De aannemelijkheid, gemeten

Een interactief instrument gebouwd op de Nederlandse uitgave van Inhoud en Afstand van Michel Magnen — vertaald door W.H. Martin-van den Berg — en eerst toegepast op Baudelaires Samenspel.

Over dit instrument. De teksten op deze pagina steunen rechtstreeks op de Nederlandse vertaling van Michel Magnens boek door W.H. Martin-van den Berg. De woordenschat (aannemelijkheid, botsing, knelpunt, stroming, versterking, storing, steunpunt, constructie…) is die van de vertaler. Het gedicht wordt hier in zijn Nederlandse vertaling getoond; u kunt met de knop op elk moment terugkeren naar het Franse origineel. Het volledige werk — in 9 delen — is beschikbaar in de Nederlandse uitgave van het boek.
Samenspel
De Natuur is een tempel waar levende pilaren
Soms verwarde woorden uit loslaten;
De mens gaat er wouden van symbolen
Door die hem met vertrouwde blikken gadeslaan.
Als lange echo’s die zich van ver vermengen,
In een duistere en diepe eenheid,
Weids als de nacht en als de dag,
Antwoorden elkaar geuren, kleuren en klanken.
Er zijn geuren, fris als kinderhuid,
Zacht als hobo’s, groen als de weiden,
— En andere, bedorven, rijk en zegevierend,
Met de uitbreiding van oneindige dingen,
Zoals amber, muskus, benzoë en wierook,
Die de vervoeringen van de geest en de zintuigen bezingen.
La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles ;
L'homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l'observent avec des regards familiers.
Comme de longs échos qui de loin se confondent,
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.
Il est des parfums frais comme des chairs d'enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
— Et d'autres, corrompus, riches et triomphants,
Ayant l'expansion des choses infinies,
Comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens,
Qui chantent les transports de l'esprit et des sens.
Baudelaire, De bloemen van het kwaad, 1857 — Nederlandse vertaling

§1Van woord tot paradox

Michel Magnens boek opent met twee intuïties. Ten eerste: een wezenlijke afstand tussen de woorden van één en dezelfde redevoering, bij afwezigheid van elk formeel verband tussen het ene en het andere, wist de samenhang ervan uit. Ten tweede: indien in eenzelfde redevoering twee tegenstellingen of schijnbare tegenstellingen die qua inhoud veel op elkaar lijken naar voren worden geschoven — de éne nadrukkelijk gepresenteerd, de andere slechts geschetst — dan verschaft de eerstgenoemde de tweede extra kracht.

Uitgaande van deze beide inzichten ontvouwt de auteur een streng meetsysteem — naar de geest ontleend aan de kansrekening, doch daarvan onderscheiden — dat het mogelijk maakt voor elke betekenis-toenadering in een tekst haar kracht en aannemelijkheid te beoordelen. Deze toepassing ontvouwt de begrippen stap voor stap en stelt u vervolgens in staat ze zelf te berekenen.

Om een tekst te analyseren begint Magnen met het opstellen van elementaire objecten van uiterste strengheid. Elk krijgt een strikte definitie die precies afbakent waarover men wil spreken — en wat men daarmee niet mag verwarren.

Grondbegrip
Het vakje

Een vakje dient zich aan als een losstaand woord van een unieke tekst, dat op één plaats hiervan wordt gegeven. Als een woord terugkomt, is dat steeds opnieuw in de hoedanigheid van een nieuw vakje.

Voorbeeld: „geuren" verschijnt in vers 8 en opnieuw in vers 9 — twee verschillende vakjes, geïndexeerd geuren¹ en geuren², ook al is de betekenis vrijwel gelijk.
Verwijzingsverschijning
Het steunpunt

We spreken van een steunpunt wanneer een verschijnsel hardnekkig in de tekst blijft voorkomen en men het gebruiken kan om deze te begrijpen. Er bestaan drie soorten: betekenissen (een definitie die vaststaat ten aanzien van de tekst), regels (een grammaticaregel die onherroepelijk van toepassing is op bepaalde woorden), en voorwerpen (een door de tekst beschreven ding waarvan het aanschouwen dient om het beter te begrijpen).

Voorbeeld: In „De Natuur is een tempel waar levende pilaren" eist de grammatica dat „waar" verwijst naar „tempel". Dat is een regel-steunpunt.
Het vreemde
De storing

Een storing is een betekenis die voor het publiek van de tekst waarin hij wordt uitgedrukt, een ernstige moeilijkheid vormt of verwondering bij hen wekt, die niet weg te nemen is door, op welke wijze dan ook, een beroep te doen op een steunpunt.

Voorbeeld: „Natuur-tempel", „levende pilaren", „wouden van symbolen die toekijken", „de geuren antwoorden elkaar", „bedorven geuren"… evenzovele storingen.
De elementaire uitspraak
De uitspraakb(A–E) of d(A–E)

Een uitspraak is een bewering in een directe formule, waarvan de leden op zichzelf geen formule vormen — de elementaire keuze: kan men twee vakjes van de tekst beter verbinden (genoteerd b) of scheiden (genoteerd d)? De volgorde van de termen doet er niet toe: b(Natuur–tempel) en b(tempel–Natuur) zeggen strikt hetzelfde.

Lezing: b(Natuur–tempel) = „om Baudelaire te begrijpen kan men ‘Natuur’ en ‘tempel’ beter verbinden dan tegenover elkaar plaatsen".
Centraal object
Het knelpunt

Een knelpunt bestaat uit een oogmerk dat gemaakt is om een storing te beschrijven — een onherleidbare uitspraak. Voor de formule van dergelijke uitspraken plaatst men een r ervoor, om ze beter te kunnen onderscheiden.

Voorbeeld: rb(bedorven–wierook) — wierook is traditioneel rein (priesters die wierook gebruiken, nemen een tegenovergesteld standpunt in); „bedorven" toepassen op „wierook" levert dus een storing op. Deze verbinding ondanks de bevreemding vol te houden vormt een knelpunt.
Een front = een woord dat onmisbaar is om de betekenis te dragen, telbaar in telegrafische stijl. Lidwoorden, voorzetsels en voegwoorden zijn dat niet. Alle termen van een solide knelpunt tellen als fronten.

§2De aannemelijkheid van een knelpunt meten

Hier ontvouwt zich Magnens eigenlijke bijdrage. Wanneer een knelpunt is vastgesteld, hoe kan men getalsmatig schatten in welke mate de auteur deze betekenisverbinding werkelijk heeft gewild — in tegenstelling tot een door de lezer geprojecteerde illusie?

De auteur definieert daartoe vier schommelingsfactoren: (t), (s), (m), (w). Elk is de getalsmatige tegenhanger van een oorzaak van zwakheid van de betekenis. De totale schommeling is hun product; de eigen aannemelijkheid — de stroming — is het omgekeerde van de schommeling.

# Schommeling van een knelpunt schommeling = t × s × m × w # Stroming (betekeniskracht) = omgekeerde van de schommeling stroming = 1 / ( t × s × m × w )

De vier factoren

t — Rang

De rang meet of de positie van de uitspraak (verbinden of scheiden) eenduidig of omkeerbaar is.

  • t = 1: slechts één positie levert een solide uitspraak op. De tekst sluit de andere uit. Voorbeeld: rb(Natuur–tempel) — de tekst bevestigt deze verbinding; scheiden zou ongerijmd zijn.
  • t = 2: beide posities (b en d) leveren solide uitspraken. Het knelpunt wordt door zijn tegendeel uitgedaagd.
s — Interne verwijdering

De interne verwijdering meet de afstand tussen de twee termen in de tekst, geteld in fronten.

Beschikt het knelpunt over een uitdrukkelijke constructie (de grammatica of syntaxis maakt de betrekking onloochenbaar), dan geldt automatisch s = 1.

Anders: s = 2 + (n / 10), waarbij n het aantal fronten tussen de twee termen is (telegrafische stijl).

Voorbeeld: Voor rb(bedorven–oneindige) telt men 5 fronten tussen de twee termen (rijk, zegevierend, uitbreiding, dingen, oneindige) — dus s = 2 + 0,5 = 2,5.
m — Linker schommeling

De schommeling meet of de term beschikt over een uitwijkbetekenis — dat wil zeggen een rivaliserende, gewonere betekenis die het toelaat de betekenisbotsing te ontwijken.

  • m = 1: de linker term heeft geen uitwijkbetekenis om het knelpunt te omzeilen.
  • m = 2: de term bezit een uitwijkbetekenis (figuurlijke zin, secundaire betekenis, enz.) die als afleiding kan dienen.
Voorbeeld: In rb(antwoorden–geuren) heeft „antwoorden" een figuurlijke betekenis (corresponderen, weerklinken) die de bevreemding van de toeschrijving aan geuren verzacht. Dus m=2.
w — Rechter schommeling

Spiegelbeeld van m, maar voor de rechter term.

  • w = 1: geen uitwijkbetekenis voor deze term.
  • w = 2: een uitwijkbetekenis maakt het mogelijk het knelpunt te ontwijken.
Voorbeeld: Voor rb(bedorven–wierook) kan „wierook" ook „lofprijzingen" betekenen (figuurlijk, zoals in „iemand bewieroken"), wat de paradox verzacht — lof kan bedorven zijn. Dus w=2.

§3Uitgewerkt voorbeeld: rb(bedorven–wierook)

Laten wij dit alles toepassen op het meest emblematische knelpunt van het sonnet. Baudelaire beweert dat sommige geuren „bedorven" zijn en noemt onder hen de wierook — die voor de religieuze traditie juist de belichaming van het reine is. Een paradox die gemeten moet worden.

FactorWaardeToelichting
t (rang)1De tekst bevestigt zonder aarzeling dat de wierook bedorven is. Scheiden is geen optie.
s (interne verwijdering)1Uitdrukkelijke constructie — de passage verbindt de termen helder: „andere, bedorven, rijk en zegevierend… amber, muskus, benzoë en wierook".
m (linker schommeling)1„rijk en zegevierend" sluit uit dat „bedorven" louter fysiek wordt gelezen (organisch bederf). Geen uitwijkbetekenis.
w (rechter schommeling)1De figuurlijke betekenis van „wierook" (lof) ligt ver weg in deze door concrete geuren beheerste passage.
# Stroming van rb(bedorven–wierook) schommeling = t·s·m·w = 1·1·1·1 = 1 stroming = 1 / schommeling = 1

Een stroming van 1 is de maximaal mogelijke waarde: rb(bedorven–wierook) is een volkomen aannemelijk knelpunt, stevig verankerd in het denken van de dichter.

§4Wanneer een knelpunt het andere versterkt

Magnens belangrijkste theoretische bijdrage ligt nog elders. Hij stelt vast dat knelpunten niet geïsoleerd staan: sommige naburige versterken elkaar wederzijds. Een krachtig knelpunt kan een broos dragen, door werking van versterking.

De tandem
De versterkingh′/c

Een versterking bestaat uit een numerieke tegenwaarde van een toename in betekeniskracht, een meting die we alleen maar met betrekking tot botsingen die met z'n tweeën een tandem vormen, uitvoeren. Wanneer twee botsingen (solide knelpunten) een gemeenschappelijke term delen, kunnen zij een tandem vormen. De versterking die de ene ontvangt, bedraagt:

versterking = stroming_van_de_buur / c waarbij c de uitwendige afstand tussen de twee knelpunten is
Voorbeeld: rb(bedorven–tempel) ontvangt van rb(bedorven–wierook) (stroming = 1) een versterking van 1/8,4 ≈ 0,119, wat het knelpunt duidbaar maakt al is het op zichzelf zeer broos.
Totale aannemelijkheid
Het netwerk

Het netwerk is een hoeveelheid die slechts met betrekking tot een botsing vastgesteld wordt, en het onderscheidt zich in niets van de stroming, als het geen enkele versterking of stimulans krijgt. Ontvangt het knelpunt dergelijke bijdragen, dan is het netwerk zijn totale aannemelijkheid: de som van zijn eigen stroming en van alle versterkingen (en stimulansen) die het ontvangt.

netwerk(botsing) = stroming + Σ versterkingen + Σ stimulansen

Het is het netwerk — en niet de stroming alleen — dat werkelijk de stevigheid van een interpretatie meet. Een zwak, geïsoleerd knelpunt kan voor schijn doorgaan; goed gestut door andere wordt het onontkoombaar.

§5Van knelpunten naar noten

Vanaf het tweede deel van het boek breidt Magnen de methode uit tot alle teksten — niet alleen tot die waar de auteur willens en wetens paradoxen wil scheppen. Het mechanisme verloopt via de noten.

Uitgebreid begrip
De noot

Een noot wordt vaak weergegeven door middel van b(A~E) of d(A~E) met A en E als sporen (waarbij een spoor ofwel een term, ofwel een spil is — een betekenisdrager: leesteken, positie, opbouw). Haar gewicht — de variatie — wordt met dezelfde middelen gemeten als die van een knelpunt. Magnen vervangt het begrip knelpunt door het bredere noot en de stroming door de variatie.

  • Probleem-noot (genoteerd r): beschrijft een geringe of ernstige moeilijkheid in de tekst.
  • Verklarende noot (genoteerd v): becommentarieert een probleem-noot om haar te verzachten.
  • Neutrale noot (genoteerd o): stelt vast, zonder probleem en zonder verzachting. Vergelijkbaar met een voetnoot.
Opmerking: In de latere delen (8 en 9, over koppels beeldspraken en koppels interpretaties) ontwikkelt Magnen nog uitgebreidere structuren (gommen, wielen, stromen, paviljoenen, modules) die het bereik van dit interactieve instrument te boven gaan. Deze toepassing brengt de begrippen van de delen I–IV in de praktijk, waar de kern van de methode ligt.

Opmerking: Dit instrument presenteert de methode in beknopte vorm, aan de hand van haar vijf kernbegrippen. Het volledige werk van Michel Magnen, Inhoud en Afstand, ontvouwt de theorie in 9 delen (Paradoxen, Veralgemening, Invloeden, Analogieën, Korte stijlfiguren, Opzettelijke intrusies, Samenhang, Koppels beeldspraken, Koppels interpretaties), die elk een bijzonder aspect van de aannemelijkheid van een interpretatie verkennen.

De aannemelijkheid, gemeten

U voert een in een tekst vastgesteld knelpunt in. Het instrument berekent voor u de schommeling en de stroming — en, indien u verdere knelpunten aanlevert, de versterkingen en het netwerk.

Handleiding: Het literaire oordeel blijft bij u. Het instrument berekent getrouw de formules van Magnen op basis van de beoordelingen die u verstrekt (rang, uitdrukkelijke constructie of niet, aanwezigheid van uitwijkbetekenis). Zijn uw beoordelingen juist, dan is de uitkomst juist.

De geanalyseerde tekst

U kunt deze tekst aanpassen om eender welke passage te analyseren.

De aannemelijkheid van een knelpunt berekenen

Het eerste woord of de eerste woordgroep
Het tweede woord of de tweede woordgroep
Bevestigt men de verbinding (b) of de scheiding (d) van de twee termen?

Vastgelegde knelpunten

Knelpuntt·s·m·wSchommelingStromingActie
Nog geen knelpunt vastgelegd.

Versterking tussen twee botsingen berekenen

Een versterking vereist twee botsingen met een gemeenschappelijke term en dezelfde positie van de uitspraak. De formule: ontvangen_versterking_h = stroming(buur) / c, waarbij c de uitwendige afstand is.

Als beide botsingen elk een uitdrukkelijke constructie bezitten en de grammatica hun verband afdwingt, c = 1. Anders c = 2 + (n/10), waarbij n het aantal tussenliggende fronten is.

Netwerk van een botsing berekenen

Voer de reeds berekende versterking-/stimulanswaarden in, bijvoorbeeld: 0.119, 0.008, 0.26