Ontvangst van het essay

De ontvangst van „Inhoud en Afstand“ door René Thom

Brief van de wiskundige René Thom (Fields-medaille 1958) aan Michel Magnen, gedateerd 21 december 1994, in 2003 gepubliceerd door het IHÉS.

Brief van René Thom, gepubliceerd door het IHÉS

Inleiding

René Thom koesterde een filosofische ambitie in die tak van de wiskunde waarin hij uitblonk: die van de vormveranderingen. Hij ontving in 1958 de Fields-medaille voor ontdekkingen op dit gebied. Hij kon vervolgens, omstraald door dit succes, zijn denken verder ontvouwen door uitstapjes buiten zijn grondvakgebied te maken. Met name hebben de biologie en de taalkunde hem geïnteresseerd. Hij is echter trouw gebleven aan de vraag naar de aard van de vorm die die van zijn wiskundige werken was. Aangezien het de menselijke geest is die de door hem in de werkelijkheid gevatte vormen denkt, ziet Thom zich ertoe gebracht de vraag van de vormen van de geest te behandelen, uitgaande van die van de geometrische vormen, en zo wordt hij onmiddellijk filosoof door in één en dezelfde vraag twee voorwerpen te verenigen. Hij vertrekt van de geometrische vormen, dus veeleer van het in de wereld vindbare voorwerp. Hij komt aan de vormen van de geest, houdt zich dus veeleer bezig met het denken dat deze wereld denkt.

De weefsels van de sociale determinismen brachten met zich mee dat mijn ouders met de grote wiskundige verbonden waren, via de protestantse parochie van Palaiseau. Ik ben dus moeiteloos met hem in contact gebracht ter gelegenheid van het eerste deel van „Inhoud en Afstand“. Men kan hier de brief raadplegen — die ik overigens niet geheel goedkeur of begrijp — die hij mij bij die gelegenheid zond, een brief die de directie van het IHÉS in 2003 publiceerde in de verzamelde werken van de geleerde.

Michel Magnen


Brief van René Thom

Bures-sur-Yvette, 21 december 1994

Aan de heer Michel Magnen

Mijnheer,

Uw zending „Inhoud en Afstand“ — waarvan ik verre van alle rijkdommen heb opgenomen — heeft mij enthousiast gemaakt. Laat ik meteen, om u gerust te stellen, zeggen dat ik er geen enkele grove fout in heb opgemerkt. Maar ik ben verre van alle begrippen van een rijke terminologie te hebben beheerst. Ik heb niets van een logicus, en ik ben niet zeker van de volkomen samenhang van uw numerieke evaluaties. Wat mij in uw werk werkelijk heeft aangetrokken, is deze poging om een „ruimte van de betekenden“ te overwegen waarin men een afstand d(p, q) tussen twee betekenden (p) en (q) zou kunnen definiëren. Op zichzelf is dit voornemen geenszins onredelijk. Ik weet niet meer welke analytische filosoof (N. Quine?) opmerkte dat men voor elke fonetisch correcte uitdrukking van een taal (F) (zoals Abracadabra in het Frans) een context kan vinden waarin zij zin krijgt. (Bijvoorbeeld indien Abracadabra het wachtwoord is om een citadel binnen te gaan.) Vanaf dan verliest het saussureaanse onderscheid tussen betekenaar en betekende veel van zijn belang. Men zou veeleer moeten zeggen dat er voor elk in een taal gebruikelijk betekende een eindig aantal „generische“ contexten is waarin elke context een specifieke zin doet ontstaan. En de zin is des te gebruikelijker naarmate de verzameling van de bijbehorende contexten ruimer is, naarmate zij minder voorbereiding vereist, naarmate haar codimensie in deze functionele ruimte van contexten geringer is. Men kan zelfs geloven dat voor een gebruikelijke uitdrukking de verzameling van de bijbehorende contexten een betrekkelijk dichte verzameling vormt in de algemene ruimte van de contexten (die een topologie erft van de ruimtelijk-tijdelijke ruimtelijkheid). In die zin verschijnt uw poging om numeriek een afstand d(a, b) tussen twee betekenden (a, b) te definiëren als redelijk; men mag misschien hopen er de driehoeksongelijkheid d(a, c) < d(a, b) + d(b, c) in te verifiëren, dat zou het geval zijn voor de afstand gedefinieerd door het aantal „vakjes“. Hoe het ook zij, uw evaluaties van de semantische afstand kunnen slechts aanspraak maken op een „kwalitatieve“ geldigheid (in de zin van het adagium van Rutherford: „Kwalitatief is niets anders dan slecht kwantitatief…“). Het zijn geen natuurkundige wetten! Laten wij iets verder gaan in uw analyse van het „poëtische“. Een dichter die ik heb gekend, vertelde mij dat men volgens hem de poëzie van het „poëtische“ moest onderscheiden. Terwijl het poëtische in het algemeen vertaalbaar is, behouden blijft van de ene taal naar de andere — laten wij de tekst van Genesis in het Frans, Duits, Engels vergelijken… —, is de poëzie zelf in het algemeen onvertaalbaar van de ene taal naar de andere. Ik weet niet of u dit onderscheid zou goedkeuren: wat denkt u ervan? Nadenkend over uw analysemethode, herinnerde ik mij een verbazingwekkende passage bij Aristoteles: aan het begin van De Generatione Animalium (G.A., 734 a, 15–20) vermeldt Aristoteles een orfisch gedicht waarin wordt gezegd dat de vorming van een embryo lijkt op het vervaardigen van een vissersnet. Deze metafoor, op uw geval toegepast, zou zeggen dat het gedicht zich in de geest van de dichter — of in die van zijn lezer — vormt zoals het embryo zich in de moederschoot vormt. Door gebruik te maken van de analogie van het orfische gedicht (helaas onbekend!) wil ik aldus uw poging illustreren: het gedicht is in wezen een tekst (ik laat zo enkele (post)moderne pogingen terzijde die ik liever niet kwalificeer). Het omvat dus van zin doordrongen woorden die door grammaticale relaties worden verbonden. Deze relaties vormen een grote graaf (naar Tesnière) (G) waarvan de kanten worden gevormd door die uiterst stevige „valenties“ die de syntactische verbindingen zijn. Het is het skelet dat de „schering“ van het net zal vormen, het is uw „pit“ (?). Vervolgens verschijnen de fonologische verbindingen gevormd door de alliteraties, van vers tot vers of binnen een vers. Hier lijkt het een resonantieverschijnsel van golfachtig type te zijn dat men moet aanvoeren: een identificatie tussen een klank van een foneem en een boventoon van een ander verbonden foneem. Ten slotte zal aan het weefsel — schering en inslag van het aldus gevormde net — de semantische resonanties worden toegevoegd die door het (volledige of gedeeltelijke) begrip tussen versfragmenten worden opgewekt, lange verbindingsdraden (inslagen) van het weefsel. Het door inslag en schering gevormde weefsel behoorde tot het domein van het poëtische; het effect toe te voegen dat door de samenloop van de eerste resonanties met de poëtische resonanties tussen betekenissen wordt opgewekt, zou het domein van de poëzie in eigenlijke zin zijn (zie „De schijf van de aderen gemaakt van gedachte“, P. Eluard.) Ik zou graag de in het net gevangen vis zien als een „attractor“ van een dynamiek voortkomend door resonantie uit deze drievoudige oorsprong. Uw analysemethode bestaat erin een knoop van het net door vervorming te rekken: men verstoort een associatie (u, v) door (v) door v_ te vervangen en beoordeelt de „stabiliteit“ van (u, v_). In het algemeen verzwakt de resonantiewerking. Men begrijpt dat, na voldoende knopen te hebben ontleed, u uiteindelijk vaststelt dat het net leeg is en dat alle leven, alle poëzie eraan is ontsnapt. Dit is het droevige lot van elke reductionistische techniek, in de poëtica zoals in de (experimentele) biologie. In die zin is „Inhoud en Afstand“ onbetwistbaar een wetenschappelijk werk, bijna een laboratoriumprotocol. Ik wil hopen dat de technici van de harde wetenschappen (natuurkunde, biologie) zijn aard zullen weten te erkennen en dat ten minste enkelen ontvankelijk zullen zijn voor de bijzondere en krachtige geest die het bezielt. En dat de technici van de poëzie de verdiensten zullen weten te waarderen van de inspanning die u hebt geleverd om op dit gebied de bronnen van de schoonheid te bepalen…

René Thom
Emeritus hoogleraar aan het I.H.É.S.

Mij aanbevolen aan uw ouders

Transcriptie van de brief uit de in 2003 op CD-ROM verschenen verzamelde werken van René Thom aan het Institut des Hautes Études Scientifiques (IHÉS), in de afdeling correspondentie van het jaar 1994: „Brief aan de heer Magnen, 21.12.94“.


De redacteurs van het internettijdschrift LALIF

Het online tijdschrift LALIF maakt de balans op van de huidige bijdragen aan de taalkundige kennis op het gebied van het Frans en de verwante talen. Het is ontstaan in de schoot van de Universiteit Toulouse II-Le-Mirail.

De redacteurs van het tijdschrift hebben ons aangeboden het eerste deel van „Inhoud en Afstand“ te publiceren in het nummer van 10 januari 2002: Publicatie-Michel Magnen. Het volgende jaar hebben zij er ook in toegestemd een inschuif over ons essay op te nemen in een ander nummer: Na-Publicatie-Michel Magnen.