij kregen de wacht over de tempel zolang ze leefden. Op een dag toen ze, gebroken door hun ouderdom, voor de heilige treden stonden en ze het verhaal van die plaats vertelden, zag Baucis dat Philémon, en de oude Philémon dat Baucis met bladeren bedekt werd. Een boomtop hief zich reeds boven hun beider gezichten op…Dat is wat eerwaardige, betrouwbare grijsaarden die geen enkele reden hadden om te proberen me te bedriegen, me verteld hebben. Wat mij betreft, ik heb slingers aan de takken zien hangen en ik heb er hun enkele versgeplukte aangeboden, terwijl ik de volgende woorden sprak: "Moge de stervelingen die door de goden bemind worden, zelf goden zijn; hen die vroom zijn, zijn wij eerbetuigingen schuldig"». Aan de andere kant doelt Baudelaire als lezer van Amerikaanse werken misschien wel op de totempalen die de Indianen van Amerika gebruikten om hun gevoelens van bewondering of respect te tonen jegens de dingen die buiten ons gezichtsveld liggen.

§97
· Andere beperking
Theorie

We verwerpen niet alleen het idee dat een schijf tegelijkertijd rb(A~E) en rd(A~E), of vb(A~E) en vd(A~E), of ob(A~E) en od(A~E) kan bevatten, maar bijvoorbeeld evenmin rb(A~E) en vd(A~E) en meestal ook niet b(A~E) en d(A~E), ongeacht of het om het type noot r, v of o gaat. Als bovendien ob(A~E) tot een schijf behoort, worden de twee noten rb(A~E) en vb(A~E) daarvan uitgesloten. Hetzelfde doet zich voor zodra od(A~E) zich erin bevindt, want dan blijven de noten rd(A~E) en vd(A~E) buiten de schijf.

Methode

Wat vb(A~E) en rb(A~E) of vd(A~E) en rd(A~E) betreft, deze laten we samen toe, omdat de verstevigingen immers al als een schok beschouwd worden die als opheldering dienst kan doen.

Toepassing op Baudelaire

Zo wordt b(levende–pilaren) gebruikt om rb(Natuur–pilaren) toe te lichten. Als schok wordt hij als rb(levende– pilaren) of rb(levende~pilaren) geschreven, maar als verklaring moeten we hem de formule vb(levende~pilaren) toekennen. De "boom-pilaar" die zo sterk aan seksprenten doet denken, speelt eveneens de rol van een stutpaal, die de gedachte vervolgens in een idee omzet [135]: «Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zeven zuilen heeft ze uitgekapt.»

§98
· Draagplaats, berging, schenker en dekzeil
Theorie

De veronderstelling volgens welke intuïtie en berekening van de mate van aannemelijkheid samen opgaan, moet zich tot het gehele domein van de noten uitstrekken, terwijl deze tot aan paragraaf 80 slechts op de botsingen betrekking had. Dit leidt naar de stellingname dat, des te belangrijker variaties of ellen zijn, des te meer de intuïtie de noot of de schijf waarvan de mate van aannemelijkheid zo is uitgevoerd, bevoordeelt. Teneinde de juistheid van zo’n gezichtspunt op de proef te stellen zonder de fout te maken de ideeën door elkaar te halen, wordt de woordenlijst die we bij de proeven met betrekking tot netwerken en botsingen gebruiken, in verband met de nieuwe studie uitgebreid. Derhalve verklaren we dat een verandering van de tekst een draagplaats vormt als die zich beperkt tot wat we willen meten. De door de schrijver gecreëerde tekst plus alle daarop betrekking hebbende metingen, levert de berging op, terwijl de draagplaats die daarmee geconfronteerd wordt en de daarbij behorende graden van aannemelijkheid, de schenker vormt. Om de formules die in beide gelden, te noteren, maken we gebruik van vierkante haakjes, terwijl we op ronde haakjes terugvallen wanneer het enkel om de schenker, of om de berging gaat. Bovendien zal het in sommige gevallen geoorloofd zijn twee gewijzigde teksten, de betreffende berekeningen erbij inbegrepen, met elkaar te confronteren, terwijl we elke groep een dekzeil noemen. De formules ervan zullen we tussen vierkante haakjes schrijven.

Methode

Op dezelfde wijze als de aardrijkskundige kaart van een land niet slechts de eenvoudige weergave van het gebied voorstelt, terwijl dat toch heel nuttig is, moeten we bij het bestuderen van de noten, door middel van de diverse begrippen, eveneens vrijgesteld worden van de plicht om constant in contact te blijven met de kenmerken die het studieobject vormen.

Toepassing op Baudelaire

Om een omschrijving te maken, is niettemin historische kennis nodig, die in het bijzonder wat „Samenspel“ betreft, de aandacht vestigt op onderzoeken, die ten tijde van Baudelaire leidden tot een vernieuwde kennis van kleuren. Als we daarvan uitgaande naar voren brengen dat geuren die het tegenovergestelde van groen, namelijk rood, zegevierend en rijk lijken, doen we de vermoedelijke opvattingen van de auteur, die over de landschappen van Catlin en vervolgens over de portretten van twee Indianen schreef [699]: «Wat kleuren betreft, die hebben iets geheimzinnigs dat me meer bekoort dan ik kan zeggen. Het rood, de kleur van het bloed, de kleur van het leven, was zo overvloedig in dat sombere museum, dat het een bedwelming was; wat de landschappen betreft, -begroeide bergen, oneindige savannes, verlaten rivieren,- die waren eentonig, eeuwig groen; het rood, die donkere, dikke kleur…het groen, die rustige, vrolijke en glimlachende kleur van de natuur, ik vind ze, hun melodische tegenstelling uitzingend, terug tot op de gezichten van die twee helden.» Meer in het algemeen, mediteerde hij als volgt [692]: «…groen is het wezen van de natuur…Wat me in de eerste plaats treft, is dat overal het rood, -klaprozen in het gazon, papavers, papegaaien, enz.,- het groen eer aan doet…» Het kan zijn dat de dichter aan de opmerkingen van de scheikundige Chevreul heeft gedacht [506]-[507]: «…kleur op een doek aanbrengen, bestaat er niet slechts uit het deel van het doek waar het penseel over gaat met die kleur bestrijken, maar het is ook de aangrenzende ruimte aanvullend kleuren…De wet van het kleurcontrast…houdt beslist heel wat anders in dan het vermengen van kleuren…»

§99
· Snede
Theorie

De componenten (q) en (e), de sneden, (q) voor de linkerkant van de noot, (e) voor de andere, bereiken niveau 1 wanneer het referentiespoor een term vormt. In een solide knelpunt dat twee termen bezit, dus geen enkele spil, is in alle gevallen q=e=1. Wanneer de inhoud van de tekst die geen enkele keer voorkomt in een botsing, in overeenstemming met de eisen van de context goed van de billijkheid van een spil gebruik maakt, bereikt de snede in kwestie ook 1, wat bijvoorbeeld niet geldt voor b(N~Natuur), omdat «temple», waarvan de inhoud heel geschikt zou zijn om dat soort absoluutheid waar de N een toespeling op maakt uit te leggen, immers bij de botsing b(Natuur~tempel) hoort. Als een spoor enerzijds geen term is en anderzijds z’n gelijke, zonder deel van een botsing uit te maken, nergens in de tekst voorkomt, heeft de snede die daarbij hoort, een waarde van 2.

Methode

Spillen zijn vaak zo tweeslachtig dat de interpreet het gevaar loopt hen één of andere onjuiste rol te willen laten spelen, het is dan ook nodig dat we, met betrekking daartoe, elk gebrek aan helderheid in de vanzelfsprekendheid van de begrippen die met behulp van eerstgenoemde gevormd zijn, als een zwakheid beschouwen.

Toepassing op Baudelaire

De N van «Natuur» in een draagplaats die begint met “Het absolute, de Natuur, vormt een geheel…” zou in b(geheel~N) of b(Natuur~N) een snede van e=1 hebben omdat “absolute” immers een acceptabel voorbeeld van een spil zou opleveren zonder aan een botsing deel te nemen.

§100
· Plaat; zeef
Theorie

Een verklarende noot hangt in grote mate af van de probleemnoot die hij moet toelichten. Daardoor zien we dat de groottes p, k, g, j, behorend bij eenzelfde verklarende noot, variëren naargelang de verschillende problemen die we door de bemiddeling ervan kunnen behandelen. Om zo’n situatie op te helderen, moeten we onderscheid maken tussen het gebruik van een verklaringsplaat, dat plaats vindt wanneer we slechts het beste resultaat of de beste resultaten die op dat moment haalbaar zijn, bestuderen en dat van een zeef, dat daarentegen van een bepaalde, exact aangegeven probleemnoot afhangt. Beide gevallen vallen samen wanneer we een probleem aangeven in een situatie waarin het probleem het best of op één der beste manieren toegelicht wordt door die verklaringsnoot waarop de meting van aannemelijkheid die we uitvoeren betrekking heeft. De moeilijkheid die we soms tegenkomen is dat bij het gebruik van een plaat, het ene probleem k=1, maar daarentegen g=2 oplevert, en het andere, het tegenovergestelde resultaat, zodat het product qepfzkgj in z’n geheel genomen hetzelfde blijkt te zijn zonder dat het op dezelfde wijze is verkregen. In dat geval moeten de details ervan bestudeerd worden.

Methode

Het heeft dus alleen zin om een plaat te gebruiken indien de beste uitleg op één manier of van slechts één probleem wordt gegeven.

Toepassing op Baudelaire

Zo geeft vb(wierook~zintuigen) een zeer gunstig resultaat met rb(bedorven~wierook), waarmee aangetoond wordt dat voor deze verklaring een plaat moet worden gebruikt. Gewoonlijk wordt de rol van wierook op verschillende manieren voorgesteld, alnaargelang de bedoelingen van het offer, die soms oprecht en op andere momenten twijfelachtig zijn. Enerzijds ontvangt Mozes een precieze opdracht [112]: «Je moet een altaar maken voor het branden van reukwerk…» David gebruikt de volgende beeldspraak [134]: «Heer, u roep ik aan, kom mij te hulp, luister naar mij nu ik tot u roep. Laat mijn gebed voor u zijn als reukwerk, mijn geheven handen als een avondoffer.» Wanneer de eerlijkheid verdwijnt, verliest het ritueel zijn rechtvaardiging [124]: «Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw van jullie wierook…»

§101
· Stok
Theorie

De component (p) oftewel de stok heeft als taak na te gaan of er met betrekking tot een noot die geen botsing is, een steunpunt bestaat voor de speciale aard ervan waardoor het type bepaald wordt: namelijk een probleem-, verklarende of neutrale noot. Zodra een noot echter uit een botsing bestaat, bedraagt de waarde van (p) 1. Wanneer we anderzijds proberen een probleem te beschrijven dat te gering is om de status van een botsing te verkrijgen, maar dat we door een steunpunt als een moeilijkheid beschouwen, blijft het niveau van (p) 1. De tekst kan zelf melding maken van een obstakel in de gedachtegang, in ’t bijzonder door middel van een vraag en leidt de vertolker van de tekst zo naar p=1 voor een probleemnoot die het onderwerp in kwestie betreft. Zo maakt “Kunnen diverse echo’s zich helemaal met elkaar vermengen?” p=1 mogelijk bij rb(vermengen~echo’s). Bij een verklarende noot verkrijgt (p) slechts een waarde van 1 als uit de tekst blijkt dat de passages die bepalend zijn voor de grondgedachte ervan, het probleem verklaren dat door deze noot wordt behandeld. Op die wijze maakt “Kunnen diverse echo’s zich helemaal met elkaar vermengen? Van ver, ja…” p=1 mogelijk bij vb(Van.ver~ vermengen) met betrekking tot het probleem rb(vermengen~echo’s). Indien tenslotte de tekst zonder twijfel stelt dat een idee noch een probleem noch een opheldering inhoudt, is p=1 wat de neutrale noot betreft die dat idee beschrijft. De moeilijkheid die in een tekst schuilt, wordt veroorzaakt door de ironie waarmee de meest elementaire inhoud soms vergezeld gaat. In dat geval is het nodig dat we, zoals het geval is met de probleemnoten die geen botsingen zijn, om een steunpunt vragen teneinde met betrekking tot de neutrale en verklaringsnoten tot het besluit p=1 te kunnen komen.

Methode

Wel, het lijkt even netelig om in een dichterlijk werk een steunpunt te vinden voor iets anders dan de regels betreffende een betekenis, als er een illustratie van aan te duiden, omdat die immers op hetzelfde neerkomen wanneer het steunpunt de basis vormt voor een gedetailleerd begrip van het geschrevene.

Toepassing op Baudelaire

Een verwijzing die zo gebruikelijk is voor „Samenspel“ als die naar Dodone, blijft een kwestie van keuze die de vertolker aangaat [487]. Het levert hem bijvoorbeeld tenslotte niets op, als hij aan de volgende beschrijving van een antiek schilderij denkt [577]: «Op de eik nog de gouden duif…bandjes zijn aan de boom opgehangen, want net als de drievoet van Pythia, spreekt hij orakels uit. De één komt hem vragen stellen, de ander een offer brengen. Op dit moment wordt hij door een koor Thebanen omgeven…Van deze kant gezien, herken je de priesteressen van Dodone aan hun streng en waardig voorkomen; het lijkt wel of zij de geur van plengoffers en parfums inademen. De schilder heeft trouwens de damp van wierook afgebeeld, die deze hele plek omgeeft en zelfs de goddelijke stemmen die er weerklinken: kijk, een bronzen beeld van de nimf Echo die zoals je ziet, haar hand voor haar mond houdt…”

§102
· Steunstukje
Theorie

Het steunstukje (f) voor solide knelpunten wordt vastgesteld aan de hand van rang (t): indien t=1 dan is f=1; indien t=2 dan is f=2. Wat de verschillende noten betreft die geen stroming hebben en waarvan de formule tot het type b(A~E) of d(A~E) behoort, komt de waarde van het steunstukje voor de formule met een (b) op 1 neer indien er in de tekst een steunpunt bestaat dat verhindert dat we hetzelfde spit laten voorafgaan door een (d) en dit is eveneens het geval voor de formule met een (d) als we over een steunpunt beschikken dat het onmogelijk maakt het spit van een (b) te voorzien. In elke andere situatie is f=2.

Methode

Een noot met een spil blijkt in sommige gevallen in staat te zijn f=1 te verkrijgen wegens de uitzonderlijke kracht die uitgaat van de sterke samenhang van de inhoud.

Toepassing op Baudelaire

Zo zal b(N~Natuur) altijd f=1 hebben met (r), (v) of (o), want de inhoud van het sonnet kan onmogelijk door d(N~Natuur) getrouw weergegeven worden. Evenzo als we “De Natuur is een God…” zouden hebben, dan zouden we f=1 moeten accepteren voor b(N~G) en eveneens bij b(N~T) aangaande “De Natuur is een Tempel…” In de grond der zaak moeten we bekennen dat bij Baudelaire de kwestie van het pantheïsme naar voren komt, maar we vermijden er een overhaast antwoord op te geven, want een god die zich niet temidden van de zichtbare wezens der wereld bevond, werd soms als de architect van zijn eigen tempel beschouwd, waar Philostratus van getuigt als hij beschrijft hoe reizigers tijdens een tocht naar India, terwijl ze over de berg Nysa trokken [578]«…het heiligdom van Dionysos op hun weg…troffen, door deze god ter ere van hemzelf opgericht…» De schrijver uit de Oudheid schrijft verder nog: «…hij had het omgeven met laurierbomen die in een cirkel waren geplant, terwijl hij op deze manier een terrein dat juist groot genoeg was voor een tempel van bescheiden afmetingen, omsloot; rondom de laurierbomen had hij klimop en wijnstokken geplaatst en aan de binnenzijde van deze omheining een beeld van zichzelf, wetende dat de bomen mettertijd groter zouden zijn en een soort dak zouden vormen; en zò is dat nu ook geworden, zodat het in dat heiligdom niet regent en de wind er niet binnendringt. Er waren snoeimessen, manden voor de druiven, wijnpersen…Wanneer de god zijn wijnfeesten houdt en de Nysa doet trillen, horen de steden aan de voet van de berg dat en beantwoorden het met luidruchtige feesten.»

§103
· Glijstrook
Theorie

De glijstroken (g) en (j) hebben dezelfde waarde bij een neutrale noot. Ze bedragen slechts 1 wanneer het tekstgedeelte dat als basis dient voor de noot in staat is noch een probleem, noch een verklaring te tonen waarvan de variatie meegeteld kan worden. Die situatie uitgezonderd is g=j=2. Bij solide knelpunten stellen (g) en (j) exact hetzelfde voor als (m) en (w) bij een schommeling: namelijk de spelingswaarden. Laten we in het geval van de andere soorten noten die een probleem beschrijven eens zien wat er gebeurt met rb(A~E) of rd(A~E): indien ondanks het feit dat het om een probleemnoot gaat, ons de inhoud in eerste instantie de indruk geeft dat er geen obstakel voor het begrijpen van de tekst in kwestie voorkomt, wil dat zeggen dat geen enkel serieus probleem zich daar voordoet en zodoende bereiken de twee glijstroken waarde 2; in elke andere situatie is g=1 en j=2 of g=2 en j=1, maar één van de glijstroken blijft steeds 2 behouden omdat we merken dat er geen enkel solide knelpunt ontstaat, wat door de berekening weergegeven moet worden.

Methode

De vage ideeën die in talrijke spillen voorkomen, bevorderen dat g=1 of j=1, want de tweeslachtigheid maakt dat we een probleem vermoeden terwijl de inhoud niet helder is.

Toepassing op Baudelaire

We zijn ons er snel van bewust dat we de mogelijkheid van rb(N~Natuur) kunnen overwegen en toch blijft de bewering dat zich daar geen enkele moeilijkheid voordoet zinvol, omdat het mogelijk is dat Baudelaire met de N heeft willen aangeven dat daarmee het hele universum en niet enkel de aarde in de eerste versregel bedoeld wordt; het gevolg voor de noot rb(N~Natuur) is daardoor een lichte zwakheid. En omdat we immers in ieder geval òf aan g òf aan j 2 moeten toekennen, is het net zo verstandig 1 voor de spil te kiezen en 2 voor de term te bewaren: g=1 en j=2.

§104
· Grondslag
Theorie

We zien dat (g) en (j), de glijstroken, bij een verklaringsnoot gelijk zijn, beide zijn samen 1 of 2 waard. Ze stijgen tot 1 als de verklaring enige bevestiging krijgt in de tekst, zelfs als deze vaag is, hetgeen we een grondslag zullen noemen. Die gunstige factor kan soms wel het niveau van een steunpunt bereiken, maar niet in het geval van een verklaring van een solide knelpunt, dan blijkt het namelijk onmogelijk te zijn dat er een heel goede grondslag bestaat, omdat elke storing dan uitgesloten zou zijn. De afwezigheid van een grondslag maakt dat g=j=2, wat laat zien dat het gevaar heel groot is dat we de gewenste verklaring bedenken op het moment dat we het probleem zelf naar voren brengen.

Methode

Aangezien het vinden van een grondslag niettemin gemakkelijk lijkt, zullen zich in de teksten voor de verklaringen talrijke voorbeelden van glijstroken met een waarde van 1 voordoen.

Toepassing op Baudelaire

Om de probleemnoot rb(bedorven~wierook) op te helderen door middel van vb(antwoorden~geuren¹), zal «bezingen» als grondslag dienen en voor vb(bezingen~geuren¹) die rb(bedorven~wierook) begrijpelijker maakt, zullen we om g=j=1 zeker te stellen, daarentegen «antwoorden» gebruiken. Ondanks deze samenhang vertonen beide gezichtspunten haperingen, want «bezingen» doet meer aan een eredienst denken, maar betreft in de eerste plaats de bedorven geuren, terwijl «antwoorden», dat we gemakkelijker voor elke geur kunnen gebruiken, minder aan een viering doet denken. Het belangrijkste blijft dat we niets aan de bedoelingen van de schrijver veranderen, wel, hij schijnt begrepen te hebben op welke manier tegenstellingen elkaar aanvullen. Als regelmatig lezer van Amerikaanse schrijvers, was hij het niet oneens met de zienswijze van deze strenge bewakers der deugd, maar bleef heel voorzichtig omgaan met hun denkbeelden. Hij moet de prachtige afbeeldingen die de voorstanders der versobering zoals Calvijn in Europa met ironie bekeken hadden, met welgevallen hebben bezien [3]-[42]-[170]: «Het is grote schande het te zeggen, maar het is waar dat de bewoonsters van een bordeel kuiser en eenvoudiger gekleed gaan dan de maagden op de afbeeldingen in de tempels.» Wat Baudelaire betreft, zijn dubbelzinnige werken brengen ons weer bij onze eigen complexiteit terug [[1060]] in Index II (Gedichten)">[[1060]]: «Een sombere en harde vergelijking is het
Als een hart z’n eigen spiegel is geworden…

Een ironisch, hels licht,
Toorts der duivelse schoonheid,
Zeldzame verkwikking en glorie
-Bewustheid van het Kwaad!»

§105
· Een interne ruimte van 1
Theorie

De interne ruimte (z) bij solide knelpunten komt overeen met de interne verwijdering (s), één van de schommelingsfactoren, omdat tsmw geheel gelijk is aan fzgj die voor deze problemen gebruikt wordt. Met betrekking tot de andere noten blijft de situatie praktisch onveranderd, de reeds bekende principes worden slechts met enkele details uitgebreid voor het tellen. Wanneer een steunpunt de interpretatie volgens welke de schepper van het boek in z’n tekst een zichtbaar verband heeft gelegd tussen A en E, waardoor de gedachte b(A~E) of, dat is niet belangrijk, d(A~E), in ons opkomt, rechtvaardigt, dan is z=1 voor alle noten van het spit (A~E); zoniet, dan heeft (z) een andere waarde dan 1.

Methode

Vaak staan we bij een auteur enkel stil bij zijn keus aangaande twee ideeën: heeft hij ze van elkaar gescheiden of met elkaar verenigd? Maar de moeilijkheid om van (s) en (z) een definitie te geven, raakt het punt van het zichtbare verband ertussen, want zelfs indien in een tekst alles door de wil van de schepper met elkaar in verband wordt gebracht, dan nog blijven sommige verhoudingen vaag, terwijl tussen andere relaties bestaan waar geen twijfel over mogelijk is en in het bijzonder om te verklaren dat A eenvoudigweg tegengesteld is aan E, is het nodig dat van deze beide sporen gelijktijdig een beeld gegeven wordt.

Toepassing op Baudelaire

Met een zin in de stijl van de Eeuw der Verlichting is dat goed te zien: “De Natuur, die niet de natuur is, is een wervelwind, een geronk”. Het is zeker dat rd(Natuur~natuur) beter lijkt dan rb(Natuur~natuur) om die woorden weer te geven, maar in elk geval is z=1 bij beide formules.

§106
· Plooiing
Theorie

Wanneer bij een spit met termen, (z) een andere waarde heeft dan 1 krijgt hij een waarde van 2+(1(n/10)), waarbij (n) het aantal fronten voorstelt dat in de tekst tussen de éne term en de andere voorkomt. Indien de sporen deze vorm van termen niet bezitten, ondergaat het tellen heel weinig verandering, zelfs wanneer één van beide dan toch de allure aanneemt van een spil die met een deel van een woord verbonden is. Elk vakje dat op één of andere wijze bijdraagt aan een hulpmiddel met spil wordt een plooiing genoemd, die als een front gebruikt wordt. Vervolgens is het voldoende het (n) aantal overige fronten dat zich tussen de sporen bevindt, zorgvuldig te tellen, om op 2+(1(n/10)) uit te komen. Bij “De natuur Is een tempel; Levende pilaren laten soms verwarde woorden los…” en b(I~L) moeten we “Is” en “Levende” vermijden, wat exact overeenkomt met 2+(1(1/10)) bij b(is~Levende) betreffende “De Natuur is een tempel. Levende pilaren laten soms verwarde woorden los…” Betreffende de alliteratie “La Nature tord mes tortures en m'affligeant de maux” (De Natuur peurt in m’n wonden door me met pijnen te kwellen) en de noot b(ture tord~tortures) levert (z) 2+(1(1/10)) op, want “Nature”, “tord” en “tortures” vallen daar buiten. Een spil die geen steun verleent aan een woordelement vraagt om een andere telling. Als voor het hele sonnet groen papier was gebruikt, zou met betrekking tot b(papierkleur~verts) (N.B. verts: groene) daaraan een waarde van 2+(1(74/10)) toegekend worden wegens de 74 fronten in de tekst. Met daarentegen enkel een groene vlek op “verts”, en de nieuwe noot b(papierkleur~verts), zal (z) in plaats van 2+(1(74/10))=9,4 slechts een bescheiden waarde van 2+(1(0/10))=2 bereiken.

Methode

Het principe bestaat eruit om te trachten een spil aan een zeer klein aantal vakjes toe te kennen en vervolgens, enkel als dat onmogelijk is, een groter aantal te nemen.

Toepassing op Baudelaire

Soms maakt een steunpunt elke telling van fronten overbodig, zoals bij b(respond~répondent). Het verband tussen de spil van het gedeelte dat we uit «Correspondances», de titel van het sonnet, hebben genomen en de term, die daar heel veel op lijkt en die deel uitmaakt van de noot, is zo groot, dat z=1. Dat kon Baudelaire niet ontgaan; hij bezat daar de benodigde scholing voor en men zegt ook van hem dat hij dat begrip zo vaak van inhoud veranderde, dat hij het bijna als een spelletje begon te zien. Raymond Poggenburg wijst er op dat kenners hem vaak een karikatuur toeschreven waarop Courtois te zien was, toentertijd bekend door zijn krantenartikelen over schilderkunst, die zich naar een schilderij toe boog, een spreekhoorn in de richting van het doek houdend [797].

§107
· Externe ruimte van 1
Theorie

De externe ruimte (k) dient om de aannemelijkheden van de verklaring en de verhoogde kracht uit te rekenen. Bij solide knelpunten is (k) gelijk aan (c); met betrekking tot de andere noten nemen we onze toevlucht tot een gelijksoortige handelwijze; om te beginnen is voor twee noten, ongeacht om welke soort het gaat, k=1 zodra voor elk van de twee een interne ruimte (z) bestaat die 1 waard is en tussen alle sporen, waarvan sommige eventueel meerdere keren voorkomen, A, E, F en H, en die b(A~E) en b(F~H) vormen, ofwel d(A~E) en d(F~H), door de inhoud der woorden een continuïteit, gegarandeerd door een steunpunt, aanwezig is. Zo bestaat er tussen rb(N~Natuur) en rb(N~Natuur) een relatie die k=1 mogelijk maakt. Vervolgens zou de grondgedachte van de passage eventueel als volgt kunnen zijn: de mens, in het algemeen of als dichter, zou de hoogste tempel eer betuigen.

Methode

De vertolker van een schrijver uit het verleden vindt het heel vaak moeilijk om er volledig van uit te gaan dat zijn held een heel andere denkwijze had dan hijzelf, wel, daar doet hij zichzelf het grootste onrecht mee en brengt eveneens schade toe aan de nagedachtenis van de bewonderde schepper. Ondanks dat gevaar dat een ieder kent, is de verleiding nog zo groot, dat we regelmatig met behulp van denkbeeldige illustraties eenvoudigweg achter de denkbeelden van de vertolker proberen te komen.

Toepassing op Baudelaire

Om dat gevaar te voorkomen, moeten we vermijden aan onze leerlingen door te geven dat het zeker is dat het sonnet een onreligieus karakter heeft, hetgeen stellig te verdedigen, maar niet absoluut nodig is. Lamartine, wellicht in navolging van Philo en dankzij de talrijke bewerkers van zijn methode die gebruikt wordt door de traditionele interpretatieleer, verwoordt het zo [489]-[575]: «Het is God, het is dat grote heelal, dat zichzelf aanbidt!» Ergens anders beschrijft hij een personage aan de hand van wat diegene zegt [493]-[575]: «O Vader, zei hij, van alle schepselen, wiens tempel zich overal bevindt waar de natuur is…» Slechts even sluipt de twijfel in deze meditatie [492]-[574]: «…God is slechts een verzonnen woord om een uitleg te geven van de wereld…» Het komt ook voor dat hij ideeën combineert [11]-[488]-[575]: «Verborgen God, zei je, de natuur is je tempel!»

§108
· Externe ruimte met een andere waarde dan 1 en met termen
Theorie

Als de externe ruimte een andere waarde dan 1 heeft en de sporen enkel de vorm van termen aannemen, bestaat deze waarde uit 2+(1(n/10)), waarbij (n) het aantal fronten voorstelt dat zich tussen de verst van elkaar verwijderde termen der betreffende noten bevindt. Zowel voor alles wat kracht geeft, als voor wat de verklaringen betreft, blijkt de wijze van tellen dus bijna hetzelfde te zijn als die we gebruiken voor (c), de externe verwijdering.

Methode

De verandering komt door voorgaande beperkingen van de metingen, omdat voortaan de noodzaak om alleen maar solide knelpunten in aanmerking te nemen, immers volledig verdwijnt. Laatstgenoemde lijken niet meer te zijn dan een bijzonder soort noten te midden van andere die eveneens tot onze beschikking staan.

Toepassing op Baudelaire

De externe ruimte (k) tussen vb(corrompus~encens) en rb(corrompus~temple) (bedorven-wierook, bedorven-tempel), bedraagt 8,4 omdat de twee meest verwijderde sporen «encens» en «temple», door 64 fronten gescheiden worden.

§109
· Externe ruimte met een andere waarde dan 1 en met een spil
Theorie

Soms, als we één of meerdere spillen in de bestudeerde noten vinden, komen we bij een telling die beperkt wordt door twee plooiingen of door een plooiing en een ander front, een externe ruimte tegen met een andere waarde dan 1. De gevolgde werkwijze met (z) wordt opnieuw gevolgd voor de afstand die, aangaande de sporen A en F, of A en H, of E en F, of E en H, de noten (A~E) en (F~H) van elkaar scheidt.

Methode

Behalve wanneer er geen enkel verband bestaat tussen de spillen en een bepaald woord, vindt er vergeleken bij wat zich voordoet wanneer alle sporen termen zijn, geen enkele noemenswaardige verandering plaats. Zo leveren vb(schip~mooi²) en rb(Dedede~schip) bij “Dedede schip heeft vlam gevat. Het is mooi. Zij is mooi”, een externe ruimte van 2,8 op, want we moeten “schip”, “vlam”, “gevat”, “Het”, “is¹”, “mooi¹”, “Zij”, “is²” als fronten tellen, negen in totaal, wat een resultaat van 2+(1(8/10)) oplevert. Omdat de combinatie van onderbrekingen en woordspelingen het ons onmogelijk maakt een verband te leggen tussen “Dedede schip heeft vlam gevat” en “Zij is mooi”, moeten we k=1 terzijde leggen. Als er een aanwijzing was dat “Zij” met “Dedede schip” bedoeld wordt, had (k) zonder twijfel een waarde van 1.

Toepassing op Baudelaire

Liefhebbers van een werk die bang zijn dat hun een interessant onderdeel daaruit ontsnapt, hebben daardoor vaak de neiging de relaties tussen de verschillende ideeën te overschatten. Wij moeten onszelf er echter van overtuigen dat onze studie zowel aangaande de spirituele als de tastbare dingen, noodgedwongen slechts een summiere samenvatting blijft [[1133]] in Index II (Gedichten)">[[1133]]: «En de harmonie die heel haar mooie lichaam bepaalt,
Is zo volmaakt, dat de machteloze analyse
De talrijke akkoorden ervan
Niet beschrijven kan.» Enthousiasme volgt een andere weg dan studie, omdat dat meer met inspiratie te doen heeft. Baudelaire, die het beeld van Plato betreffende de streng ijzeren ringetjes die dankzij een magnetische steen aan elkaar blijven hangen in gedachten heeft, vertrouwt daar gedeeltelijk op om de schoonheid die van hemzelf is uitgegaan en die misschien wel erfgename is van opvattingen daarover uit de tijd vóór de Oudheid, door te geven [736]-[737]-[738]-[739]-[[1067]] in Index II (Gedichten)">[[1067]]: «Ik geef je deze versregels opdat, als in verre tijden
Mijn naam gelukkigerwijs boven komt drijven…

De herinnering aan jou zoals in twijfelachtige fabels,
De lezer vermoeie als een hakkebord,
En door een broederlijke en geheimzinnige schakel
Als het ware blijve hangen aan mijn hautaine rijmen…»

§110
· Schijf en opheldering
Theorie

Een versteviging die vergezeld gaat van een andere noot, kan nuttig zijn in een verklaring, maar de noot in kwestie is soms ook in staat de gebruikte versteviging te verklaren, waardoor dan het gevaar kan ontstaan dat met de verschillende externe ruimtes een fout wordt begaan. Zo gebruiken we vb(bedorven~ wierook) die eerder als versteviging rvb(bedorven–wierook) genoemd werd, om rb(bedorven~tempel) op te helderen. Van het gedeelte rb(bedorven~tempel) vb(wierook~tempel) rvb(bedorven~wierook) vb(zintuigen ~wierook) vb(bedorven~zintuigen), is het het best rb(bedorven~tempel) vb(bedorven~wierook) vb(wierook ~zintuigen) te houden om een verklaringsschijf te meten, die ongetwijfeld minder perfect is dan de botsing met het stramien en de tang van de versteviging, maar die er het materiaal voor levert met twee verklaringen voorzien van een variatie met een som en zonder dat de verklaring toeneemt. Indien we de probleemnoot en de verklarende noot door elkaar halen, brengt dat bij een overhaastige berekening het gevaar met zich mee dat we de ruimte aangaande vb(bedorven~wierook) vb(wierook~zintuigen) aanzien voor die met betrekking tot rb(bedorven~tempel) vb(wierook~zintuigen). Let wel, de beide externe ruimtes in rb(bedorven~tempel) vb(bedorven~wierook) vb(wierook~zintuigen) strekken zich uit vanaf de verklaringen tot dat ene probleem dat zich voordoet, zonder dat ze op het verband tussen de verklaringen betrekking hebben.

Methode

De verandering in het noteren die in gelijke tred gaat met het gebruik van de noten, blijft partieel en hier en daar kunnen we op het aanvankelijke gebruik terugvallen; maar de noten met een spil, die geen enkele uitspraak doen, blijven dan uitgesloten van elke vermelding van het teken (–).

Toepassing op Baudelaire

Het moet niet zo zijn dat de termen «bedorven» en «tempel» die elkaar in evenwicht houden, ons doen geloven dat Baudelaire meende te vermoeden dat er zich achter de uiterlijke schijn van de wereld een beslissende strijd afspeelt tussen goed en kwaad. De redenering lijkt vaak moeilijker te begrijpen: het lijden voorkomt verderf en beperkt ook lauwheid en onoplettendheid [[1007]] in Index II (Gedichten)">[[1007]]: «Wees gezegend, mijn God, U die het lijden verschaft
Als een goddelijk middel tegen onze onzuiverheden
En als de beste en zuiverste essence
Om de sterken op heilige genietingen voor te bereiden.» De versregels doen heel plechtig aan; toch wilde de schrijver zich op velerlei manieren hoeden voor een domineestoon [705]: «"De Wijze lacht niet zonder dat hij trilt." Uit welke gezaghebbende mond is dit vreemde, rake gezegde gekomen? En uit welke puur orthodoxe pen is het voortgevloeid? Komt het bij de filosofische koning van Judea vandaan? Moeten we het toeschrijven aan Jozef de Maistre, die soldaat die door de Heilige Geest begeesterd was?» Het vermelden van de geneugten van het lichaam die door warmhartige woorden jegens de Griekse of Romeinse Oudheid werden beschreven, houdt zijn denken zelfs op geamuseerde wijze bezig [[1064]] in Index II (Gedichten)">[[1064]]: «Toen genoten de man en de vrouw in hun lenigheid,
Zonder leugen en zonder angst, van elkaar,
En terwijl de verliefde hemel hun ruggen streelde,
Stelden zij hun edele, goed functionerende machine in werking,
Maar Cybele, rijk aan vruchtbaarheidsproducten,
Vond toen dat haar kinderen er niet al te blozend uitzagen,
En als een wolvin wier hart door wederzijdse tederheid gezwolgen was,
Legde ze de wereld aan haar bruine borsten en gaf haar te drinken…

Als bedorven naties bezitten wij
Schone dingen die de oude volkeren niet kenden…Maar deze uitvindingen van onze laatkomende muzen
Zullen nooit de ziekelijke rassen verhinderen
De jeugd een grote eerbetuiging te brengen,
-Aan de heilige jeugd, aan de eenvoudige lucht, aan het zachte voorhoofd,
Aan het oog dat zo helder en licht als een waterstroom is,
Die overal, zorgeloos als het blauw van de lucht,
Als de vogels en de bloemen, zijn geuren, zijn liederen
En zijn zachte gloed verspreidt!» We moeten niet te stellig verklaren dat deze versregels totaal anders zijn dan „Samenspel“, met het argument dat de denkbeelden van Baudelaire tussen de periodes dat hij de gedichten schreef, erg veranderd zouden zijn, want de twee verzen zijn in 1857 voor het eerst verschenen en er is geen enkel bewijs gevonden dat ze bestonden vóór deze datum, die een even praktisch als logisch grenspunt vormt voor het citeren van werken die het beroemde sonnet kunnen ophelderen [7]-[662].

§111
· Berekening van de variatie van een probleem zonder spil
Theorie

Laten we als probleemvariatie rb(tempel~Samenspel) berekenen; het betreft hier geen knelpunt maar een probleempje met betrekking tot de interpretatie; de auteur lijkt van de begrippen geluiden, kleuren, geuren en van het denkbeeld dat de titel weergeeft één geheel gemaakt te hebben, maar het kan zijn dat hij dit laatste denkbeeld niet in de eerste plaats met «tempel» in verband heeft gebracht; laten we dus de mate van aannemelijkheid eens nagaan van het idee dat hij dat verband hinderlijk vond. Met 1/qepfzgj verkrijgen we 1/(1)(1)(2)(2)(2,2)(2)(1)=0,056, hetgeen te verwaarlozen is. Omdat hier de sporen uit termen bestaan, is q=e=1; aangezien het sonnet niets zegt over de genoemde moeilijkheid, is p=2. Het feit dat de titel afgezonderd blijft van de eerste versregel levert f=2 op; doordat de afstand op 2 fronten, «Natuur» en «is», neerkomt, resulteert dat in z=2+(1(2/10))=2,2 en omdat niets in het gedicht immers de overtuiging logenstraft dat we hier op een moeilijkheid stuiten, zeker niet «antwoorden», «symbolen» en «woorden», besluiten we met ((g)(j))=2 want ((g)(j))=(2)(1)=2 als we er voor kiezen aan de geïsoleerde term «Samenspel» een waarde van 1 toe te kennen.

Methode

Het is niet gemakkelijk de relatie tussen een titel en hetgeen daarop volgt te bepalen. Enerzijds weten we dat het de wens van de schrijver is dat de hele tekst aan de titel beantwoordt, maar anderzijds is het vermoeden dat hij daar misschien wel niet steeds even sterk aan gedacht heeft, vaak gerechtvaardigd, in ieder geval wat de inhoud van de meest subtiele details betreft.

Toepassing op Baudelaire

Het vraagstuk van de tempel die de natuurlijke wereld zou voorstellen, leidt naar dat van de godheid ter ere van wie een bouwwerk is opgericht. Dit punt brengt ons bij dat begrip van een god zonder naam, waarvan de laatste apostel misschien wel onder de indruk was [153]: «Paulus richtte zich tot de leden van de Areopagus en zei: Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: "Aan de onbekende god". Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.» Vervolgens zegt hij [142]-[154]: «Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: "Uit hem komen ook wij voort." Maar als wij dan uit God voortkomen, mogen we niet denken dat het goddelijke gelijk is aan een beeld van goud of zilver of steen, het werk van een ambachtsman, door mensen bedacht.»

§112
· Berekening van de variatie van een probleem met spil
Theorie

Laten we de variatie bestuderen die we door een probleemnoot met spil hebben verkregen: rb(N~Natuur). Omdat «Natuur» immers uit een term bestaat, is e=1; anderzijds bedraagt de waarde van (q), de andere snede, 2, want het is onmogelijk aan N een vanzelfsprekende inhoud te geven, mits de term in kwestie zich niet in een botsing bevindt. Wegens het feit dat de tekst niets meer vermeld over een moeilijkheid die voorkomt in rb(N~Natuur), bereikt stok (p) een grootte van 2. De waarde van component (f) komt neer op 1 omdat het verband tussen “N-Natuur” niet de minste tegenwerping zou kunnen veroorzaken. De waarde van (z) bedraagt eveneens 1 wegens deze buitengewone sterke relatie. Vervolgens is ((g)(j))=2, want inderdaad doet zich aannemelijk een probleem voor, maar het heeft niet de kracht van een botsing; aangezien bovendien N een moeilijk punt voor ons is, is g=1, zodat het voor ((g) (j))=2 onvermijdelijk wordt dat het niveau van j=2.

Methode

Bijgevolg bedraagt de variatie 1/(2)(1)(2)(1)(1)(1) (2)=⅛, wat het dubbele is van 1/16, het grenspunt waaronder een waarde te verwaarlozen is. Voor een botsing, is de variatie de stroming 1, wel, met 2 voor elk van de factoren, verkrijgen we een resultaat van 1/(2)(2)(2)(2)=1/16=0,062. Het lijkt gerechtvaardigd dat zo goed als niets te beschouwen, omdat het onmogelijk blijft een waarde van nul in dit meetsysteem te bereiken.

Toepassing op Baudelaire

De N van «Natuur» moet ook het gebruik van een ander soort noot mogelijk maken, bijvoorbeeld in vb(N~Natuur), zelfs als het begrip "persoon-wereld" niets anders doet dan iedere moeilijkheid die hij moet oplossen, verplaatsen. Het koninklijk aspect van de natuur is bezongen door talrijke schrijvers uit de oudheid die ontzettend bewonderd werden door de onderwijzers uit de tijd van Baudelaire. Plinius maakt ons deelgenoot van zijn ontroering [770]: «…de geweldige afmeting van de eiken in het woud van het Ertsgebergte, gerespecteerd door de tijd en stammend uit het begintijdperk der wereld, gaat elk wonder te boven, door hun quasi onsterfelijkheid.» Hij verhaalt vervolgens hoe de boomwortels uit die noordelijke grootsheid «…om elkaar heen kronkelen als worstelaars en bogen zo hoog als de takken zelf en openingen vormen zo groot als enorme deuren waar eskadrons door kunnen.»

§113
· Berekening van een verklaring zonder spil
Theorie

De noot vb(wierook~zintuigen) die rb(bedorven~wierook) afzwakt, bezit een variatie die bestaat uit q=e=1 dankzij de twee termen; p=2, want in de tekst staat geen enkel woord dat bedoeld is om uit te leggen wat met het bederf in kwestie bedoeld wordt; f=2 omdat het zichtbare verband dat ontstaat tussen «wierook» en «vervoeringen», niet aangetroffen wordt tussen «wierook» en «zintuigen»; z=2,4 door de aanwezigheid van de fronten «Die», «vervoeringen», «bezingen», en «geest»; g=j=1 door «vervoeringen» dat als grondslag dienst doet en ons het begrip dronkenschap en dus eveneens dat van sensualiteit levert. Alles bij elkaar 2(1/qepfzgj)=2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(1)(1)=1/4,8=0,208, een resultaat dat redelijk lijkt te zijn.

Methode

De alinea’s 21, 34, 63, 105 en 106 reiken ons de voornaamste basisinformatie aan om te kunnen concluderen dat s=1 en z=1.

Toepassing op Baudelaire

De noten rb(bedorven~geest) enerzijds en vb(wierook~ zintuigen) anderzijds, leveren soortgelijk gevallen op, waarin we ons heel dichtbij een duidelijke constructie bevinden, maar die het uiteindelijk toch niet blijkt te worden. Het idee dat de geur van tempels naar overdaad leidt, is onlosmakelijk verbonden met dat van de prijs ervan. Plinius geeft aan wat [767]«…de rijkdommen van Arabië zijn en om welke redenen men haar de bijnaam "Gelukkige" en "Rijke" heeft gegeven. Hij preciseert direct daarna: «”Wierook bevindt zich nergens anders dan in Arabië en dan ook nog niet in heel Arabië…De wierookwouden zijn twintig riffen lang en tien riffen breed. Een rif is, volgens de berekening van Eratosthenes, 40 renbanen, dat wil zeggen 5 duizend passen, volgens anderen 32 renbanen. Er zijn hoge heuvels, waar de wierookbomen op natuurlijke wijze groeien, tot in de vallei. Iedereen zegt dat daar kleigrond is, waar praktisch geen zoutmijnen voorkomen…Alleen Arabieren herkennen de wierookbomen en zelfs niet iedere Arabier. Men zegt dat er niet meer dan 3000 families zijn die van vader op zoon het privilege genieten de wierook te mogen exploïteren; daarom worden de leden van deze families "heilig" genoemd…Vroeger oogstte men één keer per jaar, verkoop ervan gebeurde veel minder. Tegenwoordig heeft men uit winstbejag een tweede oogst ingevoerd. De voorbereiding van de eerste en enige natuurlijke, vindt plaats als de hondsdagen aankomen, als het weer op z’n heetst is, door inkepingen te maken op plaatsen waar de schors, die heel dun en uitgerekt is, het meest opgezet door het sap lijkt te zijn. Daar maken we een opening, zonder er iets uit te halen; er spuit een kleverig schuim uit. We laten het dik worden en stollen en we verzamelen het, als het terrein dat vereist, op een palmmat of op sommige plaatsen op een rondom platgeslagen stuk aarde. Het eerste procédé levert een zuiverder, het andere een zwaarder wierook op. De wierook die aan de bomen is blijven kleven, wordt er met een mes afgehaald: er zitten dan ook stukjes schors doorheen. Het bos, dat in parten is verdeeld, wordt door wederzijdse eerlijkheid beschermd: niemand houdt aangetaste bomen, niemand besteelt zijn buurman. Maar eerlijk waar, in Alexandrië waar men de wierook bewerkt, is geen enkele voorzorgsmaatregel voldoende om de werkplaatsen te beschermen. Men merkt de lendendoeken van de arbeiders, men zet hun een masker of een strak net op het hoofd; men laat ze slechts naakt het atelier verlaten. Zeker is dat bij ons straf voor minder veiligheid zorgt dan ze ginds in hun bossen hebben! In de herfst verzamelt men het product dat in de zomer uit de schors is gekomen; dat is de zuiverste wierook, hij is wit. De tweede oogst vindt in de lente plaats, uit inkepingen die in de winter gemaakt zijn. De wierook die eruit komt is roodbruin en weegt niet tegen de vorige op…De wierook die in ronde tranen blijft hangen, heet mannelijke wierook…Sommigen denken dat hij zijn naam aan de gelijkenis met testikels te danken heeft…De wierook wordt op kameelruggen vervoerd…» Sommige wat minder kostbare diffusies dan het oorspronkelijk product, worden ook gebruikt om de goden als offer aan te bieden.

§114
· Berekening van een verklaring met spil
Theorie

We stellen voor de variatie die we door vb(N~Natuur) verkregen hebben, te meten met betrekking tot rb(antwoorden~Natuur). We hebben de eerste paar componenten al behandeld: q=2 en e=1. Zoals ook f=z= 1. Rest ons te bepalen hoeveel (p), (g) en (j) bedragen. Het begrip «tempel» levert een grondslag op die ons goed van pas komt om de waarden g=j=1 te verdedigen. Tenslotte, omdat we nergens uit de tekst opmaken dat deze zichzelf wil toelichten, is p=2. De uitkomst is 2(1/qepfzgj)=2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1))= 2(¼)=½=0,5.

Methode

Paragraaf 112 geeft uitleg over (q), (e), (f), en (z), die onafhankelijk zijn van het soort noot, ongeacht of het om één met (r), (v) of (o) gaat.

Toepassing op Baudelaire

De schijf rb(répondent~Nature) vb(N~Nature) is minder aannemelijk: ((1/tsmw)(0,5/k)). Een dergelijke waarde kunnen we echter niet in aanmerking nemen, omdat de genoemde stroming kleiner dan 0,062 blijkt te zijn. Het is namelijk zo dat t=2 omdat er geen relatie bestaat tussen «répondent» en «Nature», dat s=6,1 doordat zich 41 fronten tussen de beide termen bevinden, dat m=2, omdat we “répondre” ook als “overeenkomen met” kunnen uitleggen en tenslotte dat w=2 want men veronderstelt dat de wereld een bepaalde realiteit met een spraakvermogen bezit, maar zelf geen eigen taal heeft. Zo verkrijgen we tsmw=(2)(6,1)(2)(2)=48,8, wat leidt tot 1/tsmw= 1/48,8=0,02. Als een te gering probleem op zeer heldere wijze opgelost wordt, levert dat een resultaat op dat te veronachtzamen is.

§115
· Berekening van een neutrale noot zonder spil
Theorie

De variatie van ob(homme~parfums¹) (mens-geuren¹), met «parfums» dat we uit de achtste versregel hebben genomen, blijft te verwaarlozen. De sneden bedragen 1; p=2 omdat er in de tekst niets voorkomt dat een bepaalde, zuivere constatering bevat; f=2, want het verband tussen de sporen blijft uiterst klein; z=4,6 aangezien we 26 fronten tussen de sporen tellen. Omdat de inhoud van het gedicht immers grotendeels over de natuurlijke wereld gaat, is het moeilijk «parfums» meer met «homme» dan met «Nature» in verband te brengen, hetgeen g=j=2 als resultaat heeft; om met g=j=1 te kunnen besluiten, hadden we een noot zonder de geringste moeilijkheid of verklaring tot onze beschikking moeten hebben: dat zou werkelijk een bewijs van zijn neutraliteit zijn geweest. De variatie is dus 1/qepfzgj=1/(1)(1)(2)(2) (4,6)(2)(2), wat kleiner is dan 1/(2)(2)(2)(2) en kan bijgevolg onmogelijk au sérieux genomen worden.

Methode

Op dezelfde wijze als in een overwegend fantasierijke tekst een opzichzelfstaande redenering kan voorkomen, treffen we in dichterlijke boeken opsommingen aan. Wel, de neutrale noten hebben eventueel als billijkheid dat soort passages voor hun rekening te nemen.

Toepassing op Baudelaire

Het grote aantal raadselen in „Samenspel“ geeft ons de indruk dat die beschrijvingen zinloos zijn, maar het komt voor dat, als we ze in onze studie gebruiken, sommige ervan toch een variatie opleveren die groter is dan 1/16; zo verkrijgen we met betrekking tot ob(geuren²~uitbreiding), waar we «geuren» uit de negende versregel hebben gelicht, 1/q(1)e(1)p(2)f(1)z(1)g(1)j(1), wat neerkomt op ½ oftewel 0,5. Het is waar dat Baudelaire behalve de strekking van de woorden die deze noot mogelijk maakt, moeilijk te begrijpen denkbeelden hanteert, maar daarnaast komen er ook minder ingewikkelde ideeën in het sonnet voor. De liefde voor eenvoudige dingen geeft veel inspiratie, bijvoorbeeld b(groen~weiden), zoals we vaak gemerkt hebben [670]. Plinius, die zich tevens voor de literaire wereld interesseert, spreekt, nadat hij Homerus heeft geciteerd, de volgende woorden [771]: «Cicero, een ander letterkundig geleerde, heeft gezegd: "Parfums met een smaak als van aarde, zijn aangenamer dan die met een saffraansmaak". Inderdaad heeft hij de voorkeur aan "smaak" boven die van "geur" gegeven. Wij kunnen ook zeggen: "De beste aarde is die een parfumsmaak heeft". Als we aanwijzingen nodig hebben met betrekking tot de geur der aarde, die stijgt vaak op, zelfs zonder dat de aarde omgespit is, bij zonsondergang, waar de regenboog de aarde raakt en wanneer het, na lange droogte, geregend heeft. Dan gaat er, dank zij de uitwerking van de zon, die goddelijke reuk van uit waarmee geen enkele andere geur te vergelijken is.»

§116
· Berekening van een neutrale noot met spil
Theorie

Laten we zien hoe groot de variatie is van ob(N~Natuur), omdat we immers die van rb(N~Natuur) al kennen, namelijk ⅛ en omdat we al enigszins het nut vermoeden van vb(N~Natuur) met betrekking tot verschillende problemen. Wel, dat is voor ob(N~Natuur) 1/qepfzgj=1/(2)(1)(2)(1)(1)(2)(2) want N verschaft q=2 en «Natuur» e=1; de afwezigheid van een aanwijzing in de tekst levert p=2 op; de zichtbare relatie f=z=1; de kans dat N moeilijkheden geeft, zorgt voor g=j=2. We constateren dus dat we hier geenszins boven de te verwaarlozen waarde van 1/16 uitkomen, zodat vb(N~Natuur) ongetwijfeld iets interessants voor ons in petto heeft.

Methode

Vergeet niet dat het grote aantal variaties bij een opheldering gewoonlijk meer dan zes noten in dezelfde stelling met zich meebrengt omdat er immers verschillende verklaringen zijn die uit dezelfde formule bestaan, maar niet dezelfde variatie hebben. In verband daarmee moeten we het aantal noten van elke stelling tot zes beperken, met twee noten bij (v), één bij het gebruik van (b), de andere als het (d) betreft.

Toepassing op Baudelaire

De mededeling vb(N~Natuur) is vooral van belang voor het ophelderen van rb(pilaren~woorden) en rb(wouden~symbolen). De inhoud van het spit (N~Natuur) biedt ons intuïtief gezien twee mogelijkheden: de probleemstelling rb(N~Natuur) en het idee dat een "persoon-wereld" zou spreken of symbolen zou verschaffen. Wat vb(N~Natuur) betreft, waarvan we de aannemelijkheid nog niet gemeten hebben, dit begrip herinnert ons eraan dat de kerk meestal gepresenteerd wordt als een man die z’n armen uitspreidt. De apostel der heidenen schreef [156]: «Wijzelf zijn de tempel van de levende God…» en dank zij de symboliek van het kruis zijn we in staat de vorm van talrijke gebouwen, zoals kerken waarvan de plattegrond vaak de vorm heeft van een mens met uitgestrekte armen, te begrijpen. Porphyrius schrijft onafhankelijk daarvan, dat men voor God [809]«…een tempel bij de mensen gebouwd heeft, namelijk de gedachte…» maar hij voegt er aan toe «…vooral die van de wijze of beter gezegd, alleen die van de wijze…» In het Frans, Baudelaire’s taal, is het lang gebruikelijk geweest, wat overigens in ’t geheel niet vreemd was, de slapen "tempels" te noemen [855].

§117
· Dwarslat
Theorie

Heel dikwijls als we willen dat een neutrale of probleemnoot een andere kracht geeft, is daarvoor een situatie nodig, die we dwarslat zullen noemen, wat inhoudt dat de noten tot hetzelfde type behoren, gekenmerkt door het symbool (r) of (o); dat ze met betrekking tot het oordeel uit formules met hetzelfde teken, namelijk (b) of (d), bestaan; een spoor gemeen hebben en ze tenslotte qua betekenis geenszins tegenstrijdig zijn.

Toepassing op Baudelaire

Zo beschikken ob(N~Natuur) en ob(N~tempel) over een dwarslat, terwijl rb(rijk~ muskus) en rb(zegevierend~andere) daarvan beroofd zijn, omdat ze geen term gemeen hebben; vb(bedorven~andere) en vd(fris~andere) moeten het eveneens zonder dwarslat stellen, doordat de tekens in de formules niet dezelfde zijn. Intuïtief gezien geven rb(rijk~muskus) en rb(zegevierend~andere) elkaar kracht, evenals vb(bedorven~andere) en vd(fris~andere), maar dat kan moeilijk onmiddellijk in cijfers omgezet worden.

Methode

Het middel dat gebruikt wordt om de kracht die botsingen elkaar geven tot uiting te brengen, lijkt minder een verarming te zijn; de keuring waaraan ze echter in het begin onderworpen worden, stelt hoge eisen, zodat hier opnieuw een strenge selectie betreffende de verschillende gezichtspunten plaats heeft gevonden; met dit verschil dat deze vóór de bepaling van de stimulans en de versterking heeft plaatsgevonden. De ondersteuning van een botsing door een probleemnoot, bestaat noodgedwongen uit meerdere elementen en toch is er geen enkel obstakel, omdat elke botsing een noot is, zodat we hier simpelweg een probleemnoot hebben die een andere steun geeft.

§118
· Het geval van een verklaring die een andere kracht geeft
Theorie

Twee verklarende noten met een variatie die we door een vermenigvuldiging met twee hebben verkregen, geven elkaar kracht zodra ze beide een, ongeacht welk, probleem behandelen dat we probleemloos in cijfers kunnen weergeven, ze van hetzelfde teken (b) of (d) worden voorzien, een spoor gemeen hebben en in de inhoud ervan zich niets bevindt wat onderling strijdig is of niet met de tekst strookt.

Methode

Twee van zulke verklaringen samen zouden een strekking kunnen krijgen, die één alleen nooit zou hebben. Meestal veroorzaakt dat gelukkig geen enkel gevaar voor de tekst.

Toepassing op Baudelaire

Door de verklarende uitwerking van rb(levende~pilaren), ontstaat een wederzijdse ondersteuning tussen vb(pilaren ~wouden) en vb(pilaren~symbolen) en vervolgens kunnen deze noten hun verklaring met betrekking tot rb(Natuur~pilaren) opnieuw kracht verlenen en vormen geen speciale belemmering voor het begrijpen van het sonnet.

§119
· Verklaringen die kracht ontvangen in twee noten
Theorie

Bij de ondersteuning van noten met een variatie bestaande uit een som, is het niet toegestaan dat er in beide paren hetzelfde spit voorkomt, zodat we geen enkele hulp kunnen noteren die vb(geuren¹~ zacht) vb(kleuren~zacht) ontvangt van vb(geuren¹~zacht) vb(geluiden~zacht) wegens het herhalen van (geuren¹~zacht). Op elk ander punt zijn de principes, die voor de noten met een variatie bestaande uit een vermenigvuldiging door twee gelden, geheel van toepassing. Bijvoorbeeld vb(Natuur~geuren¹), vb(geuren¹ ~tempel) die we voor rb(Natuur~tempel) willen gebruiken, moeten deze afzwakken zodat we dit resultaat kunnen meten, op dezelfde wijze als vb(Natuur~kleuren), vb(kleuren~tempel) die eerstgenoemde kracht geven. De beide tweetallen mogen noch de tekst tegenspreken, noch elkaar schaden. Tenslotte is het nodig, dat er voor noten die we twee aan twee bekijken, zoals hier enerzijds vb(Natuur~geuren¹) vb(Natuur ~kleuren) en anderzijds vb(geuren¹~tempel) vb(kleuren~tempel), in intuïtief opzicht kracht wordt gegeven en dat ze een spoor gemeen hebben. Laten we meer in het algemeen "x" òf voor (b), òf voor (d), maar zonder daarna te veranderen, als symbool gebruiken; vervolgens "y" voor “(b) of (d), ongeacht of de inhoud gelijk is aan (x) of niet, mits het gebruik na de eerste keer niet meer verandert”. Dan hebben we aan beide kanten met enerzijds vx(A~E) vy(F~L), en anderzijds vx(A~H) vy(F~R), een inhoud nodig die het mogelijk maakt dat vx(A~E) en vx(A~H) elkaar steunen, terwijl vy(F~L), vy(F~R) hetzelfde doen.

Methode

Het is mogelijk andere soorten ondersteuning te vinden, want de aanwezigheid van negatieve wissels die in paragraaf 46 genoemd wordt, doet immers vermoeden dat sommige boeken het gebruik van (d) noten met een variatie bestaande uit een som, toestaan.

Toepassing op Baudelaire

Het model zal heel verschillend blijven: vb(Natuur~geuren¹) vb(geuren¹~tempel), vb(Natuur~kleuren) vb(kleuren~tempel). Als het idee dat de indrukken samen één geheel vormen éénmaal bij de gangbare uitleg gevoegd is, kan het geen schade toebrengen, zolang het aanzet om over het gedicht na te denken. In andere opzichten geldt dat misschien niet en Plato nam enkele voorzorgsmaatregelen met betrekking tot één van de tradities die dat soort beelden overbrengt [762]: «…in de muziek komen figuren en toonveranderingen voor, omdat muziek immers bestaat uit ritme en harmonie, zodat het juist is als we een wijs of een houding als ritmisch of harmonieus beschrijven, maar niet, als we zeggen dat ze een mooie kleur hebben, zoals de koormeesters dat in hun beeldspraak deden…» Anderzijds worden er door de bekoring van het begrip harmonie zoveel emoties losgemaakt dat we ondanks het dubbelzinnig gebruik van het werkwoord "zien", dat we in de meest verschillende teksten tegenkomen, onder de indruk blijven, wanneer we een heel andere richting in de meditatie volgen, met het verhaal over de wolk waar Mozes in opgenomen wordt [111]: «En het gehele volk zag de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en den rokenden berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef van verre staan.»

§120
· Berekening van de tweevoudige kracht die noten met een (r) ontvangen
Theorie

Laten we proberen voor de noten rb(rijk~amber), rb(zegevierend~amber) twee ondersteuningen uit te rekenen. De variaties 1/qepfzgj en 1/q’e’p’f’z’g’j’ leiden naar de draaimolens (1/qepfzgj)+(1/q’e’p’f’z’kg’j’) en (1/q’e’p’f’z’g’j’)+(1/qepfzkgj). De twee variaties hebben door de termen gelukkig dezelfde vorm met q=q’ =e=e’=1; p=p’=2 wegens de stilzwijgendheid van de tekst met betrekking tot een dergelijk probleem; f=f’=z=z’=1 in verband met het sterke grammaticale verband; tenslotte is g=g’=j=j’=2, omdat geen enkele moeilijkheid zich daadwerkelijk voordoet, aangezien «zegevierend» en «rijk» zelfs uit het oogpunt van de schepper van het boek bezien, gemakkelijk voor in figuurlijke zin gebruikte termen kunnen doorgaan. De componenten (1), (1), (2), (1), (1) en (2), (2) leveren genoeg om aan beide noten dezelfde variatie te geven: 1/(1)(1)(2)(1)(1)(2)(2)=⅛=0,125. De externe ruimte (k) bedraagt 1, omdat de continuïteit van de tekst die de vier termen met elkaar verbindt, immers ruimschoots aanwezig lijkt te zijn. De identieke draaimolens zien er als volgt uit: 1/(1)(1)(2)(1)(1)(2)(2)+1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(2)(2)=⅛+⅛=¼.

Methode

De neutrale noten die dezelfde spitten bezitten, ontvangen blijkbaar dezelfde variaties en met het vooruitzicht op ondersteuning, identieke draaimolens.

Toepassing op Baudelaire

We kunnen op dezelfde manier handelen wat ob(rijk~ muskus) en ob(zegevierend~muskus) betreft; zo zullen rb(rijk~muskus) en rb(zegevierend~muskus) eveneens hetzelfde resultaat opleveren. Met de laatste versregels is het moment gekomen om over aantrekkingskracht te spreken, omdat geuren die over vervoeringen zingen, immers een hulde aan de liefde brengen. Baudelaire’s algemene ontwikkeling blijkt op elk gebied gestaafd te worden door gedegen kennis. Op achttienjarige leeftijd schreef hij aan zijn stiefvader [633]: «Je weet dat ik een voorliefde voor oude talen heb opgevat…» Enige tijd daarvoor had hij een prijs voor Latijnse versregels ontvangen op het "Concours Général" waardoor deze woorden wat meer gewicht kregen [598]. Laten we nu eens kijken wat Virgilius zegt over de meeslepende effecten der gevoeligheid [967]: «Ja, alle rassen der aardse wezens, mensen of dieren, of die der zeedieren, kuddedieren en veelkleurige vogels, storten zich driftig in die hevige emoties: de liefde is voor allen hetzelfde…Vooral merries tonen ongetwijfeld de meest opvallende liefdeshartstocht…Ze gaan allemaal rechtop op de hoge rotsen staan, het gelaat naar de zachte, luwe wind toegekeerd, ze laten zich doordringen van de briesjes en vaak, zonder dat ze gepaard hebben, dalen ze, bevrucht door de wind, oh mirakel!, temidden van de rotsen en de bergtoppen af de diepe valleien in…» Zo wordt door de natuur op handige wijze kracht op de levensorganen uitgeoefend.

§121
· Berekening van de tweevoudige kracht die noten met een (o) ontvangen
Theorie

We stellen voor de ondersteuningen van ob(N~Natuur) en ob(N~tempel) te bestuderen. De variaties ervan, 1/q¹e¹p¹f¹z¹g¹j¹ en 1/q¹’e¹’p¹’f¹’z¹’g¹’j¹’ zijn identiek: 1/(2)(1)(2)(1)(1)(2)(2). Wel, aangezien die twee waarden te veronachtzamen zijn door het klinken, wordt het vervelend de discussie daarover nog langer voort te zetten. Hier is q¹=q¹’=2 door de spil; e¹=e¹’=1 door de term; p¹=p¹’=2 door de stilte die heerst met betrekking tot deze zaak; f¹=f¹’=z¹=z¹’=1 door het tekstverband; g¹=g¹’=j¹=j¹’=2 door de aanwezigheid van noten die wezenlijk tot de categorie met een (v) behoren. Elk van de draaimolens krijgt een graad van aannemelijkheid van ((1/16)+(1/(16)(1)))=2(1/16)=⅛ met een waarde van k¹ die 1 bedraagt. Laten we, om de waarden te kunnen tellen, de tekst veranderen door deze als volgt te laten beginnen: “De werkelijkheid of de Natuur is het absolute dat, als we er goed over nadenken, zelfs iedere tempel bevat waarin de mens voorbij gaat…” De term “absolute” maakt de N aannemelijk en behoort in geen geval aan een herkenbare botsing toe, wat de componenten q² en q²’ op 1 brengt. Het resultaat bestaat eruit dat we de variatie die de twee gemeen hebben, op ⅛ brengen door 1/16 met 2 te vermenigvuldigen. De draaimolens ondervinden geen enkele hinder van (k²) omdat deze 1 bedraagt in verband met de grammaticaregels en bedragen zodoende (⅛+⅛) oftewel ¼. Als we dit uitwerken, komt dit onvermijdelijk neer op (1/q²e²p²f²z²g²j²)+(1/q²’e²’p²’f²’z²’k²g²’j²’) en (1/q²’e²’p²’f²’z²’g²’j²’)+(1/q²e²p²f²z²k²g²j²) wat hier voor beide (1/(1)(1)(2)(1)(1)(2)(2))+(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(2)(2))=¼ als resultaat heeft.

Methode

Als de externe ruimte tussen dergelijke verklaringen voor de eerste en de tweede noot hetzelfde blijft, komt dat doordat hij enkel van de waarden (z²) en (z²’) afhangt, evenals van de voortdurende intentie de sporen ervan met elkaar te verbinden, of van de afstand tussen de twee die het meest uit elkaar liggen. Wel, zulke relaties beïnvloeden gelijktijdig de beide draaimolens.

Toepassing op Baudelaire

Of zij nu een spoor gemeen hebben zoals in de ondersteuning, of dat niets gemeenschappelijks gevonden wordt zoals in sommige verklaringen, bij twee noten is de afstand gemakkelijk uit te rekenen. In bovengenoemde situatie bestaat hetzelfde verband tussen “Natuur-tempel” enerzijds en tussen “tempel-Natuur” anderzijds, als we dat zo kunnen stellen. Met betrekking tot verklaringen is de zaak nog helderder omdat de externe ruimte immers alleen wordt geteld voor de verklarende noot h(2(i/k)) of h((i/k)+(i’/k’)). Bij rb(antwoorden~geuren¹) vb(zacht~geuren¹), hangt de berekening van h(i/k) enkel af van de afstand tussen de termen geuren¹-zacht. De opheldering rb(antwoorden~geuren¹) vb(zacht~kleuren) bestaat uit vier termen, maar alleen de twee waartussen het minste verband bestaat, zijn belangrijk voor k’, die het eindresultaat bepaalt in h(i’/k’). De wezenlijke inhoud is moeilijker te bepalen. De combinatie van een vorm van het pantheïsme en al van oudsher bekende gezichtspunten met betrekking tot de dingen, vertoont een zekere dubbelzinnigheid. Balzacs woorden getuigen, als hij het over een heel jonge figuur heeft, van een openhartige opvatting van die kwestie [90]: «Zijn werk vertoonde de tekens van de strijd die de twee grote principes in dat gevoelige hart leverden, het Spiritualisme en het Materialisme, waar zoveel grote genieën omheen gedraaid hebben, zonder dat één van hen ze heeft durven samenvoegen.»

§122
· Berekening van de kracht die een verklaring ontvangt in twee noten
Theorie

De kracht die vb(Nature~parfums¹) vb(parfums¹~temple) ontvangen van vb(Nature~couleurs) vb(couleurs~temple), bestaat gezien de botsing rb(Nature~temple) die afgezwakt moet worden, uit die aan vb(Nature~parfums¹) is gegeven door middel van vb(Nature~couleurs) en voorts uit de hulp die aan vb(parfums¹~temple) is verleend door vb(couleurs~temple). (De kracht die vb(Natuur~geuren¹) vb(geuren¹ ~tempel) ontvangen van vb(Natuur~kleuren) vb(kleuren~tempel), bestaat gezien de botsing rb(Natuur~ tempel) die afgezwakt moet worden, uit die aan vb(Natuur~geuren¹) is gegeven door middel van vb(Natuur ~kleuren) en voorts uit de hulp die aan vb(geuren¹~tempel) is verleend door vb(kleuren~tempel).) De aannemelijkheid van vb(Nature~parfums¹) (Natuur-geuren¹) bedraagt 1/qepfzgj=1/(1)(1)(2)(2)(5,7)(1)(1)= 0,043 met q=e=1 wegens de termen; p=2 omdat de tekst totaal niets over deze woorden vermeldt; f=2 doordat er te weinig verband tussen de termen bestaat; z=5,7 gezien de 37 fronten tussen «Nature» en “parfums¹” (Natuur, geuren); g=j=1 in verband met «répondent» (Antwoorden) dat wat de geuren betreft aan gelovigen doet denken en staat zo in voor de opheldering die dankzij de relatie tussen “parfums¹”, «répondent», «Nature» en «temple» (geuren¹, Antwoorden, Natuur, tempel) wordt gegeven. Met behulp van soortgelijke bewijzen verkrijgen we voor vb(Nature~couleurs) (Natuur-kleuren) de hoeveelheid 1/(1)(1) (2)(2)(5,8)(1)(1)=0,043. Het resultaat 1/(1)(1)(2)(2)(5,5)(1)(1)=0,045 met betrekking tot vb(parfums¹~ temple) (geuren¹-tempel) komt daar heel dichtbij. Op dezelfde wijze levert vb(couleurs~temple) (kleuren- tempel) 1/(1)(1)(2)(2)(5,6)(1)(1)=0,044. Aangezien we hier met variaties verkregen door een som van doen hebben, moeten we om ze te kennen, bijvoorbeeld die van vb(Nature~parfums¹) (Natuur-geuren¹) toevoegen aan die van vb(parfums¹~temple) (geuren¹-tempel). De beide variaties komen zo neer op (0,043+0,045) en (0,043+ 0,044), hetzij respectievelijk 0,088 en 0,087. Als we echter de waarde van een ondersteuning moeten bepalen, blijken de twee externe ruimtes onmisbaar te zijn. De berekening is dus ((0,043+0,045)+(0,043/k)+(0,044/k’)) met voor (k) wat vb(Nature~couleurs) (Natuur-kleuren) scheidt van vb(Nature~parfums¹) (Natuur-geuren¹), dus 5,8; en voor k’ wat vb(couleurs~temple) (kleuren-tempel) van vb(parfums¹~temple) (geuren¹-tempel) scheidt, dat wil zeggen 5,6. We kunnen dus behouden wat we gevonden hebben: ((0,043+0,045)+(0,043/5,8)+(0,044/5,6))=((0,043+0,045)+(0,007+0,007))=(0,088+ 0,014)=0,102.

Methode

Dat is nog niet zoveel als het niveau dat de el van de schijf heeft en die de probleemnoot bevat die een viervoudige opheldering heeft ondergaan. Om dat te bereiken is het weer nodig dat ons de grootte van de externe ruimtes bekend is: dat wil zeggen, die tussen de verklaringen en het probleem.

Toepassing op Baudelaire

Elk gedeelte krijgt z’n eigen specifieke waarde die de afstand tot aan rb(Natuur ~tempel) vertegenwoordigt: k° voor vb(Natuur~geuren¹), k¹ voor vb(geuren¹~tempel), k² voor vb(Natuur~ kleuren), en tenslotte k³ voor vb(kleuren~tempel). Die sfeer van geuren doet denken aan Oosterse wierook en dergelijke en ook aan bladeren waarop langzaam gekauwd wordt. Extase voedt vaak de meest waanzinnige hoop, zoals het beheersen van de toekomst, gecombineerd met klachten bij het ontwaken over het dagelijks bestaan; wanneer we uitgeput zijn weten we niet waar we werkelijk prijs op stellen en hoe we moeten handelen [[992]] in Index II (Gedichten)">[[992]]: «Satan De Driemaal Grootste wiegt langdurig
Onze betoverde geest op het kussen van het kwaad,
En het sterk metaal van onze wil
Wordt totaal verdampt door deze wijze scheikundige.» De aan het wankelen gebrachte beslistheid leidt niet altijd tot passiviteit of afzondering in alle rust of een kalm zichzelf wegcijferen. Integendeel, soms wordt de fantasie door zelfmoord, geweld en slechtheid geprikkeld. Het schilderij ¨de Dood van Sardanapalus¨ van Delacroix laat dergelijke beelden in overvloed zien [166]-[392].

§123
· Een schijf
Theorie

Laten we doorgaan met de voorafgaande berekening van de el van de schjif rb(Nature~temple) (Natuur-tempel), I, vb(Nature~parfums¹) (Natuur-geuren¹), II, vb(parfums¹~temple) (geuren¹-tempel), III, vb(Nature~couleurs) (Natuur-kleuren), IV, vb(couleurs~temple) (kleuren-tempel), V, met ondersteuning van de noten II en III door IV en V. De verschillende externe ruimtes die een verklaring met zich meebrengen, lijken veel op de interne ruimtes, want de afstanden betreffen dezelfde sporen: «Nature», «temple», «parfums» en «couleurs». Maar ze vormen een scherpe tegenstelling met de externe ruimtes waardoor ondersteuning gegeven wordt. Het principe van de el maakt dat hij hier 1/tsmw((1/qepfzkgj+1/q’e’p’f’z’k’g’ j’)+(1/q’’e’’p’’f’’z’’k’’k°g’’j’’+1/q’’’e’’’p’’’f’’’z’’’k’’’k¹g’’’j’’’)) bedraagt en als we de echte waarden geven levert dat (1/(1)(1)(1)(1))((1/(1)(1)(2)(2)(5,7)(5,7)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(2)(5,5)(5,7)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(2)(5,8)(1)(5,8)(1) (1))+(1/(1)(1)(2)(2)(5,6)(1)(5,8)(1)(1)))=((1/129,96)+(1/125,4)+(1/134,56)+(1/129,92))=(0,007+0,007+0,007 +0,007) op, oftewel 0,03 als we het afronden. Een resultaat dat zeer zeker gering lijkt, maar niettemin acceptabel is. Als we er nog een ondersteuning aan zouden toevoegen, zou het geheel ongeveer op 0,04 neerkomen.

Methode

Het zou vrij eenvoudig zijn om dat te laten zien, omdat, wanneer we onze toevlucht immers nemen tot de symbolen h, i, i’, i’’, i’’’, i’’’’, i’’’’’, we voor de nieuwe steungevende externe ruimtes de codes k² en k³ gebruiken en vervolgens k’’’’ en k’’’’’ met betrekking tot de nieuwe verklarende externe ruimtes, het eindresultaat h(((i/k)+(i’/k’))+((i’’/k’’k°)+(i’’’/k’’’k¹))+((i’’’’/k’’’’k²)+(i’’’’’/k’’’’’k³))) zou zijn.

Toepassing op Baudelaire

Hierbij moeten we erop letten dat k°, k¹, k² en k³ betrekking hebben op vb(Natuur~geuren¹) vb(geuren¹~tempel) en k, k’, k’’, k’’’, k’’’’ en k’’’’’ op rb(Natuur~tempel). De overvloedige hoeveelheid kracht die de samenhang tussen ideeën in sommige werken kan ontvangen, herinnert ons aan het geweldig grote aantal werkelijke relaties dat we daardoor kunnen ontdekken, critici zijn dan ook vaak heel verwonderd. Het is waar dat de inhoud van een tekst minder vaag is dan de voorstelling op een schilderij, maar de vergelijking tussen die twee soorten werken blijkt niet helemaal absurd te zijn, doordat ze bepaalde aspecten gemeen hebben. Baudelaire wees erop hoe hij op een idee kwam dat heel ver van zijn meest ingewortelde opvattingen afstond [714]: «Men vertelt dat Balzac (wie zou er niet met eerbied naar zelfs de kleinste anekdotes over dit grote genie luisteren?) die op een dag voor een mooi schilderij stond, een heel weemoedige winterschildering waarop alles met een laag rijp was bedekt, met hier en daar een hut en een armoedige boer, -nadat hij aandachtig naar een huisje had gekeken waaruit een dunne sliert rook kwam, uitriep: "Wat mooi! Maar wàt doen ze in die hut? Waar denken ze aan, waarom zijn ze verdrietig? Was de oogst goed? Ze moeten waarschijnlijk schulden aflossen?» Baudelaire voegt er aan toe: «Lacht u maar om meneer de Balzac. Maar ik weet niet wie de schilder is die de eer te beurt is gevallen de ziel van die grote romanschrijver te beroeren, hem nieuwsgierig en ongerust te maken, maar ik ben van mening dat hij ons zo, met z’n verrukkelijke naïefheid, een uitmuntende les in kunstkritiek heeft gegeven. Voortaan zal ik een schilderij enkel waarderen aan de hand van alle ingevingen die ik er door gekregen heb, of de vele mijmeringen waarin ik daardoor verzonken geraakt ben.»

§124
· Het is gevaarlijk alle moeilijke interpretaties in één schijf te willen samenbrengen
Theorie

Het blijkt moeilijk te zijn in een schijf een compleet overzicht te krijgen van het werk dat bestudeerd wordt, want als we veronderstellen dat vb(Natuur~geuren¹) van vb(Natuur~kleuren) kracht ontvangt, dan is het omgekeerde in dezelfde schijf niet zo gemakkelijk ten uitvoer te brengen. We zouden dan namelijk eerst onze toevlucht moeten zoeken tot het getal dat (h)+(h’/k) oplevert en daarna tot die andere: (h’)+ (h/k). Het geheel zou dan neerkomen op (((h)+(h’/k))((h’)+(h/k)))=hh’+((h kwadraat)/k)+((h’ kwadraat)/k)+ (h’h/(k kwadraat)), wat dikwijls een enorme numerieke daling met zich mee zou brengen voor zeer weinig vooruitgang in de studie.

Methode

De schepper van een boek is er zich bijna altijd bij intuïtie van bewust wat hij opbouwt, de hoofdgedachte verbergt dan ook vaak de zeer verre achtergrond van de denkbeelden. In een zo sterk vereenvoudigend onderzoek als het onze, is het beter proberen te bepalen welke betekenis het scherpst naar voren komt en de details die bijna niet waar te nemen zijn, aan de klassieke annotaties over te laten.

Toepassing op Baudelaire

Zodra in een schijf vb(Natuur~geuren¹) vb(geuren¹~tempel) kracht ontvangt van vb(Natuur~kleuren) vb(kleuren~tempel), is het vervelend ook de aannemelijkheid van de omgekeerde situatie uit te rekenen. In plaats van h((i/k+i’/k’)+(i¹/k¹k¹’+i²/k²k²’)) zou dat noodgedwongen een uiterst geringe waarde opleveren: h(((i/k+i’/k’)+(i¹/k¹k¹’+i²/k²k²’))((i¹/k¹’+i²/k²’)+(i/k¹k+i’/k²k’))). Volgens de berekening die we in de voorgaande paragraaf hebben uitgevoerd, zou dat ((0,03)(0,03)) zijn in dat buitengewoon eenvoudige geval, met waarden die k¹=k²=1 bedragen. Het geheel in plaats van 0,03. Laten we dus geenszins proberen de volledige schijf, met de andere waarden daarbij inbegrepen, te bepalen, maar een schema trachten te maken dat interessant is voor de critici, met een ruime numerieke waarde.

§125
· De waarschijnlijkheid van een interpretatie verhogen
Theorie

Teneinde de aannemelijkheid van een schijf te verhogen, is het aan te bevelen, indien dat de betekenissen ten goede komt, om van sommige woorden die ondersteuning kunnen geven, gebruik te maken. Dat brengt de totaalscore die gewoonlijk heel laag is, tenzij we boven de simpele banaliteit trachten uit te komen, op 1. Zo moeten we, ondanks een zekere logheid, bij rb(antwoorden~geuren¹), vb(geuren¹~fris) vb(fris~kleuren), vb(geuren¹~zacht) vb(zacht~geluiden), vb(kleuren~zegevierend) vb(zegevierend~geluiden) bijvoorbeeld voor een schijf kiezen.

Methode

Als we de draad niet kwijt willen raken, is het zelfs beter om onze gedachten te richten op passages met een hoge waarde en zo de andere die heel weinig aannemelijk zijn, terzijde te laten.

Toepassing op Baudelaire

Tegelijkertijd zouden we de auteur moeten kunnen volgen in z’n pogingen relaties tussen de woorden te leggen, een beetje zoals we met de afstanden proberen z’n gedachtegang te volgen. Er is evenwel weinig bekend over Baudelaire’s levenswijze: wijn en ook opium die in het begin werden gebruikt om maagpijn te bestrijden, speelden een ongetwijfeld gedeeltelijk gewenste rol en veranderden enigszins z’n belangrijkste levensnormen [610]-[669]. In de pen klimmend om te protesteren tegen het begrip decadente literatuur, vergeleek hij kunst en licht met elkaar en schreef over Edgar Allan Poe [682]«In het spel van deze stervende zon, zullen sommige dichterlijke zielen nieuwe heerlijkheden vinden: ze zullen er verblindende pilarengalerijen ontdekken…alle herinneringen aan opium…» Hij merkte even daarvoor op [680]: «…ik geloof dat in veel, maar ongetwijfeld niet in alle gevallen, de dronkenschap van Edgar Allan Poe een mnemotechnisch middel was, een werkmethode, energiek en dodelijk, maar passend bij zijn temperamentvolle aard. De dichter had geleerd te drinken, zoals een zorgvuldig letterkundige er zich in traint een aantekeningenschrift bij te houden.» Behalve dat hij de persoonlijke, lichamelijke fascinatie onderging die ieder persoon met zoveel rustige kracht beweegt, maakte volgens Baudelaire, een ongegronde hoop zich van hem meester: «Hij kon de verleiding niet weerstaan de prachtige of angstaanjagende visioenen, de subtiele ideeën afkomstig uit een vorige storm weer te voorschijn te halen…»

§126
· Behandeling van ogenschijnlijk vreemde ideeën
Theorie

Omdat de analyse ongeacht de mening die we ons over Baudelaire gevormd hebben, mits die aannemelijk blijft, bruikbaar moet zijn, stellen we voor een uitleg te bedenken die de soepelheid ervan test en die afwijkt van die we het vaakst hebben gebruikt, betreffende rb(Natuur~tempel). Laten we de verklaring vb(bedorven~tempel) eens bezien: volgens deze mededeling zou de schrijver, omdat hij aan tempels een negatief karakter toeschrijft, het godshuis zien als een toepasselijk symbool van het kwaad in de wereld. Ondanks het feit dat hij zijn gedachten verhult, verschaft hij toch aanwijzingen om de besten de gelegenheid te geven daar achter te komen. Het valt sterk te betwijfelen of de auteur op deze manier „Samenspel“ heeft samengesteld, maar de beschrijving rb(Natuur~tempel) vb(bedorven~tempel) vormt een schijf.

Methode

De verscheidenheid waardoor de critici gekenmerkt worden, kan dus in de keus van de interpretatie teruggevonden worden, terwijl de betreffende documentatie het debat over de opvattingen van de auteur voedt, zonder dat de gebruikte methode de voorkeur geeft aan andere interpreten dan die de meest gunstige bijval ontvangen.

Toepassing op Baudelaire

Het lijkt geen gemakkelijke taak te zijn een steunpunt te vinden dat de impressie tegenspreekt dat het sonnet een vijandige houding aangaande godsdienst inneemt, want Baudelaire schaart zich onophoudelijk dan weer aan de ene, dan weer aan de andere zijde. Daar hij van mening was dat zijn eigen aanhangers hun verstand maar slecht gebruikten, heeft hij in zijn werken de aanvallen tegen hen verveelvoudigd. Hij ging zelfs zover dat hij tot de duivel bad [[1074]] in Index II (Gedichten)">[[1074]]: «Jij die in de ogen en het hart van de meisjes
Bewondering voor wonden doet ontstaan en liefde voor vodden!

O Satan, heb medelijden met mijn diepe ellende!

…Maak dat mijn ziel op een dag naast jou uitrust, onder de Boom der Kennis,
Wanneer, alsof het een nieuwe Tempel is,
Z’n takken zich op je voorhoofd verspreiden.» Het idee dat we de donkere kant van de mensheid nodig hebben wegens de tegenstelling, wat stof tot nadenken geeft, brengt ons ertoe in de kolkzee der contrasten een oplossing te zoeken voor de middelmatigheid van oppervlakkige kennis. In verleiding gebracht door het uitproberen van excessen, is de dichter daar misschien wel uit eigenbelang mee gestopt, ondanks de zekerheid dat hij dankzij het familiekapitaal nooit in de misère zou raken. Ongetwijfeld door de wrevel dat z’n inkomen te gering was om aan de eisen van z’n dure smaak te voldoen, deelde hij met velen het gevoel dat hij benadeeld was, maar mocht hij werkelijk een tegenstander van de gevestigde orde zijn geworden, dan heeft hij in ieder geval, zoals Don Juan tenslotte, voor dubbelzinnigheid gekozen [901]-[[1030]] in Index II (Gedichten)">[[1030]].

§127
· Een el
Theorie

We zullen de aannemelijkheid meten van de schijf rb(Nature~temple) vb(corrompus~temple), die uitzonderlijk beperkt is, maar die een probleem met een opheldering bevat en waarvan de interne samenhang daardoor toeneemt. De el bedraagt 1/tsmw(2(1/qepfzgj)), oftewel (1/(1)(1)(1)(1))(2(1/(1)(1)(2) (2)(7,3)(7,5)(1)(1)))=1/109,5=0,009. Dankzij de termen kunnen we stellen dat q=e=1. De afwezigheid van een opheldering in de tekst rechtvaardigt de uitkomst p=2. Het feit dat er weinig onderlinge relatie bestaat, is er de oorzaak van dat f=2; z=7,3 door de 53 fronten tussen «corrompus» (bedorven) en «temple»; omdat we «est» (is) en «temple» moeten toevoegen om «Nature» te bereiken is k=7,5. Wegens het feit dat de versregels over het bederf van wierook gaan is g=j=1.

Methode

We kunnen de berekening, ondanks de kracht van de glijstroken, nog juist accepteren, omdat de variatie 2(1/(1)(1)(2)(2)(7,3)(1)(1)) bedraagt, hetgeen neerkomt op 1/14,6=0,068, terwijl de drempel van het klinken ter hoogte van 0,062=1/16 ligt.

Toepassing op Baudelaire

Om te bereiken dat een grotere schijf, inclusief de zojuist bestudeerde, geen overdreven lage el krijgt, zullen we het aantal gedurfde interpretaties moeten beperken. Laten we echter bedenken dat het geringe resultaat hier in ’t geheel niet het gevolg was van een gedurfd idee: slechts de afstand tussen de termen was daar de oorzaak van.

§128
· Nieuwe berekening van een el
Theorie

De berekening van de schijf rb(répondent~parfums¹) vb(parfums¹~frais) vb(frais~couleurs) (antwoorden-geuren¹, geuren¹-fris, fris-kleuren) komt uit op 1/tsmw(1/qepfzkgj+1/q’e’p’f’z’k’g’j’), ofwel 1/(1) (1)(2)(1)((1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(2)(2,5)(2,6)(1)(1)))=½(½+1/26)=0,269. De kracht die ontvangen wordt van vb(parfums¹~Doux) vb(couleurs~Doux) of van vb(parfums¹~triomphants) vb(sons~ triomphants) zal het resultaat verbeteren. De andere soort externe ruimte, die voor het geven van kracht gebruikt wordt, zal dan moeten worden meegerekend. Let echter op de aanwezigheid van vb(parfums¹~ frais) vb(parfums¹~Doux) vb(parfums¹~riches) vb(parfums¹~triomphants) (geuren¹/fris, zacht, rijk, zegevierend). De externe ruimte tussen deze noten lijkt beperkt wegens het sterke grammaticale verband. Bijgevolg is het, in plaats van de gehele berekening uit te voeren, voldoende deze punten te bestuderen. Van de vier laatstgenoemde noten, wijkt het laatste paar ongetwijfeld af van het eerste, maar de geuren zoals die van wierook, blijven geuren van dezelfde soort als in de eerste strofe, dus de externe ruimte van vb(parfums¹~ riches) ten opzichte van vb(parfums¹~frais) en rb(répondent~parfums¹) is 1. Zo wordt met rb(répondent~parfums¹) vb(parfums¹~frais) vb(parfums¹~Doux) vb(parfums¹~riches) vb(parfums¹~ triomphants), het geheel gevormd dat als waarde (1/(1)(1)(2)(1))(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(1)(1) (1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1))=½(½+½+½+½)=(½)(2) heeft. Door nivellering wordt dat uiteindelijk (½)(1)=½. Het is niet nodig de andere hoeveelheden te berekenen omdat we immers afgesproken hebben dat het eindresultaat daar niet bovenuit zou komen.

Methode

Met in plaats van optellingen, enkel vermenigvuldigingen van min of meer geringe waarden, zou niet dezelfde uitkomst hebben kunnen ontstaan, want in een product van enkel hoeveelheden kleiner dan 1, vindt zeer snel een opeenhoping van zeer geringe hoeveelheden plaats: terwijl enerzijds 0,5(0,5+0,01+0,5+0,01+0,5+0,01), 0,765 als resultaat heeft, levert anderzijds 0,5((0,5)(0,01)(0,5)(0,01)(0,5)(0,01)) een waarde van 0,0000000625 op.

Toepassing op Baudelaire

Gelukkig ook is de waarde betreffende vb(geuren¹~fris) bijvoorbeeld, niet in een vermenigvuldiging verbonden aan die aangaande vb(kleuren~fris), zodat, als we deze absoluut willen gebruiken, het mogelijk is hem eenvoudigweg toe te voegen aan (0,5+0,5) dat in ’t bijzonder uit vb(geuren¹ ~fris) vb(geuren¹~zacht) is voortgekomen. We maken u er tenslotte attent op dat de grondslagen, die de glijstroken mogelijk maken, door de context worden toegekend: zo ondersteunt de verwijzing naar de kinderhuidjes waarvan de kleur en de odeur, misschien door het falen van het geheugen, bij elkaar lijken te passen, vb(geuren¹~fris) bij het afzwakken van rb(antwoorden~geuren¹).

§129
· Twee ellen
Theorie

De el van rb(vivants~piliers) vb(piliers~forêts) (levende-pilaren, pilaren-wouden) en die van rb(forêts ~symboles) vb(symboles~piliers) liggen dicht bij elkaar. In het eerste geval verkrijgen we (1/(1)(1) (1)(2)) (2(1/(1)(1)(2)(2)(2,9)(1)(1)(1)))=½(2(1/11,6))=0,086 met «La Nature est un temple…», wat de glijstroken rechtvaardigt, terwijl in het andere, met dezelfde grondslag, 0,083 wordt verkregen, wat gelijk staat aan (1/(1)(1)(2)(1))(2(1/(1)(1)(2)(2)(3)(1)(1)(1))). De «y» in de derde regel toont aan dat er samenhang in de tekst zit waardoor in beide berekeningen k=1.

Methode

Omdat de twee schijven intuïtief immers bijna hetzelfde uitgangspunt bezitten, zou het hinderlijk zijn als de numerieke waarden ervan erg veel zouden verschillen.

Toepassing op Baudelaire

De werkelijkheid waar de mens op dezelfde wijze door gaat als door een bos, komt ons voor als een boek dat we grondig willen lezen. Door de «vertrouwde blikken» komt misschien wel een vage herinnering naar boven. Al mediterend staat de mens wellicht bij de grote levensvragen stil, in plaats van eenvoudigweg door te leven. De indruk, dat hij in deze wereld een soortgenoot heeft, maakt hem heel blij en stimuleert hem bij de poging te begrijpen wat de fundamenten van de wereld zijn. Claude Pichois waarschuwt ons echter tegen de opvatting dat de dichter verder gaat dan het ter sprake brengen van een duistere bedoeling der dingen en dat hij de komende generaties de opdracht geeft de symboliek van de natuur te doorgronden door middel van een bepaalde denkbeeldige ontcijfering [667].

§130
· Weinig schijven zijn interessant
Theorie

Aangezien het klinken uitgevoerd wordt ten opzichte van vrij onbelangrijke oordelen, wordt het vaak gebruikt omdat de uiterste eenvoud om noten samen te stellen immers met zich meebrengt dat deze voor het grootste deel geen enkele juistheid vertonen. Het vinden van veel belangrijke noten vormt dus een lastige taak. Laten we de stelling van het spit (corrompus~sens) (bedorven~zintuigen) bestuderen om te zien hoeveel noten daarin waardevol zijn. Het probleem rb(corrompus~sens) bezit een variatie van 1/qepfzgj=1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(2)(2). De termen leveren q=e=1 op. De stilzwijgendheid van de tekst met betrekking tot een moeilijkheid maakt dat p=2. De zichtbare relatie tussen «corrompus» en «transports» maakt het geenszins mogelijk van een onbetwistbaar verband tussen «sens» en eerstgenoemde term te spreken, dus is f=2. De 15 fronten tussen de beide sporen resulteren in z=3,5. Het bederf ontstaat door een in een verkeerde richting gestuurde sensualiteit volgens een zeer oude, zedelijke erfenis: bijgevolg is g=j=2. De variatie is nu te veronachtzamen met z’n sterkte van 0,017. Het blijkt onmogelijk te zijn te verklaren dat rb(corrompus~sens) een botsing is, omdat zich immers geen enkel knelpunt tussen de termen bevindt. Voor de andere berekeningen veranderen q, e, p, f, en z niet, voor ons zijn dan ook enkel g en j van belang. Bij rd(corrompus~sens) blijven de glijstroken een waarde van 2 behouden, want het veronderstelde probleem lijkt een verzinsel te zijn. Het onschuldig verklaren van het lichaam levert bijvoorbeeld geen enkel probleem op: het morele of theologisch debat over het lichaam dat in aanvang mogelijk heilig was maar bedorven is geworden door de zonde, blijft mogelijk zonder ook maar de minste provocatie jegens dit moeilijke onderwerp. Zo functioneert het klinken opnieuw. De noot vb(corrompus~ sens) verschaft een variatie met een waarde van 2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(1)(1))=0,142 door een opheldering te geven van rb(corrompus~encens). De grondslag komt hier bij «transports» vandaan, dat aan dronkenschap doet denken en dus aan zinnelijk genot. Bij vd(corrompus~sens) overschrijden we opnieuw de grens van de minimale waarde: en wel met betrekking tot rb(Nature~temple). Het betreft hier een redelijke, doch weinig overtuigende poging: stellen dat de natuurlijke, gevoelige wereld al z’n onschuld behoudt, omdat gevoeligheid niet schuldig is, lijkt nauwelijks iets te zijn wat Baudelaire vaak heeft kunnen horen zeggen. De twee termen ontkomen echter gemakkelijk aan waarde 2 door dit standpunt waarmee de auteur bekend was, hoewel dit in die tijd weinig gangbaar was in het milieu waarin de schrijver zijn principes heeft verworven; de grondslag komt dus bij de beginregels van het eerste terzet vandaan, die de eenvoud bezingen. De variatie bereikt, net zoals bij vb(corrompus~sens) een waarde van 0,142 met qepfz gj=(1)(1)(2)(2)(3,5)(1)(1). Uiteindelijk is het klinken van toepassing op ob(corrompus~sens) en od(corrompus~sens) aangezien verklaringsnoten die nog net acceptabel zijn, bestaan en zodoende is in beide gevallen g=j=2. Het totaal van de telbare variaties dat ver van het getal 1 afligt, wordt vastgesteld op 2(0,142)=0,284.

Methode

Aangezien een auteur in het werk dat hij schept een groot aantal gelegenheden gebruikt om het geestelijk ten opzichte van z’n eigen gedachten te verdedigen, moeten we accepteren dat de noten voorzien van een (v) wat hun varatie betreft, vaak boven de 0,062 uitkomen door middel van grondslagen die moeiteloos te vinden zijn.

Toepassing op Baudelaire

We zien dat Baudelaire in het sonnet meermalen hetzelfde soort begrippen oproept, vooral met «woorden», «symbolen», «antwoorden» en «bezingen». Meer in het algemeen komt hij dikwijls terug op denkbeelden die hem na aan het hart liggen, bijvoorbeeld met betrekking tot Balzac of Edgar Allan Poe. Zelfs in wat hij over schilders schrijft komen ze naar voren, ondanks het feit dat het niet dezelfde kunsten betreft [620].

§131
· Verkleining van een snede
Theorie

Laten we, teneinde het toetsen van de tekstontleding, dus de parallel tussen elke intuïtie en de numerieke waarde die we daarvoor hebben vastgesteld, verder uit te voeren, eens diverse uitvoeringen van de componenten en van (k) bekijken. We stellen voor allereerst (q) aangaande vb[en~encens] (wie- wierook) te verkleinen door middel van een draagplaats die als volgt eindigt “…comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens, qui d'une voix nasillarde chantent les transports de l'esprit et des sens.” (…zoals amber, muskus, benzoë en wierook, die met een nasaalklinkende stem de vervoeringen der geest en der zinnen bezingen.) Terwijl in de berging vb[en~encens] een variatie heeft van 2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) voor het ophelderen van rb[corrompus~encens] (bedorven-wierook), levert de schenker van zijn kant de hoeveelheid 2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) op omdat “nasillarde” (nasaalklinkende) in geen enkele botsing voorkomt en een toepasselijke inhoud aan “en” geeft. In de berging is q=2 wegens de afwezigheid van een term die “en” op afdoende wijze toelicht. De term is er de oorzaak van dat e=1. Indien er een volslagen stilzwijgendheid omtrent een verklaring heerst, is (p) 2 waard. De klank van “en” in het woord «encens» die de onderlinge relatie zeker stelt, levert f=1 op. Bijgevolg is z=1. De klank “en” verschaft de toespeling op het reukvermogen en tevens die, even vaag, op de gevoeligheid, de sensualiteit en tenslotte de corruptie, waardoor g=j=1. De draagplaats verdubbelt zo de waarde van de variatie, 2(¼)=½, die nu 2(½)= 1 wordt.

Methode

We moeten het niet betreuren dat de glijstroken een invloed bezitten die schuilt in een verhoging van 1 tot 4 in de noemer van de variatie, want simpel gezien, is niet alleen de vergelijking van 1/ (2)(2) met 1/(2)(2)(2)(2)(2)(2)(2) belangrijk: door het klinken, heeft 1/(2)(2) al invloed op 1/(2)(2)(2)(2); en om in 1/qepfzgj uit te komen boven 1/(2)(2)(2)(2) met ((g)(j))=4, moeten we elders blijk geven van grote kwaliteiten, in ’t bijzonder bij een spil.

Toepassing op Baudelaire

Het zwakke argument met betrekking tot “en” waardoor het mogelijk voor ons wordt aan bedorven dingen te denken, lijkt misschien overdreven, maar laten we de context met z’n overvloed aan nasale klanken niet vergeten: «…Comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens,
Qui chantent les transports de l'esprit et des sens.» (…Zoals amber, muskus, benzoë en wierook, /Die de vervoeringen bezingen van geest en zintuigen.) Deze relatie wordt dus nauwelijks meer door irrationaliteit bedreigd dan die we bij vb(N~Natuur) hebben gelegd met betrekking tot rb(pilaren~woorden), zelfs als de wijze om de ideeën met elkaar in verband te brengen aanvankelijk in zekere zin theoretischer en minder concreet is. Dat de wereld een persoon is die zich dus kan uiten, maakt dat de aanduiding ervan om een hoofdletter vraagt, omdat dat in een geschreven taal immers het teken is waaruit achting blijkt. Een levendige fantasie beweegt er ons vaak toe ons een idee te vormen van de diepste kern der dingen door middel van afbeeldingen van de mensheid zoals Ovidius graag laat zien [559]: «Aan het firmament bevindt zich een weg die we bij een heldere hemel gemakkelijk kunnen onderscheiden. Deze wordt de Melkweg genoemd, alle blikken worden door de blankheid ervan getroffen. Die weg nemen de goden van hierboven om naar de koninklijke residentie te gaan waar de oppermeester van de donder woont. Rechts en links strekken zich, met geopende deuren, de atriums uit die door de geesten van de hemelse adel bezocht worden. Het volk woont apart, op andere plaatsen. Aan de voor- en zijkant hebben de machtige goden zich gevestigd. Zo ziet het woonverblijf eruit dat ik, indien men mij een dergelijk stoutmoedig taalgebruik toestaat, "het Paleis van de hemel" durf te noemen.» Laten we eveneens bedenken dat de voorspellers een deel van de hemelen of van de wereld , met veel voorstellingsvermogen afgesneden, een “tempel” noemden, zodat de onontwarbare kluwen die de inhoud van een dergelijk woord vormt, ons belet die in één snelle blik te overzien [841]-[856].

§132
· Verkleining van verschillende componenten
Theorie

We stellen voor componenten te verkleinen met betrekking tot vb[wierook~zintuigen] die rb[bedorven~wierook] afzwakt middels een draagplaats die als volgt eindigt: “…zoals amber, muskus, benzoë en wierook, die de vervoeringen bezingen van geest en zintuigen, hetgeen de tegenstelling wegneemt.” De berging voor vb[wierook~zintuigen] levert q=e=1 op door de termen. Wegens de stilte die met betrekking tot de afzwakking heerst is p=2. De vergrote afstand tussen de woorden die qua inhoud belangrijk zijn, veroorzaakt f=2. Doordat 4 fronten, waartussen weinig verband bestaat, zich tussen «wierook» en «zintuigen» bevinden, is z=2,4. De grondslag die in de laatste strofe over dronkenschap gaat, brengt met zich mee dat g=j=1. De schenker verandert p, f en z, die dan een waarde van 1 ontvangen, zodat we in plaats van 2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(1)(1))=0,208, 2(1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1))=2 verkrijgen, maar door nivellering daalt deze waarde weer tot 1. Als we hier behalve de verandering van stok (p) ook een verandering voor het steunstukje (f) en de interne ruimte (z) hebben, komt dat doordat de aanwezigheid van een redenering die in de laatste woorden van de draagplaats voorkomen, de vaagheid in het woordverband door een sterke relatie tussen de woorden vervangt. Alles wordt compact, nauwkeurigheid vormt de gebruiksaanwijzing voor de te volgen handelwijze. Terwijl de schoonheid verdwijnt, ontstaat er meer exactheid, terwijl deze de toespeling verheldert door middel van de nieuwe relatie tussen “bedorven”, “wierook”, en “zintuigen”; bijgevolg is z=1 en is zelfs f=1.

Methode

Vooral als woorden gelijk blijven wanneer men de tekst ergens anders heeft veranderd, wordt elke term door een andere vervangen: dat is de reden dat de samenhang tussen de woorden wel aangetast moèt worden.

Toepassing op Baudelaire

We moeten bedenken dat Baudelaire, doordat hij rijmen uitprobeerde en woorden veranderde ter wille van de welluidendheid, gedwongen was aandacht aan de inhoud van de meest kleine details van „Samenspel“ te schenken, maar daardoor wordt het nog geen werk met redeneringen en dientengevolge wordt het geenszins als een aanval op de auteur beschouwd, als we beweren dat somminge relaties tussen de woorden vaag lijken. Het is alleen zo dat de term «bedorven» een diepere inhoud bezit, al heeft de dichter dan ook heftiger van de onvolmaaktheid der werkelijkheid getuigd in een ander gedeelte [[1104]] in Index II (Gedichten)">[[1104]]: «De snikken van martelaren en gefolterden
Zijn ongetwijfeld een bedwelmende symfonie,
Omdat de Hemelen, ondanks het bloed dat hun wellust kost,
Immers nog niet verzadigd zijn.» Maar de auteur verkondigt geenszins dat hij zich rustig voelt als hij scherpe veroordelingen neerschrijft of ten gehore brengt. Ergens anders uit hij zich met smart op de volgende wijze [[1052]] in Index II (Gedichten)">[[1052]]: «Ben ik niet een vals akkoord
In de goddelijke symfonie,
Dankzij de verslindende Ironie
Die me heen en weer schudt en bijt?

…Ik ben de wond en het mes!
Ik ben het fluitje en de wang!
Ik ben de ledematen en het wiel,
En het slachtoffer en de beul!» Even vóór deze coupletten schildert hij zichzelf als een vurig en begeesterd aanbidder af [[1051]] in Index II (Gedichten)">[[1051]]: «…Mijn verlangen door hoop gezwollen
Zal in je zoute tranen zwemmen

Als een schip dat ter zee gaat,
En je dierbare snikken zullen
In m’n dronken hart weerklinken
Als een trommel die het sein tot de aanval geeft!»

§133
· Vergroting van componenten
Theorie

We stellen voor componenten met een hoge waarde aan te brengen voor het probleem rb[Nature~temple] (Natuur-tempel) dat een botsing is, omdat, als we de begrippen met elkaar in verband brengen, ze immers een duidelijke constructie plus een solide knelpunt vertonen. Zelfs als deze kwestie bevoordeeld wordt door de context, zelf beschikt hij ook over een, voor heel wat storingen zeer nuttige, interne tegenstelling. Laten we een draagplaats kiezen die zò begint: “L'absolu est un temple/////où (de) vivants piliers laissent parfois sortir (de) confuses paroles. (La)/////Nature fait passer l'homme au travers de ses apparences en des forêts de symboles…” (Het absolute is een tempel waar levende pilaren soms verwarde woorden uit los laten. De Natuur laat de mens via z’n verschijnselen door wouden van symbolen gaan…) Wat rb[Nature~temple] betreft, levert de berging 1/tsmw=1/(1)(1)(1)(1)=1 op, terwijl in de schenker de onderbreking van de gedachtegang zorgt voor een te verwaarlozen variatie van 1/qepfzgj=1/(1)(1)(2) (2)(2,8)(1)(2)=0,044. We verkrijgen q=e=1 door de sporen-termen. De stilzwijgendheid van de tekst maakt dat p=2. Voor de stroming is t=1 door het verbindingswoord «est» (is) in de oorspronkelijke tekst en f=2 in de draagplaats in kwestie waar twee werkelijkheidsniveaus onderscheiden worden. Door de eenheid van de tekst is s=1 en door het uiteenvallen ervan en de 10 fronten tussen de termen is z=3. Tenslotte is m=1, g=1, w=1 en j=2, omdat in beide situaties de woorden moeilijk te vatten zijn.

Methode

Het verschil tussen een probleemnoot die geen botsing is en een botsing staat bij glijstroken definitief vast, omdat we immers nooit g=j=1 hebben voor de probleemgevallen die geen botsingen zijn, zodat ((g)(j))=2 dus het minimum niveau is dat bereikt kan worden. Dat compenseert het feit dat het gemakkelijker is te concluderen dat er een moeilijkheid is ontstaan: een opvallende paradox is niet nodig en de omliggende termen worden met meer achting bekeken.

Toepassing op Baudelaire

De draagplaats hier gebruikt, vraagt enige toelichting, maar we nemen aan dat de kenner van Balzac en Edgar Allan Poe wel in staat zal zijn iets dergelijks te schrijven -en zelfs nog wel veel beter. Geholpen door z’n stoutmoedigheid bij het combineren van denkbeelden, had Baudelaire het aan z’n dichterlijke scherpzinnigheid te danken dat hij in staat was om verschillende thema’s door elkaar te gebruiken zonder dat het geheel te zwaar werd en met twee teksten die hij al geschreven had, een nieuwe te maken [671].

§134
· Verkleining van het steunstukje van een variatie
Theorie

Bij het ophelderen van rb[bedorven~wierook] moet de verkleining van het steunstukje en de ruimte betreffende vb(wierook~zintuigen) vergezeld gaan van een scherpere intuïtie. We zullen gebruik maken van een draagplaats die met deze woorden eindigt: “…amber, muskus, benzoë en wierook die de zintuigen en de geest in z’n vervoeringen bezingen.” Nu zijn “zintuigen” en “wierook” nauw met elkaar verbonden, “vervoeringen” daarentegen komt wat meer op de achtergrond. Dus de variatie 2(1/(1)(1)(2)(1) (1)(1)(1))=1 vervangt 2(1/qepfzgj)=2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(1)(1))=0,208. Nu de belemmering voor het begrijpen van «vervoeringen» eenmaal verdwenen is, wordt het bijna onmogelijk te zeggen dat de organen of de relaties die met gevoeligheid te maken hebben, slechts wegens de vervoeringen ervan en niet in hun gebruikelijke rechtvaardiging, door de opvattingen in het gedicht verbonden zijn aan het zichtbaar negatieve oordeel over tweederangs parfums.

Methode

Het woordgebruik van de vertolker kan slechts zelden voldoende zijn om een tekst vlug te beschrijven, want als we snel willen zijn, worden de gezichtspunten die we zeggen te verdedigen, altijd vereenvoudigd.

Toepassing op Baudelaire

De bedwelming door geuren als negatif bestempelen, brengt daarom het gevaar met zich mee dat de gedachtegang van de schrijver onjuist wordt weergegeven. Hij was in staat zulke gemoedstoestanden op hun juiste waarde te schatten, van de meest gewone tot die het moeilijkst op te roepen waren. Hij schijnt op rake wijze een beroemde figuur in die tijd in de Tempelwijk beschreven te hebben, een voddenman die vaak tegen elf uur ’s avonds dronken was en die druk bewegend en bevelen uitdelend als een chef die ondanks het feit dat hij eraan gewend was, opgewonden was doordat hij onder vuur werd genomen, dacht dat hij een leger aanvoerde [14]-[672]-[[1147]] in Index II (Gedichten)">[[1147]]. Corruptie is zo na verwant aan zielskracht, dat de ene in de ander veranderen kan. In een werk dat men in de tijd van Baudelaire al kende zodra men op de middelbare school was, beschreef Plutarchus hoe een held een bepaalde begeestering in een andere veranderde [449]-[596]-[790]: «…hij gaf een zeer positieve wending aan hun voorliefde voor luxe en sierlijkheid. Men kon hen niet geheel genezen van een oude ziekte, de zinloze en frivole opeenstapeling van rijkdommen: ze hielden van mooie kleren, purperen kleden, wedijverden wie aan tafel de meeste overdaad bij de maaltijden had…hij zorgde ervoor dat ze hartstochtelijk…alle verzameling van luxe aanwendden om hun soldaten- en krijgstenue te verfraaien…luxe wapens versterken en vergroten de moed, zoals bij Achilles van Homerus, die zodra hij zijn nieuwe oorlogsharnas onder ogen heeft, opgewonden en geestdriftig is bij het idee het te gebruiken.»

§135
· Vergroting van het steunstukje van een variatie
Theorie

Als we rb[Nature~temple] (Natuur-tempel) bekijken, zien we dat de vergroting van het steunstukje en de ruimte betreffende vb[piliers~forêts] (pilaren-wouden) mogelijk is als we het tweede gedeelte van de eerste kwatrijn na de terzinen plaatsen, dus aan het eind van de tekst en als we daarbij deze keer de “y” na “L'homme” laten staan. Op deze manier verandert de variatie van 2(1/qepfzgj)=2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) =1 in 2(1/q’e’p’f’z’g’j’)=2(1/(1)(1)(2)(2)(7,9)(1)(1))=0,063, want nu bevinden zich 59 fronten tussen “forêts” en “piliers”, wel 2+(1(59/10))=2+5,9=7,9.

Methode

De hoeveelheid die we in de schenker hebben verkregen ligt dicht bij 0,062, de grens bij het klinken. Dit herinnert ons eraan dat, terwijl 0,063 hier onvermijdelijk wordt toegelaten, in een andere situatie 0,061 daarentegen te verwaarlozen zou zijn. Een numerieke drempel lijkt vaak overdreven simplistisch, maar omdat we moeilijk kunnen zeggen dat hij geen voordelen biedt, rest ons niets anders dan het licht conventionele aspect van de kennisvorming te erkennen.

Toepassing op Baudelaire

Met dezelfde componenten q, e, p, f, g, j, maar deze keer met een ruimte van 8,4 behorend bij “Nature- forêts” (Natuur-wouden), zou de variatie 0,059 zijn geweest, hoewel “Nature” en “piliers” tot dezelfde eerste regel behoren. De impressies die Baudelaire ons geeft dat hij een bijna lichamelijk contact heeft met hetgeen de werkelijkheid wil zeggen, doen ons aan de volgende versregels denken [[1087]] in Index II (Gedichten)">[[1087]]: «Wanneer ik, op een warme herfstavond,
Met gesloten ogen de geur van je warme borst opsnuif,
Zie ik, verblind door de vuren van een eentonige zon.
Geluk uitstralende oevers aan m ’n blik voorbijgaan…»

§136
· Verkleining van de ruimte bij een variatie
Theorie

Door gebruik te maken van een draagplaats die begint met “La Nature est un temple; parfums, couleurs et sons se répondent…” (De Natuur is een tempel; geuren, kleuren en geluiden antwoorden elkaar) blijkt het mogelijk te zijn de ruimte betreffende de verklaringen van rb[Nature~temple] zoals vb[Nature~parfums¹] vb[parfums¹~temple], te verkleinen. Hetzelfde blijkt mogelijk voor de noten die aan rb[Nature~temple] kracht geven en die tot hetzelfde type behoren en ook een variatie met som hebben, namelijk vb[Nature~couleurs] vb[couleurs~temple]. De gedeeltelijke aannemelijkheden veranderen van 1/ (1)(1)(2)(2)(5,7)(1)(1)=0,043 in 1/(1)(1)(2)(2)(2,2)(1)(1)=0,113 wat vb[Nature~parfums¹] betreft; van 1/(1) (1)(2)(2)(5,5)(1)(1) in 1/(1)(1)(2)(2)(2)(1)(1) ofwel van 0,045 in 0,125 met betrekking tot vb[parfums¹~ temple]; alles bij elkaar genomen van (0,043+0,045)=0,088 in (0,113+0,125)=0,238 aangaande vb[Nature ~parfums¹] vb[parfums¹~temple]. Bij de andere verklaring moeten we de nieuwe externe ruimte meetellen, wanneer we de berekeningen zo correct mogelijk willen uitvoeren; afgezien hiervan is de verandering ongeveer gelijk. Om de el van de kleinste schijf, die de verklaring plus de daarbij ontvangen steun bevat, te verkrijgen, moeten we de externe ruimte met betrekking tot de verklaarde noot rb[Nature~temple] gebruiken. Maar de overgang van de ene variatie naar de andere, dat wil zeggen van 0,088 naar 0,238 geeft voor de verklaring op zich zonder de steun noch de externe ruimte van de verklaring, een goede indruk van het intuïtieve voordeel verkregen door een kleinere afstand tussen de termen.

Methode

Het geven van kracht kan zich voortzetten met twee nieuwe noten die een variatie met een som bezitten, vervolgens weer met twee, en daarna opnieuw met twee indien de tekst de middelen daarvoor verschaft.

Toepassing op Baudelaire

Zo ontvangt vb[Natuur~geuren¹] vb[geuren¹~tempel] kracht van vb[Natuur~kleuren] vb[kleuren~tempel]; maar vervolgens ontvangt datzelfde eerste stel noten, zodra we dat wensen, kracht van bijvoorbeeld vb[Natuur~geluiden] vb[geluiden~tempel]. Telkens is de variatie er één met een som; en telkens wordt hij, gedeeld door de tussenliggende ruimtes, aan de waarden van het eerste paar verklarende noten toegevoegd. Soms maken minuscule ideeën een grotere indruk. Baudelaire geeft, zonder systematisch te werk te gaan, in z’n werken hier en daar heel kleine aanwijzingen betreffende z’n gedachtengang, die ons niettemin in staat stellen z’n redeneringen te volgen. In een opmerkelijk stuk poëzie verschaft hij, aan het begin ervan en vervolgens aan het eind, de middelen om een tegenstrijdigheid tot stand te brengen die ook net zo goed onopgemerkt kan blijven omdat de twee gedeeltes enigszins uit elkaar liggen [[1033]] in Index II (Gedichten)">[[1033]]: «Boven de meren, boven de valleien,
De bergen, de bossen, de wolken, de zeeën,
Verder dan de zon, verder dan het hemelruim,
Verder dan het rijk der sterren,

Beweeg je je lenig voort, m’n ziel… Gelukkig is hij die met krachtige vleugels
Opwiekt naar lichte, vredige velden;

Wiens gedachten als leeuweriken
In de morgen de vrijheid van het luchtruim kiezen,
-Die boven het leven zweeft…» en de schoonheid doorziet die de aarde ons heel eenvoudig en nederig in de bloemen met hun sprekende symbolen biedt.

§137
· Vergroting van glijstrook bij een variatie
Theorie

Laten we nu een draagplaats bedenken die begint met “Het fundament der wezens, de Natuur, is iets waaruit reële eenheden soms aktiviteiten, gezien door de absolute mens, loslaten door middel van hun verschijnselen zoals wouden van symbolen die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.” Deze maakt nu voor de noot rb[Natuur~mens] de variatie 1/(1)(1)(2)(1)(1)(2)(2) mogelijk in plaats van 1/qepfzgj=1/(1) (1)(2)(1)(1)(1)(2) met als gevolg dat g’=2 in plaats van g=1. Voor de berging heeft het idee dat de mens misschien als een vreemdeling door de "Natuur-tempel" gaat, als resultaat dat deze moeilijkheid ons behoorlijk in de weg staat, hoewel hij geenszins een tegenstrijdigheid, noch een storing of een botsing is. In de schenker lijken de relaties doorzichtig te zijn, zodat het heel twijfelachtig wordt of zich een probleem voordoet; de overgang van ¼ naar ⅛ laat dus heel goed het verschil op het intuïtieve vlak zien.

Methode

Het is niet gemakkelijk te weten aan welke glijstrook, g of j, waarde 2 toegekend moet worden, als zich bij het tot overeenstemming komen betreffende rb(A~E) een geringe belemmering voordoet, maar het is voldoende de algemene strekking van het werk te bestuderen en vervolgens, als we blijven twijfelen, waarde 2 te plaatsen waar de inhoud het minst ontoegankelijk is.

Toepassing op Baudelaire

Waar het lastig wordt bij de bevestiging dat er een moeilijkheid bestaat, is als deze zich op een plaats bevindt waar zich de minste problemen voordoen. Het is stellig waar dat de context van het gedicht zodanig is dat we overal redenen kunnen bedenken waarom we sommige dingen niet begrijpen, maar «echo’s», «weiden» en «mens» zijn desondanks geen vage begrippen.

§138
· Glijstroken 1
Theorie

De glijstroken van de neutrale noot ob[echo’s~vermengen] kunnen een waarde van 1 bereiken indien de brug die geslagen wordt door het verband tussen «antwoorden» en «vermengen», weggenomen wordt door een draagplaats die als tweede strofe: “Zeker, lange echo’s vermengen zich van ver, maar op moeilijke wijze, want, de grenzen van de waarneembaarheid overschrijdend, in een duistere en diepe eenheid, weids als de nacht en als de dag, antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.” Nu is het gebruik van vb[echo’s~vermengen] met betrekking tot rb[geluiden~antwoorden], rb[geuren¹~antwoorden] en rb[kleuren~antwoorden] minder doeltreffend gemaakt; dus de variatie die we met ob[echo’s~ vermengen] verkregen hebben en die in de berging 1/qepfzgj=1/(1)(1)(2)(1)(1)(2)(2)=⅛ bedraagt, wordt in de schenker 1/q’e’p’f’z’g’j’=1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)=½. De intuïtie verandert bij de draagplaats evenveel als de meting; we hebben hier bijna met een constatering van doen, zonder enige beschrijving van een opheldering of een probleem. Er blijven enkele moeilijkheden op de achtergrond bestaan, maar om te zeggen dat we daardoor het gedicht niet begrijpen, zou overdreven zijn: zouden bijvoorbeeld de lange echo’s niet even goed als weerkaatsingen van de werkelijkheid in het algemeen dan als echte echo’s beschouwd moeten worden?

Methode

Slecht geformuleerde vragen omgeven op deze manier de meest heldere inhoud van boeken waar verbeelding een grotere plaats inneemt dan exactheid, met vaagheid. Wanneer daarentegen de verificatie van de inhoud, dankzij de verschijnselen, overheerst, worden de steunpunten talrijker, de bobbels minder en zo wordt menig juist voorbeeld vergezeld van toepassingen die op kennis gebaseerd zijn.

Toepassing op Baudelaire

De schrijver wist wat het voordeel was, als je tegen de rigiditeit van het verstand streed: het kan waardevolle poëtische vondsten opleveren. Maar hij besefte ook dat het steeds verder doorvoeren van warrige ideeën z’n nadelen heeft; daarom zocht hij denkkaders om z’n potentiële lezers te bereiken en daarbij kwamen er twee traditionele denkbeelden bij hem op, zodat hij, het woord richtend tot z’n verbeelding, de muze die in hem huist, deze wens uit [13]-[194]-[829]-[[1084]] in Index II (Gedichten)">[[1084]]: «Ik wou dat jouw van gezondheid blakende borst
Altijd geweldige denkbeelden in overvloed had,
En dat je christelijk bloed in ritmische golven vloeide,

Als de talrijke klanken van antieke lettergrepen,
Waar Phoebus, de vader van het lied, en de grote Pan,
De vorst der oogsten, om beurten heersen.»

§139
· Wijziging van el
Theorie

Draaimolens en ellen moeten ook de verschillende proeven ondergaan, om de waarde van de nieuwe metingen te kunnen vaststellen, want de variaties zouden correct hun taak kunnen verrichten, terwijl de andere graden van aannemelijkheid niet altijd gelijk op zouden gaan met de intuïtieve aspecten van de tekst. Onze eerste proef bestaat uit het sterker maken van vb[N~paroles] (N-woorden) dat het probleem rb[piliers~paroles] (pilaren-woorden) verklaart: een verandering van de snede (q) zou de intuïtie moeten wijzigen en zou tevens een andere draaimolen met zich mee moeten brengen. De waarde van vb[N~paroles] is in het begin 2(1/(2)(1)(2)(2)(2,9)(1)(1)), terwijl we daarbij eveneens veronderstellen dat vb[N~Nature], die in staat is kracht te geven aan de eerste noot vb[N~paroles], dezelfde verandering in z’n snede betreffende N ondergaat. Zo zijn 2(1/(2)(1)(2)(2)(2,9)(1)(1)) en 2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) de respectievelijke variaties van vb[N~paroles], vb[N~Nature] omdat, in dat geval N, q=q’=2 oplevert; de term e=e’=1; de stilzwijgendheid p=p’=2; het ontbreken van samenhang, f=2 en z=2,9; en de samenhang die er wel is, f’=1=z’. En tenslotte verschaft de verwijzing naar de symbolen die naar de mens kijken, de grondslag. Laten we een draagplaats creëren met de tekst “L'être absolu, la Nature, est une immensité dont le réel entier fait le contenu, donc aussi tel temple où l'homme passe…” (Het absolute wezen, de Natuur, is een oneindigheid waarvan de gehele werkelijkheid de inhoud vormt, dus ook elke tempel waar de mens doorheen gaat…) Nu geeft “absolu” de inhoud weer van N zonder tot een botsing te behoren en de eerste sneden waarderen we als volgt: q=q’=1. De stroming van rb[piliers~paroles], bestaat uit 1/(1)(1) (1)(1), de externe ruimtes, vanaf de botsing tot aan de twee verklarende noten, zijn k=2,9 en k’=1. En tenslotte is k’’=2,9 wat de afstand van de ontvangen kracht betreft. Aan weerszijden is de berekening van de ellen gemakkelijk uit te voeren, 1/(1)(1)(1)(1)((2(1/(2)(1)(2)(2)(2,9)(2,9)(1)(1)))+(2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1) (2,9)(1)(1)))) in de berging, maar 1/(1)(1)(1)(1)((2(1/(1)(1)(2)(2)(2,9)(2,9)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(2,9) (1)(1)))) in de schenker. We hebben dus (1/33,6)+(1/5,8)=0,201 in de berging verwisseld voor het dubbele daarvan in de schenker, (1/16,8)+(1/2,9)=0,403, wat de winst laat zien die we hebben verkregen door te verwijzen naar de essentie der dingen, als de woorden een verklaring eisen.

Methode

Om de spillen te kunnen waarderen moet de context nauwkeurig ontleed worden, want zonder een dergelijke voorzorgsmaatregel zou de berekening foutief worden.

Toepassing op Baudelaire

Een draagplaats die begint met “De grote Natuur is een tempel…”, lijkt met “grote” een acceptabele inhoud van N te leveren, zelfs als dat woord, om de eerste regel te begrijpen, ons maar weinig van dienst is. De schepper van een boek stelt z’n werk zó samen dat we vaak geduldig moeten zoeken als we er het fijne van willen proeven en ons niet slechts door het enthousiasme van het moment willen laten meeslepen of willen genieten van de sprankelende inhoud, omdat dat óók in de ogen van kenners die niet aan de diverse modes meedoen, immers van essentieel belang blijft, wordt de rest daardoor soms lange tijd gedeeltelijk gemaskeerd [421]-[[1048]] in Index II (Gedichten)">[[1048]]: «Menig juweel ligt bedolven
Onder de duisternis der vergetelheid,
Heel ver van de houwelen en sondes vandaan;

Menige bloem verspreidt met spijt
Overvloedig z’n als een geheim zo zoete geur
In diepe eenzaamheid.»

§140
· Verzwakking zowel van een stok als van andere componenten
Theorie

Om een stok en andere componenten in kracht te doen afnemen, bedenken we twee dekzeilen waarin de kwatrijnen na de terzinen komen, met in het tweede dekzeil een grote verandering wat betreft de onderlinge aansluiting van de gedeeltes die nu anders gerangschikt zijn: “(La) question pour (d')autres parfums ayant (l')expansion (des) choses infinies, comme (l')ambre, (le) musc, (le) benjoin (et) (l')encens qui chantent (les) transports (de) (l')esprit (et) (des) sens, est (de) savoir s'ils (sont) corrompus, riches (et) triomphants. Or (la) Nature est (un) temple…” (De vraag is of andere geuren die de uitbreiding der oneindige dingen bezitten, zoals amber, muskus, benzoë en wierook die de vervoeringen der geest en der zintuigen bezingen, bedorven, rijk en triomfantelijk zijn. Wel de Natuur is een tempel…) We bestuderen vervolgens een weinig gebruikelijke interpretatie, volgens welke vb[corrompus~Nature] (bedorven-Natuur) kracht zou geven aan vb[corrompus~sens] (bedorven-zintuigen) terwijl rb[corrompus~encens] (bedorven- wierook) hierbij verklaard zou worden. De stroming van de botsing die opgehelderd moet worden, daalt alleen voor het tweede dekzeil tot 1/(2)(1)(1)(1), want de vragende vorm maakt de samenhang minder hecht, hetgeen de rang op 2 brengt. De variaties aangaande vb[corrompus~sens], 1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(1)(1) enerzijds en 1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(1)(1) anderzijds, met de grondslag “transports” voor de twee dekzeilen, zijn juist. De andere verklaring krijgt een variatie van 1/(1)(1)(2)(2)(3,6)(1)(1) voor het eerste dekzeil met “confuses paroles” als grondslag. In het tweede dekzeil leveren de vragende vorm en het voor de hand liggende antwoord aangaande dezelfde verklaring, vb[corrompus~Nature], de variatie 1/(1)(1)(1)(1)(1)(1) (1) op, want de twee termen lijken nu zeer eensgezind. Er is nauwelijks een verandering in de externe ruimte tussen de verklaringen te bespeuren: 3,6 voor het eerste dekzeil en 2,8 voor het andere. De twee externe ruimtes betreffende het probleem, verschillen iets meer: in het eerste dekzeil, van vb[corrompus~ sens] tot rb[corrompus~encens] vinden we een waarde van 3,5 en in het tweede 2,9, terwijl we daarbij twee fronten rekenen voor “s'ils”, maar “sont” geenszins meetellen; het verband tussen vb[corrompus~ Nature] en rb[corrompus~encens] brengt 3,6 op zonder en 1 met de vragende vorm. Alles bij elkaar genomen levert het eerste dekzeil een draaimolen op van 2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(1)(1))+2(1/(1)(1)(2)(2)(3,6) (3,6)(1)(1)) en het tweede dekzeil 2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(1)(1))+2(1/(1)(1)(1)(1)(1)(2,8)(1)(1)) dus (1/7)+ (1/25,92)=0,18 zonder en (1/4,8)+(1/1,4)=0,922 met de vragende vorm. Het lijkt erop dat we hier een voorbeeld hebben van de vraag-antwoordrelatie die in het voordeel van de intuïtie werkt. Wanneer de el uitgerekend moet worden, treedt er echter een verzwakking op wegens het feit dat de stroming van rb[corrompus~encens] enigszins ingekrompen is in het tweede dekzeil. Aan de ene kant hebben we dus 1/ (1)(1)(1)(1)((2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(3,5)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(3,6)(3,5)(3,6)(1)(1))))=1((1/24,5)+(1/90,72)) =0,051 bij de eerste imitatie, vervolgens 1/(2)(1)(1)(1)((2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(2,9)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(1)(1)(1) (1)(2,8)(1)(1))))=½((1/13,92)+(1/1,4))=½(0,785)=0,392 bij de andere verzonnen tekst, die met de vraag.

Methode

De winst van het tweede dekzeil is afkomstig van de verandering aangebracht door de redenering die ontstaan is door de intuïtieve combinatie van relaties en dus door de verdwenen ruimtes wat de metingen betreft.

Toepassing op Baudelaire

Hoewel Baudelaire in z’n poëzie geen moeilijkheid zoals in het tweede dekzeil kon verwerken, was hij door het bestuderen van hetgeen anderen tot stand hadden gebracht, geschriften of schilderijen, niettemin in staat dat type vraagstelling aan te brengen, terwijl hij wat z’n denkbelden aangaat, voorrang aan de verbeelding bleef geven.

§141
· Vergroting zowel van een steunstukje als van een ruimte
Theorie

We stellen voor een steunstukje en een ruimte betreffende ob[Vaste~unité] (Uitgestrekte-eenheid), die ob[ténébreuse~unité] (donkere-eenheid) meer kracht geeft, te vergroten door een verandering van het tweede kwatrijn: “Dans la ténébreuse/////immensité de longs échos, (Les) parfums, (les) couleurs (et) (les) sons se répondent. Vaste/////unité, nuit et clarté se confondent!” (In de donkere oneindigheid van lange echo’s, antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar. Uitgestrekte eenheid, nacht en dag vermengen zich met elkaar!) Op deze manier blijft er, vergeleken bij de oorspronkelijke tekst, weinig verband bestaan tussen “ténébreuse” en “unité”. De nauwe relatie tussen “Vaste” en “unité” verandert echter niet. Zodoende heeft ob[Vaste~unité] een variatie van 0,5 die in de schenker en de berging gelijk is: 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1). Deze mededeling is zo vaag, dat hij nauwelijks echt problemen oplevert en niet in staat is de minste opheldering te geven. De andere beschrijving van een neutrale relatie, ob[ténébreuse~unité], is in de berging 0,5=1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1) waard, want de grote vaagheid beschermt hem tegen slechte glijstroken, in de schenker bereikt hij niet meer dan 1/(1)(1)(2)(2)(3)(1)(1)=0,083. De externe ruimte bedraagt 1 voor de echte tekst, maar stijgt tot 2+(1(10/10))=3 bij de draagplaats. De waarden van de draaimolens zijn (1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1))=(0,5+0,5)=1 en (1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) +(1/(1)(1)(2)(2)(3)(3)(1)(1))=½+1/36=0,527. De intuïtie die geen verband meer kan leggen tussen de termen, daalt eveneens aanzienlijk en bijgevolg lijkt het verlies van de helft van het oorspronkelijke resultaat aannemelijk.

Methode

De bescheiden omvang van elk der glijstroken bevestigt het principe dat, wanneer we de inhoud heel ruim kunnen opvatten, deze niets meer toelicht, noch een tegenstrijdigheid veroorzaakt.

Toepassing op Baudelaire

Baudelaire spint de betekenis van de woorden niet al te veel uit, want hij tracht van het geijkte pad af te wijken. Maar hij heeft bewondering voor vage redeneringen, ten eerste uit voorliefde en ten tweede om de lezer te blijven boeien. Het fascinerende van diepzinnige gedachten moet door ontroerende tederheid vergezeld gaan, als beoogd wordt iets moois te maken. Daar hij vaak denkt dat hij geen inspiratie meer heeft, voegt hij behoedzaam talrijke overpeinzingen en een stoutmoedig idee samen, hetgeen hij even later weer laat schieten en dan, ontroerd door de nieuwe bezieling, een gedicht schept [[1035]] in Index II (Gedichten)">[[1035]]: «Nu ben ik bij de herfst der ideeën aangekomen,
En heb ik schop en harken nodig
Om het overstroomde land, waar het water gaten
Zo groot als graven slaat, weer voor de lente klaar te maken.

En wie weet of de nieuwe bloemen waarvan ik droom
In die als een strand zo schoongewassen grond
Niet het mystieke voedsel zullen vinden dat hun levenskracht zal schenken?»

§142
· Verkleining van een steunstukje aangaande een el
Theorie

Laten we voor vb[répondent~parfums¹], wanneer die vb[chantent~parfums¹] kracht geeft en rb[corrompus~encens] verklaart, een steunstukje en ruimte verkleinen. In de draagplaats wordt in de laatste regel “expriment” (zeggen) in plaats van «chantent» (zingen) en “chantent” naast “répondent” gebruikt: “…toutes les activités du réel spontané chantent, ainsi les parfums, les couleurs et les sons se répondent.” (…alle aktiviteiten die deel uitmaken van de spontane werkelijkheid zingen, zo antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.) De variaties van de berging met “répondent” en “chantent” als grondslag voor de noten waar ze ontbreken, bereiken 2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) betreffende vb[répondent~ parfums¹] en 2(1/(1)(1)(2)(2)(5)(1)(1)) aangaande vb[chantent~parfums¹] met «parfums» gebruikt in de achtste regel. De externe ruimte met betrekking tot rb[corrompus~encens], wordt voor beide afzwakkingen op 4,8 vastgesteld en die tussen de twee noten die opheldering verschaffen, op 5. Op deze manier bereikt de el van de berging 1/(1)(1)(1)(1)((2(1/(1)(1)(2)(2)(5)(4,8)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(4,8)(5)(1)(1))))=0,02 +0,041=0,061. In de schenker krijgt vb[répondent~parfums¹] de onveranderde variatie 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1) (1), terwijl vb[chantent~parfums¹] datzelfde niveau bereikt. De externe ruimte tussen verklaringen is beperkt tot 1 en die met rb[corrompus~encens] verkregen, is 4,8 voor de noot met “répondent”, en 5 voor de andere, omdat “chantent” verder van “encens” is verwijderd dan “parfums” in de draagplaats. In totaal bereikt de el van de schenker 1/(1)(1)(1)(1)((2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(5)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(4,8)(1)(1) (1))))=1/5+1/4,8=0,2+0,208=0,408, wat bijna het zevenvoudige is van de el in de berging. Zo wordt in intuïtief opzicht het voordeel van de draagplaats op numerieke wijze tot uiting gebracht.

Methode

De methode die bestaat uit de twee basissen voor de externe ruimtes, verschaft door de tekst, lijkt op het eerste gezicht vreemd, want we kunnen ons moeilijk voorstellen dat de schepper van het boek tussen beide een onderscheid maakt. Maar onze gedachtegang loopt hier het gevaar beperkt te worden door de theorie dat kennis inhoudt dat we constant achter de absolute werkelijkheid van „Correspondances“ staan.

Toepassing op Baudelaire

Uiteindelijk zijn we echter meer op zoek naar wat indirect deel uit maakt van verschijnselen en het schijnt ons in het bijzonder toe dat de metingen van de ruimtes over het algemeen een zekere juistheid bevatten, want Baudelaire lijkt «bezingen» verwijderd te houden van «antwoorden» om te voorkomen dat de nadruk erop komt te liggen. Als zoon van iemand die priester was geweest, moet hij vast wel aan «antwoorden» hebben gedacht toen hij verderop «bezingen» schreef, zich dergelijke liturgische antwoorden die in de tempel gebruikt worden, herinnerend. Zijn twijfel met betrekking tot metafysische zaken en zijn provocerende aard die de maatschappelijke orde verwerpt, weerhouden hem er niet van om zich tot de godheid te wenden, in een poging z’n mooie boek dat, tegenstrijdig genoeg, uit het kwaad is ontstaan, met zeer dubbelzinnige woorden te omschrijven [[1008]] in Index II (Gedichten)">[[1008]]: «Ik weet dat pijn de enige adel is
Waar de wereld en de hel nooit hun tanden in zullen zetten,
En dat ik, om mijn mystieke kroon te vlechten
Hemel en aarde moet bewegen.

Maar de verloren juwelen van het oude Palmyra,
De onbekende metalen, de parels van de zee,
Door uw hand ingezet, zouden niet mooi genoeg zijn
Voor dat schone, schitterende en lichte diadeem;

Want dat zal uit enkel puur licht bestaan
Geput uit de heilige bron der nog onbewerkte stralen,
Wier onsterfelijke ogen, in al hun pracht,
Slechts verduisterde en klaaglijke spiegels zijn!»

§143
· Vergroting van een steunstukje aangaande een draaimolen of een el
Theorie

Het blijkt dat met betrekking tot ob[loin~échos] (ver-echo’s), wanneer deze noot ob[longs~échos] (lange-echo’s) kracht geeft, de vergroting van een steunstukje, evenals van sommige ruimtes, mogelijk is met een draagplaats die als tweede strofe heeft: “Pour qui se trouve loin/////(d')un paysage, (les) parfums, (les) couleurs (et) (les) sons se répondent. Dans (une) ténébreuse (et) profonde unité, vaste comme (la) nuit et (comme) (la) clarté, (de) longs/////échos se confondent.” (Voor wie zich ver van een landschap bevindt, antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar. In een donkere en diepe eenheid, weids als de nacht en als de dag, vermengen lange echo’s zich met elkaar.) De noot met “longs” die kracht heeft ontvangen, blijft trouw aan z’n oorspronkelijke variatie 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1), maar de andere met “loin”, die de eerste kracht geeft, krijgt 1/(1)(1)(2)(2)(3,7)(1)(1) in de schenker, in plaats van 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1) in de ongewijzigde tekst. De draaimolen van de berging bereikt bij een externe ruimte van 1 een hoogte van 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)=1, maar in de schenker wordt de externe ruimte 3,7 en de variatie neemt af en wordt 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(2)(3,7)(3,7)(1)(1)=½+1/54,76=0,5+0,018= 0,518. De vermindering van de hoeveelheid, 0,518 in plaats van 1, laat dus de zojuist ondervonden moeilijkheid op het intuïtieve vlak zien.

Methode

We kunnen de draaimolens hier ook schijven noemen; bij verklarende noten zou een ondersteuning de afwezigheid van een schijf veroorzaken, omdat noch de probleemnoot, noch de beide externe ruimtes die hem met de verklaringen zouden verbinden, meegeteld zouden worden.

Toepassing op Baudelaire

De passage die hier als voorbeeld is gebruikt, nodigt uit tot dromerijen over bergen, wouden en weiden. Als we een voorbeeld zouden moeten zoeken om de symboliek van weiden te begrijpen, zouden we kunnen denken aan een gelijkmatig humeur, aan overvloedige vruchten die we, gelijk gemoedsrust, zonder vrees in ontvangst hebben genomen. Volgens een mythe, opnieuw bewerkt in een boek van Plato, beslist Zeus dat de rechters der doden [724]«…hun oordeel zullen vellen in de weide…» Homerus zelf, die Baudelaire zo vaak samen met zijn leermeesters heeft bestudeerd, wou misschien wel suggereren dat ten overstaan van de dood het ondergeschikte vonnis op een dergelijke plaats tenietgaat [455]-[595]: «…de zielen van de heren kandidaten stroomden toe…De god van de gezondheid, Hermes, leidde hen over natte wegen; ze vertrokken, de stroom van de Oceaan volgend: toen ze éénmaal de Witte Rots, de poorten van de Zon en het land der Dromen gepasseerd waren, kwamen ze al snel aan bij de Weide van de Witte Affodil, waar de schaduwen, geesten van de overledenen, wonen…» Daar vertellen ze van hun lot en de herinnering aan hun oude vijand, Odysseus, wiens echtgenote ze evenzeer begeerden als z’n erfenis en die hen tenslotte om het leven heeft gebracht [456]«Hij mikte recht voor zich uit: wij vielen één voor één neer! Het was duidelijk dat hij daarbij door een god was geholpen.» Plato beeldt een soortgelijk idee op verschillende manieren uit: «de Vlakte der Waarheid» geeft het paard der geest wat hij nodig heeft. Hij schrijft dat met name [733]«…het voedsel dat door het beste deel van de ziel op prijs wordt gesteld, uit de wei die we daar aantreffen komt…» Wat de interpreet betreft, deze zal, terecht of niet, vanaf dat moment de diverse verwijzingen naar de op te roepen grasvlakte of het paard elkaar op talrijke manieren zien kruisen. Socrates vertelt de mythe terwijl hij zich zelf op een plek bevindt die hij als volgt beschrijft [731]: «…dat gazon is uiterst geraffineerd, met die natuurlijke welving van de heuvel waar je, als je je neervleit, je hoofd zo heerlijk kunt neerleggen.» Veel verder en in een andere context, zal het boek Openbaringen op zijn beurt een «wit paard» een instrument gemaakt voor de rechtspraak van het koninkrijk noemen [160]-[162].

§144
· Verkleining van ruimtes bij een draaimolen of een el
Theorie

Het is gemakkelijk ruimtes te verkleinen en daarbij toch geen enkele andere component te veranderen met een draagplaats waarvan het begin van de eerste terzine zo begint: “Existe-t-il des parfums frais? Comme les prairies? Il en est de frais comme des chairs d'enfants…” (Bestaan er frisse parfums? Zoals prairies? Er zijn er die zo fris als kinderhuidjes zijn…) In de berging vinden we de draaimolen 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(2)(2,8)(2,8)(1)(1)=½+1/31,36=0,5+0,031=0,531 voor de ondersteuning van ob[frais~enfants] door ob[frais~prairies] (frais: fris; enfants: kinderen). De schenker levert een hogere waarde op: 1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)+1/(1)(1)(2)(2)(1)(1)(1)(1)=½+¼=¾=0,75. Het lijkt er op dat de intuïtie geconcretiseerd wordt door de cijfers, want in de draagplaats is het verband tussen de sporen “prairies” en “frais” (frisse) hechter dan in de originele versie.

Methode

Ondanks de afwezigheid van een werkwoordsvorm speciaal samengesteld om de tegenhanger van de duidelijke constructie aangaande noten aan te geven, blijft de relatie tussen (f) en (z) even doorslaggevend als die (t) en (s) met elkaar verbindt.

Toepassing op Baudelaire

De vragende vormen van de draagplaats brengen de relatie tussen “prairies” en “frais” schade toe en doen de waarde van (f) stijgen tot 2 en toch blijft de waarde voor (z) die 1 bedraagt, onveranderd door de inhoud die uiterst helder blijft. Het noemen van de frisheid der rozen brengt de gedachte met zich mee dat vooral de roos dat soort odeur verspreidt, maar het is een beetje gevaarlijk zo snel een dergelijke conclusie trekken. Zoals Claude Pichois liet zien, beschreef Emile Deschanel de talenten van zijn oude schoolvriend, de tot veler verbazing toekomstige schrijver van „Samenspel“, op een manier die te denken geeft. Met z’n beschrijving van het thema van de dood veroorzaakt door rozen, had hij bij een bepaalde studieopdracht de besten onder zijn medeleerlingen ver overtroffen [601]-[943]: «Het onderwerp was zeer geschikt en daar had hij van geprofiteerd…Baudelaire had daarmee een wonderstuk gemaakt, had de meest briljante Latijnse regels gedicht, schitterende vondsten gedaan.» Tevens verschafte hij menig detail over het in te leveren werkstuk: «Het ging over de vreemde marteling die een Romeinse keizer bedacht had om zich van degenen die hij vreesde, te ontdoen: hij nodigde ze uit voor een souper, ze namen de uitnodiging aan. Tijdens het eetfestijn vielen enkele rozeblaadjes zachtjes door de spleetjes in het plafond naar beneden. Oh! Wat een mooie, sierlijke regen…wat een uitmuntend idee! Men was verrukt, men applaudisseerde…een zee van rozen op de voorhoofden, in de glazen, op de tafels. De met rozen bedekte gasten dronken op de gezondheid van de Keizer…En het regende nog aldoor rozen, het regende steeds harder…Door de zich opstapelende rozen ontstond na enige tijd op de houten vloer een hoop die gestaag groter werd: men at, dronk, lachte, praatte; de rozen bedekten de tafels en de bedden in de feestzaal…bedekten reeds de gasten…Ze begonnen hun verwondering te tonen…Ze keken elkaar aan…De Keizer was verdwenen…Enkelen maakten zich ongerust, stonden op, wilden vertrekken…de deuren waren gesloten! De vloed van rozebladeren ging onophoudelijk door, steeg tenslotte boven de hoofden van de genodigden uit…werd hoger en hoger…en verstikte hen langzaam: ze stierven onder de berg rozen die zachtjes aan tot het plafond reikte!»

§145
· Vergroting van ruimtes bij een el
Theorie

Laten we in een draagplaats de «y» (er) van het huidige eerste kwatrijn behouden door de derde zowel als de vierde regel juist voor de terzines te plaatsen, teneinde enkele ruimtes met betrekking tot de ondersteuning van vb[Nature~symboles] door vb[piliers~symboles] te verhogen met het oog op een verklaring van rb[forêts~symboles] (wouden-symbolen). De botsing behoudt z’n variatie van 1/tsmw=1/(1) (1)(2)(1)=½. De noot vb[Nature~symboles] verandert van 2(1/qepfzgj)=2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(1)(1)) in 2(1/(1) (1)(2)(2)(5,5)(1)(1)) want we moeten aan de fronten die 3,5 bedragen, de twintig van het tweede kwatrijn toevoegen. Wel, 15+20=35 en 2+(1(15/10))=3,5, terwijl 2+(1(35/10))=5,5. De andere verklarende noot vb[piliers~symboles] die de vorige kracht geeft, krijgt voor de berekening van de el een bescheiden variatie: 2(1/(1)(1)(2)(2)(3)(1)(1)) in de berging en vervolgens 2(1/(1)(1)(2)(2)(5)(1)(1)) in de schenker met de twintig extra fronten, hetgeen voor (z) een stijging van 3 naar 5 oplevert. De grondslag wordt hier steeds dankzij het noemen van de natuurlijke tempel verkregen, omdat in een sanctuarium symbolen nauwelijks verbazing wekken. De drie externe ruimtes in de berging, twee aangaande de verklaring en één betreffende de steunverlening, zijn 3,5 met vb[Nature~symboles] rb[forêts~symboles]; 3 voor vb[piliers~ symboles] rb[forêts~symboles] en opnieuw 3,5 met betrekking tot vb[Nature~symboles] vb[piliers~ symboles]. De schenker levert voor de overeenkomstige ruimtes dus 5,5, vervolgens 5 en tenslotte 5,5 op. De el van de berging bereikt 1/(1)(1)(2)(1)((2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(3,5)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(3)(3)(3,5)(1) (1))))=½((1/24,5)+(1/63))=0,027.De schenker levert daarvan slechts een derde op: 1/(1)(1)(2)(1)((2(1/(1) (1)(2)(2)(5,5)(5,5)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(5)(5)(5,5)(1)(1))))=½((1/60,5)+(1/275))=0,009. Deze berekening geeft dus de verzwakking weer van de relaties doordat we ons de termen in de eerste regel iets minder scherp herinneren op het moment dat we de andere proberen te begrijpen.

Methode

De gelijkheid van een interne en externe ruimte die zich in sommige gevallen voordoet, moet er geenszins toe leiden dat we ons bij een complete berekening met één grof genomen waarde tevreden stellen, want daardoor zouden we het belang ervan tenietdoen.

Toepassing op Baudelaire

Aangezien er tussen «Nature» en «piliers» 5 fronten liggen, resulteert de berekening in 3 en 3,5 of 5 en 5,5. Het thema van de "pilaren-benen" dat vaak gebruikt wordt in boeken die grapjes over de liefde maken, vormt een aansporing om het sonnet te zien als een gedetailleerde beschrijving van het vrouwelijk lichaam [173]-[174]. Het geringe aantal keren dat deze voorstelling een mens uitbeeldt, is voor ons minder een reden om die interpretatie te verwerpen, dan het feit dat die niet erg aannemelijk is voor een auteur wiens manier van spreken die hij bezigt als hij het woord richt tot degene die hij op dat ogenblik begeert of aanbidt, zelfs wanneer dat met enig vermaak gepaard gaat, dikwijls tekenen van ongerustheid vertoont [139]-[[1102]] in Index II (Gedichten)">[[1102]]«Onze trots krijgt de opdracht haar te bezingen:
Niets evenaart de lieflijkheid van haar gezag;
Haar goddelijk lichaam heeft de geur der Engelen,
En haar blik omgeeft ons met licht.» De bijna permanente bekentenis van pijn voorkomt dat de gedichtenbundel oppervlakkig aandoet [[1043]] in Index II (Gedichten)">[[1043]]: «Soms lijkt het me toe dat mijn bloed net zo onstuimig opbruist
Als het ritmisch snikken van een fontein.
Ik hoor het klaaglijk stromen wel
Maar op zoek naar de wond, tast ik vergeefs mijn lichaam af.» Het dreigend gevaar maakt het gebruik van enkel luchtige opmerkingen onmogelijk, zodat de indruk van een last zelfs tot uiting komt in de woorden die de grillen van de geliefde beschrijven [[1058]] in Index II (Gedichten)">[[1058]]: «Zie in die kanalen
Gindse boten wachten
En altijd klaar liggen;
Om aan jouw
Geringste wens te voldoen
Komen ze van het andere eind van de wereld.»

§146
· Gebruik van dekzeilen bij een wijziging van ruimtes
Theorie

We stellen voor in twee dekzeilen verschillende ruimtes te gebruiken voor ob[Nature~clarté] (Natuur -dag) die ob[Nature~nuit] (Natuur-nacht) kracht geeft. Het begin van één van de versies zal er als volgt uitzien: “La Nature/////est (un) temple où (de) vivants piliers, dans (une) ténébreuse (et) profonde unité, vaste comme (la) nuit et (comme) (la)/////clarté, laissent parfois sortir de confuses paroles…” (De Natuur is een tempel waar in een diepe, donkere eenheid, weids als de nacht en als de dag, levende pilaren soms verwarde woorden loslaten…) De draaimolen voor het eerste dekzeil zal (1/qepfzgj)+(1/q’e’p’f’z’kg’j’) ofwel ((1/(1)(1)(2)(2)(3,1)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(2)(3,3)(3,3)(1)(1)))=((1/12,4)+(1/43,56))=0,102 zijn. Laten we in het andere dekzeil de volgende woorden gebruiken: “La Nature,/////dans (une) clarté profonde où (les) vivants piliers (d')(un) temple font (une) ténébreuse unité vaste comme (la)/////nuit, laisse parfois sortir de confuses paroles…” (De Natuur, laat soms in een diepe helderheid waar levende pilaren van een tempel een donkere eenheid vormen, weids als de nacht, verwarde woorden los…) Op deze manier komt de draaimolen neer op ((1/(1)(1)(2)(2)(3,2)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(1)(1)(3,2)(1)(1)))=((1/12,8)+(1/6,4))=0,234. Deze berekening komt overeen met de intuïtie doordat de herinnering aan de termen, in het geval van het tweede dekzeil, scherper is.

Methode

Door het principe van het klinken kunnen termen die ver uit elkaar liggen, onmogelijk samen gebruikt worden. Daardoor wordt het gebruik van dekzeilen heel waardevol.

Toepassing op Baudelaire

De afstand tussen «Nature» en «clarté» (Natuur-dag) die 36 fronten telt in de echte tekst, komt neer op 2+(1(36/10))=5,6, dus veel te veel met p=2=f, want (2)(2)(5,6)=22,4 ligt 6,4 hoger dan niveau 16, waarvan het tegenovergestelde 0,062, de limiet van het klinken vormt. De pastorale sfeer van enkele termen uit „Samenspel“ die elementaire zaken weergeven, zoals echo’s, weilanden, dag en nacht, herinnert ons aan een gedicht dat Baudelaire op zeventienjarige leeftijd van een reis naar de Pyreneeën had meegebracht [599]-[[1134]] in Index II (Gedichten)">[[1134]]: «…voorbij de glooiingen van de heuvels,
Voorbij de bossen, voorbij de groene velden,
Ver van de laatste weiden vertrapt door de kudden,
Treffen we diep in de afgrond een donker meer,
Omgeven door enkele verlaten en besneeuwde bergtoppen, aan…» De jongeman had gevoel voor contrast, voor pijn die achter geluk schuilgaat, maar het effect van de metaalachtige klanken blijft afwezig en het tegen de heilige huisjes schoppen is nog ver te zoeken; zò had hij nog niet tot de wereld over genot gesproken [[1070]] in Index II (Gedichten)">[[1070]]: «Laat de oude Plato met een strenge blik z’n wenkbrauwen fronsen;
Dankzij de overvloed aan kussen zal je vergeving geschonken worden…»

§147
· Vergroting van glijstroken bij een draaimolen of een el
Theorie

Om twee glijstroken voor de ondersteuning van ob[lange~echo’s] door ob[ver~echo’s] te vergroten, blijkt een draagplaats die elk teken van verband tussen de woorden wegneemt, onmisbaar te zijn, bijvoorbeeld met een tweede kwatrijn dat er als volgt uitziet: “In een duistere en diepe eenheid, weids als de nacht en als de dag, zoals lange echo’s die dichtbij elkaar klinken een koor vormen, antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar en vermengen zich net als zij, van ver met elkaar.” De draaimolen bereikt in de berging een niveau van (1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1))=1, want de auteur laat zo weinig los dat daar geen enkele overtuigende opheldering en ook geen enkel probleem uit naar voren komt. De draaimolen van de schenker wordt op zijn beurt vastgesteld op (1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1))+(1/ (1)(1)(2)(1)(1)(1)(2)(2))=½+⅛=0,625 wegens het feit dat van alle kanten problemen ontstaan met de inhoud van ob[ver~ echo’s], doordat er verwarring heerst rondom de verwijdering, het koor en de vermenging van de stemmen. Het verlies van de hoeveelheid 0,375 wordt uitgelegd door het vervagen van de relaties die het bestudeerde geheel schaden.

Methode

Het belang van de context is het geringst bij botsingen, omdat deze immers zelf een moeilijkheid moeten bevatten, maar mag zelfs dan niet verwaarloosd worden; in andere gevallen beïnvloedt hij in hoge mate de waarde van de componenten.

Toepassing op Baudelaire

Als de vanzelfsprekendheid van ob[ver~echo’s] teniet wordt gedaan door vaagheid te brengen in het onderlinge spel der begrippen betreffende één der sporen, toont dat juist de invloed aan van de context van elk woord op het idee dat hij uiteindelijk uitdraagt. 67

§148
· Verkleining van een glijstrook bij een draaimolen of een el
Theorie

Als we de waarde willen verminderen van een glijstrook bij de berekening van de aannemelijkheid van rb[rijk~amber] die rb[rijk~muskus] kracht geeft, is dat gemakkelijk uit te voeren door er een draagplaats als “…en andere, die bedorven, weelderig, rijk en zegevierend zijn als amber…” aan toe te voegen. Nu voldoet «bedorven» niet, zelfs niet vergezeld door «zegevierend», om het idee dat de geuren in kwestie een reuk hebben die uit talrijke elementen bestaat, dus dat ze een grote overvloed bezitten, niet als een mens dat een geweldig vermogen heeft, maar als een produkt, voorgoed naar de achtergrond te dringen. “Rijk” bevindt zich hier namelijk op de grens van de twee mogelijkheden wat de inhoud betreft, enerzijds de figuurlijke zin, anderzijds de letterlijke; om er een andere wending aan te geven moet er daarom de nadruk op gelegd worden; de andere woorden “zegevierend” en “bedorven” brengen ons echter zonder enige hulp op het idee ze met menselijke zaken te vergelijken. In deze situatie krijgt de draaimolen van de berging de waarde waar hij recht op heeft, namelijk: (1/(1)(1)(2)(1)(1)(2)(1))+(1/(1)(1)(2) (1)(1)(1)(2)(1))=¼+¼=½, doordat noch de eerste noot, noch de tweede, rb[rijk~amber] en rb[rijk~muskus], knelpunten zijn. De verandering brengt meer verwardheid teweeg en rechtvaardigt zo dus meer het idee van een moeilijkheid, hetgeen een resultaat oplevert van (1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)) =½+½=1.

Methode

Dankzij de instelling van een tandem hebben we kunnen vaststellen dat de solide knelpunten in botsingen veranderen als er een bepaald nauw verband bestaat met iets dat grote verbijstering wekt, als een wervelwind van verschillende woorduitleggingen waar de diverse invloeden vrij spel hebben, maar dan is daarvoor nog een serie tegenstrijdigheden voor nodig die een soort schakel vormen en waarvan de inhoud overtuigender is dan die van vele andere die ook heel aannemelijk is.

Toepassing op Baudelaire

De termen «bedorven» en «wierook» vormen onmiddellijk een struikelblok voor het begrip; anderzijds zien we dat er tussen de noties «rijk» en «wierook» een band ontstaat omdat parfum behalve prestige, een veelzijdig aroma bezit. De gevaren van wierook hebben de moralisten interessant materiaal opgeleverd. Plutarchus, zo verweven met het humanisme waarbinnen Baudelaire de grondslagen van z’n ontwikkeling heeft ontvangen, heeft misschien wel bij zichzelf gezegd [791]: «…onze oren en ogen zijn ziek; door een ontregeling en afstomping van onze smaak, zijn we gewend om wat ons het best bevalt, mooi te vinden en mooi te noemen. Vermoedelijk zullen we Pythia weldra verwijten maken dat ze ons geen schonere klanken dan die van Glauke, de zangeres met de citer, laat horen, ze ongeparfumeerd en zonder in purperen gewaden gekleed te zijn, in de heilige ruimte afdaalt en ze in plaats van kaneel, gomhars en wierook, slechts laurierblad en gerstemeel als reukoffer brandt.»

§149
· Verkleining van snede bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Laten we nu zowel het verklaren als het ondersteunen van een noot bestuderen. We kennen eerst een waarde van 1 toe aan de snede van N in de variatie die hoort bij vb[N~piliers] die we gebruiken om de moeilijkheid rb[piliers~paroles] (pilaren-woorden) enigszins weg te nemen. Ons voorstel is om in een dekzeil “l'être absolu” (het absolute wezen) na Nature te plaatsen en vervolgens “…offre de vivants piliers en un temple où l'homme passe…” (…biedt levende pilaren aan in een tempel waar de mens voorbijgaat…) om zodoende de N door een acceptabel denkbeeld dat volkomen losstaat van een botsing, te vertegenwoordigen. We verkrijgen nu de verklarende variatie 2(1/qepfzgj)=2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)). Laten we in hetzelfde dekzeil, evenals in een ander, “Temple” meer kracht geven door de hoofdletter T als beginletter te gebruiken. Daardoor wordt rb[piliers~paroles] opgehelderd door vb[N~piliers], een noot die van vb[T~piliers] kracht ontvangt. Uit het eerste dekzeil, dat twee veranderingen bevat, komt totaal een el van 0,106=(1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’z’k’k’’g’j’)))=(1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(2,9)(1)(1))) +(2(1/(1)(1)(2)(2)(2,2)(2,7)(2,4)(1)(1)))) voort, terwijl het tweede dekzeil, waarin slechts één verandering is aangebracht, kleiner blijft dan de helft van bovengenoemde el met (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(2)(1)(2)(2)(2,4) (2,9)(1)(1)))+(2(1/(2)(1)(2)(2)(2,2)(2,7)(2,4)(1)(1))))=0,052. De afwezigheid van de woorden “l'être absolu” (Het absolute wezen) en de daaruit voortkomende verandering, maakt vb[T~piliers] minder aannemelijk dan z’n equivalent in het eerste dekzeil, omdat zowel T als N door deze toevoeging immers aanzienlijk helderder worden. Wat de grondslag voor de verklaringen betreft, die wordt geleverd door de onmiddellijke nabijheid van de context die heel goed in staat is te suggereren dat de karakterisering die we van “Nature” of “Temple” kunnen geven, invloed uitoefent op “piliers”.

Methode

Deze directe nabijheid maakt dat de waarde van (z) en (k) zich tussen 2 en 3 bevindt en dergelijke hoeveelheden laten goed zien hoe gemakkelijk het is het verband te leggen tussen woorden die zich dicht bij elkaar bevinden en waarvan het insinuerende karakter een veelvoudig effect heeft.

Toepassing op Baudelaire

Het spel met de hoofdletters maakt dergelijke zinswendingen mogelijk, vooral doordat nergens een bepaalde nadruk op ligt en er dus geen steunpunt ontstaat. We stellen voor te beginnen met “De Natuur is een tempel…” en als eind bijvoorbeeld “…de vervoeringen bezingen van geest en Zintuigen.” te nemen: de relatie wordt gehandhaafd, maar nu wordt het nauwelijks mogelijk te bewijzen dat de schepper van het boek aan “Zintuigen” dacht als aan een deel van de Natuur of als bronnen van hekserij die een tegenstelling met de natuurlijke wereld vormen.

§150
· Twee dekzeilen
Theorie

We doen het voorstel om, teneinde de diverse mogelijkheden van de hier genoemde berekeningen te tonen, nog éénmaal ondanks het risico van een vergissing, een weinig gangbare interpretatie te bestuderen. Dan hebben we echter twee dekzeilen nodig, want de onaannemelijkheid heeft hier variaties tot gevolg die zo gering zijn dat ze te verwaarlozen zijn als we het echte gedicht gebruiken. In de twee imitaties plaatsen we de terzines vóór de kwatrijnen en slechts in één van beide wordt het eind van de tekst: “…comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens, amis de ces colonnes formant l'âme du sanctuaire, qui chantent les transports de l'esprit et des sens.” (…zoals amber, muskus, benzoë en wierook, vrienden van deze zuilen en tevens de ziel van het Allerheiligste vormend, die de vervoeringen bezingen van geest en zintuigen.) Zo proberen we de stok te verkleinen van één der variaties die gebruikt wordt om de el te berekenen van rb[vivants~piliers] (levende-pilaren), verklaard door vb[transports~piliers] (vervoeringen-pilaren), een noot die kracht ontvangt van vb[transports~sens] (vervoeringen-zintuigen). Het eerste dekzeil, dat slechts één verandering telt, zal een el van 0,102=(1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’ z’k’k’’g’j’)))=(1/(1)(1)(1)(2))((2(1/(1)(1)(2)(2)(2,7)(2,7)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(2,7)(2,7)(1)(1)))) opleveren. In de stroming is w=2 te danken aan “forêts” (wouden), dat doet denken aan "bomen-pilaren", waardoor de schok veroorzaakt door de term “vivants” wat minder wordt. De grondslag voor alle glijstroken kunnen we zonder moeite vinden in “corrompus” dat goed past bij de gewaagde betekenis die we, vermoedelijk ten onrechte, aan “piliers” hebben gegeven. De punt na het laatste woord van de terzines, breekt de gedachtegang af en levert daardoor k’=k’’=2,7 op, ondanks dat s=z’=1. Het tweede dekzeil, dat de grootste veranderingen bevat en vooral het begin van de uitleg over de pilaren, die hoogstens geschetst wordt, want er wordt niet precies vermeld wat ze voorstellen, maakt een el mogelijk met een waarde van 0,205=(1/(1)(1)(1)(2))((2(1/(1)(1)(1)(2)(2,7)(2,7)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(1)(1)(1)(2,7)(2,7)(1)(1)))) die praktisch verdubbeld is wegens de stokken die van 2 tot 1 gedaald zijn. De tegenstellingen, enerzijds numeriek, anderzijds intuïtief, blijven zeer gering door het allusieve karakter van de nieuwe tekst in het tweede dekzeil.

Methode

Dit voorbeeld laat zien dat de componenten p, f en z niet altijd hetzelfde lot ondergaan; ze kunnen eraan ontsnappen als het vermelden van een moeilijkheid, een opheldering of een neutrale situatie, zò vaag blijft dat van de woorden eromheen ook weinig invloed uitgaat. In paragraaf 132 hadden we daarentegen een gelijktijdige stijging van p, f en z tot een waarde van 1, die was ontstaan doordat de inhoud van bepaalde woorden overtuigender was geworden.

Toepassing op Baudelaire

Het berekenen van aannemelijkheid komt, ondanks de onvolkomendheid ervan, voldoende met dat van waarschijnlijkheid overeen en zou, zodra we onze oplettendheid laten varen, hetzelfde soort vergissingen in de hand kunnen werken: dat we er niet in slaagden het berekenbare niveau te bereiken betreffende het bedenksel met de pilaren gezien door de ogen van Eros en dat we zodoende gedwongen waren, in het kader van een uitleg met een omweg gegeven en die een zeer wankele inhoud veronderstelt, om onze toevlucht tot dekzeilen te zoeken, wil geenszins zeggen dat de schepper van het boek daar in ’t geheel niet aan had gedacht. We denken alleen dat het weinig aannemelijk is dat hij dit begrip aan het lezerspubliek wilde voorleggen; op dezelfde wijze is het even onwaarschijnlijk dat we in één worp dobbelstenen dubbel zes gooien, maar soms gebeurt dat.

§151
· De rang en de verwijdering tussen de termen doen toenemen
Theorie

De verhoging van de rang in de stroming van een probleem, met bovendien een vergrote afstand, zou schade aan de el van een verklaring, die zelf kracht ontvangt, moeten toebrengen. De draagplaats “Il existe une Nature/////où (de) vivants piliers laissent parfois sortir (de) confuses paroles. (L')homme passe (à) travers (le)/////temple…” (Er bestaat een Natuur waar levende pilaren soms verwarde woorden uit loslaten. De mens gaat de tempel door…) maakt het mogelijk dat rb[Nature~temple] een stroming ontvangt van 1/(2)(3,1)(1)(1) in plaats van 1/(1)(1)(1)(1) in het begin. Aangezien een draagplaats slechts de aspecten verandert die nodig zijn om de berekening te testen, veronderstellen we dat de afstanden van “sons” (geluiden), “couleurs” en “parfums” tot aan “Nature” en “temple” in de schenker en de berging even groot zijn. We kijken nu welke verandering de el ondergaat betreffende rb[Nature~temple], die verklaard wordt door vb[Nature~parfums¹] vb[parfums¹~temple], noten die een variatie met een som bezitten, kracht ontvangen van vb[Nature~couleurs] vb[couleurs~temple] en vervolgens opnieuw van vb[Nature~sons] vb[sons~temple]. De berging levert een totaalwaarde op van (1/(1)(1)(1)(1))(((1/(1)(1)(2)(2)(5,7)(5,7)(1)(1)) +(1/(1)(1)(2)(2)(5,5)(5,7)(1)(1)))+((1/(1)(1)(2)(2)(5,8)(5,8)(5,8)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(2)(5,6)(5,8)(5,6)(1)(1)))+ ((1/(1)(1)(2)(2)(5,9)(5,9)(5,9)(1)(1))+(1/(1)(1)(2)(2)(5,7)(5,9)(5,7)(1)(1))))=1((0,007+0,007)+(0,001+0,001)+ (0,001+0,001))=0,018. Doordat we na drie decimalen het tellen stopzetten, is er zeer weinig verschil in sommige afstanden, ondanks de ongelijke ruimte tussen de gebruikte termen, zoals bijvoorbeeld van “Nature” tot “sons” en van “temple” tot “sons”. Noteer ook dat de grootte van de afstand die bepalend is voor de kracht die vb[sons~temple] ontvangt, wordt berekend aan de hand van vb[parfums¹~temple], terwijl die van vb[Nature~sons] afhangt van vb[Nature~parfums¹]. In de schenker blijkt de el zes keer kleiner te zijn, vooral door de stroming die een waarde heeft van ((1/(2)(3,1)(1)(1))(0,02))=0,003. Aangezien het risico bestaat dat de moeilijkheid die we uit de weg moeten ruimen, door de interpreet is bedacht, is het inderdaad vanzelfsprekend dat de gehele schijf de grootte van z’n plausibiliteit ziet afnemen, hoe verdienstelijk de stappen ook mogen zijn die anderen vóór of na hem of zelfs in zijn tijd, hebben gezet.

Methode

Heel vaak bedenken de commentatoren aangaande een tekst niet enkel een nieuwe methode, wat legitiem is omdat we bergen immers bestuderen vanuit kennis die daar niet uit voortkomt, maar vormen tevens denkbeelden die de schepper van het boek nooit heeft gehad; wel, het is belangrijk als we precies willen weten welke noten belangrijk zijn, te begrijpen wat hij, in oorsprong, in een werk dacht, om zijn theorie te kunnen onderscheiden van andere beroemde gedachteontwikkelingen die aan zijn ideeën zijn toegevoegd, hoe verdienstelijk elke stap ook is die anderen, alleen of gezamenlijk, vóór of na hem en zelfs in zijn tijd, hebben gezet.

Toepassing op Baudelaire

Aan de hand van de theologische samenvattingen van „Samenspel“ durven we te concluderen dat Baudelaire voorzichtigheid verenigde met het plezier dat het filosoferen over tempels en bederf hem gaf, terwijl hij daarbij zowel verstandelijke redeneerkunst als onthutsende beelden gebruikte, deels als Celsus, deels als Tertullianus. Eerstgenoemde lacht de fantasten uit die hun capaciteiten overschatten als ze nauwgezette uitspraken doen over het onbekende [183]: «Overal verwarren ze de levensboom met de opstanding van het vlees door hout…» Als antwoord op deze spotternijen, maakte de tweede auteur gebruik van een bespiegeling die een paradox bevat en speelde daarbij misschien wel met het idee dat, als het bestaan van God éénmaal is erkend, op resolute wijze over onuitvoerbare zaken spreken, nauwelijks meer dan een maatschappelijke levenshouding is [953]: «De Zoon van God is gekruisigd? Ik voel geen schaamte, omdat ik verplicht ben me te schamen. De Zoon van God is dood? Daar moeten we in geloven, omdat het immers absurd is. Hij is begraven en daarna opgestaan: dat staat vast, want dat is onmogelijk.»

§152
· Verandering van ruimtes bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Het is eenvoudig om sommige afstanden betreffende vb[répondent~parfums¹] die rb[Nature~ temple] verklaart en die kracht ontvangt van vb[chantent~parfums¹], te vergroten door middel van een draagplaats waar in de elfde versregel “Des éléments corrompus” (bedorven elementen) voorkomt. De schenker, waar “répondent” (antwoorden) en “chantent” (bezingen) als grondslagen dienen voor de noten waar zij ontbreken, levert een el op met een waarde van (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(6,1)(1)(1)))+ (2(1/(1)(1)(2)(2)(5)(8,8)(5)(1)(1))))=(1/1)((1/6,1)+(1/(2)(5)(8,8)(5)))=(1)(0,163+0,002)=0,165 door de volgende redenering: indien de geuren, kleuren en geluiden gelovigen voorstellen, dan “La Nature est un temple…” De berging bereikt een waarde van (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(6,1)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2) (1)(1)(8,8)(1)(1)(1))))=(1)(0,163+0,113)=0,276, die door nivellering tot 1 teruggebracht wordt.

Methode

Een tweeslachtigheid in een toelichting heeft geen enkele uitwerking op het behandelde probleem. Hetzelfde geldt als de speling (m) door een term van een botsing een waarde van 2 krijgt, dan heeft dat evenmin tot gevolg dat w=2: er zijn twee heel verschillende beweegredenen, één per term, nodig voor m=w=2; het moet niet zo zijn dat de vertolker van de tekst door de overtuigingskracht van de context alles door elkaar haalt.

Toepassing op Baudelaire

Het is ongetwijfeld waar dat «répondent» tweeslachtig is in vb(répondent~parfums¹), maar «chantent» functioneert als grondslag. Anderzijds verkrijgt rb(répondent~parfums¹) juist m=2 door de vaagheid van «répondent», maar dat leidt niet tot w=2 door gebrek aan een andere ambiguïteit. We kunnen er ongetwijfeld veel onder de illustraties vinden, maar we moeten ze naar de achtergrond schuiven als door de verschijnselen zorgvuldig vermeden wordt ze te bevoordelen. Het blijft niettemin geoorloofd ons voor te stellen, zonder dat de interpretatie ook maar iets garandeert, dat voor Baudelaire de bedorven geuren in tegenwoordigheid van de frisse voor een evenwicht zorgen, of dat deze samen een geheel vormen dat in de gevoelswereld domineert, zoals op de feesten die Lucretius beschreef [513]«Het zijn allemaal banketten waar voedsel en decor wedijveren in raffinement, spelletjes, doorlopend gevulde glazen, geuren, kronen, slingers: zinloze inspanningen! Zelfs aan het echte plezier kleeft ik weet niet welke bittere smaak, die de aanbidder zelfs tussen de bloemen naar de keel stijgt.» Toch hoort het verval net zo goed bij de wereld als het ontstaan [512]: «…worden gouden oogsten binnengehaald, worden de boomtakken groen, groeien de bomen zelf en dragen volop vruchten. Daar putten mensen en dieren hun voedsel uit; hebben we het aan te danken dat de steden er met hun kinderen zo welvarend en florissant uitzien en dat de dichte bossen nog slechts uit een lied bestaan…Van alles wat lijkt te vergaan, wordt niets dus helemaal vernietigd, omdat de natuur immers het ene leven weer met behulp van het andere vormt en geen enkel schepsel doet ontstaan zonder de hulp die door de dood van het andere wordt verleend.» De auteur van „Samenspel“ laat zich ten aanzien van ons heel genuanceerd uit over de krachten die de dingen bewegen waardoor we in ontroering gebracht worden en via Plotinus beschikte hij eveneens over een mogelijkheid om deze waar te nemen [786]: «Vragen waar die dieren vandaan komen, staat gelijk aan vragen waar die hemel vandaan komt, dat wil zeggen, vragen waar het dier, oftewel waar het leven, het universele leven, de universele ziel en de universele intelligentie vandaan komen op een plaats waar armoede noch gebrek heerst, maar waar alle dingen volkomen intact zijn en bruisen van leven. Het is als een stroom die uit één en dezelfde bron komt. Die is niet te vergelijken met ademhaling of warmte, maar eerder met een unieke kwaliteit die al het andere bezit en behoudt, met een zachtheid waarin de geur van wijn zich met alle andere geuren en kleuren vermengen. Deze bezit alle hoedanigheden die door tact en ook alle die door het gehoor worden waargenomen, omdat hij één en al harmonie en ritme is.»

§153
· Verkleining van een steunstukje bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Door de afstand te verkorten kunnen we het steunstukje verkleinen betreffende rb[corrompus~ piliers] die door vb[corrompus~transports] een noot die van vb[corrompus~sens] kracht ontvangt, opgehelderd wordt (bedorven; pilaren, vervoeringen, zintuigen). Daartoe verwijderen we «Laissent… autres» (Loslaten…andere). Het resultaat in de berging is (1/qepfzgj)((2(1/q’e’p’f’z’kg’j’))+(2(1/q’’e’’p’’f’’z’’k’ k’’g’’j’’)))=(1/(1)(1)(2)(2)(7)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(3,3)(8,4)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(8,6)(3,5)(1)(1))))= ((1/28)((1/55,44)+(1/210,7))), terwijl de grondslag daarbij voor zowel de ene als de andere opheldering van «musc» (muskus) afkomstig is. De el in de schenker is erg verschillend: (1/(1)(1)(1)(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1) (2)(2)(3,3)(3,4)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(3,5)(3,6)(3,5)(1)(1))))=((1/22,44)+(1/88,2))=0,055, wat veel meer is dan de andere waarde omdat de behandelde moeilijkheid gemakkelijker waar te nemen is.

Methode

Wanneer we de termen gebruikt door een artiest die zowel iets moois als iets interessants wil schrijven, op verschillende manieren combineren, komt dat er eventueel op neer dat we weer bij z’n oorspronkelijke gedachten uitkomen.

Toepassing op Baudelaire

Het kan zijn dat de dichter eerst lange echo’s die elkaar van ver antwoorden, in gedachten heeft gehad en anderzijds de geuren, kleuren en geluiden die in een stadium geraken waarin de effecten ervan zich onderling vermengen: “Comme de longs échos qui de loin se répondent…les parfums, les couleurs et les sons se confondent.” (Als lange echo’s die elkaar van ver antwoorden… vermengen geuren, kleuren en geluiden zich met elkaar.) En dat hij toen tot de grappige ontdekking kwam dat het mogelijk was de woorden van plaats te verwisselen, daarbij hetzelfde aantal lettergrepen en de rijm behoudend: «Comme de longs échos qui de loin se confondent…Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.» (Als lange echo’s die zich van ver vermengen…Antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar.) Eén van z’n vrienden, Asselineau, geeft ons de volgende interessante informatie [39]: «Het bijzondere van zijn werkwijze was z’n concentratie, wat de grote uitwerking verklaart die hij in tekstgedeeltes van bescheiden afmeting, een halve bladzijde proza of een sonnet, verkrijgt. Dat verklaart ook z’n passie voor methodes om teksten in elkaar te zetten, z’n liefde voor schema’s en constructie in spirituele werken, zijn voortdurend bestuderen van combinaties en procédés.» Hij schrijft ook [41]-[542]: «De waarheid is dat Baudelaire langzaam en onregelmatig werkte, hij boog zich wel twintig keer over dezelfde gedeeltes, was urenlang met zichzelf over een bepaald woord in strijd en hield halverwege de bladzijde op met werken om…z’n denkbeeld tijdens een wandeling of een gesprek gaar te "stomen".» 71

§154
· Verkleining van ruimtes bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Laten we twee externe ruimtes verkleinen van de schijf waarin rb[répondent~parfums¹] (antwoorden -geuren) verklaard wordt door vb[N~Nature], een noot die kracht ontvangt van vb[Nature~temple] (Natuur- tempel). We gebruiken daarvoor een draagplaats die als volgt begint: “La Nature est un temple où parfums, couleurs et sons se répondent.” (De Natuur is een tempel waar geuren, kleuren, en geluiden elkaar antwoorden.) De berging levert de el (1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’z’k’k’’ g’j’)))=(1/(1)(1)(2) (1))((2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(6,1)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(6,1)(1)(1)(1))))=½((1/(2)(6,1))+(1/6,1))=0,122 op met de passage over de «paroles» als grondslag. Wat de schenker betreft, die brengt een el voort die overeenkomt met de toegenomen intuïtie: (1/(1)(1)(2)(1))((2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1) (1)(1)(1)(1)))), wat door nivellering neerkomt op ½.

Methode

Aangezien de waarden nooit boven het getal 1 mogen uitstijgen, moeten we ½(½+1) niet laten staan om daarna op ¾ uit te komen, maar verklaren dat volgens onze afspraak 1,5 daalt tot niveau 1 en dat vervolgens ½(1)=½.

Toepassing op Baudelaire

Het steunstukje, dat al op 1 vastgesteld is voor de berging, door de N die zonder twijfel in nauwe betrekking met «Natuur» staat en verder door de onvermijdelijke relatie “Natuur-tempel”, maakt het mogelijk twee externe ruimtes te veranderen, terwijl daarbij een zo’n groot mogelijk gedeelte van de aanvankelijke berekening onveranderd blijft.

§155
· Vergroting van ruimtes bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Met betrekking tot rb[Nature~temple], die verklaard wordt door vb[parfums¹~symboles] die kracht ontvangt van vb[couleurs~symboles], kunnen we nu twee ruimtes vergroten. In de draagplaats komen allereerst de eerste twee versregels, daarna de terzines en tenslotte de rest van de kwatrijnen. De berging levert een el op van (1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’z’k’k’’g’j’)))=(1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(4,1) (5,7)(1)(1))) + (2(1/(1)(1)(2)(2)(4,2)(5,8)(4,2)(1)(1)))) = 1((1/46,74) + (1/204,624)) = 0,025. In de schenker krijgen de externe ruimtes van de twee verklaringen een waarde van 8,7 en 8,8 door de 30 fronten die zich in de terzines bevinden en die nu aan de aantallen 37 en 38 van de oorspronkelijke tekst, tussen «Nature» en «parfums» en vervolgens tussen «Nature» en «couleurs» (kleuren), toegevoegd worden: aanvankelijk 2+(1(37/10))=5,7 en 2+(1(38/10))=5,8 maar na de wijziging 2+(1((37+30)/10))=8,7 en 2+(1((38+30)/10))= 8,8. De el in de schenker is dus nog kleiner dan die in de berging: (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(4,1)(8,7) (1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(4,2)(8,8)(4,2)(1)(1))))=1((1/71,34)+(1/310,464))=0,017. De waargenomen daling ontstaat doordat het moeilijker wordt een verband tussen de ideeën te leggen omdat we de terzines ertussen geplaatst hebben.

Methode

Let wel dat het grootste verlies optreedt in de rekensom (1/71,34)=0,014 die (1/46,74)=0,021 vervangt.

Toepassing op Baudelaire

In alle gevallen wordt de grondslag geleverd door de termen die die verwarde woorden van de tempelpilaren bevatten. De achtste versregel, of wat de verandering ervan maakt, draagt eventueel ook aan dit denkbeeld bij. Het is mogelijk dat Baudelaire aan de natuurlijke elementen, die één geheel vormen, denkt, maar het kan ook wel zijn dat hij het menselijke universum van de liefde, waarvan de symboliek die van de materiële wereld gebruikt, in gedachte heeft. Soms heeft hij, als hij zich in het gezelschap van één van z’n maîtresses bevindt, het gevoel dat hij ontredderd uit een overpeinzing te voorschijn komt, om zich vervolgens op het gevaarlijke terrein van een savanne te begeven [[1109]] in Index II (Gedichten)">[[1109]]: «Vreemde godin, zwart als de nacht,
Gehuld in een geur van muskus en havanna,
Creatie van een wonderdoener, de Faust van de savanne,
Tovenares met je ebbehouten heupen, kind der donkere middernachten

…Als mijn verlangens vrij en verwachtingsvol naar jou uitgaan,
Zijn jouw ogen de bron waar mijn verdriet troost uit put.» Toen een gesprek hem op een idee voor een titel voor zijn gedichtenbundel bracht, was hij ongetwijfeld de mening toegedaan dat de tegenstelling die uit de woorden “de bloemen van het kwaad” spreekt een middel was om zijn meditatie over de schoonheid die leven doet, maar die kwelling veroorzaakt, weer te geven [621]. Als op dergelijke wijze met contrasten gespeeld wordt, komt daar een flinke dosis ironie aan te pas, hetgeen we in de volgende strofe, maar dan op een andere manier, aantreffen [[995]] in Index II (Gedichten)">[[995]]: «Wanneer bij de losgeslagenen de witgouden dageraad
Het gezelschap zoekt van het wroegende Ideaal,
Wordt in de ingeslapen bruut door een geheimzinnige,
Zich wrekende handeling, een engel wakker…»

§156
· Verkleining van ruimtes met spil en een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Laten we in een situatie waarin een spil voorkomt, twee externe ruimtes verkleinen. De el van de berging (1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’z’k’k’’g’j’))) zal hoge waarden aan (k’) en (k’’) toekennen, maar bij de schenker zullen deze waarden dalen. We stellen voor een draagplaats te gebruiken die in plaats van de huidige woorden, eindigt met “…et d'autres, parfums du temple, l'encens, l'ambre, le benjoin, le musc, corrompus, riches et triomphants, ayant l'expansion des choses infinies…” (…en andere, geuren die we in de tempel aantreffen, wierook, amber, benzoë, muskus, bedorven, rijk en triomfantelijk, de uitbreiding van oneindige dingen bezittend…) De schijf rb[corrompus~encens] vb[en~encens], waarvan de laatste noot kracht ontvangt van vb[en~temple], zou in de berging een el moeten hebben die (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(2)(1) (2)(1)(1)(1)(1)(1)))+(2(1/(2)(1)(2)(2)(8,4)(8,4)(8,4)(1)(1)))) bedraagt, een waarde die we helaas niet kunnen meetellen, omdat de variatie 2(1/(2)(1)(2)(2)(8,4)(1)(1)) van vb(en~temple) met “en” dat we van «encens» (wie/wierook) afgenomen hebben, te verwaarlozen is. Voor beide verklaringen is de grondslag te danken aan «sens», dat aan het reukvermogen doet denken, en toch q=q’=1 niet rechtvaardigen kan. De schenker verschaft ons de el (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)))+(2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1))))=1 en het contrast in intuïtief opzicht wekt in deze omstandigheden nauwelijks verbazing.

Methode

Bedenk dat iemand die een grondslag voor de verklaring van een moeilijkheid in z’n eigen werk heeft gevonden, heel vaak kans heeft die moeilijkheid uit de weg te ruimen door de grondslag groter te maken; maar, toegegeven, die handeling zal minder gemakkelijk uit te voeren zijn dan het veranderen van de diverse ruimtes.

Toepassing op Baudelaire

Het valt ons niet moeilijk een imitatie te bedenken met zowel “Natuur” als “tempel” aan het eind en met in het algemeen heel veel neusklanken in de laatste vier versregels, echter alleen op die plaats, om de relatie tussen de corruptie en het zintuig van de reuk te suggereren. De klank van het woord «tempel», dat zich ver van «bedorven» bevindt en dat in contact is gebracht met «Natuur», doet in de huidige tekst daarentegen denken aan de twee belangrijke vormen van het pantheïsme, waarvan de ene inhoudt dat hetgeen de mensen "God" noemen, de wereld is en de andere aan de werkelijkheid een ziel wil toekennen.

§157
· Verkleining van glijstroken en ruimtes bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

De verkleining van glijstroken en ruimtes die we tot stand hebben kunnen brengen door middel van een grondslag die we aan een idee hebben gegeven dat bij de echte tekst heel moeilijk te verdedigen is, kan de mate van aannemelijkheid ervan boven de grens van de minimale waarde uithalen. Voor de schijf rb[corrompus~encens] vb[esprit~encens] (geest-wierook), waarvan de laatste noot kracht ontvangt van vb[sens~encens] (zintuigen-wierook), ondergaat de tekst aan het eind dankzij een draagplaats een grote verandering: “…l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens sont-ils corrompus, riches et triomphants à cause de l'esprit et des sens qui détourneraient les effets de ce qui dépend trop d'eux?” (…zijn amber, muskus, benzoë en wierook bedorven, rijk en zegevierend door de geest en de zintuigen die het effect van wat te veel van hen afhangt zouden ombuigen?) De el van de berging gebruikt 2(1/(1)(1)(2)(2)(2,3)(2)(2)) en 2(1/ (1)(1)(2)(2)(2,4)(2)(2)) in (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(2,3)(3,4)(2)(2)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(2,4)(3,5) (2,4)(2) (2)))). We zien dat de variaties minder dan 0,062 bedragen, want door het ontbreken van een grondslag is g=g’=j=j’=2 bij (1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’z’k’k’’g’j’))) en bijgevolg blijft alles onbruikbaar. Dankzij de schenker neemt de aannemelijkheid toe: (1/(2)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(1)(1)(1) (1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2) (1)(1)(1)(1)(1))))=½.

Methode

De reikwijdte van de metingen wordt beperkt als we het gebied van de nivellering en het klinken betreden. Daar is dit geval een voorbeeld van, omdat t=2 en f=f’=1 het eindresultaat van de berekening niet veranderd zouden hebben: (1/(2)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1) (1) (1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1))))=½(2), wat door nivellering ½(1) wordt. Aangezien een rang een bijzonder steunstukje voor botsingen vormt, moeten we eraan toevoegen dat alle steunstukjes met een waarde van 1 ons ertoe zouden aanzetten te verklaren dat de el een waarde van (1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1) (2)(1)(1)(1)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)(1))))=((1)(2)) en tenslotte van 1 ontvangt door de regel waarvan we de juistheid bewezen hebben.

Toepassing op Baudelaire

Een draagplaats die dat mogelijk zou kunnen maken, zou uit dezelfde tekst als hierboven bestaan, maar dan zonder de vragende vorm en de voorwaardelijke wijs: “…amber, muskus, benzoë en wierook zijn bedorven, rijk en zegevierend door de geest en zintuigen die de uitwerking van wat te veel van hen afhangt, afwenden.”

§158
· Evenwicht van wijzigingen bij een opheldering die kracht heeft ontvangen
Theorie

Wanneer we een draagplaats bedenken die het denkbeeld dat we intuïtief hebben opgevat aan de ene kant positief, maar aan de andere negatief beïnvloedt, moet dat wel tot gevolg hebben dat de situatie grof genomen weer zo is als in het begin. Het verklaren van de begrippen “bedorven wierook” en “geuren die antwoorden of zingen” maakt steunstukjes met een waarde van 2 mogelijk voor de el van rb[corrompus~encens] vb[répondent~parfums¹], een verklarende noot die kracht ontvangt van vb[chantent ~parfums¹]. Al deze ideeën zullen door één en dezelfde draagplaats met elkaar gecombineerd moeten worden: “…les parfums, les couleurs, les sons, se répondent-ils et chantent-ils, en particulier l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens, corrompus, riches et triomphants?” (…antwoorden geuren, kleuren, en geluiden elkaar en zingen ze, vooral wat amber, muskus, benzoë en wierook aangaat, die bedorven, rijk en zegevierend zijn?) Deze zinsverandering zal een verkleining van de drie externe ruimtes veroorzaken en het eindresultaat zou bij enerzijds typerende hoeveelheden die een daling hebben ondergaan, maar bij anderzijds even belangrijke die gestegen zijn, intuïties en numerieke waarden moeten opleveren die weinig van elkaar verschillen. De berging krijgt een grootte van (1/tsmw)((2(1/qepfzkgj))+(2(1/q’e’p’f’z’k’k’’ g’j’)))=(1/(1)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(4,8)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(4,8)(1)(1)(1))))=1((1/(4,8))+(1/ (4,8)))=(2/4,8) of (1/2,4)=0,416, met de eerste regel als grondslag. De schenker levert een soortgelijke waarde op: (1/(2)(1)(1)(1))((2(1/(1)(1)(2)(2)(1)(1)(1)(1)))+(2(1/(1)(1)(2)(2)(1)(1)(1)(1)(1)))) ofwel ½(½+½)=½ =0,5.

Methode

Zeker, de wijziging van de rang die een vermenigvuldiging met ½ van de daarop volgende optelling met zich meebrengt, geeft een andere wending aan de berekening, maar het uiteindelijke resultaat is praktisch gelijk.

Toepassing op Baudelaire

De intuïties leveren, ondanks hun schijnbaar vreemde karakter, eveneens een resultaat op dat hoegenaamd gelijkwaardig is.

§159
· Risico’s van schijven met een zwakke el
Theorie

Laten we, met het doel een brede schijf samen te stellen, proberen enkele ideeën betreffende verklaringen met variaties bestaande uit een som, te vergaren, evenals de moeilijkheden die daardoor wat minder geworden zijn, allereerst vb(Natuur~geuren¹) vb(geuren¹~tempel), die kracht ontvangen van vb(Natuur~kleuren) vb(kleuren~tempel), vb(Natuur~geluiden) vb(geluiden~tempel). Hoewel de verklarende noten schijnbaar te vaag zijn om rb(Natuur~tempel) op te helderen, zijn ze samen toch veelzeggend genoeg om onze belangstelling te vatten. Intuïtief gaat de terughoudendheid daaromtrent echter vergezeld van het angstaanjagende beeld van de grote ruimtes die de metingen ervan opgeleverd hebben: paragraaf 151 heeft ons laten zien dat een schijf met zulke verklaringen die bovendien moeite hebben om opheldering te verschaffen over rb(Natuur~tempel), een el van ongeveer 0,02 bezit. Nu is het zo dat bij een algemene el, voor een schijf die uit voldoende noten samengesteld is, we veel waarden waarvoor geen enkele vermenging bestaat, vermenigvuldigen moeten. Het geheel zou dus door het gewicht van 0,02 omlaaggehaald worden. Daarom zullen we uiteindelijk dat hele, door het ordentlijke karakter ervan toch erg leuke gedeelte moeten vermijden. Paragraaf 128 liet daarentegen zien hoe de serie rb(antwoorden~geuren¹) vb(geuren¹~fris) vb(fris~kleuren), vb(geuren¹~zacht) vb(zacht~kleuren), vb(geuren¹~zegevierend) vb(zegevierend~kleuren), vb(geuren¹~rijk) vb(rijk~kleuren) zonder moeite een waarde van ½ bereikt, enkel door de elementen rb(antwoorden~geuren¹) vb(geuren¹~fris) vb(geuren¹~ zacht) vb(geuren¹~zegevierend) vb(geuren~rijk). Dergelijke noten kunnen dus zonder ernstige gevolgen samen met andere die boeiender zijn, maar eventueel een minder hoge numerieke waarde bezitten, in een schijf voorkomen.

Toepassing op Baudelaire

Onze gedrevenheid helpt ons in een mooie tekst de denkbeelden die eventueel mogelijk zijn te vinden, maar als we een schijf samenstellen, moeten deze door de zeggingskracht ervan bevestigd worden en als we zien welk lot een honderdtal persoonlijke interpretaties van de voornaamste vertolkers van „Samenspel“ sinds de publicatie van het sonnet hebben ondergaan, is dat een bewijs dat de beste daarvan algemeen aanvaard worden.

Methode

Het meehelpen bepalen van wat wezenlijk belangrijk is, vormt exact het doel van deze methode, zelfs als, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, het gevaar blijft bestaan dat daarmee meer een bijdrage aan de veronderstellingen dan aan de wetenschap wordt geleverd.

§160
· Een waardevolle schijf
Theorie

We zullen in één en dezelfde schijf eerst eens rb(antwoorden~geuren¹) vb(geuren¹~fris) vb(fris~ kleuren), vb(geuren¹~zacht) vb(zacht~geluiden), vb(kleuren~zegevierend) vb(zegevierend~geluiden) gebruiken en vervolgens rb(pilaren~woorden) vb(N~Natuur); rb(Natuur~tempel) vb(N~Natuur); rb(blikken~ symbolen) vb(N~Natuur); rb(gadeslaan~symbolen) vb(N~Natuur); rb(bedorven~wierook) vb(vervoeringen~ zintuigen); rb(bezingen~geuren¹) vb(geuren¹~hobo’s). Om de daling tot lage numerieke waarden te beperken, is het nodig een bepaalde, intense verklaring opnieuw te gebruiken, zoals vb(N~Natuur) en een ruimte te zoeken die steeds heel gering is. De eerste noten, zeven in totaal, zijn ½ waard dankzij de botsing rb(antwoorden~geuren¹) met een stroming van ½ en de twee verklaringen vb(geuren¹~fris) vb(geuren¹~zacht) die, elkaar wederzijds kracht gevend, 1 opleveren, wat het maximum niveau is. Het resultaat is dus ½ (1)=½. De vier daarna genoemde botsingen krijgen een stroming bestaande uit 1 die geen schade aan de schijf kan toebrengen en dezelfde verklaring vb(N~Natuur) doet overal z’n invloed gelden, maar wordt voor de variatie ervan die ½ bedraagt, slechts éénmaal meegeteld door het instellen van de vermenging. Deze hoeveelheid, die telkens uit 2(1/(2)(1)(2)(1)(1)(1)(1)) bestaat, is steeds in het bezit van glijstroken door één enkele grondslag: de achtste regel. Anderzijds blijft de waarde van de externe ruimtes in de bestudeerde gevallen 1, met name door «er» in de derde regel die de samenhang in het eerste kwatrijn veilig stelt. Tot hiertoe bedraagt het product dus ((½)(½))=¼. Daarna volgt het koppel rb(bedorven~wierook) vb(vervoeringen~zintuigen) dat er niet zo mooi uitziet als rb(bedorven~wierook) vb(wierook~zintuigen), maar dat het voordeel heeft een interne ruimte van 1 te bezitten wat vb(vervoeringen~zintuigen) betreft en een externe ruimte van 1 wat de relatie met de botsing aangaat, hetgeen (1/(1)(1)(1)(1))(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)(1)))=1 oplevert voor deze kleine schijf die midden in de grote dienst doet. Het spreekt vanzelf dat de grondslag te danken is aan het woord «zintuigen» dat nu heel nuttig is, hoewel het uit het belangrijke gedeelte van deze opheldering is verwijderd. Het totale product blijft gehandhaafd op ¼, omdat ¼(1) immers gelijk is aan ¼. Nu blijven dus rb(bezingen~geuren¹) vb(geuren¹~hobo’s) nog over. De botsing heeft een stroming van 1/(1)(1)(2)(1) door «bezingen», dat in figuurlijk opzicht een rol speelt. De verklarende noot krijgt een variatie van 2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1)), waarbij de grondslag van de achtste regel opnieuw z’n nut bewijst. De waarde van de externe ruimte kan niet minder dan 1 worden, door het feit dat de denkbeelden waarop we door de tegenstellingen binnenin de terzines zijn gekomen, een eenheid tussen de termen aanbrengen en dat door de twee hoeveelheden aangaande de interne ruimtes een niveau van 1 gehandhaafd wordt. De totale waarde voor de el komt neer op (¼)((1/(1)(1)(2)(1))(2(1/(1)(1)(2)(1)(1)(1)(1))))=(¼)(½)(1)=⅛=0,125.

Methode

Zo ontkomen interpretaties waarin geen grote risico’s worden genomen, aan een el die belachelijk gering is, maar werpen anderzijds ook geen enkel nieuw licht op de geschriften die sinds tijden op erudiete wijze bestudeerd worden.

Toepassing op Baudelaire

Zodra we op meer gedurfde wijze proberen de poëzie van Baudelaire te begrijpen, stort het resultaat in elkaar, maar dat weerhoudt ons er juist van om een bepaalde, slecht gefundeerde vondst, als een zekerheid te presenteren. Derde Deel: DE INVLOED VAN EEN IDEE OP DE RELATIES TUSSEN TWEE ANDERE