Theoretisch kader

Definitie en inleiding tot de filosofie

Presentatie van de filosofie als poging tot synthese, onderzoek en discussie van de grondslagen van de werkelijkheid — die het essay in zijn theoretische kader plaatst.

Definitie van de filosofie

Het woord „filosofie“, en datgene waarvan het zelf is afgeleid, evenals zijn equivalenten in de verschillende talen, hebben afhankelijk van tijdperken, auteurs en contexten betekenissen gehad die varieerden van de „volledige wijsheid, tegelijk theoretisch en praktisch“, tot het „onderzoek“. Grotendeels in het verlengde van deze betekenissen vatten wij de filosofie heden ten dage op als tegelijk een poging tot synthese van de door de bewijsgevende wetenschappen verkregen resultaten, een onderzoek in de gebieden van de kennis die deze wetenschappen niet — of nog niet — bestrijken, en een discussie van de grondslagen van de werkelijkheid evenals van het denken dat haar overweegt, wat betreft de kenniseenheden, de vastgestelde dingen, de producties, handelingen en voornemens. Zij verwoordt de huidige kennis van de grondslagen van alle disciplines en neemt het debat hierover op. Indien het schone is wat als model wordt genomen, dient men zich af te vragen hoe een bewijs of een geometrische figuur die „schoon“ wordt genoemd het model van de geometrische werkzaamheid levert — en dit is voorwerp van discussie. Men zal gemakkelijk meer voorbeelden vinden om vorm te geven aan de hier voorgestelde definitie van de betrokken discipline. De filosoof moet in de loop van zijn studie of door zijn omgang de uitrusting van de reeds verworven grondkennis hebben verkregen, evenals op de hoogte zijn van de rivaliserende stellingen die haar betreffen, en, ten slotte, hij moet — althans subjectief, middels enige beschouwing — deelnemen aan de discussie hierover. Zo richt de meetkunde bijvoorbeeld een driehoek op met drie hoekpunten die punten zijn, en de filosofie zal zich afvragen of de punten in de natuur bestaan dan wel of het verbeeldingen zijn die van de mens uitgaan om de natuur te begrijpen. De natuurkundigen, scheikundigen en biologen voeren experimenten uit om verbanden van oorzaak en gevolg tussen verschijnselen aan te tonen, en de filosofen onderzoeken of er een feit zonder oorzaak kan bestaan. De techniek brengt nagenoeg met zekerheid haar producties voort, en de filosofie wil weten of de waarheid is wat slaagt — en wanneer. De taalkundige bestudeert één of meerdere talen, maar daarbuiten vraagt de filosoof zich af waarom men in het Frans naargelang het geval „fleuve“ of „rivière“ kan zeggen wanneer men een grote waterloop wil aanduiden, terwijl men in het Engels enkel „river“ zegt. Kortom, een propositie is filosofisch indien zij raakt aan de beginselen van de algemene kennis of aan die van een bepaald kennisgebied, of ook aan de uitspraken over de veronderstelde elementen van het heelal, waarvan de aspecten door deze of gene wetenschap worden beschreven. De voor het eerst door Prout gepubliceerde stelling, volgens welke alle lichamen van de wereld bestaan uit dezelfde dingen als waterstof, is een filosofische gedachte omdat zij raakt aan de grondslagen van het lichaamsbegrip en aan die van het heelal, zelfs indien een scheikundige of een natuurkundige het belang ervan gemakkelijker inziet dan de specialist van een andere kennisbranche. Laten wij onder de grote filosofische vragen er enkele uitlichten, geschikt om eenieder te leiden naar die welke aan de oorsprong staan van het hier voorgestelde essay, vertrekkend van algemeenheden die alles betreffen wat wij aan producties, handelingen, voornemens en kennis hebben: 1.°) „Hoe en waarom leidt onze historisch te plaatsen cultuur onze subjectiviteit nu eens naar de feiten, dan weer naar de dagdroom?“ 2.°) „Kan de subjectiviteit iets anders zijn dan gedeeltelijke objectiviteit?“ Wat wij ook doen of denken, de werkelijkheid is overal. Wanneer rails een fabriek verlaten, is het zeker dat er menselijke bewerking is, maar het ijzer is uit de bodem gehaald. Wanneer wij heden de zon waarnemen, zien wij haar niet meer als een hemellichaam dat rond de aarde draait. Het collectieve denken is veranderd, zodat wij het object individueel niet meer op dezelfde wijze waarnemen als de meesten van onze verre voorvaderen. Maar wie zal het bestaan van de hemellichamen ontkennen? Eenmaal dit toegegeven, stellen wij vast dat het Frans en het Duits hetzelfde hemellichaam niet op dezelfde wijze opvatten: het Frans ziet de zon veeleer als mannelijk — „le soleil“ —, terwijl het Duits haar veeleer als vrouwelijk ziet — „die Sonne“. Een te stellen vraag is dus de volgende: „Zijn het, voorbij de uit de wetenschap stammende verstaanselementen die ons onderscheiden van de mensen van bepaalde tijdperken en van een veelheid van andere samenlevingen, ook verschillende porties aan dagdroom, die in sommige culturen als algemene ideeën worden erkend doch in andere worden veronachtzaamd of terzijde geschoven, die de tegenstelling vormen tussen onze opvatting van de zon en die van vele collectieve denkwijzen die aan de onze voorafgingen of er heden van verschillen?“

Filosofie en interpretatie van de teksten

Laten wij ons nu verder richten op de teksten. Wanneer wij een tekst interpreteren, bestaat het probleem erin te weten of de tekst ook werkelijk zegt wat wij erin begrijpen. Aldus dringt zich de moeilijkheid op die de aannemelijkheid van iedere interpretatie betreft die wij van een werk geven: „Wat is de zin van dit werk zoals de auteur die op de dag van zijn publicatie aanbood?“ Wij lopen het gevaar de zin die een zeer onbedachtzame uitlegger eraan verleent voor de werkelijke oorspronkelijke zin te houden. Men zal opmerken dat deze vraag een bijzondere is ten opzichte van de hierboven uiteengezette zienswijze, want hier zijn er twee denkende subjecten, de auteur en de uitlegger, terwijl er bij de zon enkel het object was en één enkel denkend subject: de uitlegger. Echter kan men de auteur en de tekst beschouwen als één en hetzelfde object om zich opnieuw in de positie te plaatsen het object opnieuw te onderzoeken tegenover de uitlegger. Wij hebben in het begin de volgende vraag te behandelen: „Wat is de aannemelijkheid dat de auteur werkelijk heeft willen zeggen wat wij in zijn tekst begrijpen?“ Dit is de stof van het begin van ons essay.